⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Inleiding en Afbakening van het Onderwerp⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ook van mijn kant een hele goede avond en dankjewel voor dit welkomstwoord. Wij gaan verder met onze bestudering van de Korinthebrief. We waren gearriveerd in het tiende hoofdstuk en dat gaan we, als het even meezit, vandaag afsluiten. Ik wilde dat inderdaad op die manier doen en niet verder gaan met hoofdstuk 11. Het was eigenlijk mijn bedoeling om de pericoop die gaat volgen in hoofdstuk 11 te behandelen – in mijn bijbeltje staat erboven 'de hoofdtooi der vrouw', populair gezegd gaat het over het hoedje van de vrouw, wat trouwens niet klopt – maar daar wil ik het een volgende keer over hebben. Dat is een heel boeiend onderwerp, maar het lijkt mij verstandig om dat in één keer of eventueel in twee keer te behandelen en in ieder geval niet zomaar een stukje daaruit. Het is echt te veel één onderwerp om dat in stukjes te gaan hakken, vind ik.⟨/p> ⟨p>Dat betekent dat wij ons vanavond beperken tot het laatste gedeelte van hoofdstuk 10; we waren gebleven in het 21e vers. Dat wil zeggen dat was het laatste wat aan de orde is gekomen. In mijn bijbeltje staat boven die pericoop bovendien weer 'het avondmaal', een uitdrukking die ook alweer zo bekend is, maar gek genoeg niet in de Bijbel voorkomt. Althans, niet in dit verband; ook in dit gedeelte wordt dat niet zo genoemd. Paulus zou daar niet veel later, in hoofdstuk 11, veel uitgebreider op terugkomen, op de betekenis van brood en beker. Dat is allemaal naar aanleiding van de misstanden die daar ook waren, maar vooral ook de misverstanden in Korinthe.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk ben ik achteraf toch blij voor het feit dat het zo in Korinthe is gegaan en dat ze zoveel misverstanden hadden, want dat betekent dat die Korinthebrief daardoor heel erg lang is geworden. We krijgen daardoor zulke schitterende uiteenzettingen, juist tegen die achtergrond van de onmondigheid van de Korinthiërs en de misverstanden die er waren. Juist dat is het motief dat Paulus zo breed uitpakt in deze brief en schitterende uiteenzettingen geeft.⟨/p> ⟨p>Dat geldt ook voor de uiteenzetting die we vanavond gaan behandelen. In mijn bijbel staat daarboven 'liefde jegens de zwakken'. We zullen nog eventjes die laatste verzen van de voorgaande pericoop meepakken. Dat is ook heel illustratief voor de voorrechten die ons toekomen. Ik bedoel ook gewoon echt in de praktijk, niet alleen maar dat wat wij zijn in Christus en dat wat we zullen gaan genieten in de toekomst, maar gewoon ook de vrijheid waarin wij geplaatst zijn. Met name het gedeelte wat we vanavond zullen behandelen stelt dat schitterend in het licht. Laten we nog even die laatste verzen van de pericoop over het avondmaal, zoals dat er boven staat, meepakken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="203" title="Speel af vanaf 03:23">▶ 03:23⟨/button> ⟨span>De Beker Des Heren: een Beker van Overwinning⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We zijn aangekomen bij vers 21, waar Paulus schrijft: "Gij kunt niet de beker des Heren drinken". Ik wil even stilstaan bij dat "gij kunt niet". Er staat namelijk niet: "jullie mogen niet". Het is vergelijkbaar met wat we in de evangeliën lezen, waar de Heer zegt dat gij niet God kunt dienen en de Mammon. Er staat niet dat je het niet mág, maar dat het niet kán. Het is namelijk zo dat je óf de een, óf de ander dient. In diezelfde sfeer ligt de onmogelijkheid ook hier: je kunt niet de beker des Heren drinken en de beker van demonen. Ik loop alvast een beetje vooruit, maar dat hele spraakgebruik van "jullie mogen niet" is hier helemaal niet aan de orde. Paulus doet juist zijn best om uiteen te zetten en te benadrukken dat dit helemaal geen kwestie is van niet mogen of niet geoorloofd zijn; het kan domweg niet.⟨/p> ⟨p>Ik moet er trouwens bij zeggen dat het woordje "de" in de grondtekst ontbreekt bij "beker des Heren". Dat bepaalde lidwoord geeft een rituele betekenis die de tekst oorspronkelijk niet heeft. Dat zullen we straks trouwens ook zien wanneer er gesproken wordt van de "tafel des Heren"; ook daar staat in het Grieks geen bepaald lidwoord. Daar moet je op letten. In de praktijk is het meestal zo dat wanneer het bepaalde lidwoord ontbreekt, je er in het Nederlands een onbepaald lidwoord voor in de plaats moet zetten: "een". Hoewel dat niet altijd één-op-één opgaat, is het goed om de zaken niet onnodig ingewikkeld te maken. U moet zich voorstellen dat er in het Grieks heel vaak bepaalde lidwoorden voor een zelfstandig naamwoord staan. Voor het woord "God" staat bijvoorbeeld dikwijls het woordje "de". Het gaat dan over dé God. Dat is van belang. In het Nederlands zeggen we dat niet vaak, maar in een toespraak doe ik dat nog wel eens omdat ik het belangrijk vind om te benadrukken dat Hij dé God is, niet zomaar een god. Maar als het woordje "de" er niet staat, vereist onze taal nu eenmaal dat we het woordje "een" gebruiken. "Gij kunt niet een beker des Heren drinken" zou daarom een betere weergave zijn dan "de beker".⟨/p> ⟨p>We zijn er de vorige keer al even op ingegaan dat die beker verwijst naar de beker die de Heer dronk in de nacht dat Hij werd overgeleverd. In hoofdstuk 11 zullen we dat nog uitgebreider zien. Het gaat er eigenlijk om dat het een beker is die we van Hem ontvangen en die spreekt van wie Hij is en van wat Hij volbracht heeft: namelijk leven uit de dood. We hebben in vers 16 gezien dat er gesproken wordt over een gemeenschap met het bloed van Christus. Het is goed om eraan te herinneren dat we bij de beker niet zomaar aan de dood denken, maar aan datgene wat uit de dood voortkomt. Het spreekt niet enkel over Zijn sterven, maar over wat er ná Zijn dood gebeurde. Je kunt gerust zeggen dat het herinnert aan Zijn graf, dat is waar. In 1 Korinthe 11 staat immers dat we "de dood des Heren" gedenken. Maar wat is er zo bijzonder aan Zijn dood? Dat Hij eruit opgestaan is! Dat Hij dood geweest is en nu leeft, dat is het bijzondere aan Zijn dood. Dus als wij denken aan de dood des Heren, dan denken we niet aan het feit dat Hij dood is, maar aan het feit dat Hij dood was en nu leeft.⟨/p> ⟨p>Soms hoor ik mensen zeggen dat het avondmaal een begrafenismaaltijd is. Dat vind ik een vreselijke gedachte, nog afgezien van alle andere misverstanden over dat avondmaal. De betekenis die men dan geeft aan het brood en de beker is dat het zou slaan op het feit dat Hij dood is, of dat we daaraan zouden moeten denken. Men zegt dan dat het spreekt van Zijn sterven. Nee, het spreekt over het feit dat Hij de dood heeft overwonnen! Daarom zit er wijn in, een embleem van vreugde, en daarom is het een beker die spreekt van de overwinning. Ik heb expres die dubbelzinnigheid van een "beker" als trofee bij het plaatje betrokken; overwinning, daar spreekt de beker van. Ik zie je met grote ogen kijken en dat begrijp ik wel, want jij was er de vorige keer niet bij toen we dit uitgebreid bespraken. We zullen dit te zijner tijd opnieuw behandelen wanneer we in hoofdstuk 11 arriveren.⟨/p> ⟨p>Als je weet wat die beker betekent, dan vier je de eenheid wanneer we met elkaar maaltijd houden. Zo dikwijls we samen eten of drinken, kunnen we daaraan denken. Het is geen ritueel. Wanneer we met elkaar eten, en in het bijzonder als we brood eten, dan spreekt dat van de eenheid die we vormen. Wanneer we een beker rond laten gaan of gezamenlijk maaltijd houden, dan is dat een verwijzing naar Hem. En dat mogen we doen. Paulus zegt het ook in hoofdstuk 11: "zo dikwijls gij dit doet". Daarbij is er helemaal geen sprake van een ritueel. We eten immers zo vaak. Sommige mensen komen er tegenwoordig nauwelijks meer aan toe om rustig te eten, maar een maaltijd in de Bijbel is buitengewoon belangrijk. Het is een uitbeelding van eenheid en van de gemeenschap die je vormt. In het Midden-Oosten is dat nog steeds een bekend gegeven. Denk aan het verhaal van Abraham die drie mannen op bezoek kreeg; wat doet hij? Hij nodigt ze meteen uit voor de maaltijd. Het gaat erom dat je de eenheid viert als je samen maaltijd houdt. Je neemt deel aan één tafel, je eet uit één pot, van één brood en drinkt uit één beker of fles. Het gaat om de eenheid die je daarin uitbeeldt.