⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Inleiding en Terugblik: de Beproeving van Geloof en Heiliging⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De 27e studie is het inmiddels en vanavond wil ik de bespreking van hoofdstuk 12 afronden. Met een beetje geluk moet dat lukken, zodat we, wanneer we het volgende seizoen weer van start gaan, nog maar één hoofdstuk te gaan hebben in de Hebreeënbrief: hoofdstuk 13. Wat daarna het onderwerp zal zijn, daar moeten we het nog maar eens over hebben. Ik heb verschillende ideeën, maar dat kunnen we met elkaar nog overwegen. Zover is het in ieder geval nog niet, want we gaan eerst een flinke pauze van ongeveer zes weken inlassen.⟨/p> ⟨p>Het lijkt mij een goed idee om, voordat we verdergaan in vers 18 van Hebreeën 12, nog even terug te blikken op wat we de vorige keer hebben besproken. Dat is altijd handig om ook de draad weer fatsoenlijk te kunnen oppikken. We hebben in Hebreeën 12, in de verzen 4 tot 11, gezien dat het specifiek gaat over de beproeving van geloof. Daarbij wordt gesproken over verdrukkingen, wat in de vertaling 'tuchtiging' wordt genoemd, maar eigenlijk 'disciplinering' is. Dat wil zeggen: alles wat gelovigen als zodanig ondervinden. Het gaat dus niet over het lijden in het algemeen, maar over wat je te ondergaan en te verduren hebt als je de weg van geloof gaat, en dat is verdrukking.⟨/p> ⟨p>Waarbij we natuurlijk bij verdrukking gemakkelijk meteen denken aan foltering, marteling, kruisiging of echte vervolging, maar in essentie betekent verdrukking dat je onder druk komt te staan. Feitelijk betekent het: er is geen ruimte voor je. Er staat druk op je, er is geen ruimte voor je. Dat kan, zoals wij dat hier meemaken, betrekkelijk vriendelijke vormen aannemen – of dat gelukkig is of niet, laat ik nu even in het midden – maar dat is de essentie van druk. Ons woord 'verdrukking', zoals de Bijbel daarover spreekt, komt trouwens heel sterk overeen met het Griekse woord dat in het Nieuwe Testament daarvoor gebruikt wordt. Dat bevat hetzelfde idee van onder druk staan: er is geen ruimte voor je. Welnu, daarover wordt in de verzen die hier genoemd zijn gesproken.⟨/p> ⟨p>Vervolgens gaat het in de verzen 12 tot 15 over 'jagen'. Het jagen naar heiliging: apart gezet zijn en toegewijd leven aan Hem. In datzelfde verband wordt in dit drietal verzen gezegd dat we niet moeten 'verachteren' in de genade van God, dat wil zeggen: daarin blijven staan. We zullen trouwens straks ook zien, wanneer we vanaf vers 18 verdergaan tot het einde van hoofdstuk 12, dat het daarbij ook weer gaat over de genade van God en het daarin staan. Dat is ook de wijze waarop een mens geheiligd wordt. We zullen dat aan het einde van dit hoofdstuk nog heel specifiek zo geformuleerd zien, hoewel de NBG-vertaling ons daarin niet erg ter wille is. Maar goed, daar hebben we het straks nog wel over.⟨/p> ⟨p>In ieder geval is dat heiliging. Heiliging is niet iets wat de mens zelf doet, maar het is jezelf aan Hem geven, zodat Hij Zijn werk in en door ons heen doet. We hadden dat trouwens ook al gezien in hoofdstuk 10 vers 14: 'want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden'. Dat wordt in de lijdende vorm beschreven. Maar daar jagen we naar: om geheiligd te worden. Dat is in feite synoniem met het niet verachteren in de genade van God. Daar je wortels in uitslaan en daar alles aan onttrekken. Dat is meer dan genoeg en dat maakt een mens werkelijk geheiligd. Het is geen eigen werk en dus ook geen eigen eer.⟨/p> ⟨p>Ten slotte zijn er de laatste twee verzen die we de vorige keer onder ogen hebben gezien: het negatieve voorbeeld van Ezau. Waarom? Omdat hij het eerstgeboorterecht verachtte. Het is niet zomaar dat de schrijver dit naar voren brengt; het is feitelijk een opstap naar wat we nu gaan bespreken vanaf vers 18. Dat eerstgeboorterecht en alles wat te maken heeft met die bijzondere voorrechten die God aan de Hebreeën gaf als eerstelingen van Israël. Want zo worden ze aangeschreven.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="341" title="Speel af vanaf 05:41">▶ 05:41⟨/button> ⟨span>Het Perspectief: een Brief aan Hebreeën met het Eerstgeboorterecht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik heb dat natuurlijk in de afgelopen zesentwintig studies al vaak naar voren gebracht, maar ik denk dat het buitengewoon belangrijk is: deze brief is gericht aan Hebreeën. En dat zij leden van het lichaam van Christus zijn, dat is allemaal tot uw dienst. Dat is wel waar, hoewel ook dat voor sommigen omstreden is. Maar goed, het gaat er niet eens om om dat nu ook te beweren. Het is niet de hoedanigheid waarin zij worden aangeschreven.⟨/p> ⟨p>Elk mens staat in verschillende verhoudingen en relaties. Ik bedoel, er zit hier een echtpaar in de zaal dat vorige week een weekend kreeg aangeboden in Maastricht. Ze zijn nogal gek op André — André Rieu bedoel ik — en dat hebben zij cadeau gekregen. De mensen van wie zij dat kregen, dat waren gelovige mensen. Ik zal hun namen niet noemen, want dat vinden de schoonouders misschien niet leuk. Maar zij kregen dat niet als gelovigen. Dat zijn ze wel, maar dat was niet de hoedanigheid. Zij kregen dat van de kinderen, die voor een deel ook gelovigen waren, maar u begrijpt: zij kregen dat als ouders of schoonouders. Dat zij ook gelovigen zijn, is waar, en ik zeg niet dat dat niets te maken heeft met hun verblijf daar; natuurlijk heeft dat zijn consequenties. Maar dat was niet de hoedanigheid waarin dat geschenk gegeven werd.⟨/p> ⟨p>Begrijpt u? Deze brief is geschreven aan Hebreeën. Aan een volk waarmee ooit dat oude verbond was gesloten; aan het volk dat de Zoon van God gekruisigd heeft; aan dat volk dat op het punt stond haar stad en haar tempel kwijt te raken; het volk dat in de verstrooiing zou gaan. Dat volk waar ook zulke geweldige beloftes voor zijn weggelegd en waar het nieuwe verbond mee gesloten gaat worden. Welnu, als zodanig worden zij aangeschreven. Dat is het perspectief.⟨/p> ⟨p>De waarheid van het lichaam van Christus moet je daar dus niet bij betrekken. Dat is een ander onderwerp. Dat is soms best moeilijk om te onderscheiden, want die 'bril' heb je toch altijd op en je bent geneigd om die dingen gemakkelijk een beetje door elkaar te halen. Ik herken dat heel goed, want voordat ik de studie geef, ben ik daar zelf natuurlijk ook mee bezig. Dan is het goed om je voortdurend te realiseren in welke hoedanigheid deze mensen worden aangesproken, namelijk als Hebreeën. Het opschrift is niet voor niets, en de hele inhoud bevestigt ook inderdaad dat het Hebreeën waren. Daar hebben we in het begin zelfs een hele avond aan gewijd.⟨/p> ⟨p>Het gaat hier over de voorrechten die zij als eerstelingen van Israël ontvangen hadden: het eerstgeboorterecht. In mijn Bijbeltje begint daar dan ook een nieuwe passage.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="556" title="Speel af vanaf 09:16">▶ 09:16⟨/button> ⟨span>Een Nieuwe Passage: de Tegenstelling Tussen de Bergen Sinaï en Sion⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hebreeën 12 vers 18. In mijn bijbeltje staat daar boven: 'Grote verantwoordelijkheid'. Ik zeg niet dat dat opschrift onjuist is, maar het zou niet het opschrift zijn dat ik ervoor gekozen zou hebben. Maar goed, het is in ieder geval niet geïnspireerd, laten we het daar maar op houden.