⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op Jezus als Leidsman en Voleinder⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De zesentwintigste Bijbelstudie is de een na laatste van dit seizoen. We zijn nog niet helemaal gearriveerd bij het slot van de Hebreeënbrief, maar we zijn wel een heel eind op weg. De brief telt in totaal dertien hoofdstukken en inmiddels zijn we aan het begin van hoofdstuk twaalf beland.⟨/p> ⟨p>Het is goed om u er nog even aan te herinneren waar we het de vorige keer over hadden. Niet iedereen was erbij, dus dan is een korte terugblik sowieso wel nuttig. We hebben het slot van het bekende Hebreeën 11 met elkaar besproken, het hoofdstuk dat gaat over de vele geloofsgetuigen die we treffen in het Oude Testament. We beginnen bij Abel, Noach, Henoch, Abraham, Sara en Mozes. Een hele rits namen wordt daar genoemd, waarvan sommigen verder niet worden toegelicht, en daarmee sluit het elfde hoofdstuk af.⟨/p> ⟨p>Bij het begin van hoofdstuk twaalf zien we dat vervolgens de grootste Getuige van geloof wordt opgevoerd: Jezus Zelf. Dat kon eigenlijk ook niet missen. ‘Jezus’ is de naam die Hij nogal eens krijgt in de Hebreeënbrief. Men zegt weleens dat de naam Jezus herinnert aan Zijn wandel hier op aarde, en dat is natuurlijk ook zo, maar het is toch opmerkelijk dat de Hebreeënbrief heel dikwijls juist wijst op de naam Jezus terwijl er wordt gezien op de heerlijkheid die Hij nu heeft. Ik denk bijvoorbeeld aan Hebreeën 2, waar staat: “Maar wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond” daar boven. In de Hebreeënbrief vinden we dat vaker terug. Je ziet heel duidelijk de link tussen de mens die hier op aarde wandelde en degene die nu daar in heerlijkheid is.⟨/p> ⟨p>Hij wordt in Hebreeën 12 de Leidsman en de Voleinder van het geloof genoemd. Ik heb toen ook gewezen op de connectie tussen Mozes enerzijds en Jozua anderzijds. Mozes was degene die Israël — het volk van de Hebreeën — uit het land Egypte leidde en hen door de woestijn voerde; hij was hun leidsman. Tenslotte was het Jozua die hen in het beloofde land bracht. Als ik ‘Jozua’ zeg, dan is dat in het Hebreeuws — of in het Grieks moet ik eigenlijk zeggen — exact dezelfde naam als de naam Jezus. De connectie is in dat opzicht heel treffend: de leidsman Mozes en de voleinder van het geloof Jozua.⟨/p> ⟨p>Hij is bij uitstek het voorbeeld van leven uit geloof. Dat wil zeggen: niet zien op dat wat zichtbaar is, maar de ogen niet gericht hebben op dat wat te zien is. Dat was immers ook hoe het begin van Hebreeën 11 geloof definieerde. Geloof nu is de aanname van wat verwacht wordt en het bewijs der dingen die men niet ziet. Het staat tegenover dat wat de waarneming zegt, wat het gevoel zegt en wat de opinies van mensen zeggen. God heeft gesproken en geloof oriënteert zich op wat gesproken is: het Woord van God. Al die mensen die in Hebreeën 11 worden opgevoerd, demonstreren die waarheid. Daarbij is er een focus op boven — ziende op God — maar ook een focus vooruit. Het is de aanname van wat verwacht wordt, dus het heeft altijd te maken met hoop; met dat wat in de toekomst zal gaan plaatsvinden, waar je nu al van overtuigd en zeker bent en wat voor jou nu al geldt als een bewijs.⟨/p> ⟨p>Al die mensen in Hebreeën 11 demonstreren die waarheid van geloof, maar het voorbeeld bij uitstek is natuurlijk Jozua of Jezus. Van Hem lezen we in de eerste verzen van Hebreeën 12 dat Hij, om de vreugde die Hem was voorgesteld — de vreugde welke voor Hem lag — het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en thans gezeten is aan de rechterzijde van de troon van God. Hoe is Hij die weg gegaan? Jezus oriënteerde Zich ook op het Woord van God. Hij had Zich herkend in de boekrol. In Hebreeën 10 lazen we al: “In de boekrol is over Mij geschreven: zie, hier ben Ik om Uw wil te doen.” Daar richtte Hij Zich op. Op grond van diezelfde boekrollen wist Hij wat Zijn toekomst zou zijn en welke weg God voor Hem had uitgestippeld, maar ook waar die weg naartoe zou leiden. Hij wist dat, en om de vreugde die Hem daartoe was voorgesteld — hoewel Hij daar toen nog niets van zag — is Hij die weg gegaan. Gewoon als mens heeft Hij de schande niet geacht en het kruis op Zich genomen.⟨/p> ⟨p>Nu is Hij de Voorloper. Dat is ook weer een uitdrukking uit de Hebreeënbrief, uit hoofdstuk zes. Daar staat over die hoop: “Deze hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus — heb je die naam weer — voor ons als Voorloper is binnengegaan, naar de ordening van Melchizedek Hogepriester geworden tot in de aion.” Hier wordt Zijn naam weer opgevoerd: Jezus, die daar nu is binnen het voorhangsel in het heiligdom, als de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek. Hij is het ultieme voorbeeld van iemand die leefde uit geloof en die thans het eindstation daarin bereikt heeft, of in ieder geval een station waar wij naar het lichaam nog niet zijn. Dat even wat de vorige keer betreft.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="448" title="Speel af vanaf 07:28">▶ 07:28⟨/button> ⟨span>De Worsteling en Tegenspraak van Zondaren⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan stel ik voor dat we nu de draad oppakken bij vers 3. Althans, ik lees het vers nog even voor, ook al hebben we het al gelezen en besproken. Vestigt uw aandacht dan op Hem. Dat is een waarheid die diverse keren in de Hebreeënbrief nogal duidelijk naar voren gebracht wordt. "Aanschouwt dan deze", staat er bijvoorbeeld in Hebreeën 7, en hier vestigt u uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen.⟨/p> ⟨p>We hebben de vorige keer nog overwogen dat die "zondaren" hier in de praktijk vooral de orthodoxie vormden. Dat waren dus niet zomaar goddelozen; Hij had vooral tegenspraak te verduren van de godsdienstige leidslieden. Zij in het bijzonder wilden Hem op een dwaalspoor brengen of spraken Hem in ieder geval tegen, en uiteindelijk hebben zij Hem ook aan het kruis gebracht. Hij heeft zulke tegenspraak van zondaren tegen Zich verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt. Dat wil zeggen: als je dat voorbeeld voor ogen hebt, want dat zou toch een enorme motiverende en krachtgevende factor moeten zijn.⟨/p> ⟨p>Vervolgens staat er in vers 4, en daar pakken we nu echt de draad op, want daar hebben we nog geen aandacht aan gegeven: "Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde." Dit zou kunnen verwijzen naar het voorgaande voorbeeld, namelijk naar Jezus die inderdaad wél ten bloede toe weerstand bood. Het kan ook nog terugverwijzen naar het beeld van de spelen en de sport waar we het de vorige keer over gehad hebben; over dat beeld van het stadion en de wedloop. Dat is soms ook een strijd tot bloedens toe, in letterlijke zin als het gaat om vuistvechten. Het kan dus beeldspraak zijn. In elk geval gold het voor die Hebreeën, die weliswaar onder enorme druk stonden van hun volksgenoten en ook, zoals we gezien hebben aan het einde van hoofdstuk 10, de roof van hun bezittingen hebben moeten ondergaan. Zij stonden onder enorme druk en werden vervolgd. Bekend is wat er allemaal is gebeurd in de jaren vlak voor de verwoesting van de stad Jeruzalem. Nu zegt de schrijver: "Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden."