⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Inleiding en Hebreeën 13 als Climax⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hebreeën 13, daar waren we inmiddels aangekomen. Of dit ook de laatste bespreking wordt, valt nog te bezien. Ik weet het eerlijk gezegd niet; ik vermoed van niet. Maar mocht het nog te verdelen zijn over twee avonden, dan is dat ook geen enkel probleem. Al was het maar om, mochten we er nog een tweede studie aan toevoegen – nog een avond, bedoel ik – daar nog wat tijd voor in te ruimen om nog eens een terugblik op deze hele studieserie te geven.⟨/p> ⟨p>De vorige keer – laat ik dat eerst nog even mogen zeggen – hebben we het dus gehad over Hebreeën 13. We hebben de eerste twaalf verzen van dat hoofdstuk besproken en we hebben Hebreeën 13 bezien als slot, als een afsluitend hoofdstuk van een heel lang betoog. Daar denkt de schrijver trouwens zelf anders over; die zegt dat het maar heel kort is. Maar daar zullen we het wellicht vanavond nog over hebben.⟨/p> ⟨p>In elk geval zijn er twaalf lange hoofdstukken aan voorafgegaan en dit is de afsluiting daarvan. Het zijn afsluitende opmerkingen, maar het is niet alleen maar een afsluiting of een soort appendix. Het is ook een conclusie en je kunt zelfs zeggen – en dat zal ik vanzelf straks al betrekkelijk in het begin laten zien – dat het zelfs ook een climax is. Want als we eenmaal bij het dertiende vers aangekomen zijn, dan is dat naar algemeen gevoel een van de grote samenvattingen, maar ook de conclusie van deze hele Hebreeënbrief. Het is dus niet zomaar iets wat er nog een beetje bij hangt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="120" title="Speel af vanaf 02:00">▶ 02:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op Eerdere Thema's: van Broederliefde tot Gastvrijheid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten we nog eens nader bezien waar we het de vorige keer over hadden: over de broederlijke liefde, de Philadelphia uit vers 1, en over herbergzaamheid. Daar heb ik trouwens nog een ontdekking over gedaan; misschien is het goed om dat nog even te memoreren. Ik herinner me namelijk dat Fred de kwestie over de engelen nog ter sprake bracht. Toen ik dat bij thuiskomst nog eens wat nader ging bezien, heb ik ontdekt dat de vertaling 'boodschappers' hier inderdaad veel correcter is. In ieder geval is die vertaling niet gekleurd. Dat had ik toen trouwens ook al gezegd: een engel is in het Grieks gewoon een boodschapper. Dat kan een hemelwezen zijn, maar in het algemeen is het een boodschapper; dat kan dus ook een mens zijn.⟨/p> ⟨p>Het aardige is dat ik er een paar weken geleden ook een blogje aan gewijd heb op mijn website. In de Jacobusbrief wordt namelijk gezegd dat Rachab de verspieders — 'boodschappers' staat er — in haar huis herbergde. Zij wist in aanvang niet met wie zij van doen had. Dat zou dus ook een prachtige verwijzing kunnen zijn in Hebreeën 13 vers 2: "Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen zonder het te weten boodschappers geherbergd." Dat geldt voor Abraham en Lot in ieder geval, maar daar valt Rachab dus ook wel degelijk onder. Zij was trouwens al eerder in deze brief, in hoofdstuk 11, genoemd als degene die de verspieders, de boodschappers, had geherbergd zonder dat ze aanvankelijk wist dat ze met boodschappers van God te maken had. Maar het waren in elk geval geen engelen. 'Herbergzaamheid' of 'gastvrijheid' is hier misschien nog een wat beter vertaalwoord.⟨/p> ⟨p>Verder ging het over het medeleven met gevangenen in vers 3 en het in ere houden van het huwelijk in vers 4, waar we ook nader bij stil hebben gestaan. Dat het huwelijk in ere wordt gehouden, is een universeel beginsel in heel de Schrift, vanaf Adam en Eva tot het laatste mensengeslacht; het is een instelling Gods. In vers 5 ging het over de liefde voor geld versus tevredenheid. En vers 6 sprak over vertrouwen zonder angst voor mensen. Dat is een waarheid die voor elk mens van belang is, maar zeker voor de Hebreeën in hun situatie was dat des te sprekender.⟨/p> ⟨p>In vers 7 ging het over het gedenken van de voorgangers die het Woord van God brachten. De voorgangers die inmiddels overleden waren, zouden ze in herinnering houden omdat zij het Woord van God hadden gebracht. En dan die prachtige waarheid dat Jezus Christus gisteren en vandaag dezelfde is, en tot in de aeonen. En vervolgens zagen we in vers 9 het belang van het bevestigd worden in genade.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="324" title="Speel af vanaf 05:24">▶ 05:24⟨/button> ⟨span>Ons Altaar en Christus als het Zondoffer Buiten de Poort⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vers 10 spreekt over ons altaar dat buiten de legerplaats is. Dit altaar verwijst naar de plaats waar het offer gebracht is. Daarmee bedoel ik dat het slachtoffer geslacht is, maar vervolgens ook is verrezen en op het altaar omhoog is gegaan, opgestegen is. Dat is ons altaar en dat bevindt zich letterlijk buiten de legerplaats, buiten de poorten van Jeruzalem.⟨/p> ⟨p>In vers 11 gaat de schrijver naadloos verder over het zondoffer waarvan het bloed in het heiligdom gebracht werd, maar waarbij het lichaam in zijn totaliteit buiten de legerplaats werd verbrand. Dat is overigens interessant, want daarmee heb je de positie van Jezus Christus in twee beelden samengevat. Enerzijds is Hij degene die nu in het heiligdom is – dat is ook een van de grote thema’s in Hebreeën 9 en 10 – en dat Hij als de Hogepriester naar de ordening van Melchizedek met Zijn bloed het hemels heiligdom is binnengegaan. Dat wil zeggen: Hij is de Geslachte, en wat meer is, de Opgewekte, en als zodanig nu daar achter het voorhangsel onttrokken aan het oog. Dat is Zijn positie in het heiligdom; dat is de ene kant.⟨/p> ⟨p>Aan de andere kant is Hij degene die buiten de legerplaats heeft geleden, buiten de menselijke godsdienst, en letterlijk ook buiten de poorten is gekruisigd, met alle symboliek van dien. Er wordt hier specifiek gerefereerd aan het zondoffer waarvan het bloed in het heiligdom gebracht werd. Dan denk je automatisch aan Jom Kippoer, want dat was de enige dag in het jaar – de tiende van de zevende maand – dat het bloed van het zondoffer in het heiligdom werd gebracht. Dat is de ene kant, maar het lichaam van dat zondoffer werd buiten de legerplaats verbrand.