⟨/p> ⟨p>Het begint in elk geval een nieuw gedeelte en dat lijkt me heel terecht. De Hebreeënbrief zit soms wat gecompliceerd als betoog in elkaar. Er zit een lijn in, maar de schrijver veroorlooft zich soms zijwegen en ook weer zijwegen van zijwegen. Dit gedeelte, hoofdstuk 12 vers 18 tot 29, is zo'n zijweg van een zijweg. Daardoor wordt het je als lezer soms best moeilijk gemaakt om vooral de draad van het betoog vast te houden.⟨/p> ⟨p>Ik vind het eigenlijk ook wel heel erg mooi zoals de schrijver dat doet. Want als hij een bepaalde naam noemt, wijdt hij soms zomaar weer even uit om dat ook nog even uit te lichten en toe te lichten. Vooral als het gaat om typologie doet hij dat heel sterk. Deze brief staat natuurlijk bol van typologie; het is een schoolvoorbeeld van wat er allemaal verborgen ligt aan betekenissen in wat wij dan het Oude Testament noemen. Dit is een tussenzin in de tussenzin.⟨/p> ⟨p>In dit gedeelte worden twee bergen tegenover elkaar gesteld, namelijk de berg Sinaï en de berg Sion. Het is trouwens heel opmerkelijk dat dat hier gebeurt, want we kennen die vergelijking uit Galaten 4; daar doet Paulus dit ook. Dat hoeft niet te verbazen. We hebben al eerder — 'vastgesteld' is een groot woord, maar in ieder geval zeer aannemelijk gemaakt — dat Paulus de schrijver is van deze brief, en dan ligt dit ook wel voor de hand. Ook in dat gedeelte in Galaten — ik ga daar nu niet naartoe, maar u moet het zelf maar eens lezen — wordt Sinaï geplaatst tegenover het hemelse Jeruzalem en Sion. Die namen worden daar ook zo genoemd. Daarbij staan Sinaï en Sion model voor enerzijds de wet — Sinaï is de wet, dat hoef ik u niet toe te lichten — en anderzijds de genade.⟨/p> ⟨p>Ik kom er trouwens nog wel op terug waarom dat nog diepere betekenissen heeft. Oftewel, ik zou het ook anders kunnen zeggen: de wet representeert het oude verbond, terwijl de genade het nieuwe verbond representeert. Dat was door de schrijver trouwens ook al vrij uitgebreid betoogd in hoofdstuk 8 van de Hebreeënbrief; daar hebben we het dus ook al uitgebreid over gehad. Het oude verbond was 'gij zult, gij zult'. Dat waren lasten die op de mens gelegd werden; althans, zo is het ook opgevat. Het nieuwe verbond daarentegen kent geen enkele last, daarin doet God uitsluitend beloften. De grote belofte van het nieuwe verbond vinden we in Jeremia 31. Wanneer Jeremia dat nieuwe verbond aankondigt, dat God met het huis van Israël en met het huis van Juda zal sluiten, dan wordt dat verbond dus met hetzelfde volk gesloten als waarmee het oude verbond gesloten werd.⟨/p> ⟨p>Wanneer dat gesloten wordt, lees je in Jeremia 31 vers 31 tot 33 dat er geen enkele voorwaarde wordt gesteld. Heel illustratief wordt er zeven keer gesproken over: 'Ik zal'. 'Ik zal hun zonde nimmermeer gedenken', 'Ik zal mijn wetten in hun hart schrijven'... Keer op keer, tot zeven keer toe: 'Ik zal'. Het is puur belofte en daarmee dus ook genade. De verplichtingen liggen dus geheel aan Gods kant. Het is geen wederzijds contract in de zin dat er aan beide zijden verplichtingen liggen; nee, de verplichtingen liggen aan één kant. Vandaar ook dat dit een succesvol verbond is; het kan niet stukgaan. De garanties geeft God Zelf. Eigenlijk borduurt de schrijver van de Hebreeënbrief voort op die waarheid. Dat is de genade waarover hij schrijft, de genade die in de Hebreeënbrief klinkt. Dat betekent dat we nu inderdaad kunnen beginnen met de bespreking van vers 18.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="862" title="Speel af vanaf 14:22">▶ 14:22⟨/button> ⟨span>Niet Genaderd tot Sinaï: de Onmacht van de Mens Onder het Oude Verbond⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Daar zegt de schrijver dit: "Want gij," of jullie, "jullie zijn niet genaderd tot een tastbaar en een brandend vuur." En nu begrijpt u al: als dit zo begint, luidt dit een contrast in. "Jullie zijn niet genaderd tot..." Maar volgt het dan waartoe ze dan wél genaderd zijn? Laten we eerst eventjes zinsdeel voor zinsdeel bekijken. Hij zegt "niet genaderd". Dat woord naderen komen we in de Hebreeënbrief nogal eens een keertje tegen. In hoofdstuk 4 vers 16 wordt gesproken over dat wij toegaan tot — maar in het Grieks staat daar gewoon hetzelfde woord — of naderen. Het zou kunnen zijn dat de Statenvertaling het wel concordant weergeeft: naderen tot de troon der genade. De troon waar genade dus heerst. Genade heerst, dat is trouwens ook een Paulinische waarheid in Romeinen 6. Genade heerst. Genade zit op de troon. Dat is heel karakteristiek voor de tijd waarin we leven: genade zit op de troon. Nou, laat ons daartoe toegaan of laat ons daartoe naderen.⟨/p> ⟨p>In hoofdstuk 7 vers 25 lees je over Hem die door God gesteld is tot Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek. Laten we door Hem tot God gaan. In hoofdstuk 10 vers 22: toetreden tot — maar dat is dus weer exact hetzelfde woord, naderen tot — naderen in het heiligdom met een waarachtig hart. Nou ja, we hebben het daar toen uiteraard ook over gehad. Inmiddels kunnen we natuurlijk al aardig terugblikken in de Hebreeënbrief, want al deze hoofdstukken hebben we in de loop van die 26 of 27 studies besproken. Uiteraard gaat het daarbij niet om een letterlijk heiligdom hier op aarde, maar om dat waar het heiligdom een type van is. Want dat is wat de schrijver ook voortdurend naar voren brengt: al die dingen... Die aardse tabernakel was slechts een maquette, een model van het echte, het ware — zo wordt het ook genoemd. Het ware heiligdom, dat niet met handen gemaakt is en trouwens ook niet stuk kan gaan. Maar in ieder geval: daar kunnen we toe naderen, in het binnenste heiligdom, binnen het voorhangsel. Dat zijn allemaal waarheden die in de Hebreeënbrief naar voren gebracht worden.⟨/p> ⟨p>Wel jullie — hij schrijft tegen de Hebreeën — let op: "Jullie zijn niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur." Nou, dan voel je hem al, want waarover zou hij het hebben? Wel, over dat wat we lezen in Exodus 19. In dat hele hoofdstuk wordt dat uitgebreid beschreven, vlak vooraf voordat God de Tien Woorden via Mozes aan Israël geeft. Dat is Exodus 20, dan lees je dus Exodus 19. Het is inmiddels alweer een paar maanden geleden dat we dat weekend in Maren hadden, het Goed Bericht Weekend. En toen hebben we het daar nog vrij uitgebreid over gehad. Ook over Sinaï en over — nee pardon, Sinaï en Sion. Maar toen ook over Exodus 19. Dat God op de derde dag... de Heer daalde op de derde dag neer voor de ogen van het hele volk. Hoogst opmerkelijk typologisch, maar het gaat nu even om het contrast.⟨/p> ⟨p>We zijn niet genaderd, schrijft hij tegen de Hebreeën, tot een tastbaar en brandend vuur. Tot donkerheid, duisternis en stormwind. Dat zijn allemaal termen die worden gebezigd in Exodus 19. Voordat God de woorden, Zijn wet, aan Israël gaf daar op de berg Sinaï, ging dat gepaard met brandend vuur. Met echt concreet, letterlijk vuur. Het ging gepaard met grote duisternis, zware bewolking, stormwind en orkaanwind. Dat is een enorm indrukwekkend gebeuren geweest. Nou, ik heb voor de goede orde een paar schriftverwijzingen ook bijgegeven. Ik zou te ver voeren om dat nu allemaal ook op te slaan, maar dan kunt u dat voor uzelf nog eens teruglezen als u wilt weten waar dat dan allemaal staat. Maar goed, de schrijver gaat uit van de kennis van de Hebreeën. Zij wisten hoe dat ooit gegaan was; zij kenden hun Bijbeltje.