⟨/p> ⟨p>We hebben natuurlijk gezien dat er onder die Hebreeën sprake was van een enorme afval. Mensen dreigden onder druk van het jodendom het geloof in de Messias weer op te geven. Waarmee zij het bewijs leverden dat zij Hem niet echt van harte kenden. Maar in ieder geval: "Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde." In de Statenvertaling staat trouwens "in de strijd tegen de zonde".⟨/p> ⟨p>Ik herinner me nog erg goed – dat moet al een jaar of dertig geleden zijn – dat ik in mijn enthousiasme thuis aan mijn vader vertelde dat dit niet klopte. Mijn vader is erg bijbelvast. Ik had toen onderwijs vanuit de Vergadering van Gelovigen en daar was mij verteld dat het niet naar de Schrift is dat een mens zou strijden tegen de zonde in zichzelf. Een mens zou moeten zien op Hem. De strijd tegen de zonde is wat je ziet in Romeinen 7: als je de wet wilt houden – bijvoorbeeld "gij zult niet begeren" – dan prikkelt dat juist de zonde. Die strijd zou niet de strijd van het geloof zijn. Ik had dat zo verteld, en toen zei mijn vader: "Maar er staat toch geschreven dat we zelfs tot bloedens toe zouden strijden tegen de zonde?" Daarbij citeerde hij de Statenvertaling van Hebreeën 12 vers 4.⟨/p> ⟨p>Toen was ik eventjes met stomheid geslagen, want inderdaad, het staat daar wel. Maar bij nader inzien kwam ik er toch vrij gauw achter dat het daar om iets heel anders gaat. De zonde is hier niet een zonde ín ons. Ik herinner me bijvoorbeeld dat er in de doopformulieren van de Calvinistische kerken wordt gesproken over het strijden tegen het vlees in ons; zonde in ons waar we moeite voor zouden moeten doen om die te onderdrukken of te bestrijden. Dat is niet wat je in de Bijbel vindt. Voor zover er een strijd tegen het vlees is, is het de Geest die strijdt tegen het vlees, niet wij. Wij zien op Hem en wij worden getransformeerd. Dat is niet een strijd die wij zouden aangaan. Wat dat in de praktijk betekent en hoe dat uitwerkt, dat zie je in Romeinen 7. Gek genoeg weet men dat binnen de Calvinistische kerk ook maar al te goed.⟨/p> ⟨p>Hier wordt gesproken over een worsteling tegen de zonde, maar als je de context ziet, dan gaat het in het voorgaande vers over Jezus die een tegenspraak heeft verduurd van de zondaren. Hier is sprake van feitelijk dezelfde context, namelijk de Hebreeën en het jodendom in die dagen, die zo'n enorme weerstand boden aan het geloof van deze gelovigen waardoor zij dreigden af te vallen. Het werd hen heel erg moeilijk gemaakt. In dat verband staat er: "Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde." Dus niet de zonde ín ons, maar de strijd die de omgeving aanging in alle tegenspraak en verdrukking. Dat is een strijd van een heel andere orde. Ook hier vinden we trouwens weer de beeldspraak van sport, want er wordt gesproken over een "worsteling". We zullen dat in dit gedeelte nog diverse keren tegenkomen. Eerst was er het beeld van de wedloop in vers 1, hier een worsteling, en dat "ten bloede toe weerstand bieden". We zullen straks ook nog het beeld van gymnastiek zien. Maar goed, we gaan even verder naar vers 5.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="881" title="Speel af vanaf 14:41">▶ 14:41⟨/button> ⟨span>Tuchtiging (opvoeding) als Bemoediging⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En jullie hebben nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde. En jullie hebben de vermaning vergeten – in het Grieks staat daar dat woordje ⟨em>parakaleo⟨/em>, wat letterlijk 'ernaast roepen' betekent. Elders wordt dit woord trouwens weergegeven met vertroosten. Het betekent in ieder geval iemand erbij roepen, bemoedigen of oproepen. Want als je uitgaat van het idee zoals dat hier wordt weergegeven – dat jullie de 'vermaning' vergeten zijn – dan geeft dat een heel ander gevoel dan wanneer er staat dat jullie de 'oproep' of de 'bemoediging' zijn vergeten. Is het nou een vermaning, een waarschuwing, of is het juist een bemoediging die ze zijn vergeten? Ik denk dat laatste en dat wil ik ook graag laten zien.⟨/p> ⟨p>Want die bemoediging luidt: 'die tot u als zonen spreekt'. Het woord dat hier voor 'spreken' wordt gebruikt, betekent eigenlijk 'argumenteren'. Er is dus sprake van een argumentatie, een wisseling van woorden, waarbij echt een argument wordt neergelegd. Die bemoediging spreekt of argumenteert tot u als zonen: 'Mijn zoon...' Dit is een citaat uit het boek Spreuken. Ik ben vergeten de verwijzing erbij te plaatsen, maar het staat in Spreuken 3 vers 11 en 12: 'Mijn zoon, acht de tuchtiging van de Heer niet gering.' Veronachtzaam dat niet. Het woord 'tuchtiging' wordt in de ⟨em>Concordant Version⟨/em> weergegeven met 'discipline'.⟨/p> ⟨p>Het mooie van dat woord is dat het is afgeleid van een woord dat 'raken' betekent. Sommigen zeggen ook wel 'slaan', maar het woord heeft diverse toepassingen. 'Opvoeden' is bijvoorbeeld ditzelfde woord. In Efeziërs 6 wordt er gesproken over vaders die hun kinderen moeten opvoeden; daar gaat het over hetzelfde stamwoord. Het idee is daarbij niet zozeer 'slaan', maar wel 'raken' – je kind raken. Dat kan uiteraard ook fysiek zijn, maar het gaat erom dat disciplineren 'raken' is. Het heeft ook inderdaad de betekenis van pijn, het pijnlijk raken. We zullen dat vanzelf in deze verzen ook zien. In de hele context waarin de schrijver dit naar voren brengt, gaat het juist over verdrukking, weerstand en moeite waardoor een mens geraakt wordt, al dan niet fysiek. Je ondergaat pijn, maar dat is louter positief. Dat is wat de schrijver in deze komende verzen naar voren gaat brengen.⟨/p> ⟨p>Daarom zouden we het ook niet verachten. Het mag dan een pijnlijke ervaring zijn, maar niettemin zou je het niet gering achten. En 'verslap niet', dat wil zeggen: bezwijk daar niet onder. Integendeel, als je weet welk karakter die pijn en die moeite hebben, dan zou je juist daarin bemoedigd worden. Je weet dan namelijk dat de Heer jou dit aandoet en je zo daarin ook disciplineert en opvoedt. 'Als gij door Hem bestraft wordt.' Helaas voor de vertalers wordt hier een woord gebruikt dat eigenlijk 'ontmaskeren' betekent, of 'blootleggen'. Iets aan het licht brengen. Ik geef toe dat daar een kant aan kan zitten van bestraffen, maar het idee is dat een mens gecorrigeerd wordt. Er wordt iets aangetoond waarbij ergens de vinger bij gelegd wordt. Dat is vaak een pijnlijke ervaring als je gewezen wordt op iets wat niet goed is, of wat beter zou moeten, of waarin je afwijkt.