⟨/p> ⟨p>Beide posities en locaties typeren de positie van Christus vandaag. Dat is wat de Hebreeënbrief uiteenzet in hoofdstuk 9 en 10: vandaag in het heiligdom, en anderzijds buiten de legerplaats, buiten de tempeldienst, buiten de plaats die God gegeven had en waar de hele priesterdienst plaatsvond. Dat is heel typerend.⟨/p> ⟨p>Dan kom je vanzelf bij vers 12, het laatste vers dat we hebben besproken. Ook Jezus heeft buiten de poorten geleden; dat sluit er naadloos op aan. Dat is natuurlijk een waarheid die we ook al eerder in de evangeliën aantreffen. Alle evangeliën stemmen daarin overeen: dat Hij inderdaad buiten de muren van Jeruzalem geleden heeft. Ik laat nu even buiten beschouwing dat dit aan de oostkant is geweest, op de Olijfberg – ik weet niet of ik daar de vorige keer al wat over gezegd heb. In elk geval hebben we het daar bij een eerdere studie over de Hebreeënbrief wel wat uitgebreider over gehad. Nu is het voldoende om erop te wijzen dat Hij buiten de poorten geleden heeft.⟨/p> ⟨p>Dat is heel typerend en dat is ook het onderwijs van met name het boek Leviticus, maar ook in Exodus: dat een bepaald type offers buiten de legerplaats verbrand moest worden of dat daar anderszins rituelen moesten plaatsvinden. Ik denk aan het offer van de rode vaars. Die rode koe werd ook buiten de legerplaats verbrand; in Numeri 19 staat er heel uitdrukkelijk bij dat dit aan de oostkant moest gebeuren. Buiten de legerplaats moest dat worden verbrand en de as ervan moest worden verzameld. Daar is natuurlijk heel veel over te zeggen, maar het belangrijkste is nu waar het naar verwijst. Daar hoeven we niet over te fantaseren, want Hebreeën 13 zegt het ons luid en duidelijk: het verwijst naar Jezus, die buiten de legerplaats heeft geleden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="603" title="Speel af vanaf 10:03">▶ 10:03⟨/button> ⟨span>Laten Wij tot Hem Uitgaan Buiten de Legerplaats (exodus 33)⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan komen we nu in het dertiende vers. Ik heb er in de studies die hieraan voorafgingen – de 28 of 29 studies – al vaker direct of indirect naar verwezen. Dit vers is namelijk de grote conclusie van de hele brief: "Laten wij derhalve tot Hem uitgaan." Dat wil zeggen: naar buiten gaan, buiten de poorten. Voor deze Hebreeën was dat zeer actueel als we vasthouden aan de primaire, letterlijke betekenis van de adressering aan hen. Zij moesten de tempeldienst en de stad Jeruzalem opgeven. De stad zou in vlammen opgaan en de tempel zou worden verwoest. Zoals Jezus buiten de poorten van de stad heeft geleden – wat overigens Zijn lot als slachtoffer was – zo moesten zij nu vrijwillig tot Hem uitgaan. Buiten de legerplaats. Uitgaan dus.⟨/p> ⟨p>Natuurlijk waren er hele goede argumenten aan te voeren om dat juist niet te doen. Men had kunnen zeggen: "Hoor eens even, die legerplaats en die tempel zijn toch de plaats waar God woont? Dat is het huis van God, ons van Godswege gegeven. Dat is de plaats waar we moeten zijn, waar de tempeldienst, de priesterdienst en de offerdienst plaatsvinden. Hoezo daaruit gaan?" Het antwoord is: de Heer zelf is daar buiten gaan staan, of is naar buiten gebracht. "Laten wij derhalve tot Hem uitgaan," en daar staat nog bij: "buiten de legerplaats."⟨/p> ⟨p>Voordat ik meer zeg over de schriftverwijzingen op de vorige dia, wil ik eerst dit naar voren brengen. Wanneer de schrijver dit op deze manier stelt, refereert hij aan een bekende oudtestamentische geschiedenis waarvan de Hebreeën precies wisten waar hij op doelde. Ooit was de boodschap aan de Israëlieten immers al geweest: "Ga uit, naar buiten de legerplaats." Als je de Heer wilt vinden, moet je niet ín de legerplaats zijn, maar daarbuiten. Waar doel ik nu op? Iemand een idee? Ja, na de uittocht. Er werden inderdaad ook mensen buiten de legerplaats geplaatst – dat is trouwens ook heel boeiend – maar daar doel ik nu niet op. Ik doel op de geschiedenis na de afgoderij met het gouden kalf. Juist!⟨/p> ⟨p>Ik verwijs hier meteen naar de schriftverwijzing Exodus 33 vers 7. Laten we daar direct naartoe gaan; ik heb er een dia van gemaakt om het u gemakkelijk te maken. Daar lees je: "Mozes nu nam een tent." Wanneer deed hij dat? Dat was na de afgoderij met het gouden kalf in Exodus 32, een hoofdstuk dat daar volledig aan is gewijd. Dat was een dramatisch dieptepunt, zo kort na de uittocht uit Egypte. De wet had Israël nog niet eens ontvangen of hij was al schandalig gebroken – letterlijk en figuurlijk trouwens.⟨/p> ⟨p>Dan lees je: "Mozes nu nam een tent, hij spande haar voor zich uit buiten de legerplaats." Dat is exact dezelfde uitdrukking waaraan de schrijver van de Hebreeënbrief refereert: "Buiten de legerplaats, ver van de legerplaats." En hij noemde haar de "tent der samenkomst". Moet u nagaan: deze uitdrukking "tent der samenkomst" is normaal gesproken de aanduiding – en later zou dat ook de vaste aanduiding worden – van de tabernakel. Die tabernakel was het centrum van de legerplaats, maar nu, bij deze gelegenheid na de afgoderij, was de situatie anders. Israël had de Heer op een expliciete en duidelijke wijze verlaten en Zijn woord naast zich neergelegd. Wat Mozes nu doet – hij die het volk had uitgeleid – is een tent nemen en ver buiten de legerplaats gaan staan. Hij noemde haar de tent der samenkomst. Ieder die Yahweh zocht, ging uit naar de tent der samenkomst buiten de legerplaats.⟨/p> ⟨p>Dat wij in Hebreeën 13 opgeroepen worden om tot Hem, Jezus Christus, het ware zondoffer, uit te gaan buiten de legerplaats, was dus geen nieuwe waarheid. Die kende men; het stond nota bene al gewoon in de Torah. De waarheid was toen dat de legerplaats verontreinigd was. De Heer had daar geen plaats meer; ze hadden Hem verworpen. Ze waren wel godsdienstig, jazeker. Men pleegde afgoderij met het gouden kalf, een heel boeiend verhaal waar veel meer aan vastzit – waarom een gouden kalf en wat men daarmee deed – maar dat doet nu even niet ter zake. Het is voldoende om vast te stellen dat men de Heer en Zijn woord had verworpen. Wat Mozes deed, was afstand nemen van die legerplaats. Ieder die de Heer zocht, moest niet in de legerplaats zijn, maar daarbuiten.