⟨/p> ⟨p>Wel: "niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, tot het geklank van een bazuin." Want ook dat klinkt met recht op de berg Sinaï. En dat wordt ook beschreven: "en tot het geluid van een stem". Letterlijk staat dat in het meervoud; eigenlijk staat er "uitspraken". Tot het geluid van uitspraken, waarvan dan vervolgens staat: "bij het horen waarvan zij", de Israëlieten — de Hebreeën dus eigenlijk, zou ik ook kunnen zeggen, de toenmalige Hebreeën — verzochten dat niet verder tot hen gesproken werd. Maar ik heb de bonnetjes er maar iedere keer bijgelegd en dan kunt u dat inderdaad nalezen. De Israëlieten waren daar zo enorm van onder de indruk en ontdaan, dat zij inderdaad verzochten of dit tafereel en de woorden die toen klonken, als het blieft, op mochten houden. Zij verzochten dat er niet verder tot hen gesproken zou worden, dat daar niks meer aan toegevoegd werd. Het was genoeg zo.⟨/p> ⟨p>Want, staat er: "zij konden dit bevel niet dragen". Wat ik, als ik het zo lees, ook heel typerend vind: zij konden dit bevel niet dragen. Natuurlijk gaat dat dan specifiek over die verschijning en over die stem en toon, maar dat is eigenlijk ook wat het oude verbond is: ze kónden het niet dragen. Het was een last waar ze onder gebukt gingen. Dat heb je. En de intenties waren er wel. Dat lees je in Exodus 19 ook, dat het volk heel plechtig een gelofte doet naar God: "Alles wat de Heer gesproken heeft, dat zullen wij doen." Nou, en feitelijk, op het moment dat Israël dat zegt, verandert het hele scenario, verandert de hele sfeer. Op het moment dat de Israëlieten verklaren aan God — het is dus maar niet zomaar een belofte, nee, je leest dat het hele volk verklaarde plechtig voor het aangezicht van de Heer — dat was dus echt een belofte, of wij noemen dat dan een gelofte: "Alles wat de Heer gesproken heeft, dat zullen wij doen." Maar daar houdt de Heer hen aan. De Heer houdt Zich aan Zijn woord.⟨/p> ⟨p>Feitelijk is het oude verbond niets anders dan een heel uitgebreide beschrijving van wat er gebeurt wanneer een mens dit claimt. Want vanaf dit moment veranderde de hele sfeer van genade waarin ze leefden. Feitelijk wat Israël tot dusver kende, totdat zij bij die berg Sinaï kwamen, was de belofte die God ooit had gegeven aan de aartsvaders, te beginnen bij Abraham, Izak en Jakob. Daar leefden ze uit. Ook die belofte aan Abraham was onvoorwaardelijk en met die belofte op zak leefden ze. En nu waren ze daar gekomen in de woestijn van Sinaï bij de berg Sinaï, en nu verklaren zij: "Alles wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen." En bij de eerste de beste gelegenheid dat ze wat gingen doen, bleek meteen dat het een leugen was. Ze hadden gelogen.⟨/p> ⟨p>Het hele oude verbond demonstreert dat de mens niet bij machte is te doen wat hij meent te moeten doen. In feite zet de mens zichzelf daarmee op een voetstuk: "dat doen wij wel." Feitelijk is dat ook wat religie in het algemeen is: namelijk de claim dat wij, door wat wij doen of produceren of beloven of geven aan riten etc., daardoor tot de godheid naderen en daardoor ook onze voorrechten kunnen verwerven. Dat is wat godsdienst is, religie in het algemeen, maar feitelijk is ook het oude verbond daar de demonstratie van. Het is de demonstratie van dat streven, van die belofte die een mens doet aan God. Het staat daarmee dus ook compleet haaks op genade, het staat compleet haaks op het nieuwe verbond en het staat ook al compleet haaks op het verbond dat God met Abraham had gesloten, de belofte die Hij aan hem had gegeven. "Zij konden dit bevel niet dragen." En dan staat er zelfs: "Als een dier de berg aanraakt" — dat lees je ook al in Exodus 19 — "als een dier die berg aanraakte, zal het worden gestenigd."⟨/p> ⟨p>Dit demonstreert misschien wel het allersterkst dat hier inderdaad een heel duister tafereel geschilderd wordt — letterlijk, maar ik bedoel ook figuurlijk. Het wordt gekenmerkt door het oude verbond, en ik verwijs nu alleen maar even, zonder er naartoe te gaan, naar 2 Korinthe 3 waar Paulus ook het oude verbond en het nieuwe verbond contrasteert. Hij plaatst ze tegenover elkaar en laat zien dat het oude verbond staat voor veroordeling en voor de dood.⟨/p> ⟨p>Daar staat die steniging trouwens ook voor. Er is momenteel nog steeds een godsdienst erg in opmars waar dat ook erg populair is. Feitelijk zou je van de islam kunnen zeggen — als u het mij vraagt, dit is even geen bijbelstudie — dat de islam een voortzetting is, een verminkte of gecorrumpeerde voortzetting van het oude verbond. Daarbij gaat het allemaal om de mens die wetten moet vervullen, maar het is zo duister als het maar kan.⟨/p> ⟨p>Die hele bediening van het oude verbond, waarbij God op stenen tafelen Zijn wet gaf, noem ik graag het 'stenen tijdperk'. Die steniging staat daar eigenlijk ook model voor, namelijk voor zowel veroordeling als dood. Dat is de uiterste consequentie van religie.⟨/p> ⟨p>Je ziet dat dus hier bij de berg Sinaï: geen dier mocht zelfs ook maar de berg aanraken. Als dat wel zou gebeuren, dan zou het worden gestenigd. Er staat bij: "En zo ontzaglijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik ben enkel vreze en beving." Hij was trouwens vooral bevreesd voor het volk, dat lees je ook in Exodus 20.⟨/p> ⟨p>Op dit woord "vreze en beving" wil ik graag even wijzen, voor zover deze woorden leuk genoemd kunnen worden. Dat woord "vreze" is in het Grieks ⟨em>foberon⟨/em>. Daar is ons woordje fobie van afgeleid. En dan heb je dat woordje "beving", dat is ⟨em>entromos⟨/em>. Daar is ons woordje trauma van afgeleid. Nu wil ik niet zeggen dat beide woorden helemaal één-op-één hetzelfde zijn, maar het is wel veelzeggend dat deze woorden in het Grieks gebezigd worden. In het Nederlands kennen wij die Griekse woorden nog steeds in het woord fobie en in het woordje trauma. Het lijkt me in dit verband een hele aardige aanwijzing; het is precies de sfeer die hier getekend wordt rond de berg Sinaï: vreze en beving.⟨/p> ⟨p>Nu we dit gezien hebben in deze voorgaande verzen 18 tot en met 21, wordt de berg Sinaï beschreven als symbool van het oude verbond, symbool van de wet die op de mens gelegd werd, symbool van veroordeling en dood. Maar wat had de schrijver gezegd bij de inleiding in vers 18? Wij zijn daartoe niet genaderd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1721" title="Speel af vanaf 28:41">▶ 28:41⟨/button> ⟨span>Genaderd tot de Berg Sion: een Hemelse Realiteit en een Nieuw Priesterschap⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Waartoe zijn we dan wel genaderd? Nou, dan komen we in vers 22: "Maar jullie zijn genaderd tot de berg Sion." Ik heb dat woordje 'de' even doorgestreept en misschien is dat meteen een goede aanleiding om deze opmerking te maken over vers 22, en ook over vers 23 en 24. In deze verzen komen vrijwel geen bepaalde lidwoorden voor, als ik het grammaticaal mag zeggen. Het woord 'de' of 'het' ontbreekt vrijwel geheel. Dat zet ons soms op het verkeerde been. Het gaat namelijk niet zozeer om dé Berg Sion, maar het gaat om 'Berg Sion', om het karakter ervan. Het gaat niet om concrete aanwijzingen. Een bepaald lidwoord wijst erop dat er wordt gewezen naar iets concreets of iets bepaalds, maar dat staat er niet; het staat er onbepaald.