⟨/p> ⟨p>Het idee is dus niet 'straf', maar dat er ergens de vinger bij gelegd wordt, wat een heel pijnlijke ervaring kan zijn. We zullen dat nog diverse keren tegenkomen. Maar bezwijk daaronder niet; integendeel, je zou er blij om moeten zijn. Dat geldt trouwens voor crises in het algemeen. Natuurlijk zoekt niemand dat en niemand vindt het fijn – lijden is niet fijn, daarom heet het ook lijden – maar er is niets zo vormend als juist datgene wat de Heer op je weg brengt. Dat geldt trouwens ook voor kritiek. Ik hou zelf van de spreuk: 'Kritiek, daar moet je blij om zijn, want het is gratis advies.' Sinds ik daar ook zo tegenaan kijk, beleef ik het ook heel anders. Het kan pijnlijk zijn als iets blootgelegd wordt of als je daarin gecorrigeerd wordt, maar dat is toch alleen maar mooi als het de waarheid dient. Als je daardoor weer op het juiste spoor terechtkomt, dan is dat alleen maar een reden om juist God te danken. Daarom zeg ik ook: het is een bemoediging. Niet een vermaning, maar een bemoediging als je door de Heer gedisciplineerd wordt. Want, zegt hij...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1297" title="Speel af vanaf 21:37">▶ 21:37⟨/button> ⟨span>God Behandelt U als Zonen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In vers 6 gaat de schrijver verder: "Want wie Hij liefheeft..." Dat komt trouwens uit het boek Spreuken; het is nog steeds dat citaat uit Spreuken 3. "Want wie Hij, God, liefheeft, tuchtigt de Here." Dat is wat Hij doet. En dit is een heel sterk woord. Hier wordt het vertaald met 'kastijden', maar doorgaans is dit woord 'geselen'. Dat kan letterlijk het geval zijn, zoals je bijvoorbeeld leest in de evangeliën over het proces tegen Jezus, dat Hij gegeseld wordt; daar staat dit woord. Hier wordt het dan weer vertaald met kastijden. In het boek Handelingen lees je ook weleens dat het de gelovigen of de apostelen treft dat zij gegeseld worden. Dit woord komt trouwens heel erg in de buurt bij de verdrukkingen die de Hebreeën hadden te ondergaan.⟨/p> ⟨p>Ik wil u even een concordantie laten zien, een 'concordant view' zoals dat heet in het programma ISA dat u hier voor u ziet. Het aardige is: dit is de stam van het woord, en het heeft veeleer te maken met 'prikken'. Maar goed, het wordt weergegeven met 'geselen'. U ziet dat het in de NBG ook een aantal keren vertaald wordt met 'kwaal' of met 'plagen'. In de evangeliën lees je bijvoorbeeld over die vrouw die twaalf jaar bloedvloeide; er staat dat toen ze de zoom van het kleed van de Heer aanraakte, haar 'geseling' — haar kwaal — week. Dan is het uiteraard in overdrachtelijke zin bedoeld. Een kwaal kan een 'gesel' zijn. Dat kan dus een letterlijke gesel zijn, maar dat hoeft helemaal niet het geval te zijn. In het geval van de Hebreeën was het ook geen letterlijke gesel, maar niettemin een zeer pijnlijke ervaring. Dat is de gedachte: als tuchtiging heb je dit te dragen.⟨/p> ⟨p>Ik ga verder in het zevende vers: "Als tuchtiging hebt gij dit te dragen." In de Nederlandse versie van de interlineair die binnenkort gaat uitkomen, staat: "Tot in discipline hebben jullie dit te verduren." Dat is eigenlijk ook een imperatief; dat wil zeggen: verduur dit. Het is trouwens heel mooi, want dan zie je meteen waar die discipline of die tuchtiging — dat is dus hetzelfde — uit bestaat, namelijk in dat wat je te verduren hebt.⟨/p> ⟨p>Ik blijf even bij die context van de Hebreeën. Er wordt hier niet gedacht aan ziekte of aan het natuurlijk lijden waar elk mens mee te maken heeft. Nee, het gaat hier over lijden dat je juist ondervindt als gelovige. Dat is de context van de Hebreeënbrief. Vandaar ook dat zij zich daarin onderscheiden, wat we straks ook zullen zien. Want niet iedereen ondergaat die tuchtiging, terwijl je van lijden in het algemeen — het natuurlijk lijden — kunt zeggen dat elk mens een ziekte kan krijgen of te maken kan krijgen met overlijden of ontslag. Dat zijn allemaal voorbeelden van lijden, jawel, maar die heb je gemeen met alle mensen, ook met je ongelovige buurman. Het gaat hier dus specifiek over het lijden dat je te verduren hebt als gelovige. Daar gaat het in de Hebreeënbrief over en "tot in discipline" hebben ze dat te verduren. Ik vind dat een prachtige definitie in dit vers: dat wat je hebt te verduren of te verdragen als gelovige, dát is die discipline, de tuchtiging van de Heer.⟨/p> ⟨p>"God behandelt u als zonen," staat er dan in de volgende zin. Het is opmerkelijk, dit woord 'behandelen' komen we in de Hebreeënbrief nog heel wat keren tegen en dan wordt het in de NBG vaak vertaald met 'offeren'. Hier dus met 'behandelen'. Dat is wel een hele vrije weergave, maar de letterlijke betekenis is... u ziet hier weer even zo'n concordant view... het is eigenlijk 'er naartoe brengen'. Dat is ook wat een offer is: ergens naartoe brengen, of misschien moet ik omhoog wijzen. Maar dat is het woord dat hier gebruikt wordt. U ziet trouwens hier in de NBG-weergave dat het meestal met offeren te maken heeft. Waar het hier om gaat, is dat die tuchtiging een geweldige bemoediging is. Dat mag dan pijnlijk zijn en als een gesel ervaren worden — en het legt een mens ook stil, het corrigeert en legt bloot — maar waarom is het toch een bemoediging? Wel, God behandelt u daar, Hij brengt u er eigenlijk naartoe als een zoon.⟨/p> ⟨p>"Want is er wel een zoon," staat er dan in vers 7, "die door zijn vader niet getuchtigd wordt?" Dat wil zeggen: een échte zoon wordt door zijn vader gedisciplineerd. Een vader die zijn zoon liefheeft, doet dat. Zo staat het ook in het boek Spreuken vaak genoeg: een vader die zijn zoon liefheeft, tuchtigt hem ook. Dat wil zeggen: die brengt ook moeite of die kastijdt hem. Ja, dat is precies ook wat opvoeden is, nietwaar? Waarbij het woord 'tucht' dus een heel breed begrip is. Het heeft te maken met opvoeden en onderwijs geven, maar dat kan dus ook pijnlijke consequenties hebben. Een kind — je zoon of dochter, maar het wordt hier vooral in de mannelijke vorm opgevoerd — confronteren met pijnlijke consequenties is net zo goed opvoeden. Het idee is niet per definitie dat van slaan. Ik weet wel, dat zit heel sterk in ons achterhoofd, maar het idee van opvoeden en tuchtiging is ook: je kind, als het nodig is, confronteren met de pijnlijke consequenties van iets. Ik kan allerlei voorbeelden geven, maar u kunt zich daar zelf wel iets bij voorstellen. Wat zit jij te lachen? Jij ook? Je kent onze eigen kinderen? Ja precies, daar denk ik ook aan. Dan zeggen we: nou, laten we maar eens een keer... wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten. Er zijn heel wat spreekwoorden die daar naar verwijzen. Dat kunnen bijzonder heilzame ervaringen zijn.