⟨/p> ⟨p>Dat is exact hetzelfde als wat de schrijver hier zegt. Als je de Heer wilt vinden, zul je Hem echt buiten de legerplaats moeten zoeken, niet daarbinnen. Ook al kun je erop wijzen dat die legerplaats ooit echt door God Zelf gegeven en zelfs ingesteld was – van origine een heilige plaats – het was nu een onheilige plaats geworden. Al was het maar omdat ze de Heer letterlijk verworpen hadden en dat later ook nog officieel hebben bevestigd.⟨/p> ⟨p>Ik bedoel ook gedurende de geschiedenis van het boek Handelingen. Toen heeft het Sanhedrin, het officiële bestuur en de regering van Israël, Stefanus en het getuigenis aangaande de Messias verworpen. Ze hebben hem gestenigd. Dat is wat men officieel heeft gedaan met de Messias: niet alleen toen men Hem kruisigde, maar ook toen Hij vervolgens als de Opgewekte werd gepredikt onder het volk. Ook dat getuigenis heeft men officieel verworpen.⟨/p> ⟨p>Nu is de boodschap aan die Hebreeën: ga buiten de legerplaats. Daarbinnen vind je misschien erkenning en het is traditioneel wellicht de plaats waar je moet wezen, maar nu moet je maken dat je wegkomt. Ik laat in dit verband nog buiten beschouwing – hoewel je het er eigenlijk bij moet betrekken – dat deze legerplaats binnen afzienbare tijd zal verdwijnen. Of, om het te zeggen met de woorden van de Hebreeënbrief: over een korte, korte tijd zal die plaats inderdaad nabij de verdwijning zijn en in een verterend vuur vergaan. Letterlijk is dat met die legerplaats gebeurd, die plaats die God ooit had gegeven. Het principe dat je hier ziet – want je zou kunnen zeggen dat die boodschap aan de Hebreeën alleen toen actueel was – is naar mijn overtuiging vandaag de dag nog precies hetzelfde.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1136" title="Speel af vanaf 18:56">▶ 18:56⟨/button> ⟨span>De Christenheid als Imitatie-legerplaats en het Dragen van Zijn Smaad⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het principe dat we zouden uitgaan buiten de legerplaats, dat is ook vandaag de boodschap. De legerplaats is de plaats die traditioneel godsdienstige pretenties heeft. Dat is juist wat die legerplaats kenmerkt: het is de plaats waar God gediend wordt — naar men zegt — maar in werkelijkheid heeft Zijn Woord daar niet de plek; men verwerpt het. Ik geloof dat het met de christenheid vandaag niet anders is, want in feite is de hele christenheid niets anders dan zo’n legerplaats. Die legerplaats die men had in de dagen van de Hebreeën, is in ere hersteld. Er is een imitatie-legerplaats in het leven geroepen, en dat bedoel ik eigenlijk nog letterlijker dan ik aanvankelijk in gedachten had. De christenheid heeft ook weer een hele tempeldienst geïmiteerd met een huis van God, met een altaar en met priesters; allemaal zichtbare dingen. Maar voor het evangelie zoals de Schriften dat naar voren brengen, is er geen plaats.⟨/p> ⟨p>Ik heb hier een verwijzing staan uit 2 Korinthiërs 6 waar Paulus zegt: wegwezen, uitgaan. In 2 Timotheüs 2 gaat het trouwens specifiaal letterlijk over de christenheid, over degenen die wel een schijn van godsvrucht hebben en de naam van Christus noemen, maar Hem in de praktijk ontkennen en verwerpen. Als dat de situatie is, dan is de boodschap weer exact identiek aan wat we lezen in Exodus of waar dan ook in de Bijbel: wegwezen, eruit gaan. Wat betekent dat in de praktijk? Dat zie je hier meteen: Zijn smaad dragen. Want de legerplaats is de plaats waar je erkenning krijgt, waar je algemeen geaccepteerd wordt en waar godsdienstige pretenties gerespecteerd worden. Als je daar buiten gaat, dan zul je Zijn smaad dragen.⟨/p> ⟨p>Dat was in de dagen van de Hebreeën het geval. Reken maar! We hebben trouwens al eerder in de Hebreeënbrief verwijzingen daarnaar gezien. We zagen in Hebreeën 11 dat Mozes de smaad van Christus gedragen heeft, en in Hebreeën 10 lazen we dat zij smaad en hoon ondervonden, juist van godsdienstige zijde. Ik benadruk dat iedere keer omdat dat nu juist ook de context in de Hebreeënbrief is: hun eigen volksgenoten die God dienden en ook de Bijbel hadden — om het even in onze termen te zeggen — hadden Degene om wie het allemaal gaat en de boodschap die daarin doorklinkt, verworpen. Op het moment dat je daar afstand van neemt en je daarvan reinigt, sta je in een eenzame positie buiten de legerplaats en buiten de algemene erkenning. Dat betekent dat je Zijn smaad draagt en daar hoon van ondervindt.⟨/p> ⟨p>Ik wil daar nu niet te diep op ingaan wat betreft de actuele betekenis voor ons; we hebben het per slot van rekening over de Hebreeënbrief en niet over 2 Timotheüs. Maar ik hecht er toch aan om even te laten zien dat het principe algemeen is: daar waar voor de Heer en Zijn Woord geen plaats is, daar is het devies: wegwezen. Je zou zelfs nog hele goede argumenten kunnen geven om dat niet te doen. Je zou kunnen denken: "Ik kan in die legerplaats toch een geweldig getuigenis zijn en daar misschien nog heel veel betekenen?" Ja, maar wat moet je dan doen? Dan moet je ook weer meedoen.⟨/p> ⟨p>De parallellen stapelen zich voor mij gewoon op, omdat ik meteen associaties heb met wat er in de christenheid speelt. Want het evangelie zoals Paulus dat predikte, is vandaag ook een gehate boodschap. Of niet soms? Kom er maar eens om, vertel het gewoon maar eens een keer. Ik zal u dit vertellen: toen mijn ogen opengingen voor de geweldige waarheden die Paulus naar voren brengt en die hij mocht brengen onder de natiën, was mijn eerste reactie — ik was toen erg actief met het prediken in allerlei kringen — dat ik dat wilde vertellen. Ik dacht: dat moeten ze daar weten! Dat heb ik ook wel gedaan hoor, maar dat vindt geen erkenning. Of je moet water bij de wijn doen. Dat is de keuze waar je voor staat: of je zwijgt over de dingen die je zo lief en dierbaar zijn en waarvan je weet dat het de waarheid is — gewoon het evangelie, puur van genade — of je doet er water bij de wijn. Maar dan is het geen genade meer en is de hele kracht van het evangelie tenietgedaan. Dus het is het een of het ander.⟨/p> ⟨p>Buiten de legerplaats vind je geen erkenning, daar trek je geen volle zalen mee. Ik zeg het altijd maar zoals broeder Cor van Hoeven dat deed. Hij zei: "Hoe was het ook alweer? Wat deden ze met de Heer? Die kruisigden ze. Paulus stenigden ze. En denk nou niet dat ze voor jou de rode loper uitleggen." De logica dringt zich gewoon aan je op, alleen betekent dat in de praktijk wel wat. Het is helemaal geen boodschap waar je erkenning mee krijgt of waar je om gevierd wordt. Integendeel, het is het evangelie van een apostel die verlaten is. Daarom verwees ik zojuist ook even naar de tweede Timotheüsbrief, waar Paulus zegt dat we ons moeten reinigen van al die vaten van oneer. De boodschap blijft dezelfde: als je uitkomt voor de Heer en Zijn Woord, dan zal je smaad ondervinden.