⟨/p> ⟨p>Gij zijt genaderd tot Berg Sion. Uiteraard is dat niet letterlijk bedoeld. Niet een tastbare berg, zoals er ook stond: niet tot iets tastbaars en concreets. Nu wordt er gesproken over de berg Sion in figuurlijke of geestelijke zin. Natuurlijk is de berg Sion ook een letterlijke berg, uiteraard, maar dat is niet wat de schrijver hier naar voren brengt. Hij zegt: "Jullie zijn genaderd tot Berg Sion", als type van de genade van God. Dat zullen we nog zien. Trouwens, dan wil ik in dit verband nog iets zeggen, want deze naam, de berg Sion, is verbonden met David. Waar lezen we voor het eerst over Sion? Dat is in de geschiedenis van David, die de burcht Sion veroverde. Later is het zijn zoon Salomo die daar de tempel gaat bouwen. Dáár, op Sion.⟨/p> ⟨p>Maar het is dus verbonden met een nieuw koningshuis. Er was al sprake van een eerder koningshuis, dat van Saul, maar dat werd verworpen. Nu kwam er een nieuw koningshuis en als ik 'nieuw' zeg, dan bedoel ik daarmee ook definitief; een blijvend koningshuis. God verbindt Zijn belofte aan David en zijn zaad, en een nieuwe dynastie zal er niet meer komen. Dat is de definitieve dynastie. Dat geldt nu nog steeds. Natuurlijk is de Zoon van David vandaag verborgen, maar niettemin heeft God de belofte aan David gegeven. De stad en ook de berg Sion staan daarvoor. Trouwens, Sion is niet alleen één specifieke berg; je leest in Psalm 133 ook over het gebergte van Sion, de omgeving. Hier staat Sion zelfs model voor iets nog veel grootser: voor een geestelijke waarheid, namelijk de waarheid van genade en dat wat in de hemel is, wat onwankelbaar en niet tastbaar is.⟨/p> ⟨p>Zodat als hier staat "genaderd tot Berg Sion", dat een andere manier is van zeggen wat bijvoorbeeld in hoofdstuk 10 staat: dat wij naderen tot in het heiligdom. Dat is ook niet tastbaar, maar dat is wat de schrijver naar voren brengt, namelijk het hemelse heiligdom. En hier is dat de berg Sion. Voor de fijnproever zit er nog iets moois achter, want de naam Sion is verbonden met een nieuw koningshuis, David, maar het is ook nog eens verbonden met een nieuw priesterhuis. Dat was niet zo bekend. Tot dusver had je het priesterlijke huis van Ithamar; Eli kwam bijvoorbeeld uit dat geslacht, een van de zonen van Aäron. Aäron had vier zonen: Nadab en Abihu kwamen om, dat lees je al in de woestijnreis. Toen bleven er twee over: Ithamar en Eleazar. Welnu, de hogepriesters kwamen in aanvang allemaal uit de lijn van Ithamar. Eli en zijn zonen zijn, als ik me niet vergis, de laatste priesters uit die lijn. Dan komt er een nieuw priesterhuis ten tijde van David en zijn zoon, en dat is de priester Zadok. Hij komt voort uit de andere zoon van Aäron, namelijk Eleazar. Het is nog wat gedetailleerder dan ik het nu zeg, maar hier komt het op neer.⟨/p> ⟨p>Waarom zeg ik dit? Ook hiermee grijp ik terug op dingen die we al besproken hebben, bijvoorbeeld in hoofdstuk 7 toen we het hadden over Melchizedek, die koning én priester was. Dat is een heel nieuw koningschap, een heel nieuw priesterschap. Wel, dat is wat hier ook aan de hand is: een nieuw koningshuis en een nieuw priesterlijk huis, en dat is allemaal verbonden met de berg Sion. Typologisch sluit dat perfect aan. Dus even samengevat: de berg Sion komt in het zicht ten tijde van David, ten tijde dat er een nieuw priesterlijk huis komt. Dat is een type van het hemelse Sion, het echte Sion om zo te zeggen, dat geïntroduceerd is door de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek.⟨/p> ⟨p>Je moet soms even doordenken, maar dan heb je ook wat. Ik had het na de vorige studie met Petra nog over deze studies in het algemeen, en zij zei dat deze onderwerpen soms erg abstract zijn. Nou, dan val je vanavond helemaal met je neus in de boter, want dit is ook nogal abstract in deze zin. We spreken over Sion en over het hemelse Jeruzalem, maar dat is geen letterlijke stad en letterlijk is dat geen echte berg. Het is abstract. Maar de schrijver en ook de geadresseerden kenden de associaties heel goed. Wij hebben natuurlijk meer moeite; wij zijn geen Hebreeën, dus wij moeten veel meer moeite doen om deze dingen te verstaan en naar waarde te schatten. De schrijver excuseert zich ook in hoofdstuk 5: het is vaste spijs. En wat is het kenmerk van vaste spijs? Daar moet je op kauwen, daar moet je op bijten. Dat kost ook wat meer tijd voordat het verteerd is en het ligt ook wel eens zwaar op de maag. Melk gaat er zo in, dat is gewoon pap. Maar dit, als je het hebt over typologie en over meer abstracte dingen, dat is schitterend, maar daar moet je inderdaad ook rijp voor zijn. Dat is wel degelijk het woord: een kind neemt melk en volwassenen vaste spijs.⟨/p> ⟨p>Nou wil ik niet zeggen dat als je hier een beetje moeite mee hebt, je dus nog niet toe bent aan vaste spijs – voordat ik straks opnieuw een discussie heb met Petra. Dat zou ik niet durven en ik zou het ook absoluut niet menen. Maar begrijpt u de moeite die dit soms kost? Hoe kom ik hier nu op? Vanwege die berg Sion. Dat is dus niet een tastbare berg; het gaat hier over een abstractie. Maar let op: als ik zeg een 'abstractie', dan bedoel ik dat je het niet kunt vastpakken. Zoals je een heleboel dingen niet kunt vastpakken, maar ze zijn buitengewoon waardevol en je zou ze niet willen missen. Hebben jullie wel eens liefde in uw handen gehad? Of op de weegschaal gezet? Liefde is een abstract begrip. Iemand vraagt: "Zet je andere dingen op de weegschaal?" Ik zei het al: daarom ben ik zo zwaar, ik word geliefd! Ja, als we het over een weegschaal hebben, dan hebben we het over iets heel concreets. Maar begrijpt u, een abstractie betekent dat je het niet kunt pakken, niet kunt voelen, ruiken of zien. Nee, maar het representeert iets. Het staat soms voor een heel grote verzameling van waarden. Dat is hier ook zo. De berg Sion staat voor de nieuwe Koning, voor de nieuwe Priester. Het staat voor de genade van God die het oude verbond vervangt door een nieuw blijvend verbond. Waar Israël straks ook concreet de vruchten van zal plukken. Trouwens, dat deden de Hebreeën toen ook al als eerstelingen. "Gij zijt genaderd tot Berg Sion, tot de stad van de levende God." Ook hier staat trouwens niet het lidwoord 'de'.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2385" title="Speel af vanaf 39:45">▶ 39:45⟨/button> ⟨span>De Stad van de Levende God, Myriaden Engelen en een Universele Bijeenroeping⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Tot de God die leeft... En die uitdrukking 'de levende God' betekent dat Hij leeft, maar ook dat Hij levendmakend is. In 1 Timotheüs 6:13 staat dat ook. Dat is een prachtige zin; in de NBG-vertaling staat dat Paulus dan zegt: 'in de naam van de God die alle leven wekt'. Maar zo staat het er eigenlijk niet, dat is een heel vrije weergave. Als u een Statenvertaling hebt, dan ziet u in dit vers staan: 'tot de God die allen levend maakt'. Dat is wat er staat, en daarom is Hij ook de levende God. Hij leeft Zelf, maar waarom is Hij de levende God? Omdat Hij levend maakt. Hij doet de dood teniet. Dat wordt gewoon als feit beschreven; het karakteriseert wie Hij is: de levende God.