⟨/p> ⟨p>Ik ga verder in vers 8: "Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben" — of waarvan wij allen partners geworden zijn, waar we allemaal deel aan hebben gekregen. We zijn allemaal met die tuchtiging, die verdrukking, de moeite en de tegenspraak geconfronteerd; we zijn er allemaal partners of deelhebbers van geworden. Wel, als je daar vrij van bent, als je daar niet mee te maken hebt, dan betekent dat dat je bastaarden bent, oftewel onechte zonen. Dat vind ik trouwens wel een mooi woord in dit geval. In het Nederlands is 'onecht' een beetje dubbelzinnig; onecht betekent natuurlijk 'buiten de echt', buiten het huwelijk, maar in dit geval is het ook een onechte zoon: je bent geen echte zoon. Dan zegt hij: bastaarden, geen zonen. Want een vader interesseert zich voor zijn zoon, hij heeft hem lief. En hij is ook bereid om hem met pijnlijke dingen te confronteren, hoe moeilijk het ook voor die vader is. Een vader of een moeder ziet dat niet graag, maar juist dat bewijst liefde. Als je onverschillig bent, dan laat je het allemaal maar gaan. Dus die tuchtiging die de Hebreeën ondergingen, dat wat zij te verduren hadden... wel, zegt de schrijver dan als bemoediging: dat is een aanwijzing, of een bewijs zo u wilt, dat jullie zonen zijn. Jullie hebben een Vader en Die voedt jullie op; Hij corrigeert jullie daarin en brengt jullie daardoor werkelijk groot. Ik volg gewoon de gedachtegang verder in deze verzen. Het is niet zo moeilijk.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1911" title="Speel af vanaf 31:51">▶ 31:51⟨/button> ⟨span>De Vader Der Geesten⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Er staat dan in vers 9 voorts: de tuchtiging van onze vaders naar het vlees. Nu gaat de schrijver een tegenstelling gebruiken, namelijk de vaders naar het vlees enerzijds en God anderzijds. De vaders naar het vlees... Wel, die tuchtiging, hun opvoeding, hebben wij ondergaan en we zagen tegen hen op. Dat wil zeggen: wij respecteerden hen. Zo wordt het in de Concordant Version ook weergegeven. Als kind heb je respect voor je vader, mag je aannemen. En wij hebben die tuchtiging ondergaan. De vergelijking die hier gemaakt wordt, is dus gewoon die van aardse vaders die hun kind opvoeden en ook tuchtigen en alles wat daarmee verband houdt.⟨/p> ⟨p>Wel, dat wekt bij dat kind respect. Hoeveel te meer zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten? Dus hier wordt aan de ene kant gesproken over de vaders van het vlees en aan de andere kant over de Vader van de geesten – of, zo u wilt, dat is eigenlijk een beetje een bepaald soort idioom: de geestelijke Vader. Aan de ene kant de vaders van het vlees en aan de andere kant de Vader van de geest, Degene die onze geest ook heeft voortgebracht. Wel, als de vaders naar het vlees ons liefhebben en ons opvoeden met moeite, tijd en aandacht – en zij zich die moeite niet sparen en dat geven aan hun kind, allemaal voor het bestwil van het kind – hoeveel te meer zouden we dan niet respect hebben voor en opzien tegen de Vader der geesten? Dat is wat de schrijver hier zegt.⟨/p> ⟨p>En dan staat erbij: "en leven?" met een vraagteken. Dat is een retorische vraag, want juist dat is wat tot leven leidt; waardoor je werkelijk een leven krijgt. Dat gebeurt als je te maken hebt met een Heer die jou opvoedt, die zich voor je inzet, maar die weet dat je juist ook door schade en schande, door moeite en pijn, dingen leert. Zo is dat. Daar zit helemaal niet het idee van straf in per definitie; zo gaat dat nu eenmaal. Dat is wat opvoeden is, en dat is in de geestelijke zin net zo het geval.⟨/p> ⟨p>Want de vergelijking gaat nog even verder in vers 10: "want zij hebben ons voor luttele dagen..." Dat was voor weinige dagen – gelukkig zeggen we "luttel" niet zoveel meer. Maar zij hebben ons voor weinige dagen naar hun beste weten getuchtigd. Maar goed, een mens kan zich vergissen en hoe gemakkelijk ga je als vader ook niet de mist in? Ik weet waar ik het over heb. Ja, je maakt fouten, je maakt inschattingsfouten, je maakt beoordelingsfouten. Dat zijn wij, dat is een mens.⟨/p> ⟨p>Bovendien wordt hier gewezen op de overeenkomsten tussen onze aardse vaders en de Vader der geesten, de hemelse Vader, maar er wordt ook gewezen op de contrasten. Enerzijds de vaders naar het vlees, anderzijds de geestelijke Vader. Zij deden het voor luttele dagen, voor weinige dagen. Het zijn slechts pakweg vijftien à twintig jaar dat je opvoedt. En bovendien dan nog naar beste weten, maar met daarbij in het achterhoofd: ach, een mens is een mens en faalt daarin. Maar er staat bij: Hij doet het daadwerkelijk tot ons nut. Daar kun je wel van op aan. Hij doet het tot ons nut, dat wil zeggen: het is alleen maar tot onze opbouw. Want dat is wat nut is; dat heb ik geleerd in de Korintiërsbrief: niet alles is nuttig en niet alles bouwt op. Hij doet het tot ons nut, opdat wij deel zouden verkrijgen aan de heiligheid van Hem.⟨/p> ⟨p>Hier wordt dus gewezen op het uiteindelijke oogmerk. We zullen straks nog meer daarover zien, maar hier wordt dit als eerste genoemd. Wat is nu dat uiteindelijke oogmerk van die tuchtiging? Wel, dat is dat we deel zouden krijgen aan Hemzelf en aan Zijn heiligheid. Dat is trouwens een wat moeilijk woord. Je kunt het heel gemakkelijk uitspreken, maar wat is het nu eigenlijk? Wel, het heeft te maken met – de betekenis van het woord is: afgezonderd en daarmee ook toegewijd. De betekenis zie je vooral wanneer je het in contrast ziet met andere termen. Pak maar eens een concordantie en zie hoe in de Bijbel het woord "heilig" wordt afgezet tegen andere begrippen. Dan staat het tegenover "profaan", het alledaagse.⟨/p> ⟨p>Bijvoorbeeld de tempel is heilig. Waarom? Wel, het is een apart gebouw, toegewijd aan God en het is van God. Het is niet zomaar een gebouw; nee, het is heilig. Dat geldt voor allerlei voorwerpen ook die heilig zijn, die apart en daarmee dus ook afgezonderd zijn. Het heeft altijd te maken met die connectie met God: Hij die inderdaad afgezonderd is, apart is, en die verwijderd is van het profane, van het alledaagse. Bij Hem is niets profaan of alledaags.⟨/p> ⟨p>En wij krijgen deel juist door dat lijden, door de moeite, maar ook meer speciaal door de tegenstand vanuit de wereld en onze omgeving. Juist daardoor krijgen we deel, worden we partners van Zijn heiligheid. Gewoon in de praktijk bedoel ik ook. Niet alleen maar als positie. Ik weet het, op het moment dat een mens gelooft, dan zijn wij volmaakt in Hem. Dat is trouwens ook Hebreeën 10 vers 14: "Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden." In het voorgaande werd ook al zoiets gezegd: krachtens die wil zijn wij voor eens en voor altijd geheiligd. Maar hier gaat het ook over de praktijk. Niet alleen maar zoals God ons ziet, maar ook in onze beleving. Dat wat wij hier op aarde ondergaan, ja, dat vormt ons. Tegenstand en verdrukking, dat vormt. Dat is wat de schrijver hier de Hebreeën voorhoudt, waar hij ze ook aan herinnert en waar hij hen mee bemoedigt: we krijgen daardoor deel aan Hemzelf en Zijn heiligheid.