⟨/p> ⟨p>"Gij kunt niet een beker van de Heer drinken" – een beker die dus verwijst naar de Heer, de Kyrios – "en de beker van demonen". In de vertaling staat "boze geesten", maar zoals ik de vorige keer al vertelde, staat er in de grondtekst helemaal geen "boze geest". Het zijn demonen. Dat is in feite iets heel anders. In ieder geval staat het woord "geest" er niet, en het woord "boos" evenmin. Het zijn demonen. Dit was overigens geen belediging van Paulus. Alle mensen in Korinthe en iedereen die dit in die dagen las, was het er volkomen mee eens dat zij in hun tempels dronken uit de beker van demonen, want zo noemden zij hun goden. Het woord "boze geesten" is eigenlijk een waardeoordeel over die geesten, maar dat is niet de letterlijke betekenis van het woord "demon". Wat Paulus hier dus eigenlijk zegt, is dat je het simpelweg niet kunt. Je kunt niet een beker drinken waarbij je de betekenis verstaat van wat het uitbeeldt, en tegelijkertijd aanzitten in zo’n afgodstempel zoals ze die in Korinthe hadden. Dat gaat niet. Je kunt niet het ene van harte en bewust doen en tegelijkertijd ook het andere. Het gaat er niet eens om dat het niet mag; het kan niet. Of je beleef het ene van harte, of het andere, maar beide tegelijk is een onmogelijkheid.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="775" title="Speel af vanaf 12:55">▶ 12:55⟨/button> ⟨span>Gemeenschap aan de Tafel Des Heren⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben. Ook hier zeg ik weer: dat woordje 'de' ontbreekt. Dus gewoon: aan ⟨em>een⟨/em> tafel des Heren. Gij kunt niet aan een tafel des Heren deel hebben én aan een tafel der demonen. Het is natuurlijk dubbelop. Dat wat hij hier in dit eerste deel zegt, loopt parallel met het tweede deel. Die tafel des Heren — je ziet dat in Maleachi 1 — dat is een altaar. Dat zie je met name dan in het tweede deel: aan de tafel van demonen. Waar doelt hij dan op? Wel, op een altaar. Maar een altaar is feitelijk een tafel. Misschien is dat wat vreemd in ons taalgebruik, maar ik zal het u in de eerste plaats even laten zien. Hier in Maleachi 1 lees je in vers 7 een verwijt bij monde van Maleachi, van God aan Israël: 'Gij brengt minderwaardige offerspijzen' — letterlijk staat er trouwens 'brood' — 'gij brengt minderwaardig brood op Mijn altaar.' En dan zegt gij: 'Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld?' Doordat gij zegt: 'Des Heren tafel, zij is verachtelijk.' Verachtelijk. Dus het altaar, dat is een tafel des Heren.⟨/p> ⟨p>Het is niet zo moeilijk om dat te begrijpen, want zo'n altaar was ook een plaats waar de priesters van aten en bij bepaalde gelegenheden was dat hetzelfde. Bij bijvoorbeeld een spijsoffer was dat het geval, maar bij de vredeoffers — zo heetten ze — daar mocht ook het volk deel van uitmaken. Dus rondom dat altaar, daar at men van. Men had daarin ook gemeenschap met de Heer. De eenheid beleefden ze. U moet het zo voorstellen: dan werd er een vredeoffer gebracht. Een dier werd geslacht. Eerst werd het geslacht, vervolgens kwam het op het altaar. Dat ging in rook op, dat steeg op voor God tot een lieflijke reuk. De vorige keer heb ik al verteld: het ene, het eerste slaat op zijn sterven — het dier wordt geslacht. Daarna komt het op het altaar, dan is het een offer. Het offer is dus niet de slachting. De slachting heb je eerst, daarna is het een offer en stijgt het op en is het voor God tot een lieflijke reuk; een uitbeelding van de opstanding, dat wat erop volgde toen Hij verrees en opsteeg.⟨/p> ⟨p>Maar wat er dan gebeurde bij zo'n altaar, was dat een deel — het belangrijkste deel — in rook opging en een ander deel door het volk werd gegeten (of eventueel alleen door de priesters, afhankelijk van welk type offer het was). Dan had men deel daarmee aan dat altaar. Het was een tafel, men at van dat altaar. En de Heer had daar ook Zijn deel aan; de Heer nam daar ook van, namelijk doordat Hij het aanstak. Dat was eigenlijk Zijn vork en mes, zeg maar. Zo nam de Heer het tot Zich. Want dat beeld van dat altaar als tafel is een heel voor de hand liggende associatie. Het is een tafel, maar niet zomaar een houten ding. Nee, het gaat erom dat het een plaats is waaromheen men eet, drinkt, gemeenschap heeft, eenheid beleeft of hoe je het maar zeggen wil. Met de Heer in dit geval.⟨/p> ⟨p>Maar dat is bij ons ook zo: als wij gezamenlijk het brood eten en we denken eraan dat we één lichaam vormen, en wanneer we de beker heffen en we weten dat dit spreekt van het leven dat sterker is dan de dood, dan hebben we gemeenschap met Hem. Ik bedoel: het verwijst naar Hem, maar daarmee ook met elkaar. En hij zegt: 'Jij kunt niet aan een tafel van de Heer deel hebben en aan een tafel van demonen.' Daar hebben we de vorige keer al wat uitgebreider bij stilgestaan. Dan zegt hij nog in vers 22: 'Of willen wij de Here tot naijver wekken, tot jaloezie? Zijn wij soms sterker dan Hij?' Twee retorische vragen, en het antwoord op beide is natuurlijk: nee, uiteraard niet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1073" title="Speel af vanaf 17:53">▶ 17:53⟨/button> ⟨span>De Heer tot Na-ijver Wekken Door Afgoderij⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar ik moet er trouwens nog bij zeggen dat wat Paulus hier doet, de vragen die hij stelt, verwijzen naar Deuteronomium. Ik zal het u laten zien. In Deuteronomium 32, in vers 16, vind je daar leuke parallellen die zeer verhelderend zijn. Want daar staat dan over de Israëlieten: "Zij verwekten Hem tot naijver." Hoe dan? "Wel door vreemde goden, met gruwelen krenkten zij Hem." Wat is een gruwel? Dat is gewoon een afgod.⟨/p> ⟨p>Dat wordt in het Oude Testament heel dikwijls zo genoemd; dan lees je dat er een gruwel wordt opgericht. Denk trouwens aan wat er staat in verband met die laatste jaarweek: in de helft van de week wordt er een "gruwel der verwoesting" op het tempelplein geplaatst. Dat is gewoon een afgodsbeeld, een afgod dus. En dat zie je hier: een vreemde god, een gruwel, en dat wekt Hem tot naijver. Wat ook niet zo gek is, want het idee daarbij is dat de Heer met Zijn volk getrouwd was. Ze behoorden Hem toe, Hij was hun Man. En dat betekent dus dat als zij andere goden dienden en offerden, zij andere mannen achternaliepen, zodat afgoderij synoniem is met hoererij – geestelijke hoererij.⟨/p> ⟨p>Daar zijn heel wat voorbeelden van te geven hoe dat bij de profeten ook uitgewerkt wordt; die twee zijn gewoon identiek omdat de Heer getrouwd was met Zijn volk. Maar nu komt het. Er staat dus: "Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden, met gruwelen krenkten zij Hem." En dan staat er: "Zij offerden aan demonen." Dat is namelijk het woord dat hier in de Septuagint wordt gebezigd. "Zij offerden aan demonen die geen goden zijn, aan goden die zij niet hebben gekend."⟨/p> ⟨p>Ook hier zie je trouwens weer dat het Oude Testament ook wel degelijk het fenomeen demonen kent. Demonen zijn gewoon andere goden. Dat is het: een afgod. En daarmee verwekken ze Hem tot naijver. Als Paulus dus hier zegt: "Of willen wij de Here tot naijver wekken?" in verband met die demonen, dan zinsspeelt hij op die woorden die we in Deuteronomium 32 aantreffen. "Zijn wij soms sterker dan Hij?" Ook dit zijn weer van die vragen die meteen in de juiste richting wijzen. Retorische vragen; het antwoord ligt op voorhand al vast.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1248" title="Speel af vanaf 20:48">▶ 20:48⟨/button> ⟨span>Alles Is Geoorloofd, maar Niet Alles Is Nuttig⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We komen nu inderdaad in die laatste perikoop. In mijn Bijbeltje begint hier een nieuw gedeelte en dat klopt, want Paulus gaat nu nog wat andere dingen naar voren brengen. We komen daar weer die woorden tegen die we al meerdere keren zijn tegengekomen in de Korinthebrief: "Alles is geoorloofd." We zagen dat al eerder in 1 Korinthe 6, maar ook hier wordt het weer herhaald. In totaal vind je vier keer in de Korinthebrief dat er gezegd wordt: "Alles is geoorloofd." Dat is illustratief voor de vrijheid waarin we geplaatst zijn. Het betekent dat het ook echt waar is dat wij niet onder de wet staan. Ik bedoel dan niet alleen de wet van Mozes, maar sowieso wordt ons leven niet geregeerd door het principe 'wet', door de vraag: "Mag het wel of mag het niet?"