⟨/p> ⟨p>Hier is het helemaal veelzeggend dat Hij zo genoemd wordt. Want waarom 'die levende God'? Wel, dat staat in contrast met de berg Sinaï. Die stond voor veroordeling en dood. Zelfs een dier dat de berg aanraakte, moest gestenigd worden. Maar wij zijn genaderd tot de God die levend maakt, waar het leven triomfeert. Dat staat niet voor veroordeling en dood, maar juist voor rechtvaardiging om niet en levendmaking om niet – totaal en voor allen.⟨/p> ⟨p>Laten we niet al te lang stilstaan bij al die gegevens. Een hemels Jeruzalem; daar hebben we het in hoofdstuk 11 al over gehad in verband met de aartsvaders. Toen zij inzagen dat zij tijdens hun leven de belofte niet zouden verkrijgen, ging hun uitzicht uit naar een ander erfdeel, een hemels erfdeel. In hoofdstuk 13 vers 14 komt het nog een keer ter sprake. Trouwens, het hemelse Jeruzalem komen we ook tegen in Galaten 4:26. Dat is weer iets anders, maar in ieder geval een soortgelijke uitdrukking.⟨/p> ⟨p>En er staat: 'tot tienduizendtallen van engelen'. Vergis je niet, letterlijk staat hier trouwens 'myriaden van engelen'. Dit begrip 'myriade' is het hoogste telwoord dat het Grieks kent – althans het Bijbelse Grieks. Men ging door tot tienduizenden; men telde in tienduizenden. Wij spreken nog over miljoenen en miljarden, en we hebben zelfs nog meer begrippen, maar men sprak toen altijd in termen van tienduizenden als hoogste telwoord. We weten van die geestelijke wezens zelfs dat je in Openbaring 5:11 leest dat er myriaden van myriaden zijn. Pak je calculator maar even om te zien waar je dan op uitkomt: honderden miljoenen. Tienduizend maal tienduizend, en dan meervoud: tienduizenden maal tienduizenden.⟨/p> ⟨p>We praten nu over de onzienlijke wereld. Eerder had de schrijver in hoofdstuk 1 al gezegd dat engelen gedienstige geesten zijn die uitgezonden zijn voor hen die de redding beërven. Die engelen staan slechts ten dienste van. Wat hier gezegd wordt, is dat wij tot die myriaden van engelen zijn genaderd. Waarom? Wat is daarmee aangegeven? Die staan ons allemaal – en ik bedoel de Hebreeën – ter beschikking. Ze zijn genaderd tot dat enorme aantal engelen die allemaal uitgezonden zijn ten dienste van hen. De Heer Jezus zegt in Zijn vernedering hier op aarde al: 'Ben Ik niet bij machte om, als Ik Mijn hemelse Vader daartoe bid, een legioen van engelen terzijde te laten staan om Mij te helpen?' Wel, hier wordt gesproken over myriaden van engelen.⟨/p> ⟨p>En dan komen we tot een wat lastige uitdrukking: 'tot een feestelijke en plechtige vergadering'. Letterlijk staat er: 'tot een universele bijeenroeping en tot een ekklesia van eerstgeborenen'. Ook hier ontbreken de bepalende lidwoorden. Ik houd het even bij deze opzomming: het gaat hier dus niet over één groep als u het mij vraagt. Er wordt niet gesproken tot 'een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen', nee: tot een universele bijeenroeping én een ekklesia van eerstgeborenen. Er zijn dus allerlei categorieën. God gaat straks Israël verzamelen, maar Hij gaat ook de volkeren verzamelen in de toekomende eeuw. Dat is vooral het blikveld van de schrijver van de Hebreeën-brief: die toekomende aion waarin de Koning-Priester hier op aarde orde op zaken zal stellen. Dan zal er sprake zijn van een universele bijeenroeping.⟨/p> ⟨p>Maar er is ook sprake van een ekklesia van eerstgeborenen. Wel, daar horen die Hebreeën bij: Israël. Te midden van het volk hadden zij de hoogste positie: het eerstgeboorterecht. Dat zouden ze niet verachten, zoals Ezau dat ooit deed. Van die eerstgeborenen, en in het algemeen van die bijeenroeping, staat er bij dat zij ingeschreven zijn in de hemelen. Dat is in tegenstelling tot een registratie hier op aarde. Ik bedoel, je bent hier op aarde bij van alles en nog wat geregistreerd. Ergens sta je genoteerd, daar staat je naam. Ja, maar wat zegt dat? Het heeft natuurlijk zo zijn waarde, maar waar het echt om gaat, is het ingeschreven zijn in de hemelen. Ik zie dat ik een beetje te traag ga, want ik wil bij vers 29 uitkomen, dus ik zal inderdaad wat sneller moeten gaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2817" title="Speel af vanaf 46:57">▶ 46:57⟨/button> ⟨span>Genaderd tot God de Rechter, de Rechtvaardigen en Jezus de Middelaar⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We zijn ook genaderd tot God, de Rechter over allen, of letterlijk staat er: de Richter van allen. In Genesis 18 lees je dat Abraham zegt: "Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?" Een rechter is iemand die recht doet, die dingen die krom zijn weer recht maakt. Daarom wordt Hij ook een Richter genoemd. Wij maken in ons taalgebruik wel verschil tussen die begrippen — rechters en richters — maar het is exact hetzelfde woord. Een rechter is iemand die richt, die dingen recht maakt, recht doet en recht zet. Wel, dat is God.⟨/p> ⟨p>En we zijn genaderd tot de geesten van de rechtvaardigen. Over die rechtvaardigen heeft de schrijver een heel hoofdstuk gewijd, namelijk hoofdstuk 11. Het gaat over Abel, over Noach en over Abraham — noem ze allemaal maar op uit die geweldige rij van geloofsgetuigen. Al die rechtvaardigen uit het verleden, van vóór het nieuwe verbond aanbrak, hebben de voleinding bereikt. Wel, daartoe zijn we genaderd. Dat wil zeggen: in de toekomende aion zal dit pas werkelijk het feit zijn, namelijk wanneer die bijeenroeping ook werkelijk compleet is. Dan hebben zij de voleinding ook daadwerkelijk bereikt.⟨/p> ⟨p>Ik heb een verwijzing naar Hebreeën 11 vers 40 staan en daar lezen we nog over... nou, ik lees het even voor vanaf vers 39. Daar staat: "Ook deze allen" — het gaat over al die mensen die genoemd zijn in Hebreeën 11, die geloofsgetuigen — "ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij" — zij, die rechtvaardigen dus — "niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen." Dat is exact hetzelfde woord. Ja, hier staat het nu vertaald als 'volmaaktheid' of 'voleinding', maar dat is het. Het gaat hier over de komende aion, wanneer alles compleet is en zij ook de voleinding daarin bereikt hebben.⟨/p> ⟨p>En dan staat er nog bij: we zijn ook genaderd tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond. Het is opvallend, maar er staat hier eigenlijk niet het woordje 'nieuw verbond' zoals daarvan bijvoorbeeld sprake is in hoofdstuk 8 vers 13 en 9 vers 15. In die verzen wordt echt gesproken over een 'nieuw' verbond in de zin van nieuw tegenover oud. Hier wordt echter een ander woord gebruikt dat 'fris' of 'jong' betekent. Dat is iets anders. Het is een beetje lastig in het Nederlands, maar het Grieks maakt daar onderscheid tussen twee verschillende begrippen: een jong, fris of recent verbond.