⟨/p> ⟨p>Daarbij moeten we zeggen dat dit in onze dagen, in deze westerse wereld, een buitengewoon luxe aangelegenheid is. Daarom erger ik me wel eens — ik zeg het even heel netjes — aan mensen die dan zeggen: "Ja, het is toch wel moeilijk als je voor het evangelie uitkomt en met de nek wordt aangekeken." Dan denk ik: ja, duh! Wat denk je nou? Maar het loutere feit dat je alleen maar met de nek wordt aangekeken en niet in de gevangenis belandt, op een brandstapel komt of gemarteld wordt... dan denk ik dat je echt in je handjes mag wrijven. Natuurlijk kun je zeggen dat afwijzing afwijzing is, dat is waar, maar de plaats is ook nu buiten de legerplaats om Zijn smaad te dragen.⟨/p> ⟨p>Het is een bevestiging: als je geen smaad ondervindt van de boodschap die je uitdraagt, dan geeft dat te denken. Per slot van rekening refereer ik weer aan Paulus in 2 Timotheüs: "Allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden." En vervolging betekent niet direct dat je in de martelkamer terechtkomt. Het betekent dat je — welk woord zocht ik? — een outcast wordt, dat je gewoon afgewezen wordt. Dat is precies waar het hier over gaat: de 'buitenen'. Het feit dat je smaad ondervindt, is op zichzelf geen bewijs dat je op de goede weg zit, want je kunt ook smaad ondervinden voor je eigen domme gedrag of een sectarische instelling; dat zou allemaal kunnen. Maar omgekeerd is het wel zo dat als je uitkomt voor Hem en Zijn Woord, je daar smaad van zult ondervinden van de gevestigde zijde. Ik stel voor dat we maar even verdergaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1780" title="Speel af vanaf 29:40">▶ 29:40⟨/button> ⟨span>Geen Blijvende Stad: het Perspectief op het Toekomstige Jeruzalem⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vers 14. Want, zegt de schrijver... Dit is ter verklaring van wat hij hier in het dertiende vers naar voren had gebracht over het gaan buiten de legerplaats en het dragen van Zijn smaad. Wij hebben hier geen blijvende stad. Ook dit verwijst natuurlijk weer heel letterlijk naar Jeruzalem. We moeten Jeruzalem verlaten, letterlijk maar ook figuurlijk. De stad en alles wat daarin is met de tempeldienst, dat is geen blijvende zaak; die gaat verdwijnen. Wij hebben hier geen blijvende stad, wij zoeken de toekomstige.⟨/p> ⟨p>Dat is een uitdrukking die we al diverse keren tegengekomen zijn in de Hebreeën-brief. We hebben het gehad in Hebreeën 6 over de toekomende eeuw, de toekomende aeon, waarvan we de krachten al hebben gesmaakt. In Hebreeën 2 hebben we het gehad over het toekomend aardrijk waarover de Zoon van Adam gesteld is. En in Hebreeën 10 zagen we dat de wet een schaduw heeft van de toekomende goederen, van de toekomende goede dingen. De schaduw daarvan vinden we in de Torah, in de wet, in de boeken van Mozes. En dan hier weer die toekomende stad. Die toekomende stad vind je ook terug in hoofdstuk 11 vers 10 en 16, en in hoofdstuk 12 vers 22.⟨/p> ⟨p>Dit refereert dus weer aan eerdere verwijzingen in de brief. Voor de Hebreeën heeft dit des te meer betekenis, want het gaat niet om het tegenwoordige Jeruzalem — het Jeruzalem dat verwoest zou worden — maar het gaat om het Jeruzalem dat toekomstig is. Dat is ook in de toekomende aeon een letterlijk Jeruzalem. Ik omschrijf het expres even als Jeru-salem. Waarom? Omdat we het daarover hebben gehad in Hebreeën 7, toen het uitgebreid ging over dat schitterende onderwerp van de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek. Van Melchizedek lezen we dat hij de 'koning der gerechtigheid' is, maar hij was ook de priester van Salem, het latere Jeruzalem. Melchizedek was dus koning-priester op dezelfde locatie waar later Salomo heerste in Jeruzalem, en waar nog veel later — en nu praat ik over de toekomende tijd, het toekomend aardrijk — de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek zal heersen. Dat is het toekomende Jeruzalem.⟨/p> ⟨p>Nog een aeon later is dat de stad die vanuit de hemel neerdaalt, maar deze draagt nog steeds de naam Jeruzalem. Hoe je het ook wendt of keert, we hebben het in elk geval over de stad van de Koning-Priester. Hij verenigt het koningschap en het priesterschap in Zich, wat onder het oude verbond natuurlijk uitgesloten was. Dat is het grote thema van de Hebreeën-brief: het nieuwe verbond. Dat is de stad waar we het over hebben. Als je dat perspectief voor ogen houdt, dan is het voor die Hebreeërs ook niet zo moeilijk om de huidige stad te laten voor wat hij is en ook die smaad op de koop toe te nemen. Want inderdaad, zoals Corrie zojuist naar voren bracht: die smaad is, als je staat op Zijn woord, alleen maar een bewijs en een bevestiging van het feit dat je op de goede weg zit. Verblijd je erin! Ook dat vind je zo vaak terug in het Nieuwe Testament. Waarom zou je je daar zorgen over maken, dat je smaad om Hem mag dragen? Prijs jezelf gelukkig dat je in deze boze aeon een licht mag zijn. Dat dat verworpen wordt, tja, "it's all in the game", zullen we maar zeggen. Het hoort er nu bij. Laten we dan verder gaan met vers 15.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2063" title="Speel af vanaf 34:23">▶ 34:23⟨/button> ⟨span>Door Hem Voortdurend een Lofoffer Opwaarts Brengen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten we door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen. Laten we dat eens nader bezien. Laten we door Hem... Over wie gaat het hier? Christus uiteraard; Hij tot wie wij zouden uitgaan. Dat is wat we naar voren hebben gebracht. Laten we door Hem ook aan de God voortdurend een lofoffer brengen. Maar eerst even dit: "door Hem". Dat is een frase die je iedere keer weer tegenkomt. Hoezo door Hem? Wel, Hij is het kanaal, Hij is de weg naar God. Hij is de ene middelaar van God en mensen, de mens Christus Jezus. Door Hem!