⟨/p> ⟨p>Het is trouwens opvallend – ik weet niet in hoeverre u of jij je bezighoudt met wat er allemaal in de christelijke pers verschijnt of waar in de christelijke media aandacht aan wordt gegeven – maar ik houd het toch wel redelijk bij. Ik moet zeggen dat als je eenmaal hebt mogen proeven van wat Paulus allemaal heeft opgetekend, je daar toch gauw je bekomst van hebt. Want het is allemaal ethiek. En dat bedoel ik met recht: ethiek. In de christelijke wereld kun je het natuurlijk heel ver brengen door met dat soort vragen aan de haal te gaan: "Is het wel geoorloofd of is het niet geoorloofd?" Ethiek is een van de belangrijkste disciplines binnen de theologische faculteit. Als je een ethicus bent, gaat het uiteindelijk allemaal om de vraag: "Wat mag wel en wat mag niet?"⟨/p> ⟨p>In het licht van de brieven van Paulus zijn we daar echter heel gauw klaar mee. Dan zeggen we gewoon heel laconiek: "Alles is geoorloofd." Volgende vraag! Dat is nogal simpel: alle dingen zijn geoorloofd. Want als je weet hoe Paulus spreekt over de werking van de wet, dan zie je dat dit precies tegenovergesteld is aan wat men daar altijd over zegt. De wet heeft namelijk de reputatie dat zij de mens netjes houdt. Nou, zegt Paulus, dat is dus niet zo. En het gekke is dat iedereen het ook weet. Het is de prikkel van de zonde, of zoals hij het in 1 Korinthe 15 noemt: de kracht van de zonde. De prikkel van de dood is de zonde en de kracht van de zonde is de wet.⟨/p> ⟨p>Laten we Romeinen 5 er nog even bij pakken; ik heb hem niet in de PowerPoint verwerkt, maar het is interessant. Zelfs de Bijbelvertalers doen moeite om het te verdoezelen. In Romeinen 5 vers 20 – en de verzen daarvoor leveren voor de heren theologen al de nodige problemen op – gaat Paulus verder nadat hij het over Adam heeft gehad. Hij spreekt over de periode van Adam tot Mozes, een periode van pakweg ruim 2500 jaar waarin de mens geen wet heeft gekend. Wij denken bij het Oude Testament altijd direct aan 'wet'. Ja, maar met het Oude Testament doelen we op het Oude Verbond, en dat Oude Verbond begon pas in de dagen van Mozes. Laat ik het anders zeggen: de periode die de menselijke historie in het Oude Testament beslaat, vanaf Adam tot Christus, is 4000 jaar. Slechts 1500 of 1600 jaar daarvan is niet 'de mens', maar Israël – één volkje uit alle volkeren – onder de wet geplaatst.⟨/p> ⟨p>Het is dus niet zo dat de wet Gods instructieboekje voor de mensheid is. Ik hoorde dat laatst nog iemand in een discussie zeggen, en ik heb het zo vaak gehoord. Maar het is gewoon niet waar; het is aantoonbaar niet waar. Als het Gods instructieboekje voor de mensen was geweest, dan had Hij het wel aan Adam meegegeven. Dan was het voor alle mensen geweest: "Alsjeblieft, dit is het." Maar dat is helemaal niet zo. Hij gaf de wet pas duizenden jaren later. Dat betekent dat mannen als Noach en Abraham – noem ze maar op – het zonder de wet hebben moeten doen. Abraham was een gelovige; hij is de vader van de gelovigen en wij wandelen in zijn voetstappen. Maar Abraham leefde niet onder de wet. Dus het hele idee dat men heeft over die wet klopt al niet. Het is helemaal niet dat universele principe dat voor de gehele mensheid geldt.⟨/p> ⟨p>Abraham leefde onder de zon, de maan en de sterren. Hij leefde bij het licht van de sterrenbeelden, om maar wat te noemen. Hij had Gods belofte gekregen dat door het zaad van de vrouw de kop van de slang vermorzeld zou worden. God heeft de sterrenbeelden gegeven die dat stuk voor stuk, alle 48, uitbeelden. Onder die belofte heeft hij geleefd. Maar even ter zake: Romeinen 5 vers 20. Daar lees je dat de wet is erbij gekomen, zodat de overtreding toenam. Maar eigenlijk staat er: ⟨em>opdat⟨/em> de overtreding zou toenemen. Dat was namelijk de bedoeling. Het was dus geen naargeestig bijeffect, zo van: "Helaas was dat het gevolg." Nee, de wet is erbij gekomen opdat de overtreding zou toenemen. "Waar evenwel de zonde toenam, daar is de genade meer dan overvloedig geworden."⟨/p> ⟨p>Dan weet je meteen waarom Hij die wet gaf: namelijk om de overvloed van de genade te demonstreren. Eerst moest er meer overtreding zijn; de zonde zou geprikkeld worden en toenemen. Tegen die achtergrond kon de genade aan het licht treden en des te helderder stralen en schijnen. Dit is een treffend voorbeeld tegenover wat men altijd zegt, dat de wet ervoor zorgt dat de mens netter wordt. Je kunt ook nog even doorbladeren naar Romeinen 7 vers 5: "Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden." Paulus zegt vervolgens dat dit niet wil zeggen dat die wet fout is, maar de werking ervan prikkelt slechts de zonde.⟨/p> ⟨p>Dat is een onderwerp apart, maar ik zeg dit allemaal naar aanleiding van dat woord: "Alles is geoorloofd." Ook dit is heel typerend voor het onderwijs van Paulus: de vrijheid waarin wij geplaatst zijn. Het betekent dat als je in een discussie belandt waarin het gaat om de vraag: "Mag het wel of mag het niet? Is het geoorloofd of is het niet geoorloofd?", je bij voorbaat al 'uit' zit. Want daar gaat het namelijk helemaal niet om. Betekent dat dan dat we helemaal geen criterium hebben? Jawel, maar niet: "Is het geoorloofd?" Dat is de vraag niet. Wat is dan wel de vraag? Nou, die staat er vlak achter: "Niet alles is nuttig." Met andere woorden: we stellen niet de vraag of het mag, we stellen de vraag of het nuttig is.⟨/p> ⟨p>In sommige vertalingen staat daar: "Niet alle dingen zijn oorbaar." Dat woord "oorbaar" betekent "nuttig", iets wat voordeel oplevert. Iemand vraagt: "Is dat met een 'h' ervoor?" Nee, het is echt "oorbaar". Het is zeker Oudnederlands, vandaar dat het in de NBG-vertaling staat maar in modernere vertalingen niet meer. Maar goed: "Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig." Ik zei al dat Paulus dit in 1 Korinthe 6 ook al naar voren had gebracht. Daar zegt hij in vers 12: "Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig." Het is een slogan, een motto dat in een paar woorden neerzet wat voor ons het leidmotief is.⟨/p> ⟨p>Waar gaat het nou eigenlijk om? En waar gaat het niet om? Nou, het gaat dus niet om de vraag of het geoorloofd is. Waar gaat het dan wel om? Wel om de vraag of het nuttig is.⟨/p> ⟨p>"Niet alles is nuttig", zei hij daar al in 1 Korinthe 6. "Alles is mij geoorloofd" – weer die herhaling dus – "maar ik zal mij door niets laten knechten." Wat dus ook weer de vrijheid demonstreert, want als je je door iets laat knechten, dan ben je dus niet meer vrij. Het gaat er juist om dat we in de vrijheid staan en ons die niet laten ontnemen. Vrijheid is zo'n groot goed.⟨/p> ⟨p>Gij zijt gekocht en betaald. Vrijgekocht, bedoelt Paulus, dat is wat het betekent. Gij zijt vrijgekocht, betaald; wordt geen slaven van mensen. Nou, blader maar eens door de brief hoor. Dat is eigenlijk ook altijd voor een groot gedeelte Paulus' strijd geweest: die vrijheid.⟨/p> ⟨p>Neem de Galatenbrief, die gaat daar feitelijk over. Maar wat dacht je van de Kolossensenbrief? Het gaat ook voor een groot gedeelte daarover. Altijd maar weer dat mensen zich willen laten overheersen door filosofie en door geboden van mensen, door het principe wet.⟨/p> ⟨p>En wat betekent dat dan? Dat je je laat leiden door de vraag: wat is nuttig? Nou, we zagen in hoofdstuk 10, een paar verzen hiervoor dus, dat Paulus zegt: "Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf wat ik zeg." Dat is nou typisch een voorbeeld van waar we het nu over hebben in vers 23: alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Dat betekent dus dat er niet een wet opgelegd wordt, maar dat Paulus zegt: ik houd je iets voor.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1977" title="Speel af vanaf 32:57">▶ 32:57⟨/button> ⟨span>Geestelijk Oordelen: Wat Bouwt de Ecclesia Op?⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik spreek als tot verstandige mensen. Beoordeel nu zelf wat ik zeg. Als het gaat om de vraag of iets geoorloofd is, dan moet je gewoon in het wetboek gaan kijken, ongeacht welk wetboek. Dan zeg je: "Kijk op bladzijde zoveel, daar staat deze bepaling." That's it. Dat is zoals wet werkt. Maar als het gaat om de vraag of iets nuttig is, dan moet je een heel andere vraag stellen. Dan is het geen kwestie van naar een ander toe gaan of een document of wetboek raadplegen. Nee, dan moet je je verstand gaan gebruiken. Ik spreek als tot verstandige mensen. Dan ga je vragen stellen: "Wat is het eigenlijk? Waar hebben we het over? Wat is de waarheid?" En dan ga je kritisch denken. Dat is trouwens ook echt geestelijk.⟨/p> ⟨p>Geestelijk wil zeggen... De geestelijke mens, zegt Paulus in 1 Korinthe 2, is niet iemand die door emotie geleid wordt. Dat is psychisch, dat is ziels. De geestelijke mens — het staat in hoofdstuk 2 vers 15 — beoordeelt alle dingen. Er staat letterlijk het woordje "onderzoekt" alle dingen. Dat is geestelijk. Die gebruikt zijn verstand dat hij van God heeft gekregen. Er staat trouwens hetzelfde woord als wat je leest over de Bereërs: zij onderzochten de Schriften of deze dingen alzo waren. Dat is geestelijk; je beoordeelt de dingen op waarheid.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt in hoofdstuk 11 vers 14, waar we een volgende keer op komen: "Leert de natuur zelf u niet?" Of u ziet hoe vaak hij in deze brief de vraag stelt: "Weten jullie niet?" Hij doet hiermee een beroep op wat ze weten, of in elk geval geacht worden te weten. Ik zie hier bijvoorbeeld een verwijzing staan in hoofdstuk 6 vers 2, om een praktisch voorbeeld te geven. Dan gaat het over de kwestie dat er in Korinthe onderlinge rechtszaken waren; de één had een rechtszaak tegen de ander. Paulus zegt dan niet: "Dat mag niet." Dat is helemaal niet aan de orde. Hij zegt: "Weten jullie niet dat jullie de wereld zullen oordelen? Dat jullie de engelen zullen oordelen?" Dus dan ga je naar de rechter toe, terwijl degene die je nu een uitspraak laat doen, degene is die je straks zelf zult oordelen. We hebben zelf die status! Dit is toch eigenlijk zot, om dan je recht te gaan halen? Afgezien van het feit dat je daarmee ook de verdeeldheid slechts demonstreert. Het bouwt niet op; het bouwt elkaar niet op.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt dan: "Lijd dan liever onrecht." Oké, je wordt in het ongelijk gesteld of je hebt nadeel, nou en? Hij zorgt immers voor je. Kijk, dat is de logica van geloof. Dat heeft niets te maken met wet of wat er mag. Gebruik je verstand en spreek de reserves aan die je van Hem hebt; een reservoir aan voorrechten en rijkdommen. Ik bedoel, we hebben zoveel, waarom doe je zo moeilijk? Iedere keer stelt hij die vraag: "Weten jullie niet?" Feitelijk gaat het erom dat we zouden weten wat ons in Christus is geschonken. Ik ben even de precieze uitspraak kwijt... ja, in vers 12 van 1 Korinthe 2 staat: "Wij nu hebben ontvangen de Geest uit God, opdat wij zouden weten wat ons door God in genade geschonken is." Dat is het allemaal.⟨/p> ⟨p>Daarom is ook al het onderwijs in de Ekklesia daarop gericht: niet opdat mensen keurig zouden leven volgens nette principes of zoals het geoorloofd is. Nee, opdat mensen zouden weten. Weet hoe rijk je bent in Hem! Dan hebben we het totaal niet meer over de vraag of iets mag, maar dan hebben we het over heel andere vragen die ertoe doen. Ik kom meteen op het tweede deel van vers 23, want daar zegt hij weer: "Alles is geoorloofd." Ik geef toe, ik word een beetje eentonig, maar ik heb een goed excuus: Paulus wordt dat ook. Het is de vierde keer dat hij dit nu zegt. Alles is geoorloofd, laat dat duidelijk zijn. Maar niet alles bouwt op. Waarmee we tevens een mooie definitie hebben van wat nuttig is: nuttig is alles wat opbouwt.⟨/p> ⟨p>Er staat "oikodome", en dat betekent eigenlijk een huis bouwen. Dat is ook wat de Ekklesia is. In 1 Korinthe 3 zet Paulus uiteen dat hij het fundament heeft gelegd en hoe daarop wordt gebouwd met edel materiaal: goud, zilver en edelgesteente. God is vandaag niet bezig deze wereld te verbeteren of Zijn Koninkrijk te vestigen of te openbaren. Nee, Hij is bezig een tempel, een geestelijke tempel te bouwen. Al het andere doet niet ter zake.⟨/p> ⟨p>Dus als je de vraag stelt wat nuttig is, dan kun je over je werk beginnen of over je liefhebberijen — daar bedoel ik helemaal niets negatiefs mee, en al helemaal niet dat zulke dingen ongeoorloofd zouden zijn — maar het gaat om de vraag: waartoe dient alles? Al het andere in ons leven staat ten dienste van die ene gedachtegang van de apostel Paulus: alles was slechts op één ding gericht, en dat is om Hem te kennen en al het andere stond slechts ten dienste daarvan. God bouwt vandaag een tempel, niet van bakstenen maar van levende stenen, mensen, en Hij bouwt hen op. Hij woont daarin en alles is daarop gericht, dat we met goud, zilver en edelgesteente zouden bouwen.⟨/p> ⟨p>Ik zat me net af te vragen hoe ik het verder zou aanvullen; ik zou verschillende Schriftwoorden kunnen aanhalen, zoals "al het andere wordt u bovendien geschonken". Al het andere doet er niet echt toe. Eén ding is slechts nodig. Natuurlijk zijn er vele dingen die aandacht vragen, maar er is maar één ding dat werkelijk ter zake doet. Als je dat ene ding zoekt, dan wordt al het andere gegeven. Dat is Bijbels gedacht. Niet alles bouwt op. In hoofdstuk 3 vers 10 zegt hij: "Ieder zie toe hoe hij daarop bouwt." Het woord "stichten" in hoofdstuk 14 komt een paar keer voor: "Niet alles sticht." Dat woordje stichten is exact hetzelfde als bouwen. Een stichting is eigenlijk wat gebouwd wordt: een bouwsel.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2525" title="Speel af vanaf 42:05">▶ 42:05⟨/button> ⟨span>Het Werkelijke Geluk: Niet Je Eigen Belang Zoeken⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is. Later in hoofdstuk 13 zegt Paulus over de liefde: "Zij zoekt zichzelf niet." Dat is in het Nederlands makkelijk te onthouden als '4 maal ZN': Zij Zoekt Zichzelf Niet. Daar hebben we het hier eigenlijk ook over. Het gaat namelijk helemaal niet om onszelf.⟨/p> ⟨p>Ik zat juist vandaag nog een artikeltje te lezen op internet waar iemand mij op wees. Het was echt een goed artikel over het huwelijk met de titel: "Je trouwt niet voor jezelf". Wat daarin naar voren werd gebracht, was heel zinnig. Het gaat niet om jezelf. Vandaag de dag wordt natuurlijk altijd verteld dat je aan jezelf moet denken en jezelf moet ontplooien. "Zelfontplooiing", dat was het woord dat ik zocht. Dat geldt dan ook in het huwelijk: want als jij niet meer aan je trekken komt of als je niets meer voelt, dan moet je er maar een einde aan maken. Je moet toch ook aan jezelf denken? Dat idee is feitelijk gif. Als je zulke slogans en gedachten maar vaak genoeg hoort, dan ga je nog denken dat het waar is ook: "Denk vooral ook aan jezelf hoor!"⟨/p> ⟨p>Paulus zegt echter: "Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is." De grap is trouwens dat als je dat doet, je er gelukkig van wordt. Zo zijn we namelijk gebouwd en gemaakt. Dat verzin ik overigens niet; dat zegt Paulus ook als hij de woorden van de Heer Jezus citeert in Handelingen 20: "Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen." Het is dus écht gelukkiger. In de Statenvertaling staat "zaliger", maar het betekent gewoon gelukkiger. Men weet echter niet meer dat dit zo is. Daarom zeggen mensen dat ze hun geluk zoeken; ze worden "gelukszoekers". Weet u waarom ze geluk zoeken? Ze weten niet wát ze moeten zoeken en daarom blijven ze maar zoeken. Maar ik weet wel wat echt geluk is: het is Hem te kennen. Dat is wat gelukkig maakt. Hij is de gelukkige God. Als mensen Hem werkelijk kennen, worden ze gelukkiger.