⟨/p> ⟨p>Nou, vers 11.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2366" title="Speel af vanaf 39:26">▶ 39:26⟨/button> ⟨span>Oefening in Gods Gymnasium en de Vreedzame Vrucht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen. Dat lijkt me ook duidelijk. Het mag pijnlijk zijn op het moment zelf; het is bepaald niet iets waar je blij van wordt. Maar als je weet in welke context dit staat en wat de doelstelling is, wordt het anders. Laten we maar verder lezen.⟨/p> ⟨p>"Maar later brengt zij hun die erdoor geoefend zijn een vreedzame vrucht." Wat betreft dat woord 'geoefend': hier wordt een begrip gebruikt waar ons woord gymnastiek, en trouwens ook gymnasium, vanaf geleid is. Het Griekse grondwoord heeft te maken met 'naakt'. De reden daarvoor is dat men die gymnastische of sportieve oefeningen destijds naakt beoefende, of in ieder geval zonder bovenkleed. Hier zie je dus een term die gebezigd wordt in verband met sportbeoefening. In de sportbeoefening hebben we net zo goed te maken met pijn, moeite en zweten. Het zijn twee heel treffende verbanden die hier in Hebreeën 12 worden genoemd. Aan de ene kant is er sprake van opvoeding, de metafoor van hoe ouders hun kinderen opvoeden met de moeite en pijn die daarbij hoort en die nodig is voor de vorming. Maar in de sport zien we exact hetzelfde fenomeen: om tot prestaties te komen, moet je van een heleboel dingen afzien.⟨/p> ⟨p>Als ik dit woord 'afzien' gebruik, ben ik eigenlijk weer terug bij vers 2 van dit hoofdstuk: "Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus." Ik heb u er toen ook op gewezen dat dit in het Nederlands een hele zin is, maar in het Grieks is het slechts één woord. Daar staat letterlijk: "afziende van". Helemaal gefocust op één ding. Dat is wat sport is: men zegt dat sport 'afzien' is. Dat is een prachtig woord, juist ook in verband met het gaan van de weg van geloof. Je ziet dat hier in de Hebreeënbrief, maar ook elders in de brieven van Paulus, zoals in 1 Korinthiërs 10, Filippenzen 3 en diverse passages in de brieven aan Timotheüs. Overal komt dat beeld van de sport terug. Het gaat om afzien, en het idee is daarbij vooral de mentale gesteldheid: afzien van alles om je heen, want dat brengt je alleen maar van de wijs, en volledig gefocust zijn op één ding.⟨/p> ⟨p>In feite is dat laatste de sleutel en het geheim. Als je weet waarvoor je het doet en dat ene doel voor ogen hebt, dan zie je al het andere niet meer. Dat is het geheim: totale focus. Positief geformuleerd: je ziet alleen Hem. Negatief geformuleerd: je ziet al het andere niet. Het is dus met recht 'afzien', en dat heeft bij ons ook de betekenis van moeite, zweet, tegenstand en jezelf dingen ontzeggen. Dat moet een sporter per slot van rekening ook om bij dat doel te komen. Dat is allemaal oefening. Feitelijk wordt hier gezegd dat we in het gymnasium van God zijn, in de leerschool van Hem. Daar oefent Hij ons. Dat is op het moment zelf niet altijd leuk – of beter gezegd: het is altijd níét leuk. Maar het heeft alleen maar een positief doel. Houd dat vooral in het oog.⟨/p> ⟨p>"Later brengt zij hun die erdoor geoefend zijn een vreedzame vrucht." Een vrucht van vrede. Het geeft vrede en tevredenheid; je bent daar blij mee. Aanvankelijk was het misschien zo dat je er vraagtekens bij had en het geen vreugde gaf, maar naderhand ben je er alleen maar blij mee en geeft het vrede. Je bent dan dankbaar dat je het hebt mogen ondergaan, omdat het je zo gevormd heeft. Ik kan daar misschien niet direct specifieke voorbeelden van geven omdat ik dat soort dingen vaak vergeet, maar ik heb er zoveel over gehoord en u wellicht ook: mensen die juist door de moeite die ze hebben ondergaan, achteraf zouden zeggen dat ze die periode nooit hadden willen missen. Waarom? Omdat het de meest vormende periode in hun leven is geweest. Trouwens, ik weet het zelf ook uit eigen bevinding: juist de periodes die het allermoeilijkst zijn in je leven, blijken het meest vormend. Achteraf moet je gewoon vaststellen dat het het beste is geweest en dat je het niet had willen missen. Het is dus een reden om God te danken. Daarom zeg ik: het is geen vermaning, het is een bemoediging. Daar zouden we elkaar vooral aan moeten herinneren.⟨/p> ⟨p>De omstandigheden waarin wij vertoeven zijn natuurlijk buitengewoon luxueus vergeleken met die van de Hebreeën. Zij leefden in zeer turbulente tijden; binnen afzienbare tijd zou de stad Jeruzalem in vlammen opgaan en de tempel met de grond gelijk worden gemaakt. De jaren die daaraan voorafgingen, waren jaren van enorme strijd en een gigantisch bloedbad. In die omstandigheden bevonden zij zich, onder een gigantische druk van hun volksgenoten. In die zin kan ik niet zeggen dat wat hier in Hebreeën 12 staat direct op ons van toepassing is, want wij bevinden ons niet in die omstandigheden. Wij zijn geen Hebreeën. In al die 25 voorgaande studies heb ik er al zo vaak op gewezen: deze brief heet niet voor niets de Hebreeënbrief en is geschreven aan Israël. Hoeveel we er ook van kunnen leren, houd altijd in gedachten dat dit de context is. Het is ook niet geschreven aan het lichaam van Christus. Hoewel die Hebreeën daar natuurlijk wel toe horen – want in het lichaam van Christus is geen onderscheid tussen besnijdenis en voorhuid – worden ze hier niet als zodanig aangesproken. Deze brief is geschreven aan Hebreeën in die specifieke omstandigheden; als volk van Israël worden ze gezien en aangesproken.⟨/p> ⟨p>Het is die oefening, die pijn, moeite, tuchtiging en opvoeding die uiteindelijk resulteert in een vrucht van vrede. Een vreedzame vrucht die bestaat in gerechtigheid; het brengt rechtvaardigheid voort. Vrede aan de ene kant en gerechtigheid aan de andere kant. Dat woordpaar kom je heel dikwijls tegen in het Nieuwe Testament, maar ook in het Oude Testament. In de Psalmen wordt er ook gesproken over het Messiaanse Rijk: dan zullen vrede en gerechtigheid elkaar kussen. Aan de ene kant dus doen wat recht is, en aan de andere kant de vrede. Dat kun je op allerlei niveaus bezien. Voor een volk, of straks in het Vrederijk, zal er overal vrede en gerechtigheid heersen. Maar ook nu al in ons leven kun je, door recht te doen aan Zijn Woord en de rechte sporen te bewandelen, vrede beleven in je hart en om je heen. Dat is waar de Hebreeën hier op gewezen worden: de vrucht van vrede die bestaat in gerechtigheid. Ik stel voor dat we het hier even bij laten, dan gaan we straks de draad weer oppakken bij vers 12.