⟨/p> ⟨p>Ik heb hier een paar verwijzingen; het is goed om daar even langs te gaan waar je dat terugvindt. In Kolosse 3 vers 17 lezen we: "En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God de Vader dankende door Hem!" Ook hier weer: God is de Vader, en hoe komen wij tot God? Hoe danken we God? Wel, door Hem. Door Zijn naam daarin te noemen, te belijden en te erkennen. Door Hem kennen wij God. God kwam door Hem tot ons en wij gaan door Hem tot God. Dat lees je altijd weer in de Bijbel. Ik heb nog nooit in de Bijbel gelezen dat er tot Jezus gebeden werd; het is altijd: wij bidden door Hem tot God. Dat zie je hier dus ook: God de Vader dankende door Hem.⟨/p> ⟨p>In Judas vers 25 lees je: "De enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht tot in alle aeonen." Het gaat nog verder, maar het gaat me uiteraard even om deze woorden. Die enige God brengen wij de lof en de eer, maar hoe doen wij dat? Wel, dat doen wij door Jezus. Hij is Redder, Hij is de Christus, de Mashiach, de Gezalfde. Op grond van Zijn opstanding uit de doden; uiteindelijk is dat de diepste reden. En daarom is Hij ook onze Heer. In de tekst staat heel duidelijk: "De enige God, namelijk onze Heiland, zij, door Jezus Christus."⟨/p> ⟨p>Ook daarvan zou je trouwens weer kunnen zeggen: God is een Redder. De levende God is een Redder van alle mensen. Maar hoe redt Hij? Door Jezus Christus. Vandaar ook Zijn naam: Jezus betekent "Jahweh is Redder". En hoe doet God dat? Wel, door Hem. Daarom heeft Hij die naam ook. De naam Jezus verwijst ook weer naar de enige God. Dat is telkens de formulering: God de Vader, en vervolgens door Jezus Christus.⟨/p> ⟨p>Ik heb er nog één, deze uit 1 Petrus 2 vers 5 is heel fraai in dit verband, omdat dat parallel loopt met wat we in de Hebreeënbrief vinden. Dat is niet zo vreemd, want als Petrus zich tot dezelfde groep richt, namelijk de besnijdenis, dan mag je dit ook verwachten. Er staat: "Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus." Ook hier is de gedachte vrijwel identiek met die in Hebreeën 13:15, want daar is het ook: laten wij door Hem, Jezus Christus, voortdurend Gode een lofoffer brengen. Hier ook weer: door Jezus Christus worden die geestelijke offers aan God gebracht.⟨/p> ⟨p>Dat wat "door Jezus Christus" betreft. Dan nog iets: "laten wij dan door Hem aan de God voortdurend...". U ziet, er staat letterlijk: "door alles". Het begrip voortdurend hadden we al eerder te pakken in de Hebreeënbrief. Hier is sprake van "door alles" en de eerste gedachte die daarbij bij mij opkomt is: door alles héén. In goede tijden, in slechte tijden, onder verdrukking, onder smaak, maar door alles. Ook in negatieve ervaringen, niet alleen met tussenpozen, maar door alles. Laten wij door alles Hem een lofoffer brengen.⟨/p> ⟨p>En dan nog het woord "brengen". Ik heb dat Griekse woord even onder de loep gelegd. Dat is samengesteld uit twee elementen. Het eerste woord is ⟨em>ana⟨/em>, dat betekent "opwaarts". En het andere is ⟨em>pherō⟨/em>, dat betekent "brengen". Dus het is inderdaad "opwaarts brengen". Dat is precies wat je verwacht bij een offer: dat het opstijgt. Dat komt niet helemaal uit de verf in ons woordje "brengen", maar in het Griekse woord in elk geval wel. Het is een offer dat opwaarts gebracht wordt. Dat is een belangrijk punt. We zullen het later in vers 20 ook tegenkomen, als we het erover hebben dat Jezus Christus uit de doden naar boven is gebracht, opwaarts is gevoerd. Ook dat komt in de vertaling daar niet helemaal uit de verf.⟨/p> ⟨p>Het punt is: Jezus Christus is geslacht. Ik heb er in deze Hebreeënstudies al vaak op gewezen. Hij is geslacht, maar dat is niet het offer. Dat is noodzakelijk voor het offer, maar Zijn offer is dat Hij opsteeg na de slachting. Ik zeg het iedere keer weer, omdat ik er telkens achter kom dat het zelden gezien wordt. Vergeef me de herhaling, maar ik vind het zelf zo geweldig om eraan te denken. Hij is het slachtoffer op Golgotha en vervolgens is daarin begrepen de dag van de opstanding, drie dagen later, toen Hij opsteeg tot God, Gode tot een welriekende reuk. De lieflijke reuk was niet Zijn slachting; de lieflijke reuk is dat Hij vers uit het graf nieuw leven aan het licht bracht. Dat is waar het naar verwijst: naar leven, naar opstandingsleven. Dat vind ik schitterend.⟨/p> ⟨p>Die voortdurende fixatie op de dood is volkomen misplaatst, als u het mij vraagt. We hebben een levende Heer! Inderdaad, Hij was dood, maar juist daarmee heb ik getypeerd waarom het een blijde boodschap is. Hij is dood geweest, maar Hij leeft! En dat wordt juist in dat offer uitgedrukt. Dan zie je hier dus ook een lofoffer dat opwaarts gaat. Dat is ook heel typerend voor "buiten de legerplaats". Van de mensen heb je smaak, maar wat is het geweldig om Hem te loven.⟨/p> ⟨p>Loven – we zien dat hier ook – is eigenlijk het woordje lofprijzing. Een lofprijzing betekent dat je Zijn heerlijkheid in het licht stelt; dat je vertelt en tegen Hem zegt wie Hij is. Dat is toch precies de reden van ons bestaan? Ik heb het ooit iemand horen zeggen, dat trof mij toen en ik ben het nooit meer kwijtgeraakt. Het staat in Psalm 150: "Alles wat adem heeft, love de HERE." Er staat letterlijk trouwens: "zal de HERE loven". Dat is profetie. Maar ook: "alles wat adem heeft, loof Hem!" En toen zei die spreker: "Weet je waarom je adem hebt? Om Hem te loven." Dat is dé fundamentele reden waarom je ademhaalt. Het komt erop neer dat als je Hem niet kent en Hem niet looft, je gewoon voor nul procent adem zit te halen, om het zo maar te zeggen. We hebben adem gekregen om Hem te loven, om Zijn heerlijkheid in het licht te stellen. Dat is juist zo geweldig als je buiten de legerplaats bent en Zijn heerlijkheid mag kennen. Ja, ademen ook. Precies. Om Hem een lofoffer te brengen door alles. Dat zagen we trouwens ook in Kolosse 3 vers 17: laten we dat doen in woord en werk.⟨/p> ⟨p>Elders staat er weer: overvloeiende, Hem danken, Hem loven. Loven gaat trouwens nog een stapje hoger dan danken, als ik het zo mag zeggen. Bij danken denk je aan dat wat je ontvangt, aan de gaven. Bij loven denk je niet meer aan de gaven, maar denk je aan de Gever. Daar gaat het om. Dan zijn de gaven zelfs vergeten, maar dan denk je aan hoe groot Hijzelf is. Dat is Hem loven. Ik zeg niet dat daar een strikte scheiding tussen aan te brengen is, want ja, waarom is Hij zo geweldig? Omdat Hij ook die Gever is natuurlijk. Maar u voelt wel het accentverschil: bij danken gaat het om de gaven, je dankt om de gaven, maar je looft de Gever. En je looft om wie Hij is. Dat is Hem loven.