⟨/p> ⟨p>Een tijdje geleden kwam er iemand naar me toe die zei: "Je moest eens weten, André, hoe ontzettend gelukkig ik nu geworden ben." Ik kende iets van haar verleden en wist dat er heel veel toestanden in haar leven waren geweest. Ze vertelde: "Sinds ik echt het goede bericht van Zijn genade heb leren kennen, dat Hij echt God is en alles plaatst, ben ik zo enorm gelukkig geworden. Ik kan mijn geluk niet meer op." Dat vind ik prachtig. Dat zijn zulke geweldige bevestigingen, want zo is het ook. Als je de gelukkige God kent, wat kan er dan nog misgaan? Dan kun je Hem altijd in alles danken.⟨/p> ⟨p>Het mooie van het leven is dat je een ander daarop mag wijzen. Van dat geluk dat jij hebt leren kennen, mag je aan een ander uitdelen. En de grap is dat als je dit uitdeelt, je het niet kwijtraakt. Integendeel, het wordt alleen maar meer. Het is net als met dat brood: dat vermenigvuldigt zich juist terwijl je het uitdeelt. Normaal gesproken ben je iets kwijt als je het weggeeft, maar bij deze rijkdom is het zo dat hoe meer je weggeeft, hoe rijker je zelf wordt. Niemand zoeke het zijne, maar wat van de ander is. Laten we straks met vers 25 verder gaan, maar laten we eerst eventjes een kopje koffie drinken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2783" title="Speel af vanaf 46:23">▶ 46:23⟨/button> ⟨span>Vlees uit de Vleeshal en het Domein van de Heer⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wij waren gebleven in vers 24, en dat betekent dat wij nu in vers 25 verdergaan. Al wat in de vleeshal te koop is, eet dat. Wijs hem er even op: dat staat er niet, hè? "Moogt gij eten", dat woordje 'moogt' staat er niet eens. Het past eigenlijk ook niet in het verband. Als je net twee verzen daarvoor hebt gelezen dat alle dingen geoorloofd zijn, dan verwacht je hier niet een vraag of het wel mag. Maar goed, het is goed om er even aan te herinneren, want dit is toch wel iets wat voor ons als mensen in 2013 wat bevreemding zou wekken. Hoe zat dat dan?⟨/p> ⟨p>Nou, we hebben er eigenlijk al verschillende keren bij stilgestaan, ook al in hoofdstuk 8 toen het ging over het eten van offervlees. Het idee is dat vlees dat in die dagen in de vleeshal lag, per definitie was gekoppeld aan een afgodstempel. Dat vlees had altijd per definitie een religieus ritueel ondergaan. De vleeshal was zeg maar een onderdeel van die afgodstempel. Dus wilde je vlees eten, dan moest je in zo’n afgodstempel wezen; daar kwam het op neer. Het was een soort van zaal of gelegenheid die daar helemaal bij hoorde. Dus de vraagstelling onder de Korinthische gelovigen was op zich wel een hele logische, namelijk van: "Ja, hoor eens, wat hebben wij daar nog te zoeken? Ik bedoel, wij dienen één God. Wat moeten wij nog bij zo’n afgodstempel of die vleeshal die daarmee te maken heeft? Of dat vlees dat aan die afgoden is gewijd? Daar hebben wij toch niks meer mee?" Dat is een logische gedachte.⟨/p> ⟨p>En daarin illustreert zich ook weer heel mooi dat principe waar we het over hadden in vers 23: alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Mag je dat nou eten? Ja, dat is niet aan de orde. Is het nuttig? Nou, dat hangt er weer van af, want dan moet je weer nuances gaan aanbrengen. Want voor de een wel, en voor de ander niet. Dat heb je dus, waar we het in de pauze ook even over hadden: op het moment dat je dat criterium van nut aanlegt of stelt, dan word je geacht te denken. Maar dan is het nu eenmaal zo dat situaties voor de een verschillend zijn dan voor een ander. Dat is hier ook het geval. Nou, daar hebben we het al meer over gehad. Laten we gewoon even de gedachtegang die Paulus hier inzet volgen.⟨/p> ⟨p>Al wat in de vleeshal te koop is, eet dat zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar. Dus zonder te onderzoeken. Hè, we hadden het er net even over: de geestelijke mens onderzoekt alle dingen. Ja, maar hier zegt Paulus juist: onderzoek het nou niet. Want hier gebruikt hij hetzelfde woord als wat hij ook gebruikt in 1 Korinthe 2 vers 15, waar staat dat de geestelijke mens alle dingen onderzoekt: dat ⟨em>anakrinō⟨/em>. En dan zie je dus: ja, wat onderzoek je? Bepaalde dingen moet je niet eens willen weten. Soms word je er ongevraagd op getrakteerd, dat zie je trouwens in deze context ook, maar het gaat er dus even om: dan kom je daar in zo’n vleeshal en zou je daar navraag naar doen? Hoe en in welke mate is dat ritueel gewijd? Nee, eet dat gewoon zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar.⟨/p> ⟨p>De motivatie die Paulus hier geeft is geweldig, en dat is nou weer typische logica. Het is ook de meest nuttige overweging die je maar kunt stellen, en dat is dat hij Psalm 24 citeert: "Want de aarde en haar volheid is des Heren." Met andere woorden, je hoeft helemaal niet de vraag te stellen: "Is dat nou van de Heer of is dat nou niet van de Heer?" Je hebt van die mensen die trouwens zo spastisch, als ik het zo mag zeggen, door de wereld lopen en ze zeggen altijd maar, bij elke stap die ze zetten: "Is dat nou van de Heer of is dat niet van de Heer?" Nou, dat is onzin, want alles is Zijn domein.⟨/p> ⟨p>Ik zeg het expres even zo, want ik had destijds... nee, ik heb het boek nog steeds in de kast staan, dat heet ⟨em>Het domein van de slang⟨/em>, van Ouweneel. Dat was een soort van encyclopedie. Als je dan in aanraking kwam met een bepaald ding, een bepaalde therapie, een bepaald soort pilletje dat homeopathisch was of een bepaalde sport, dan zou dat occult belast zijn. Dat was zo’n term die destijds in de evangelische wereld enorm rondzong. Dat moest je wel onderzoeken, want ja, je zal er maar occult belast worden door iets. Daar moest je dus eigenlijk navraag doen en dan was die dikke bijbel van het domein van de slang de gids. Want ja, eigenlijk lopen we hier gewoon in het domein van de slang. Is dat helemaal onwaar? Nee, je kunt zeggen: de wereld ligt toch in het boze? Dat is ook de Schrift, dat is waar. Maar wij rekenen daar niet mee, en dat is juist wat een gelovige een gelovige maakt.⟨/p> ⟨p>Wij weten: kijk, alles is des Heren. Alles is van Hem, iedereen is van Hem. Ja, er staat niet alleen de aarde, maar ook nog eens haar volheid. Dat wil zeggen: alles wat erin zit. Ja, dus ook de slang. Dus, hoe reken je? Hoe hoog? Met welke criteria? Wat leg je aan als maatstaf? Nou, dat is heel simpel: wij zijn Zijn domein, en alles is Zijn domein, en alles is dus van Hem. Dat is gewoon het uitgangspunt. Dus de hele vraag van: "Is dat van de Heer?" vervalt. Kijk, en dat is nou ook de ruimte waarin we geplaatst zijn. Alles is van Hem en bovendien is iedereen ook nog eens van Hem.⟨/p> ⟨p>U ziet hier een citaat uit, of in ieder geval een verwijzing naar Mattheüs 13 vers 44. Dat gaat over die man die een schat vond in de akker. En wat deed hij? Die man is een uitbeelding van de Heer Zelf, van Christus. Hij kocht de akker. En even een paar verzen ervoor lees je: de akker is de wereld. De akker is de wereld. Hij wilde die schat, maar hij kocht de hele wereld. Zo is het ook met ons. Kijk, je kunt natuurlijk vanuit twee standpunten dat bezien. In de eerste plaats is Hij de Schepper van alles en dus behoort alles Hem toe. Exodus 19 vers 5, daar staat: "Dan zult gij uit alle volkeren Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij." Deuteronomium 10 vers 14: "Zie, van de HERE uw God is de hemel, ja, de hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is." Job 41 vers 11: "Want wat onder de ganse hemel is, dat behoort Mij toe." En niemand anders. Psalm 50 vers 12 — ik doe maar even een bloemlezing uit een aantal Schriftplaatsen: "Mij behoort de wereld en haar volheid." Dat lijkt als twee druppels water op die woorden in Psalm 24. Dus alles van de wereld is van Hem.⟨/p> ⟨p>Ik herinner me trouwens even terzijde, maar dat was ergens begin jaren '80, het zal '82 of '83 geweest zijn, toen had je daar in de evangelische wereld die actie van "Er is hoop", met zo’n regenboog. Ja, ik heb daar destijds ook nog voor gelopen. Ik had op mijn auto ook een sticker van "Er is hoop". Op een gegeven moment zag je die kleuren niet meer en toen zeiden ze van: "Ja, waar is de hoop?", want dan kon je het eigenlijk niet meer zien. Maar goed, toen hadden we daar ook een oplossing voor, want hoop die gezien wordt is geen hoop, hè? Maar het was tekenend voor hoe men dacht, de hele mindset.