⟨/p> ⟨p>Dan spreekt de schrijver nog over het bloed van de besprenging. Het gaat hier over het geslachte Lam. Denk ook even aan hoofdstuk 10 vers 20. We zijn daar toen wat uitgebreider op ingegaan, maar ik wil er in dit verband alleen nog even aan herinneren. Daar wordt gesproken over de "pas-geslachte en levende weg". Een schitterende uitdrukking die aangeeft dat het gaat over Hem die stierf — of wat zeg ik? — die recentelijk geslacht werd en vervolgens opstond uit de dood. Vandaar dat die weg geïntroduceerd is met bloed, maar het is een levende weg. Bloed spreekt dus van Hem die geslacht is, maar die nu staat; Hij staat daar als het geslachte Lam. Hij is gestorven, maar wat meer is: Hij is opgewekt. Wel, de Hebreeën zijn genaderd tot al deze geweldige feiten. We hebben er inmiddels een hele rits van gezien.⟨/p> ⟨p>En dan staat er nog bij dat het bloed van de besprenging krachtiger spreekt dan dat van Abel. Over Abel hebben we het natuurlijk al eerder gehad, maar waarom spreekt dit bloed krachtiger dan dat van Abel? Wel, van het bloed van Abel lezen we inderdaad dat het riep toen Kaïn zijn broer had vermoord. Je leest dat God Kaïn aanspreekt en zegt: "Zie, het bloed van uw broer roept van de aardbodem." Wel, het bloed waar de schrijver over spreekt — het bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel — verwijst uiteraard naar het bloed van Jezus Christus. Maar let even op, want er zit een schitterende parallel in. Abel werd vermoord door Kaïn. Waarom? Omdat Kaïn een eigendunkelijke godsdienst had. Hij kwam met de vruchten van de aarde, terwijl Abel daarentegen kwam met bloed, met een bloedig offer.⟨/p> ⟨p>Kaïn werd juist vanwege dat offer van Abel boos. Hij werd toornig en vermoordde daarom zijn broer. Daarmee is Kaïn feitelijk ook een type van het Jodendom, dat haar Broeder naar het vlees vermoordde vanwege hun eigendunkelijke godsdienst. Er komt trouwens nog bij dat je van Kaïn leest dat hij vervolgens een zwerver op aarde werd. En weet je wat God dan nog zegt? Prachtig! God zegt van Kaïn — pardon, ja ik zeg het goed — God zegt van Kaïn dat niemand hem wat zal kunnen aandoen. Kaïn wordt onder goddelijke bewaring gesteld. Hij wordt een zwerver op aarde, maar hij wordt goddelijk bewaard. Kijk, ik vind dat ook een schitterend type van de lotgevallen van het Jodendom, dat de Zoon van God gekruisigd heeft, vermoord heeft, jawel, maar vervolgens ook verstrooid werd onder de volkeren der aarde en niettemin goddelijke bescherming geniet. God heeft nog beloften voor dat volk en Hij bewaart het terwijl het rondzwerft op de aarde. Zodat... en nu ga ik even samenvatten.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3237" title="Speel af vanaf 53:57">▶ 53:57⟨/button> ⟨span>Een Samenvatting van de Tien Hemelse Feiten Waartoe Wij Genaderd Zijn⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We zijn, zo zegt de schrijver tot de Hebreeën, genaderd tot – en ik ga tien dingen noemen. U kunt ze zo in een rijtje terugvinden, precies ook in de volgorde waarin we ze nu hebben gezien in deze verzen, vers 18 tot en met 24.⟨/p> ⟨p>We zijn genaderd tot de berg Sion, de stad van de levende God, een hemels Jeruzalem. U ziet trouwens wel dat het hier niet per se allemaal over verschillende dingen hoeft te gaan; het kunnen ook verschillende namen zijn voor één en hetzelfde. Maar in ieder geval is dit zoals het beschreven wordt: tot de berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en tot myriaden van engelen. Verder tot een universele bijeenroeping en een ekklesia van eerstgeborenen. Tot God natuurlijk, die het middelpunt is als de zevende in de rij: God, de Rechter over allen. Tot de geesten van de rechtvaardigen, die nu nog steeds geesten zijn, maar straks een nieuw lichaam zullen ontvangen. En tot Jezus, die de Middelaar is van een vers verbond. En dat is het laatste wat we nu gezien hebben: tot het bloed dat beter spreekt dan dat van Abel; bloed dat zoveel krachtiger spreekt, niet van vergelding maar van genade.⟨/p> ⟨p>Het zijn wel tien stuks. Dat is niet voor niets natuurlijk, maar daartoe zijn die Hebreeën genaderd. Dan pakken we straks de draad op bij vers 25, maar ik stel voor dat we nu eerst even een kopje koffie gaan drinken.⟨/p> ⟨p>Laten we weer verdergaan. Vóór de pauze hebben we vers 18 tot en met vers 24 besproken, en dan stel ik voor dat we nu nog de navolgende verzen tot en met vers 29 gaan bespreken. Welnu, vastgesteld hebbend waartoe we – en daarmee bedoel ik de Hebreeën – genaderd zijn: tot deze tien dingen, deze tien beschrijvingen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3363" title="Speel af vanaf 56:03">▶ 56:03⟨/button> ⟨span>Ziet Toe Dat Jullie het Hemelse Woord van het Nieuwe Verbond Niet Afwijzen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan wordt als conclusie getrokken in vers 25: "Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst." Het gaat hier om zo’n krachtig, duidelijk en geweldig woord. Want, en ik heb het nog even benadrukt, die 'gij', die 'jullie', dat zijn dus de Hebreeën; houdt dat even vast. Want als 'genen' – dat wil zeggen: zij die niet ontkomen zijn, het Israël onder het oude verbond, want dat contrast werd in de voorgaande verzen neergezet – niet ontkomen zijn toen zij Hem afwezen die Zijn godsspraak op aarde deed horen, daar bij de berg Sinaï als introductie van het begin van het oude verbond, hoeveel te minder wij, Hebreeën, als wij ons afwenden van Hem die uit de hemelen spreekt.⟨/p> ⟨p>De logica is heel simpel: als zo’n woord hier op aarde van het oude verbond al zoveel kracht heeft en niet verworpen kon worden, hoeveel te minder dan dit woord van het nieuwe verbond. Ik noem het maar even het nieuwe verbond; dat is per slot van rekening ook een beetje de verzamelterm die in de Hebreeënbrief zo dikwijls gebezigd wordt. Eigenlijk staat het nieuwe verbond voor alles wat God middels Jezus Christus, de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek, introduceert: de vervulling van de belofte. Hoeveel te minder wij dus, als wij ons afwenden van Hem die uit de hemelen spreekt. En die 'uit de hemelen', dat verwijst uiteraard naar Hem die momenteel in het hemels heiligdom is.⟨/p> ⟨p>Heeft Zijn stem de aarde doen wankelen? Jazeker, je leest inderdaad van een aardbeving bij die gelegenheid. We lazen al over duisternis, over stormwind, het geklank van een bazuin en de doodveroordeling. En over donkerheid. Maar dat niet alleen: er was ook een aardbeving. Toen heeft Zijn stem de aarde – het land, zo u wilt – doen wankelen en beven. Doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende... Dat 'thans' betekent hier niet 'nu' op dit moment, want de schrijver gaat nu refereren aan een citaat uit het boek Hagaï. Het gaat even om het contrast met daar bij de berg Sinaï. Nu geldt er een ander woord, namelijk een belofte die uiteraard over de toekomst gaat.