⟨/p> ⟨p>En dat blijkt trouwens ook inderdaad, want dan wordt vervolgens gezegd: "een offer van lofprijzing". Dat is wat er genoemd wordt. En wat is dat dan? Namelijk de vrucht van onze lippen. Dat is trouwens een aanhaling uit of een verwijzing naar de profeten. Ik ben even kwijt welke, hou me ten goede, maar in ieder geval: de vrucht van onze lippen, dat wat onze lippen voortbrengen, kortom, dat wat we spreken. Dat kan inderdaad een lied zijn; dat kan, als we samen zijn, uit één mond zijn, zo noemt Paulus dat in Romeinen 15. Dat is eigenlijk een prachtige uitbeelding van wat zingen is: dan spreek je uit één mond, allemaal zeg je hetzelfde. Je belijdt Hem. Maar dat hoeft niet, dat kan ook persoonlijk; je gaat altijd loven. In de Psalmen lees je dat hij zeven keer per nacht, geloof ik, God loofde, kortom, de hele nacht door. Altijd Hem loven.⟨/p> ⟨p>Er was een oud-Nederlands lied, en dat vind ik ook wel mooi om zo toe te lichten vanuit het Nederlands. Vroeger zong ik het nog wel eens uit de bundel Geestelijke Liederen van de Vergadering van Gelovigen: "Het ware lieve leven loven is slechts waar men Jezus ziet." Nou moet ik het even helemaal goed zeggen. Kent u het lied? Nee, ik ga het niet zingen, dat zal ik jullie niet aandoen. Het ging zo: "Het oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet. Het ware leven, lief en loven is slechts waar men Jezus ziet." Zo was het ja. Maar ik vond die uitdrukking prachtig: "het ware lief en leven loven". Dat is liefde, leven, loven; eigenlijk drie dezelfde woorden, alleen klinkt het anders doordat er andere klinkers in zitten. Maar lieven, leven en loven is feitelijk identiek als je het mij vraagt. Want als je God liefhebt, is dat het ware lieven, dat is ook het echte leven en dat is ook echt loven. Trouwens, als je loven in het Engels zegt, dan zeg je "love". Zo kwam die gedachte bij me op.⟨/p> ⟨p>Maar in ieder geval: de vrucht van onze lippen die Zijn naam belijden. Ik zie dat het inmiddels vijf over negen is. Dat heb je als je je stickie thuis laat liggen. Laten we eerst even gaan pauzeren met elkaar. We waren gebleven in vers 15: "Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen", naar boven brengen, namelijk de vrucht van onze lippen, de vrucht van de lippen van ons die Zijn naam belijden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2990" title="Speel af vanaf 49:50">▶ 49:50⟨/button> ⟨span>Weldoen en Gemeenschap als Offers Die God Welgevallig Zijn⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten we dan verder gaan met vers 16: "Vergeet de weldadigheid niet." Het weldoen is een heel breed begrip. Vergeet het weldoen niet en de mededeelzaamheid; dat wordt in één adem genoemd. Het verschil is, denk ik, niet zo heel erg groot. In die zin dat in 'mededeelzaamheid' letterlijk het woordje 'gemeenschap' zit: ⟨em>koinonia⟨/em>. Gemeenschap is een eenheid vormen en daarom ook deelhebben aan elkaar. Vandaar ook dat de Nederlandse Concordante Interlineair spreekt over een bijdrage-leven: deelhebben aan elkaar.⟨/p> ⟨p>Eerst werd er gesproken over het dragen van smaad buiten de legerplaats. Vervolgens over het Hem de lof brengen die Hem toekomt in alles. Maar dan wordt hier over nog een ander type offer gesproken. Niet als tegenstelling, maar als iets wat daar volledig bij hoort: het weldoen. Eigenlijk staat er niet eens 'weldoen aan elkaar', er staat gewoon 'weldoen'. Goed doen en het meedelen, het bijdragen in de gemeenschap. Dat kan financieel zijn, maar dat hoeft helemaal niet. Elke bijdrage die je levert aan de gemeenschap is mededeelzaamheid.⟨/p> ⟨p>Vergeet dat niet! Dat hoort erbij, want er staat: "In zulke offers heeft God een welgevallen." In het voorgaande vers ging het over offers die God welgevallig zijn, namelijk de vrucht van onze lippen. Hier wordt over de daad gesproken, namelijk het weldoen en het deelhebben aan de gemeenschap. Het zijn twee kanten van één zaak; twee kanten van één medaille, om het zo te zeggen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3132" title="Speel af vanaf 52:12">▶ 52:12⟨/button> ⟨span>Voorgangers: Geen Heerschappij, maar Overtuigingskracht Door het Woord⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan staat er in vers 17: gehoorzaamheid... Ja, nu moeten we toch even de puntjes op de i zetten natuurlijk. "Gehoorzaamt uw voorgangers", degenen die jullie leiding geven. We zijn dat woord al eerder tegengekomen en we zullen het nog een keer tegenkomen. We kwamen het tegen in vers 7: "Houdt uw voorgangers in gedachten, in herinnering." Daar gaat het over degenen die leiding gaven, maar die inmiddels niet meer onder hen waren; hij herinnert hen aan degenen die het Woord van God brachten. Hier wordt wederom dat woord gebruikt: leidinggevend, voorgaan. In deze context is dat iedere keer weer dezelfde gedachte: iemand die leiding geeft, die gaat voorop. Maar ik moet hier wel iets bij zeggen. Er wordt hier niet feitelijk het woord "gehoorzamen" gebruikt. U ziet het hier trouwens ook staan; het gaat hier over het woord "overreden", wat trouwens een wat dubbelzinnig begrip is. "Wordt overreed." Ik ben niet op mijn werk... nee, precies. Zo zie je hoe lastig taal kan zijn. Er staat "wordt overreed", en dat is wat anders dan "wordt overreden". Je laat je niet overrijden, nee, je laat je overreden. Overtuigen, dat is inderdaad het woord. Het staat hier ook nog als weergaande: overtuigen. De Engelse Concordant Version geeft ook "persuaded" weer. Dus dat is inderdaad overtuigd worden. Niet gehoorzamen, maar wordt overtuigd. Laat je, of in meer gangbaar Nederlands: laat je overtuigen, laat je overreden door je voorgangers. Dat is iets heel anders. Je kunt het natuurlijk ook zo uitleggen: geef gehoor aan je voorgangers. Maar dat is niet het woord wat hier gebruikt wordt. Er wordt hier een werkwoord gebruikt dat in verband staat met overreden of met overtuigen, en dat is wat een voorganger ook geacht wordt te doen: namelijk overtuigen. Namelijk door het Woord, en ik zal het u ook laten zien, want daar komen we vanzelf op.