⟨/p> ⟨p>Toen was er discussie over die regenboog, want in de New Age-kringen leefde dat nogal sterk. Men had ook een embleem en dat was hetzelfde, namelijk die regenboog. En dan zeiden ze van: "Ja, maar wacht even, dat is een occult symbool." En dan denk je: wat krijgen we nou? Wie jat nou van wie? Het is van Hém. Het is Zijn symbool. Hij heeft het als teken gegeven. Trouwens, dat geldt voor alles in de schepping. Hij is de Schepper, dus alles is van Hem. Hij heeft het bedacht en Hij heeft het gemaakt, ook al loopt de tegenstander ermee weg.⟨/p> ⟨p>En dan zeggen wij: "Moet je ervoor uitkijken hoor, want het is van de tegenstander." Kom op, dat is een omkering van zaken. Het is van Hem en zij jatten het. Dat is hun zaak, dat is hun probleem en niet het onze. Terug met dat ding! Wij eisen het op. Ja, zij jatten het. Precies. Nou, we hoeven er niet voor naar de rechter toe. Want waarom? Daar hoeven we niet eens over te discussiëren. Want als het van Hem is, dan eist Hij het op Zijn tijd ook wel weer terug.⟨/p> ⟨p>Dat is de ene invalshoek: Hem behoort alles toe als Schepper. Maar daarbij komt: alles behoort Hem ook toe omdat Hij de prijs heeft betaald. Hij betaalde de prijs voor allen. Wat mij betreft is dát het evangelie hoor. Want als Paulus zegt in 1 Timoteüs 2: "Er is één God, er is één Middelaar van God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen." En daarvan wordt getuigd op de juiste tijd. En ik ben daartoe gesteld als een apostel en leermeester van de natie, en ik spreek waarheid en geen leugen. Dat is de missie van Paulus en dat is de verkondiging: de prijs is voor alle mensen betaald. Dat is het evangelie.⟨/p> ⟨p>Voor sommige mensen is het ongeveer het hoogste ideaal dat ze komen bij Zondag 1 van: "Wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat ik mij het eigendom weet van Hem, of dat ik het eigendom ben van Hem." Dat is het ultieme ideaal van menig calvinist, als je dat op je sterfbed eenmaal mag zeggen. Maar dat zou geen eindpunt zijn. Dat is het beginpunt, want dat is namelijk het evangelie. Je bent van Hem.⟨/p> ⟨p>De boodschap is: je bent van Hem. Het is geen vraag, het is een uitroepteken. Hij gaf Zichzelf namelijk. Je bent van Hem, je bent Zijn eigendom. Ze weten het nog niet. Nee, maar als het niet verteld wordt, hoe zouden ze het ooit kunnen weten? Daarom moet je het ook vertellen. Ik bedoel, Hij is hun Redder, alleen ze weten het nog niet. Het evangelie is alleen maar een mededeling. Het is een mededeling, dat zijn de feiten. Zo is het. Alsjeblieft, als je het gelooft. Nou ja, dat zijn de dingen waar het allemaal op gebaseerd is. Ik ga even verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3510" title="Speel af vanaf 58:30">▶ 58:30⟨/button> ⟨span>Rekening Houden met het Geweten van de Onwetende⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Indien een van de ongelovigen – die dat dus nog niet gelooft – u uitnodigt. Ik bedoel, die ongelovige is ook van de Heer. Hij loopt ook op de aarde rond en maakt ook deel uit van die volheid van de aarde. Maar goed, niet iedereen weet dat of wil dat weten, en dan is het een ongelovige. Eten met een ongelovige... Nou, dat zegt Paulus niet. Hij zegt niet: "Nee, dat mag eigenlijk helemaal niet, eten met een ongelovige." Waarom niet? Hij is ook van de Heer, en dus is het een mooie gelegenheid om hem te vertellen.⟨/p> ⟨p>Daarbij vallen ongelovigen eigenlijk uiteen in twee categorieën: je hebt onwetenden en je hebt ongelovigen. Dat is een groot verschil. Normaal gesproken, als iemand iets niet weet, kun je dan zeggen dat het een ongelovige is? Nee, een ongelovige is iemand aan wie je iets vertelt en die zegt: "Nee, dat geloof ik niet," of: "Dat wil ik niet aan." Diegene wil het niet; die gelooft niet wat jij denkt en die wil het niet geloven. Maar voordat jij het verteld hebt, is hij of zij slechts onwetend. Ik denk dat vele mensen in de wereld, sterker nog, het grootste gedeelte, domweg onwetend is. Er is ook een categorie die echt ongelovig is. En nu ga ik iets heel brutaals zeggen: die zitten vooral in de kerk. Ja, het is echt waar, die willen het niet weten.⟨/p> ⟨p>Kijk, een heleboel mensen kennen het evangelie helemaal niet. Als je vertelt dat Hij hun Heer en hun Redder is, hebben ze daar nog nooit van gehoord. Er is een categorie die dat absoluut niet wil horen en dat ook in hun belijdenis heeft vastgesteld: "Het is niet waar." Dat zijn dus de echte ongelovigen. Ja, het is misschien scherp, maar het is wel zo.⟨/p> ⟨p>Goed. Als een van de ongelovigen u uitnodigt. Je kunt "ongelovige" ook iets minder zwaar inzetten: een ongelovige kan iemand zijn die het niet wil geloven, maar het kan ook iemand zijn die nog geen geloof heeft, en dan kan het ook een onwetende betreffen. Ik denk dat dat hier de gedachte is. We zullen in hoofdstuk 14 trouwens nog wat nader op dat onderscheid ingaan, want daar heeft Paulus het ook daadwerkelijk in één vers over de situatie waarin een onwetende of ongelovige binnenkomt. Hij maakt daar echt dat onderscheid. Dus soms doet het onderscheid ter zake en soms ook niet.⟨/p> ⟨p>Indien een van de ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan – dus niet de vraag: "Mag ik dit wel van de Heer?", want ja, dan moet ik weer een stap zetten en is dat wel van de Heer? Nee, wij danken Hem op voorhand. Als wij dat willen, of als wij dat nuttig achten om even in de sfeer en in de lijn te blijven, dan gaan we gewoon. En gij wenst te gaan, eet dan alles wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar. Ja, dat is de logica die volgt uit het feit dat alles van Hem is; het is Zijn domein. Wij doen geen navraag, en soms wil je bepaalde dingen inderdaad niet eens weten.⟨/p> ⟨p>Het kan zijn dat je er ongevraagd op getrakteerd wordt. Dat zie je in vers 28, want daar staat: "Doch, indien iemand tot u zegt..." Dat kan degene zijn die jou uitnodigt of mensen die zich in dat gezelschap bevinden. Indien iemand tot u zegt: "Dat is gewijd vlees," of: "Dat is offervlees." Daar had jij helemaal niet naar gevraagd, maar het wordt jou verteld. Nou, dan staat er: "Eet het dan niet, om hem die u dat te kennen gaf en om het geweten." Dat wil zeggen dat je echt voor een keuze wordt geplaatst. Want op het moment dat je het dan eet, wordt dat geassocieerd met het feit dat jij niet zomaar meer vlees eet. Nee, dan eet jij in de beleving van hen allen offervlees, en dan associeer je jezelf met demonen. Nou, zegt Paulus, doe dat dan niet, om hem en om het geweten.⟨/p> ⟨p>Hij moet zich nog even nader preciseren, want in vers 29 zegt hij: "Ik bedoel nu niet uw eigen geweten." Letterlijk zegt hij trouwens niet "ik bedoel", maar: "Ik zeg niet uw eigen geweten." Deze formulering suggereert namelijk alsof Paulus niet duidelijk was of dat hij iets anders bedoelde dan wat hij zei. Nee, hij legt het alleen nog even nader uit. Hij zegt: "Ik zeg nu niet uw eigen geweten," want jij met jouw wetenschap weet dat het geen enkel punt is. Geweten heeft inderdaad te maken met dat wat je weet. In het Grieks heeft het de betekenis van "samen weten". "Sun" – en dat andere woorddeel heeft te maken met weten – we weten dat gezamenlijk.⟨/p> ⟨p>In het Engels zie je dat trouwens ook nog: "conscience". "Con" betekent mede of co, en "science" is weten of wetenschap. Dus je weet het. Het geweten is dat wat we gezamenlijk ook gewoon weten. Wij weten als gelovigen: er is maar één God en alles is in Zijn domein. Maar niet iedereen weet dat. Dus daar heb je rekening mee te houden; het is gewoon een gegeven. Paulus zegt: "Ik zeg nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten?" De MBV heeft hier een weergave die ik wel aardig vond. De manier waarop dit weergegeven wordt, is namelijk een hersenkraker als je goed naar zo'n zin kijkt. Maar de MBV zegt: "Mijn vrijheid wordt toch door zijn geweten toch niet aangetast?" Kijk, want waartoe zou mijn vrijheid onderworpen zijn aan die van een ander? Dat wil zeggen: mijn vrijheid staat toch niet onder het oordeel van een ander? Nee. Of onder het oordeel van het geweten van een ander? Iemand die zelf minder weet of een ongelovig geweten heeft, daar wordt mijn vrijheid toch niet door beperkt. Dat een ander die dingen niet weet, dat is zijn of haar probleem, niet dat van ons. Nou, zegt Paulus.