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2964" title="Speel af vanaf 49:24">▶ 49:24⟨/button> ⟨span>Heft de Slappe Handen op en Trek Rechte Sporen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wij waren gebleven bij het elfde vers van Hebreeën 12. Dat vers hadden we inmiddels besproken. De schrijver had gewezen op de uitkomst van de tucht, die op het moment zelf weliswaar geen vreugde geeft, maar integendeel smart. Uiteindelijk resulteert het echter in een vreedzame vrucht en brengt het gerechtigheid voort.⟨/p> ⟨p>Dan vers 12: "Heft dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieën." Het hele idee is dat van iemand die, zoals we eerder lazen, door matheid van ziel verslapt is. De moed is hen in de schoenen gezonken vanwege alle verdrukking en tegenslag. Daar bezwijk je dan onder. Dat is wat er bij die Hebreeën speelde, en dat is ook nogal verklaarbaar; niet iedereen stond daar even stevig in. Hef dan die slappe handen op, strek die knikkende knieën. Zoals wij zouden zeggen: rug recht, hoofd omhoog en de borst vooruit.⟨/p> ⟨p>"En maak een recht spoor met uw voeten." Dit herinnert trouwens ook weer aan een woord in Spreuken, namelijk Spreuken 4 vers 26. Daar staat: "Laat uw voet een effen pad inslaan en laat al uw wegen vast zijn." Een recht spoor. Trouwens, als we het over Spreuken hebben, moet ik ook aan een ander woord denken: "Vertrouw op Hem met heel je hart... en dan zal Hij je paden recht maken."⟨/p> ⟨p>Een recht spoor met je voeten betekent rechte voren trekken. Het betekent niet heen en weer geslingerd worden. Wanneer iemand de moed in de schoenen zinkt en eigenlijk de kracht niet meer heeft om verder te gaan, dan ga je zwalken. "Maak een recht spoor met uw voeten," staat er, "opdat hetgeen kreupel is niet uit het lid gerake, maar veeleer geneze." Het idee is: maak een recht spoor zodat de kreupele — degene die aarzelt, degene die dreigt te bezwijken — daardoor niet uit het lid raakt of het spoor bijster raakt.⟨/p> ⟨p>Het is trouwens wel bijzonder: ik kwam erachter dat het woord dat hier gebruikt wordt voor "de kreupelen", we in de Septuagint ook tegenkomen in 1 Koningen 18 vers 21. Dat is de geschiedenis van Elia op de berg Karmel, de confrontatie met de Baalpriesters. Je leest daar dat Elia ook dat woord gebruikt wanneer hij tot het volk spreekt. Het is hetzelfde woord — althans in de Septuagint, de Griekse weergave — als wat Hebreeën 12 gebruikt, en daar wordt het vertaald met "mank gaan".⟨/p> ⟨p>"Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de HERE God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na." Dat wil zeggen: het is het één of het ander, zwart of wit. Niet van twee walletjes eten. Ik haal het hier ook aan omdat de context vergelijkbaar is: dat van twee walletjes willen mee-eten, aan beide zijden mank gaan en niet echt een keuze maken. Als het één waar is, ga daar dan ook voor. En als het niet waar is, trek dan ook je consequenties. Maar wees duidelijk. Dat speelde bij de Hebreeën ook: als Jezus daadwerkelijk de Messias is — en daar konden ze eigenlijk ook niet aan twijfelen — wel, ga er dan ook voor!⟨/p> ⟨p>In feite is dat wat hier gebeurt in Hebreeën 12 vers 12 en 13: "Heft de slappe handen op, strekt de knikkende knieën, maak een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel is niet uit het lid gerake, maar veeleer geneze." Hierbij zouden de sterken — degenen die zich weer oprichten — ook degenen meenemen die dreigen af te haken. De kreupelen, degenen die wankelmoedig en aarzelend zijn, zouden daardoor juist veel eer genezen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3291" title="Speel af vanaf 54:51">▶ 54:51⟨/button> ⟨span>Jagen Naar Vrede en de Heere Zien⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan vers 14. Meer specifiek gaat het ook hier weer over de gelovige Hebreeën. In het voorgaande vers was er al sprake van de mensen die sterk zijn, maar ook de wankelmoedigen; degenen die dreigen af te haken en af te vallen. Welnu, jaagt naar vrede met allen, ook met hen. En naar de heiliging, zonder welke niemand de Heere zal zien.⟨/p> ⟨p>Als je vraagt wat die heiliging hier precies is, vind ik dat je het mooiste antwoord in dit vers zelf vindt: namelijk dat het de Heere zien is. Waarin resulteert de heiliging? Dat resulteert in het zien van de Heere. Maar je kunt het ook omkeren: als je de Heere ziet, word je daardoor geheiligd. Het is inderdaad door heiliging dat wij Hem zien.⟨/p> ⟨p>Let ook op dat woordje ‘jagen’. Ja, jaag na. In de eerste plaats dus jagen naar de vrede. Dat is inderdaad iets wat je niet zomaar komt aanwaaien. Sterker nog, als het puur gaat om het vlees, dan zou je eerder kiezen voor onvrede en kan er zomaar conflict ontstaan. Jaag daarom naar vrede. Ik moet denken aan wat Paulus schrijft in de Efezebrief. Hij gebruikt daar hetzelfde woord... nee, ik moet het even nakijken, het is een ander woord, maar daar wordt gesproken over: beijvert u de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede.⟨/p> ⟨p>Beijvert u. Dat is ook iets waar je wat voor moet doen. Als je namelijk gewoon het vlees zijn gang laat gaan... er is zo gemakkelijk tweespalt en conflict. Zet een paar mensen bij elkaar en er zijn verschillende opvattingen en verschillende gedachten en dan is er zomaar onvrede. Daarom: beijvert u voor die eenheid. Ik heb het nu dus over Efeze 4 vers 3. Ik geloof inderdaad dat het vers 3 is: beijvert u de eenheid van de Geest te bewaren. Kijk, die eenheid van de Geest is een feit, het is een gegeven, maar om het te bewaren, daar moet je je best voor doen. Daar moet je zuinig op zijn, want er zou zomaar verwijdering kunnen optreden.⟨/p> ⟨p>Beijvert u. Hier wordt gezegd: jaag die vrede na. Wees daarop gericht. Ook hier weer het idee en het beeld van die focus. Jaag naar die vrede met allen. Dat lijkt misschien niet voor de hand liggend, maar als je die vrede kent – de vreedzame vrucht waar het in het voorgaande vers over ging – als je die vreedzame vrucht aan den lijve kent in je hart, dan is dit een logische consequentie. Jaag naar die vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Heere zal zien. Hij is het ook inderdaad die heiligt, en daar zouden we naar jagen. Dat Hij het is die ons ook inderdaad kan gebruiken. Richt je op Zijn woord, geef je daaraan over. Ziet daarbij toe...