⟨/p> ⟨p>Er staat namelijk nog iets. Dit is een vers dat ik al zo dikwijls ben tegengekomen, dit citaat, als ik het even zo mag zeggen, binnen de legerplaats. Ik ken hem zeker: "Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen." Dit is zo’n gekleurde weergave. En binnen de legerplaats — zeg maar binnen het gevestigde systeem waar je lid van kunt worden en waar men ook macht kan uitoefenen — zijn dit woorden die er natuurlijk ingaan als koek. Maar waar gaat het hier over? Gaat het hier over het gehoorzamen, het luisteren naar de commando’s van een voorganger en je aan hen onderwerpen? Nee, het gaat erover je door hen te laten overreden, te laten overtuigen. En hier is nog een woord: niet onderwerpen, maar volgzaamheid. Wordt volgzaam, volgt hen. Ik zeg niet dat het verschil nou heel erg groot is, maar de toon wordt anders. En u weet: het is de toon die de muziek maakt. Het is niet "gehoorzaamt je voorgangers" of "aan hen onderwerpen". Trouwens, u ziet wat hier echt helemaal sterk is: "onderwerp u aan hen"... u ziet dat "aan hen" er niet eens staat. U ziet ook dat het sowieso tussen haakjes hoort; dat "aan hen" wordt er in de tekst helemaal niet bijgezet. Maar: wees volgzaam. Waaraan dan? Ik denk niet zozeer aan hen, maar aan het Woord wat ze doorgeven. Laat je overtuigen door hun woord en volgt dat woord. Het gaat dus niet om de commando’s van voorgangers die gezag of macht claimen. Want als je gezag claimt, dan kun je macht uitoefenen. En dat is wat allerwege ook gedaan wordt en daar kun je eisen wat je wilt, namelijk dat wat zij zeggen, gedaan moet worden.⟨/p> ⟨p>Nu weet ik zeker dat iedereen die hier zo zit... ik stel me zo voor dat de meesten van ons daar zo hun eigen ervaringen of gedachten bij hebben. Ik in elk geval wel. Waarbij er inderdaad macht wordt uitgeoefend middels zulke weergaven. Maar er wordt hier inderdaad over voorgangers gesproken, en voorgangers zouden een woord doorgeven en zouden ook overtuigen. Hoe dan? Hoe zou een voorganger overtuigen? Niet door gezag of onderwerping te claimen, maar doordat zijn woord overtuigend is. Dat is iets heel anders dan dat je zegt: "Je moet naar mij luisteren, want dat staat in Hebreeën 13 vers 17." Nee, het is een woord doorgeven dat krachtig is, dat overtuigend is en waar de luisteraar zich door laat gezeggen. Niet door die voorganger, maar door dat woord wat hij doorgeeft. En dat woord volg je. Je bent volgzaam in dat woord wat hij doorgeeft.⟨/p> ⟨p>Want — en ik lees nu even verder — "zij zijn het die waken over jullie zielen." Degenen die dat doorgeven, zijn waakzaam ten behoeve van de zielen van jullie. Dat is wat zij doen. Ze zijn alert op de zielen; dat geeft sowieso al aan dat ze zich bezighouden, inderdaad dat ze zich bekommeren om de kudde. Niet de kudde is er voor hen, zij zijn er voor de kudde. Ik gebruik even expres dat woord "kudde" omdat dat ook de terminologie is die we in dit hoofdstuk diverse keren tegenkomen. En dan staat er nog bij: "daar zij rekenschap zullen moeten afleggen." Ook nu moet ik weer "excusez-moi" zeggen, zoals ze in het Frans zeggen; ik moet weer even iets zeggen over de vertaling. Want dat "zullen moeten afleggen" staat er ook niet. Dat woord "rekenschap" hier is gewoon het Griekse woord "logos", namelijk "woord". Als je dit letterlijk weergeeft, staat er: "daar zij als woord zullende afgeven." Ik geef toe dat dit natuurlijk niet een echt lekker lopende Nederlandse zin is, maar dat is wat die voorgangers doen: namelijk logos doorgeven. Dat geven ze door; dat worden ze ook geacht te doen.⟨/p> ⟨p>Wat wordt een voorganger geacht te doen? Gehoorzaamheid eisen of onderwerping? Nee, wat ze te doen hebben is "woord afgeven". Dat is ook waartoe ze gesteld zijn en niets anders. En dat woord van hen — of liever het woord dat zij doorgeven, want ze zijn niet meer dan een doorgeefluik — dat zou krachtig zijn. En hoe zou dat woord krachtig zijn, anders dan doordat het overtuigend is? Gewoon. Ik geef niet voor niets die verwijzing naar Hebreeën 4 vers 12, want daar wordt gezegd dat het Woord Gods, "logos", hetzelfde woord, dat het Woord Gods levend is. Ik heb het al even eerder genoemd: het Woord Gods is levend en krachtig, en scherper dan enig tweesnijdend zwaard. Dat woord is krachtig. Dat is wat een voorganger geacht wordt door te geven. Dat heeft kracht, ook overtuigingskracht. Dat is het enige wat telt. Dat is heel wat anders dan een menselijke claim of macht opleggen aan mensen. Laat mensen alsjeblieft vrij! Het Woord van God is het enige wat doorgegeven zou moeten worden en ook de mensen zou overtuigen. Daar heeft een mens naar te luisteren en dat zou gevolgd worden. Daardoor zou je je laten overtuigen en dat Woord dient gevolgd te worden. Niet een mens. Ik denk dat dat echt niet genoeg benadrukt kan worden. Want een mens zou een mens niet zijn om toch altijd weer zich meester te maken van dat Woord en gezag te claimen en te zeggen: "Je moet naar mij luisteren." Ja, jij zit te lachen, ik hoor je wel. Ja, dat herinnert heel erg aan wat we in het verleden veel hebben gezien.⟨/p> ⟨p>Je hebt dat vaak bij mensen die zogenaamde charismatische persoonlijkheden zijn, mensen die heel veel capaciteiten hebben. Dat kan gebeuren als ze dan ook nog op een voetstuk worden gezet door anderen. Want het is deels natuurlijk wat ze misschien zelf doen, maar ook het gehoor kan daar heel gemakkelijk door meegesleept worden en die erkenning geven door iemand op een voetstuk te plaatsen.⟨/p> ⟨p>Dat krijgt afgodische trekken en dan gaat het niet meer om het Woord. Ik ken exact zulke voorbeelden, maar ik wil even geen namen noemen; laten we het zuiver houden. Het gaat nu niet specifiek om wie dan ook, maar het is een trek die je allerwege ziet en dat ligt altijd op de loer. Voor iemand die het Woord doorheeft, ben je geen dienaar meer, maar dan word je met recht een 'dominee'. Ik bedoel dat in de zin van: een dominee is het Latijnse woord voor een heer, en daar heeft het werkwoord 'domineren' ook direct mee te maken. Gewoon iemand die heerst. Dan ben je geen dienaar van het Woord meer waardoor het Woord overtuigt en zijn kracht bewijst, maar dan word je zelf op een voetstuk gezet en ga je zelf onderwerping claimen en gehoorzaamheid eisen.