⟨/p> ⟨p>Vervolgens volgt er een citaat uit Hagaï 2 vers 7. Dat is trouwens heel boeiend. Ik ga nu niet naar het schriftgedeelte zelf toe, maar kijkt u even: dat demonstreert weer zo schitterend hoe nauwgezet de schrijver citeert. We hebben daar in de afgelopen avonden al tig voorbeelden van gezien; als de schrijver een citaat geeft uit het Oude Testament, dan is dat er niet zomaar uitgeplukt, maar dan blijkt het ook helemaal te passen in het hele verband. Dat zie je hier dus ook, want inderdaad was er in Hagaï 2 vers 6 sprake van de uittocht uit Egypte, oftewel de tijd dat Israël naar de berg Sinaï ging. En nu volgt dus het citaat; hier zouden de aanhalingstekens geopend moeten worden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3628" title="Speel af vanaf 01:00:28">▶ 01:00:28⟨/button> ⟨span>Het Beven van Hemel en Aarde: de Wankele Schepping Maakt Plaats voor het Blijvende⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven." Dit "nog eenmaal" doelt op een verandering van de wankele dingen, als van iets dat slechts geschapen is. Laten we dat eens scherp stellen: hoe staat het er precies? In de tekst staat voor "verandering" eigenlijk het woord "verplaatsing", een transfer. We zijn ditzelfde woord ook tegengekomen in verband met Henoch. Daar wordt het vertaald met "weggenomen", maar hij werd verplaatst; hij werd van de ene plaats naar de andere gezet. Een verplaatsing is hier ook een vervanging: iets komt in de plaats van iets anders. Het gaat hier over de verplaatsing en vervanging van wankele dingen als van iets dat slechts geschapen is. De oude schepping gaat plaatsmaken voor een nieuwe schepping; deze eerste schepping is geen blijvertje. Prijs God daarvoor!⟨/p> ⟨p>Dit is de introductie, maar het doet me direct denken aan een eerder woord uit de Hebreeënbrief. Dit principe hebben we al zo vaak geïllustreerd gezien: God neemt het eerste weg om het tweede te stellen. Of het nu gaat om het oude verbond dat plaatsmaakt voor een nieuw verbond, het priesterschap van Levi dat plaatsmaakt voor het priesterschap van Melchizedek, of het koningschap dat plaatsmaakt voor het nieuwe, blijvende koningschap. Altijd is het eerste tijdelijk en gaat het om het tweede, het blijvende. Dat geldt ook voor de offers: niet de tijdelijke offers van het oude verbond, maar het blijvende, eenmalige offer van Christus. Het eerste is slechts tijdelijk, maar het gaat om het tweede.⟨/p> ⟨p>Uiteindelijk geldt dat ook voor het hele grote plaatje: het is niet de eerste schepping, maar de tweede, de nieuwe. Dat is definitief. Het is niet de eerste Adam, maar de tweede Adam, die daarom ook de laatste Adam is. Je zou voor de aardigheid eens een lijstje moeten maken van alle "eersten" die slechts tijdelijk zijn en plaats moeten maken voor de "tweede"; dat wil zeggen de laatste, oftewel de definitieve. Dat is hier ook aan de orde als het gaat over hemel en aarde. Bij de berg Sinaï wankelde en beefde de aarde, maar de schrijver van de Hebreeënbrief citeert Hagaï: er komt een moment dat God nog één keer niet slechts een stukje aarde, maar hemel en aarde doet beven. Hij gaat de wankele dingen verplaatsen of vervangen.⟨/p> ⟨p>Wankele dingen zijn vergankelijke dingen die niet blijven staan en niet blijven bestaan. Wanneer God dit gaat doen, moet het wankele en vergankelijke plaatsmaken voor het blijvende, het definitieve: een nieuwe schepping. Laten wij derhalve dankbaar zijn en hierdoor God vereren. Ik moet hier even een pas op de plaats maken, want zoals ik bij het begin van deze studie al aangegeven heb, is de vertaling hier in mijn ogen wat ongelukkig. Hier vindt namelijk de conclusie plaats. Bij de berg Sinaï sprak God vanaf de aarde, maar hoe belangwekkend is het woord dat vanuit de hemel klinkt? Het is een hemels woord dat over de blijvende dingen gaat.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3936" title="Speel af vanaf 01:05:36">▶ 01:05:36⟨/button> ⟨span>Laten Wij de Genade Vasthouden: de Enige Welbehagelijke Wijze Om God te Vereren⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Nou, nu volgt de conclusie: laten wij derhalve dankbaar zijn. Maar letterlijk staat er dat we "genade mogen hebben", of zoals de Statenvertaling zegt: "laat ons vasthouden aan de genade". Laat ons die genade hebben en houden; dat wil zeggen: vasthouden. Zou iemand even de Verstaanbare Vertaling kunnen voorlezen? Of de Herziene Statenvertaling eventueel? Ja: "laat ons de genade vasthouden." Dat is het. De NBG-vertaling geeft dat weer met "dankbaar zijn", en ik weet dat het woord "dankbaar" en "genade" alles met elkaar te maken hebben. Want als je iets om niet krijgt, wat doe je dan? Dan ben je dankbaar. Maar het verschil is: bij genade denk ik aan God — God geeft genade — en bij dankbaarheid denk ik aan de mens — de mens is dankbaar. Ja, dat is het verschil.⟨/p> ⟨p>Het gaat hier dus over "genade mogen hebben". Voor die genade wordt hier exact hetzelfde woord gebruikt als eerder in ditzelfde hoofdstuk, in vers 15, waar gesproken wordt over: "laten we niet verachteren in de genade Gods." Een paar verzen later, nu inmiddels in vers 28, komt de schrijver daar weer op terug. Dat wil zeggen: laten we dat vasthouden. Laten we dat hebben en houden en daarbij blijven. Het is trouwens ook het enige wat blijft. De werken van de mens, die doet God zo weg; dat stelt ook niks voor. Hoe zegt Jesaja dat? "Zelfs onze voortreffelijke werken zijn een wegwerpelijk kleed." Onze gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed voor Hem. Wij pronken er misschien mee, maar voor God stelt het helemaal niks voor. Hij kijkt er ook doorheen. Maar dat zijn de werken van een mens, zelfs de beste: onze gerechtigheden.⟨/p> ⟨p>Daarom zijn we zo verschrikkelijk dankbaar — en ik wil dat woord helemaal niet wegdoen — het gaat over die genade Gods. We zijn zo dankbaar voor die genade Gods; laten we dat hebben en houden. Dat is wat tegen die Hebreeën gezegd wordt. Jullie zijn genaderd tot die berg Sion, die model staat voor de genade Gods en alles wat dat inhoudt en met zich meebrengt: leven, rechtvaardiging, een hemelserfdeel, eerstgeboorterecht, een nieuwe schepping waar hemel en aarde in zullen delen, een universele bijeenroeping... Ja, met in het achterhoofd wat Paulus daar allemaal nog over heeft te vertellen, kun je het niet nalaten. Dat is zo schitterend. Maar kijk, dat is wat tegen die Hebreeën gezegd wordt: laten we derhalve genade mogen hebben en hierdoor — dit is ook mooi — en hierdoor God vereren. Hoe? Hoe vereert een mens God? Door die genade, de genade Gods.⟨/p> ⟨p>Nu kom ik ook weer terug op waar we het al eerder over hadden, namelijk over die heiliging. Hij is het, de Heilige. Wij jagen naar de wijze waarop Hij ons heiligt, namelijk wanneer wij staan in de genade Gods. Standvastig, onwankelbaar in het werk van Hem, opdat wij vervolgens overvloedig worden in het werk van de Heer. Maar dat is dus het werk dat Hij overvloedig in en door ons kan doen. Hoe? Doordat wij jakkeren en jagen? Nee, doordat wij standvastig en onwankelbaar zijn. Dat zegt Paulus tegen de Korinthiërs en hier wordt het door de schrijver — wellicht dezelfde Paulus — tegen de Hebreeën gezegd: te staan en te houden, te blijven bij de genade Gods. Daardoor wordt God vereerd.