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3950" title="Speel af vanaf 01:05:50">▶ 01:05:50⟨/button> ⟨span>Leven uit Genade: Danken Is Zegenen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak... Nou, dat is heel typerend voor een gelovige. Als alles van Hem is – en als ik zeg alles, dan hebben we het woord weer waar het over gaat – wat zeggen we dan? Als je alles krijgt, als alles van Hem is en Hij alles geeft, wat doe je dan? Wat is dan de meest logische, typerende levenshouding? Dat is danken.⟨/p> ⟨p>Mensen, kijk, als je het hebt over wat dat nou is, leven uit genade: dat is heel simpel hoor. Leven uit genade wil in de praktijk zeggen dat je Hem dankt in alles. Dat is leven uit genade, want je krijgt alles. En wat doe je als je iets krijgt? Dan zeg je: "Dank u wel." Dat wordt je dankzegging. De associatie tussen genade en dankzegging ontgaat ons misschien in het Nederlands, maar in het Grieks is die meteen overduidelijk. Danken is ⟨em>eucharisteo⟨/em>. Dat is een iets langere vorm van ⟨em>charis⟨/em>, namelijk genade. Eigenlijk is het "goede genade" of "welgenade": ⟨em>eu-charis⟨/em>. Dankzegging, ⟨em>eucharistia⟨/em>, is eigenlijk goede genade.⟨/p> ⟨p>Nu is dit dankzeggen weer niet precies hetzelfde als zegenen. Het zijn twee verschillende Griekse woorden. Maar waar ik het de vorige keer over had, is dat dingen "dankzeggend gezegend" worden. Dat is het. De Bijbel lieert die twee zaken. Als je voor iets dankt, dan is dat de zegen. Dingen worden dankzeggend gezegend.⟨/p> ⟨p>Ik heb de vorige keer ook dat voorbeeld gegeven van de maaltijd. Voor de maaltijd dank je. Niet: "Heere, wilt U het zegenen?" Ik weet wel, dat zijn van die gebruiken die zo ingesleten zijn. Dan wordt er gevraagd: "Wilt U het zegenen?", en dan na de maaltijd, als je lekker gegeten hebt, gaan we danken. Nee, wij danken op voorhand. We hebben het op tafel staan en dus danken we Hem. En dát is de zegen. Een gezegend leven, een gezegende maaltijd, een gezegend wat dan ook – het maakt niet uit – houdt juist in dat je Hem dankt in alles.⟨/p> ⟨p>Nou, als ik onder dankzegging van iets gebruik maak – wat nogal logisch is voor iemand die weet dat hij zich in het domein van Hem bevindt – hoe kan men dan kwaad van mij spreken over iets waarvoor ik dankzeg? Dat is ons leven. Wij danken Hem en daarom hebben we ook zoveel vreugde. We hadden het net over geluk; als je de gelukkige God kent, geldt dat ook voor die volheid van vreugde. In het woord dankzegging zit immers het woordje ⟨em>charis⟨/em> besloten, genade. En dat is niets anders dan vreugde. De definitie van genade is: vreugde om niet. Je krijgt iets en dat maakt blij. Dat is genade. Wij leven uit genade en dat maakt blij. Ja, dat is nogal logisch, want je krijgt alles.⟨/p> ⟨p>Als je dat weet en als je daaruit leeft, hoe kan men dan kwaad van mij spreken over iets waarvoor ik dankzeg? Dat is typerend. Ik zal u een paar verzen voorlezen. Kolosse 3:17 zegt: "En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam van de Heer Jezus." Hij is namelijk onze Heer. "God de Vader dankende door Hem." Je dankt God de Vader, maar we doen dat door Hem. Alles dus, met woord of werk.⟨/p> ⟨p>In 1 Thessalonisencen 5:18 staat – we hadden het in de pauze nog over vers 20 over het toetsen van alles – maar hier in vers 18 staat: "Dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u." Er staat trouwens vlak daarvoor: "Verblijdt u te allen tijde." Die twee zijn ook aan elkaar gekoppeld: danken maakt blij.⟨/p> ⟨p>Als je nou de vraag stelt: "Wat wil God nou met mijn leven?", dan moet je niet bij elke stap die je zet vragen: "Heer, is dit van U?" Nee. Dat suggereert namelijk alsof er stukjes zouden zijn waar jij je voet op zou zetten die niet van Hem zijn. Hoe vroom het ook klinkt, feitelijk is het ongeloof. Begrijpt u? Alles is van Hem, dus elke stap die we zetten is op Zijn gebied. Het is allemaal van Hem en dus danken we Hem. Dat is Gods wil in ons leven en dus een leven dat bruist van vreugde, want het houdt niet op. Er zijn ook geen limieten. Ze zeggen wel eens "the sky is the limit". Nou, met recht, want daar is ook onze bestemming.⟨/p> ⟨p>In 1 Timotheüs 4 vers 4 staat: "Want alles wat God geschapen heeft..." Nou, mag u eens een keertje iets bedenken wat God niet geschapen heeft. "Alles wat God geschapen heeft is goed en niets daarvan is verwerpelijk." Er staat bij: "als het met dankzegging aanvaard wordt." In de vertaling staat wel "als", maar letterlijk staat er: "met dankzegging genomen wordend". Ik geef toe, het is verschrikkelijk akelig Nederlands, maar het punt is dat er geen "mits" staat. Nee, het is gewoon de logica: als Hij het geschapen heeft en ons zo ten gebruike geeft, dan zeggen we: "Dank u wel." That's it.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4333" title="Speel af vanaf 01:12:13">▶ 01:12:13⟨/button> ⟨span>Alles Doen Ter Ere Gods Maakt het Denken Effectief⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Of gij dus eet of drinkt of wat ook doet – daar zijn dus al onze activiteiten bij inbegrepen, inclusief, it's all-in. Zo denkt God hè? All-in, all inclusive. Ja, ik moet even lachen, want daar hadden we het onlangs over bij het bespreken van type vakanties. Toen ging het er even over van wat voor soort vakantie je het liefste houdt. Nou, het liefst van een all-inclusive. Dan kan men wel wat exclusiefs kopen, maar ja, dat is dan weer exclusief hoor! All-inclusive. Maar ons evangelie is ook zo verschrikkelijk all-inclusive.⟨/p> ⟨p>Dus of gij nu eet of drinkt of wat dan ook doet, doet het alles ter ere Gods. En hoe eer je Hem? Door Hem te danken. Dan erken je Hem namelijk als de Schepper. Ik heb daar een heel mooi voorbeeld van in Romeinen 1 vers 21. Daar schrijft Paulus dit: "Immers, hoewel zij God kenden" – dan gaat het hier over de heidenwereld – "hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt." Theos, de Plaatser, die alles beschikt en alles een plaats geeft. Ze zijn wel godsdienstig, maar ze hebben Hem niet als dé God verheerlijkt of gedankt. Want dat is namelijk hetzelfde: als je Hem verheerlijkt, dan doe je dat door Hem te danken. Je geeft Hem de eer als Hij het is die alles bedacht, alles geschapen heeft en ook alles beschikt en alles een plek geeft, zowel goed als kwaad. Omdat er nooit iets misgaat, kun je Hem dus de eer geven door Hem in alles te danken. Daarmee verheerlijk je God. Waarom? Je stelt daarmee in het licht – want dat is wat verheerlijken betekent – dat Hij de Theos is, de Plaatser. Er gebeurt niks voor niks.⟨/p> ⟨p>En als je Hem niet als God verheerlijkt of dankt – hier staat het negatief – dan zijn hun overleggingen, hun dialogen en hun doorredeneringen op niets uitgelopen. Het is duister geworden in hun onverstandig hart. Nou gaan we het even positief zeggen: als je God dus als God verheerlijkt en dankt, wat gebeurt er dan? Dan worden je redeneringen – voor zover ze daar nog überhaupt nodig zijn trouwens, want de Schrift bevestigt namelijk dat je niet zo veel meer hoeft te redeneren – niet op niets uitgelopen, maar ze zullen hun doel raken. Niet doel missen, maar gewoon effectief zijn. Dan wordt je denken werkelijk effectief. Als je God als God verheerlijkt, dan wordt je brein gewoon optimaal gebruikt. Dat is voorwaarde nummer één. Daarom zegt het boek Spreuken ook niet voor niks dat het het beginsel van verstand en van wijsheid is om Hem de eer te geven, om Hem te vrezen, dat wil zeggen om ontzag voor dé God te hebben.⟨/p> ⟨p>Als je werkelijk je brein wilt gebruiken, over gebruiksaanwijzing gesproken: de gebruiksaanwijzing voor ons brein is: verheerlijk God als God. Ik bedoel, dat God er is weten we allemaal. Dat weet elk mens. Als er een schepsel is, dan is er ook een Schepper. Dat is nogal wiedes. Nou, als je Hem als God verheerlijkt, dan wordt je denken effectief. En bovendien gaat het licht worden in je verstandig hart. Dat is de positieve zin. Daarmee zeg ik exact hetzelfde als hier, alleen dan in de positieve zin. Dan zeg je: it's up to you, wat wil je? Verheerlijk Hem als God. Dat wil zeggen: dank Hem in alles. Hier ziet u het, dat is gewoon hetzelfde. Hem danken is Hem verheerlijken.