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3552" title="Speel af vanaf 59:12">▶ 59:12⟨/button> ⟨span>Genade Verachteren en de Bittere Wortel⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ziet daarbij toe. We lezen vers 15: "Ziet daarbij toe dat niemand..." Laten we eerst even stilstaan bij dit woord. Het woord dat hier gebruikt wordt, kennen we wel, maar hier wordt het gebruikt als een werkwoord van wat we elders aantreffen als 'opzieners'. Het wordt hier vertaald met 'toezien op', van ⟨em>episkopos⟨/em>. Een opziener of een omziener – die laatste term is eigenlijk nog mooier. Bij een opziener denk je vooral aan iemand die opzicht houdt, maar ⟨em>episkopos⟨/em> kan ook weergegeven worden met 'omziener': degene die omziet naar de ander. Dat doet veel meer denken aan een herder; een herder die omziet naar de kudde.⟨/p> ⟨p>Ziet daarbij toe dat niemand verachtert van de genade van God, van dé God. Dat is een van de centrale thema's in de Hebreeënbrief. Juist wat die genade van God betreft, dreigden velen af te vallen door weer terug te keren naar het Jodendom, in plaats van het volle bewustzijn van die genade van God te behouden. Zie daarbij toe dat niemand verachtert. Bij dat woord 'verachteren' krijgt u hier een wat duidelijker beeld: het wordt vertaald met 'tekort hebben' of 'tekortschieten aan'. Dat je niet aan die genade van God tekort hebt, of dat je denkt dat het aangevuld moet worden. Dat is in wezen wat verachteren is. Verachteren in de genade is denken dat die genade van God niet genoeg is en aangevuld zou moeten worden met eigen werken. Dan verachter je in de genade en raak je achterop, om even in het beeld van de wedloop te blijven. Hier worden de gelovigen die het spoor houden, aangespoord om erop toe te zien dat niemand in die genade van God zou verachteren. Het gaat erom dat men ten volle het bewustzijn heeft van de genade van God.⟨/p> ⟨p>In deze brief is zo schitterend uiteengezet hoe Hij die daar nu is, werkelijk voorziet in alles. Hij is zo overtreffend; zie daarbij hoe groot Hij is. De Melchizedek, de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek, die een heel nieuw bestel bedient dat volmaakt is. De uitnemendheid en de voortreffelijkheid van Christus is in deze brief zo prachtig in het licht gesteld. Welnu, dat is de genade van God. Hij is het ook die een mens heiligt. Jaag dat na, zodat Hij ten volle Zijn werk in ons zou doen. Zie daarbij toe dat niemand in die genade van God verachtert en dat er geen bittere wortel opschiet en verwarring sticht, waardoor zeer velen besmet zouden worden.⟨/p> ⟨p>Kijk eens naar deze zin: "Zie daarbij toe dat er geen bittere wortel opschiete." In de eerste plaats de tegenstelling tussen de genade van God aan de ene kant en bitterheid aan de andere kant. Die twee staan echt tegenover elkaar. Genade van God, dat is vreugde. Als je de genade van God kent, maakt dat blij. Het feit dat Hij alles doet, dat Hij voorziet, dat je niet hoeft te zien op jezelf en dus ook niet teleurgesteld raakt in jezelf omdat Hij alles is – dat is de genade van God. Maar als je daarin verachtert, kan er zomaar bitterheid ontstaan. Dan is het Zijn genade – of zoals een lied zegt: "Uw tederheid" – maar ik zou in dit verband zeggen: "Uw genade genas wat bitter in mij was." Bitterheid heeft altijd te maken met teleurgesteld zijn in de mens. Daarom is het zo ongelooflijk belangrijk om je elke dag bewust te zijn van Zijn genade; van het feit dat Hij alles doet, gedaan heeft en zal doen. Kortom: dat Hij alles voor Zijn rekening neemt. Dan is er geen kans dat er een bittere wortel opschiet.⟨/p> ⟨p>Dit is een verwijzing naar Deuteronomium 29. Dat is overigens een hele interessante context, want het gaat vlak vooraf aan het herstel van Israël. Dat is mooi, maar ik ga dat nu niet helemaal uitwerken; dat heb ik bij een andere gelegenheid wel eens gedaan. In Deuteronomium 30 leest u over het herstel van Israël: dat God het volk uit de natiën zou verzamelen, dat de Heer tot hen zal terugkeren en hen zal planten in het land. Kortom, het Vrederijk zou dan aanbreken. Maar in de twee hoofdstukken daaraan voorafgaand wordt gesproken over het feit dat Israël verstrooid zou worden onder de natiën en de vloek zou ondervinden van het afgesneden zijn van het Woord van God. Ze zouden een vloek zijn onder de natiën en daar ellende op ellende ondervinden. Het tekent de tweeduizend jaar van diaspora: verdrukking, ellende, pogroms en de Holocaust. Noem het allemaal maar op; al die ellende die het volk heeft ondergaan. Aan het slot van Deuteronomium 29 vers 29 – makkelijk te onthouden – lees je: "De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen." Er wordt daar ineens gesproken over de verborgen dingen. Hoezo? Wel, die verborgen dingen hebben alles te maken met wat God doet in die tijd van de diaspora, voorafgaand aan het herstel van Israël.⟨/p> ⟨p>Maar goed, dat wat Deuteronomium 29 betreft. We gaan nu even naar vers 18 van dat hoofdstuk. Daar staat tegen Israël gezegd: "Laat er daarom onder u geen man of vrouw, geen geslacht of stam zijn van wie het hart zich nu van de HEERE, onze God, afwendt om de goden van deze volkeren te gaan dienen. Laat er onder u geen wortel zijn die gif of alsem voortbrengt." Die wortel blijkt dus een mens te zijn. Ik denk dat dat ook het idee is in Hebreeën. Het gaat niet om een abstract principe; het is iemand die een wortel van bitterheid is. Iemand die verachterd is in de genade en daardoor een wortel van bitterheid wordt. Je kunt die parallel nog verder doortrekken. In Deuteronomium 29 gaat het over het volk van de Hebreeën dat zich zou afwenden van de Heer. Degenen die dat zouden propageren, zouden zich voordoen als een wortel die gif en alsem voortbrengt. Bitterheid dus. Dat is precies het idee in Hebreeën: onder het volk van de Hebreeën waren er die verachterden in de genade van God, zich in feite van het Woord van de Heer afwendden en daardoor een wortel werden van een bron van gif en alsem, oftewel van bitterheid.⟨/p> ⟨p>Wanneer zo'n wortel opschiet, sticht die verwarring. Eigenlijk staat er niet zozeer 'verwarring', maar 'overlast'. Het geeft overlast en daardoor een extra belasting. Leg meteen de link met waar we het over hadden: als je verachtert in die genade, dan moet de mens de dingen weer zelf gaan doen. Men wordt belast, waardoor bitterheid ontstaat. Dat zorgt niet alleen voor jezelf voor problemen, maar het bezorgt ook anderen overlast. Daardoor zouden velen besmet worden. Het heeft de werking van zuurdesem; daar moet ik bij denken aan de Galatenbrief. Dat soort leringen en opvattingen werken als zuurdesem door. Ik heb er niet zoveel moeite mee om de link te leggen tussen zuurdesem en bitterheid. Of je nu zuur kijkt of bitter, dat maakt volgens mij bar weinig verschil. Zure ballen of bittere ballen... als een zuurstok in het bit kan worden. Ja, een bitterbal met pils, dat is ook bitter natuurlijk. In die zin geeft het te denken, die voorkeur voor pils. Bier is bitter. Nou ja, ik kan ook wel positieve dingen zeggen over bier, maar laten we het hierbij houden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4224" title="Speel af vanaf 01:10:24">▶ 01:10:24⟨/button> ⟨span>De Onverschilligheid van Ezau Ten Aanzien van het Eerstgeboorterecht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Laat niemand," zegt de schrijver dan vervolgens, "een hoereerder zijn." Dat kun je op twee manieren opvatten: figuurlijk, en dan denken we in de termen van afgoderij – en ik heb tussen haakjes gezegd: ook judaïsme. Er is dan ook nog een verwijzing naar de Galatenbrief, want dan blijkt dat ook een vorm van afgoderij te zijn. U weet het hè? Als de Hebreeuwse profeten spreken over hoereren, als het volk hoereerde, dan liepen ze andere goden na. Om het simpele gegeven: de Heere was getrouwd met Zijn volk en dus de Heere was hun Man. En als zij andere mannen naliepen, was dat dus andere goden, maar dat is dus hoererij. Dus geestelijk gezien, figuurlijk gezien, zijn hoererij en afgoderij synonieme begrippen. Er zijn vele voorbeelden van.