⟨/p> ⟨p>Het gaat om dit: dat is ook wat de rekenschap inhoudt. Het had ook goed bedoeld kunnen zijn, gewoon vanuit een stuk verontrusting naar degenen die op dat moment jouw volk bezetten in het woord. Dus om te beschermen. Maar dit is meer narcisme met die aanspraken. Nu ga je er heel erg vanuit dat iemand alleen maar een hele slechte bedoeling heeft, maar mensen willen alles vaak netjes op de rails houden. De kerk heeft natuurlijk door de jaren heen heel veel macht gehad, maar het is ook een legitieme vraag. Wat Ed nu zegt, is dat daar van origine hele goede bedoelingen aan ten grondslag liggen. Iemand is begraven, we horen toch bij elkaar en het wordt maar een janboel als iedereen zomaar wat kan zeggen. Er kunnen hele valide argumenten genoemd worden om te zeggen: "Dan moet er toch iemand zijn die het voor het zeggen heeft." Maar dan heb je dus het idee alsof die kudde van jou is.⟨/p> ⟨p>Nee, dat is niet echt. Je bent alleen maar een herder. En de verantwoordelijkheid die je herderlijk hebt, als je herderlijk werk mag doen, dat is toch niets anders dan de weide? De grazige weide. Ik denk trouwens ook aan een woord van Petrus in 1 Petrus 5: "De oudsten onder u, de presbuteros, roep ik op..." Ik moet even doorlezen. Er staat: "Hoed of weid de kudde Gods die bij u is." En er staat bij: "Niet gedwongen, maar uit vrije beweging naar de wil van God." En in vers 3 staat er nog bij: "Niet als heerschappijvoerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden van de kudde." Zelfs Paulus zegt het in het laatste vers van 2 Korinthe 1: "Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers aan uw blijdschap. Want door geloof staat u vast."⟨/p> ⟨p>Denk je nu werkelijk dat jij als voorganger of als herder de ander vast zou moeten zetten? Nee, een mens staat vast doordat hij in het Woord geplant is. Dan vindt een mens vastheid. Wat je natuurlijk heel vaak hebt, en dat is ook weer typerend voor de legerplaats, is dat gelovigen niet vaststaan in het Woord, maar feitelijk tegen elkaar of aan elkaar leunen. Dat geeft soms een heel gammel geheel, want u weet hoe dat gaat als alles aan elkaar leunt: dan hoef je maar één dingetje weg te halen en het hele zootje zakt in elkaar. Dan komt ook de foosheid van het geheel aan het licht. Als dan de leider wegvalt of een steunpilaar, dan zie je dat ze nergens blijven. Dat komt omdat men niet staat in het Woord. Als ze zouden staan en niet leunen, dan zou je dat probleem niet hebben. Door geloof sta je vast.⟨/p> ⟨p>Als je het Woord doorgeeft, dan mag je meewerken om de mensen blij te maken. Je mag een voorbeeld zijn, je mag gewoon vooropgaan. Maar dat is iets totaal anders dan natuurlijk gehoorzaamheid claimen of onderwerping eisen. Nee, het Woord moet afgegeven worden en niets anders. Dat is trouwens ook wat van hen gevraagd en verwacht wordt. Als er rekenschap is, dan is dat de vraag: "Heb je het Woord doorgegeven? Mijn Woord, niet het woord van de club." En dat overtuigt ook.⟨/p> ⟨p>Dat vers gaat trouwens nog even verder, want daar staat nog bij: "Laten zij het met vreugde kunnen doen." U ziet het: charis, genade, maar genade is vreugde. Vreugde om niet. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende. In 2 Johannes staat: "Een grotere vreugde ken ik niet dan dat ik verneem dat mijn kinderen in de waarheid wandelen." Mijn moeder citeerde dat heel graag. Wat is er een grotere vreugde als je dat mag vernemen? Maar hier wordt gesproken over die voorgangers. Als je het Woord doorgeeft, is er geen grotere vreugde dan wanneer je merkt dat dat Woord inderdaad aanslaat en overtuigingskracht heeft. Dat mensen zich ook laten gezeggen, niet door die voorganger, maar door het Woord wat gesproken wordt – het Woord met allemaal hoofdletters. Dan doe je dat met vreugde en niet al zuchtende. Trouwens, schrijft de auteur er nog bij, dat zou u geen nut doen. Dat heeft geen enkel voordeel voor wie dan ook, niet voor de voorganger en niet voor jezelf. De slotafrekening gaat alleen om dat Woord van Hem.⟨/p> ⟨p>Zo komt dat zeventiende vers van Hebreeën 13 toch echt in een ander licht te staan. We zagen dat dus ook al in vers 7, tien verzen eerder. Toen ging het ook om voorgangers die het Woord Gods tot u hebben gesproken. Daar wordt hier nu weer opnieuw over gesproken. Dat is wat van hen gevraagd en verwacht mag worden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4299" title="Speel af vanaf 01:11:39">▶ 01:11:39⟨/button> ⟨span>Bid voor Ons: een Goed Geweten Temidden van Smaad⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan zegt de schrijver nog: "Bid voor ons." Zoals u ziet, zijn dit opmerkingen die typisch horen bij zo’n afsluitend hoofdstuk. Dat "ons" slaat in ieder geval op de auteur zelf; anders zou hij wel zeggen "voor hen", maar nee, hij sluit zichzelf erbij in. Wellicht doelt hij ook op de voorgangers waarover in het voorgaande vers al sprake was, en ook op Timotheüs. Over Timotheüs zullen we straks nog horen — of eigenlijk de volgende keer, want het gaat echt niet meer lukken om de brief vandaag helemaal af te ronden. Maar ook over Timotheüs zegt de schrijver: "Ik zal jullie gaan bezoeken met Timotheüs," althans, dat was de planning.⟨/p> ⟨p>"Bid voor ons," schrijft hij vanuit Italië. Dat moet ik later nog bewijzen, maar dat staat in een van de laatste verzen van dit hoofdstuk. "Bid voor ons, want wij vertrouwen..." Ook hier staat trouwens weer datzelfde woord: we zijn ervan overtuigd. "Wij zijn ervan overtuigd dat wij een goed geweten hebben." Dat is een opmerking die geboren is vanuit contrast. Dat wil zeggen: het is weersproken, terwijl zij in alle opzichten de rechte weg willen gaan. Het idee daarbij is dat zij dit kunnen getuigen, ondanks alle beschuldigingen en smaad die hun deel waren. De schrijver zegt: "Wij hebben een goed geweten."⟨/p> ⟨p>Zeker omdat de schrijver zelf en wellicht Timotheüs — dat hangt er nog even om — daar in Italië gevangen zaten. Per slot van rekening was dat ook op basis van valse beschuldigingen; hij was gevangen om het Woord. Smaad was zijn deel, gevangenschap, martelaarschap, jazeker. Maar hij zegt: "Het is om een goed geweten." Daarvan is hij vast overtuigd, wat de wereld — en ook de godsdienstige wereld — hun ook allemaal toedicht. Je proeft in al deze zinnen de spanning, de strijd en de achtergrond van smaad, en de wijze waarop de schrijver zich daarin positioneert. Het is het Woord dat zij doorgeven, en daarin hebben zij een goed geweten, in alle opzichten.⟨/p> ⟨p>Ik denk dat we er verstandig aan doen om het nu bij dit achttiende vers te houden, want dan kunnen we ons de volgende keer met de laatste verzen bezighouden. Dan kunnen we het echt afronden, dat weet ik nu al zeker. Met zulke zekerheid spreek ik meestal niet, maar dit keer wel.⟨/p>