⟨/p> ⟨p>Ik dacht trouwens aan nog een vers en dat lees ik maar even voor. Dat gaat in Romeinen 4 over Abraham en daar staat in vers 20 van dat hoofdstuk: "Maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, maar hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode de eer in de volle zekerheid dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen." Hoe verheerlijk je God? Door gewoon te staan op Zijn belofte. Dan geef je Hem de eer, namelijk de eer van Zijn woord. Want Hij houdt Zich aan Zijn woord hoor. Abraham was zo'n man. God had gezegd: "Zo zal jouw nageslacht zijn." De wetenschap zei, of zijn dokter had ongetwijfeld gezegd: "Nee meneer Abraham, dat zit er niet meer in. En mevrouw Sara is daar ook niet meer toe in staat." Het strijdt met al onze gegevens en data.⟨/p> ⟨p>Ik plaats het nu even in 2013. We hebben nog wel een paar technieken daarvoor. Had Sara trouwens ook, en dat was toentertijd Hagar. Ik bedoel, dat zijn allemaal van zulke redeneringen. Maar Abraham stond op Gods belofte en gaf daarmee Gode de eer. En het was Gods probleem, als ik het zo mag zeggen, hoe Hij dat zou realiseren. Maar het was precies zoals Abraham ook zei: "Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?" Kijk, dan vereer je God als God. Hoezo onmogelijk? Het is toch belachelijk als je het hebt over God.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4735" title="Speel af vanaf 01:18:55">▶ 01:18:55⟨/button> ⟨span>Wees Geen Struikelblok voor de Evangelieverkondiging⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vers 32: "Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de Ecclesia Gods aanstoot." Dit is een soort samenvatting van een paar hoofdstukken, want dit begon al in hoofdstuk 8 en 9, en hoofdstuk 10 borduurde daar op voort. Het was Paulus er alles om te doen om mensen te winnen; dat wil zeggen: tot hen te spreken zodat ze zouden gaan beseffen wie ze zijn en dat ze gekocht zijn.⟨/p> ⟨p>"Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de Ecclesia van God aanstoot." U ziet, dat woord 'aanstoot' staat er eigenlijk niet; er staat 'struikelblok'. Wees geen struikelblok voor Joden, Grieken of voor de Ecclesia van God. Dat is een heel verschil. Als je in het Nederlands ergens aanstoot aan neemt, bedoelen we daarmee dat iets je irriteert. Je stoot je eraan; het wekt ergernis op. Maar dat is niet wat hier staat. Men zegt wel eens dat je geen aanstoot mag geven aan een ander, maar laat ik u dit zeggen: het evangelie is altijd een aanstoot. Als je gewoon vertelt wat het evangelie is, zijn er altijd mensen die zich daaraan stoten. Maar dat is niet waar Paulus het hier over heeft. Hij heeft het niet over een aanstoot, hij heeft het over een struikelblok. Wees geen struikelblok voor dat evangelie.⟨/p> ⟨p>Begrijpt u wat ik bedoel te zeggen? Laat je leven zo zijn – en de directe achtergrond hier was het eten van offervlees – dat je geen struikelblok vormt. Of het nu gaat om Joden, Grieken of de Ecclesia Gods, elk mens heeft weer zijn eigen achtergrond. Zorg er nou voor dat die ander niet door jouw toedoen verhinderd wordt om tot Christus te komen of daardoor niet opgebouwd wordt. Ons leven gaat toch om de vraag: is het nuttig? Bouwt het op? Komt het bij Hem? Geeft het Hem de eer? Als het daartoe hindert, dan zegt Paulus dat het een struikelblok wordt. Het heeft niets te maken met ergernis of irritatie. Helemaal niets. Dat is ook weer zo’n woord dat heel dikwijls zomaar lukraak uit de Bijbel wordt geciteerd, maar ten onrechte, want het staat er niet. Het is een struikelblok.⟨/p> ⟨p>Ter toelichting zegt hij in vers 33, het laatste vers: "Zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken." U hoort hier weer de echo van hoofdstuk 9, waarin hij zegt dat hij alles doet om mensen te winnen. Daar ging het allemaal om. Of het nu ging om de zwakken, de Joden of de Grieken; als het ging om mensen die onder de wet staan, dan leefde Paulus als onder de wet. Niet omdat hij zelf onder de wet was, maar gewoon om hen te winnen. Nooit wilde hij een struikelblok vormen. Integendeel, hij wilde juist het belang van die mensen zoeken. Hier staat trouwens hetzelfde woord als wat we eerder tegenkwamen voor 'hun nut': nuttig, of 'expedience'. Dat is wat hij zocht: hun voordeel, hun nut.⟨/p> ⟨p>Waarom? "Niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van de velen." Er staat niet 'van zeer velen', maar 'van de velen'. Opdat zij behouden worden; dat wil zeggen: Hem leren kennen. Dat is het. Het wordt vaak zo gezegd: "Jij gelooft dat alle mensen behouden zijn." Dat heb ik nooit verteld en daar geloof ik ook niets van. Hij is een Behouder van alle mensen, maar dat wil niet zeggen dat ze nu allemaal behouden zijn. Een mens wordt behouden op het moment dat hij Hem en de vergeving leert kennen. Dat is behoud. Nu is het zo dat iedereen Hem eens zal leren kennen, dat is waar, maar dat neemt niet weg dat dit op dit moment nog niet het geval is. Waar het hier om gaat, is het behoud van die ander.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5012" title="Speel af vanaf 01:23:32">▶ 01:23:32⟨/button> ⟨span>Word Navolgers van de Hemelse Christus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wordt mijn navolgers, dat is het laatste vers. Het is inmiddels hoofdstuk 11 vers 1, maar dit vers hoort echt nog bij het voorgaande gedeelte. "Wordt mijn navolgers," zegt Paulus, "gelijk ook ik Christus navolg." Dit zegt hij trouwens wel vaker in zijn brieven: "Weest mijn navolgers." Dat is niet om een navolger van de mens Paulus te worden; hij zegt dat we hem moeten navolgen zoals hij Christus navolgt. Daarmee zijn we een navolger van Christus. Hoe dan? Nou, precies zoals Paulus dat was.⟨/p> ⟨p>En hij zegt hier "Christus", hij zegt niet "Jezus". Ik heb zo vaak dat misverstand gehoord dat wij Jezus zouden navolgen, maar dat doen we niet. De Jezus hier op aarde, die alleen maar gezonden was tot het huis Israëls en geboren was onder de wet, die volgen wij niet. Nee, wij zijn navolgers zoals Paulus Hem navolgde. Niet de Jezus hier op aarde, maar de Christus die hem riep vanuit de hemel. Zó volgen wij Hem inmiddels. Als je "Jezus" zegt, dan heb je toch echt een update nodig, om het even in computermen te zeggen. Dan loop je echt zwaar achter op een verouderde versie. Hij is namelijk niet meer de Jezus van toen; Hij is inmiddels de Christus geworden: de Opgestane, de Verheerlijkte. Hém volgde Paulus na. Door Christus was hij geroepen, en die hemelse Christus volgt hij na. Wij volgen ook die Christus, op dezelfde wijze zoals Paulus Hem ooit navolgde.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt: "Ik vermaan u dus." Maar dat staat er eigenlijk niet; er staat: "Ik roep u op" of "Ik moedig u aan: volg mijn voorbeeld." De vertalingen zijn zo vaak doordezemd — dat is een mooi woord in dit verband — doorzuurd van allerlei wettisch denken. Er staat: "Ik moedig u aan, volg mijn voorbeeld." In Filippenzen 3 vers 17 zegt hij: "Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt." En in 1 Thessalonicenzen 1 vers 6: "En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Heere, en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap van de Heilige Geest ontvangen." Er staat trouwens ook hier weer niet "aangenomen", maar "ontvangen". Zoek het verschil maar eens op. Maar het gaat me nu even om dit punt: een navolger geworden van het Woord en van de Heere, en daarmee dus ook van Paulus.⟨/p> ⟨p>Zo gaan wij het jaar uit met dat Woord, met zo’n voorbeeld en zo’n rolmodel. Zo mogen wij Christus kennen, Hem volgen en Hem de eer geven. Ik stel voor dat we het voor vanavond hierbij laten. De volgende keer gaan we verder met 1 Korinthe 11, een hoofdstuk waar ook weer zoveel misverstanden over zijn, maar waar ook zulke prachtige dingen over te vertellen zijn over man en vrouw en de betekenis daarvan. Dit was mijn laatste dia, zoals u ziet.⟨/p>