⟨/p> ⟨p>Zo kan dit opgevat worden, maar je kunt het ook letterlijk opvatten. En dat is ook niet zo moeilijk. Ik hoef trouwens geen keuze te maken hoor, want het is niet of-of; voor beide is er wat te zeggen en beide passen ook in de context. Letterlijk namelijk ook, want in Hebreeën 13 vers 4 – dat is dus een paar verzen verder – lezen we: "Het huwelijk zij in ere bij alle..." Pardon, nou zeg ik het helemaal verkeerd: "Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld," want hoereren is hetzelfde woord als wat we zojuist lazen. "En echtbrekers zal God oordelen." Er wordt trouwens ook nog nader op ingegaan wat dat is, maar daar komen we later nog over te spreken. Het hele idee van hoererij is inderdaad seksuele gemeenschap met een ander dan de eigen man of vrouw. Hier in Hebreeën 13 is dat in ieder geval heel letterlijk en daarom hoef ik daarin ook geen keuze te maken. Het is beide in elk geval waar. En ook hier trouwens – dat is het laatste of het enige wat ik er verder nog over wil zeggen – is het positief ingegeven, namelijk: "het huwelijk zij in ere." Namelijk je eigen man, je eigen vrouw. En het tegendeel daarvan is dus hoererij en echtbreuk. Goed.⟨/p> ⟨p>"Laat niemand een hoereerder zijn of onverschillig als Esau." Dat is trouwens ook de reden – dat vergat ik er net nog even bij te vermelden – dat sommigen of velen eraan denken dat hoererij hier, of een hoereerder hier, toch figuurlijk is omdat het vergeleken wordt met Esau. Die weliswaar zijn vlees de voorkeur gaf en deed wat hij naar het vlees graag wilde – dat is toch eigenlijk ook de bron van hoererij – maar hij hoereerde niet in de letterlijke zin. Maar goed, hij was onverschillig; er staat: onheilig, profaan. Waarom wordt hij zo genoemd? Wel, dat lees je verder: "die voor één spijze..." Inderdaad, niet voor een, maar voor één spijze. U weet het hè, dat rode daar, die linzen. Nee, ik ga nu niet op die prachtige geschiedenis in. Nou ja, voor zover ik dat prachtig kan noemen, maar er zitten zulke schitterende lijnen nog weer in. Maar wat hij deed was voor één spijze zijn eerstgeboorterecht verkopen, of nou eigenlijk staat er: opgeven. Hij gaf het op, dat eerstgeboorterecht. Dat wil zeggen dat hij de eerstgeboortezegen zou ontvangen. Wel, hij heeft dat gering geacht en hij gaf het zo onverschillig, profaan, prijs voor één enkele spijze.⟨/p> ⟨p>Waarom de schrijver hierop wijst, lijkt mij niet zo moeilijk. Want als we even een paar verzen nog doorlezen, in vers 23, lees je dat de Hebreeën zijn genaderd tot een ⟨em>ecclesia⟨/em> van eerstgeborenen. We zullen er de volgende keer wellicht – ja, ik denk het wel – over gaan spreken. Dat is een belangrijk punt. Die ⟨em>ecclesia⟨/em>, die Hebreeën zelf waren eerstgeborenen. Trouwens, wij ook. Wij maken deel uit van die ⟨em>ecclesia⟨/em> van de eerstgeborenen en wij hebben de hoogste rechten. Zomaar of niet? Niet omdat we eerstgeboren zijn trouwens – want dat is meestal het geval met die eerstgeboortekwestie: het gaat altijd naar de tweede – maar daar hebben we het in hoofdstuk 11 ook al over gehad in verband met Izaak en Ismaël, en over Manasse en... nee, zeg ik het goed? Ja, Manasse en Efraïm. Al die aartsvaders: die eerstgeborenen bleken bij nader inzien helemaal geen eerstgeborenen te zijn. Maar toch kregen ze het eerstgeboorterecht. Esau maalde er niet om en heeft voor één spijze zijn eerstgeboorterecht gewoon opgegeven.⟨/p> ⟨p>Want gij weet, staat er dan nog, dat hij later, toen hij de zegen wilde erven... En ik ga er nu even gemakshalve vanuit dat we allemaal die geschiedenis kennen van Esau die het opgaf. En later, toen hij toch de zegen wilde erven van zijn vader Izaak, bedacht hij zich. Hij was erop uitgegaan, zou een maaltijd bereiden voor zijn vader en zou hij vervolgens de zegen ontvangen die hem op een hele gemene manier was afgetroggeld. Maar daar gaat het hier even niet om; dat gaat nu eventjes om de instelling van Esau zelf. Dat is het enige wat hier in de picture staat. Gij weet zelf dat hij later, toen hij toch de zegen wilde erven, afgewezen werd. Want toen vond hij geen plaats voor berouw – of eigenlijk voor bezinning. En ik weet, dat wordt heel vaak opgevat van: "ja, hij kon geen berouw meer hebben." Nee, het punt is – kijk het ook maar in de geschiedenis na – de zegen was inmiddels naar Jakob gegaan. En toen hij vervolgens bij zijn vader Izaak kwam en toch de zegen wilde erven, wel, toen kon hij zijn vader niet meer op andere gedachten brengen.⟨/p> ⟨p>Dat woord "berouw", u ziet het hier: ⟨em>metanoia⟨/em>. Dat wordt elders ook weergegeven met "bekering". Letterlijk is het: omdenken, of nadenken, of bezinnen. En wat Esau wilde, is zijn vader Izaak op andere gedachten brengen. Alsnog: "Zegen ook mij!" Weet u nog? Ja, maar de eerstgeboortezegen was inmiddels vergeven aan Jakob. Dat moest ook zo, maar goed. En toen hij afgewezen werd – dat wil zeggen: de eerstgeboortezegen was inmiddels vergeven, die kon Esau al niet eens meer krijgen – wel, toen vond hij geen plaats voor berouw. Hij kon zijn vader niet meer op andere gedachten brengen, hoewel hij het, namelijk dat berouw, die bezinning om gezegend te worden, onder tranen zocht. Hoe hij ook huilde en hoe hij ook hierdoor verbitterd raakte – om even in de terminologie te blijven – hij vond geen plaats meer voor berouw.⟨/p> ⟨p>O, nou zie ik ineens dat we inderdaad al bij dat achttiende vers zijn beland. En dan gaan we inderdaad de volgende keer verder bij vers 18. Dat is een nieuw perikoop over waartoe de Hebreeën waren genaamd. Dat is echt een heel ander onderwerp. We hebben het nu vanavond dus specifiek gehad over die opvoeding, over die tuchtiging, over dat wat de Heere doet om ons op te voeden en waar dat toe leidt. Dus dit gedeelte wat we vanavond behandelen, hebben we behandeld, dat is echt een eenheid. Dus het lijkt mij ook om die reden echt een goed idee om het hierbij te laten.⟨/p>