⟨/p> ⟨p>Ik moet even aan een zijpaadje denken. Ik moet aan Abraham denken, die Paulus in Romeinen 4 ter sprake brengt. Hij zegt van Abraham: aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in het geloof en gaf Gode eer, in de volle zekerheid dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. Schitterend! Wat deed Abraham? Hij stond op wat God beloofd had. Daar heeft hij niet aan getwijfeld en er staat bij: zo gaf hij God de eer. Want God had beloofd dat Hij het zou doen en Abraham zegt: "U zegt het en U gaat het doen." Daarmee gaf hij God alle eer. Ja, als hij zelf aan het werk had gemoeten — wat trouwens helemaal niet kon, want hij was "verstorven", daar viel niet veel meer mee te doen... Als we de hele context in ogenschouw nemen: wat kon Abraham doen? Wat kon Sara doen als je impotent bent op die leeftijd, enzovoort? Wat kon hij doen? Nee, maar God had gesproken en daarop stond hij. Zo gaf hij God de eer. De grootste eer die je God kunt bewijzen, is gewoon te staan op wat Hij belooft. Dat wordt hier prachtig door de schrijver van de Hebreeënbrief naar voren gebracht: de genade van God waardoor wij God vereren.⟨/p> ⟨p>De zin loopt wat anders in de Nederlandse vertaling dan in het Grieks, vandaar ook dat het misschien een beetje chaotisch lijkt, maar goed. Er staat: "omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen." Dat is wat tegen die Hebreeën gezegd wordt. Onwankelbaar wil zeggen: onvergankelijk. Dat beweegt niet. Alle dingen in deze wereld zijn zeer beweeglijk. Daar kun je niet op staan, dat geeft geen houvast. Mensen zeggen dat toch? Men praat over houvast, maar wat houdt nu vast? Wat geeft nu houvast in deze wereld? Niks. Wat weet je nu zeker? Maar wij — en dat is wat de schrijver zegt — spreken over een onwankelbaar koninkrijk. Dat koninkrijk gaat nooit teniet. En zelfs als Christus het koninkrijk overgeeft aan God de Vader, dan houdt het koninkrijk niet op; alleen is het dan bij Hem. Hij geeft het koninkrijk over aan God de Vader. Het is inderdaad onwankelbaar, onvergankelijk en gaat nooit meer voorbij. Dat is houvast. Dat is leven, echt leven, waar de dood voorbij is.⟨/p> ⟨p>En dan wordt er gezegd: "op een Hem welbehagelijke wijze, met eerbied en ontzag." Ik zei al dat de zin misschien wat vreemd loopt in de NBG-vertaling, maar het idee is dus dat we vasthouden aan de genade Gods en hierdoor — dat wil zeggen: door de genade Gods — Hem vereren op een Hem welbehagelijke wijze. Dat wil zeggen: met eerbied en ontzag. Want als Hij spreekt, dan gebeurt er wat. En dat is inderdaad ontzagwekkend. Daar kun je eerbied voor hebben. Dat is wat welbehagelijk is. Ik moet dan ook denken aan wat we eerder lazen in hoofdstuk 11 vers 6. Dat is even een tussenzin in dat hele betoog, waar staat: "Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn." Dat is hetzelfde woord: welbehagelijk. Hem 'pleasen'. Als je God wilt pleasen — ik houd niet zo van dat woord omdat het in ons begrip iets met 'verdienen' te maken heeft — maar als je God welbehagelijk wilt zijn: neem Hem op Zijn woord. Geloof. En geloof wil gewoon zeggen: je accepteert wat Hij spreekt en wat Hij belooft. Er staat nog bij: "Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn, want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat" — dat wil zeggen: dat Hij is — "en dat Hij een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken." Een beloner is Hij; Hij geeft. Dat is wat geloven is. Met geloven kom je nooit beschaamd uit. Nou ja, dat is die welbehagelijke wijze. Eerbied en ontzag, want, zo staat er dan...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4519" title="Speel af vanaf 01:15:19">▶ 01:15:19⟨/button> ⟨span>Een Verterend Vuur: de Letterlijke Vervulling voor de Hebreeën in het Jaar 70⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dat is het laatste vers van Hebreeën 12: "Onze God is een verterend vuur." Dat klinkt erg ontzagwekkend, en dat is het ook. Het klinkt misschien zelfs angstaanjagend, maar het is belangrijk om de draad vast te houden: dit is geschreven aan de Hebreeën. Wat was de context? Binnen een zeer korte tijd, een "heel korte tijd" zoals Hebreeën 10 zegt, zou Hij komen in oordeel; God zou Zijn volk oordelen. Waar gaat dat dan over?⟨/p> ⟨p>In hoofdstuk 10 vers 27 zagen we al een vreselijk uitzicht op oordeel en de felheid van een vuur. Wat stond er te gebeuren? Deze Hebreeën werden aangeschreven ergens in de zestiger jaren van de eerste eeuw van onze jaartelling. Een ramp stond op het punt te beginnen, namelijk dat wat zich in het jaar 70 heeft voltrokken. De hele stad Jeruzalem, de legerplaats van de Hebreeën en heel de tempel is toen in vlammen opgegaan. Die felheid van vuur, dat verterende vuur, is geen metafoor; het is zelfs heel letterlijk vervuld.⟨/p> ⟨p>Ik weet dat de algemene uitleg vaak anders is, we hebben het daar in het verleden vaker over gehad. Men denkt bij deze teksten meestal direct aan de hel. Als je niet weet dat deze brief specifiek gericht is aan Hebreeën en te maken heeft met de gebeurtenissen rond het jaar 70 — en als je bovendien geen zicht hebt op de juiste indeling van de Schrift en alles lukraak op jezelf toepast — ja, dan kom je bij de hel uit. Want dat leert de Bijbel toch? Nou, niet dus. Dit is heel concreet vervuld. God zou inderdaad een hardhandig einde maken aan het oude verbond.⟨/p> ⟨p>De schrijver zegt: "Als toen, ooit bij de berg Sinaï, een woord vanaf de aarde al niet afgewezen kon worden zonder gevolgen, hoeveel te meer geldt dat dan voor een woord vanuit de hemel?" Dat heeft God inderdaad gedemonstreerd. Israël heeft de Messias verworpen, en ook de opgestane en levende Messias verworpen — Hij die nu in het hemels heiligdom is. Ze hebben het woord van genade verworpen, en wat er dan overblijft, zijn de eigen werken. In de praktijk betekent dit dat het eindigt in een verterend vuur; daar blijft niets van over. Dit is niet bij wijze van spreken bedoeld, het is echt zo gegaan.⟨/p> ⟨p>Dit is het einde van hoofdstuk 12. Ik aarzel even om hier een punt te zetten, want eigenlijk is dit niet zo’n mooie zinsnede om mee af te sluiten. De schrijver zelf sluit zijn betoog hier ook niet af, want hij gaat in hoofdstuk 13 gewoon verder. Maar het punt is natuurlijk: dat woord van genade, daar gaat het om. Wijs dat niet af, maar sta daarin. Dat geldt trouwens ook voor ons — misschien mag dat nog een algemene opmerking ter afsluiting zijn. Het geldt ook voor ons dat we mogen staan in die genade. Alleen in het staan in die genade is vrede en vreugde te vinden. Daarbuiten, op het moment dat een mens bouwt op werken, hoe godsdienstig hij ook mag zijn, leidt het tot niets. Wie op de akker van zijn vlees zaait — en dat is wat eigen werken feitelijk zijn — die zal ook verderf oogsten. Dat principe is universeel.⟨/p> ⟨p>In deze brief gaat het specifiek over de Hebreeën, maar de waarheid blijft dat er nooit rust of zegen rust op het verlaten van Zijn woord van genade. Ik had het afgelopen zondag nog over Galaten 1, hoe Paulus van leer trekt tegen hen die het evangelie van genade veranderen en vervangen door een evangelie van werken. Daarover spreekt hij zelfs een vloek uit; daar is totaal geen zegen aan verbonden. Vandaar dat het zo belangrijk is om in de genade te staan, en in de genade alleen.⟨/p> ⟨p>Zullen we het daarbij laten voor vanavond, en ook voor de maanden juli en augustus? Dit was mijn laatste dia, dus we zijn er toch weer aardig uitgekomen. Laten we deze avond afsluiten met dankgebeden.⟨/p>