⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op de Geloofshelden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De vorige keer, vrienden, hebben wij ons beziggehouden met Hebreeën 11 en dat zullen we ook vanavond nog even doen. Ik heb zo het vermoeden dat we dat vanavond wel tot een afsluiting zullen kunnen brengen. Het is een lang hoofdstuk, veertig verzen in totaal. Voordat we de draad oppakken, stel ik voor dat we eerst ter herinnering nog even een terugblik geven op wat we de vorige keer met name hebben besproken.⟨/p> ⟨p>Vanaf vers 8 – hoewel we daar eigenlijk de avond daarvoor al mee begonnen zijn – zien we voorbeelden van geloof. Hebreeën 11 is in zijn totaliteit een beschrijving van allemaal mensen die leefden uit geloof; getuigen van geloof. Zo worden ze ook in hoofdstuk 12 vers 1 genoemd, een punt waar we straks wellicht nog op terugkomen. In ieder geval zijn het voorbeelden van geloof.⟨/p> ⟨p>Vanaf vers 8 volgt een beschrijving van Abraham, die uitgebreid vier keer ter sprake wordt gebracht om vier verschillende redenen. Vervolgens worden Izaak, Jakob en Jozef genoemd, en ten slotte ook weer Mozes om vier verschillende redenen. Abraham en Mozes zijn wel de personen die in dit hoofdstuk met name voor het voetlicht worden gebracht.⟨/p> ⟨p>Ten slotte eindigt de beschrijving met de naam van Rachab. Als ik het zo zeg, is dat niet helemaal correct, want niet de naam van Rachab is de laatste, maar wel de beschrijving van haar; er wordt gewezen op iets in haar geschiedenis waarin zij een voorbeeld is van geloof. Dat is merkwaardig, want menselijkerwijs gesproken zou je zo’n naam er helemaal niet in verwachten. Immers, zij was een hoer en zij was een landverraadster. Niettemin wordt ze in Hebreeën opgevoerd als iemand die leefde uit geloof.⟨/p> ⟨p>Juist bij het einde van de woestijnreis eindigt de schrijver met deze afzonderlijke voorbeelden. Dat op zich is, ik geloof dat ik er de vorige keer al even op heb gewezen, eigenlijk ook wel weer sprekend voor de situatie van de Hebreeën. Zij bevonden zich in beeld immers ook nog steeds in de woestijnreis, op weg naar het beloofde land. Vandaar ook dat Rachab de laatste is die in dat verband ter sprake gebracht wordt en van wie voorbeelden uit haar geschiedenis worden beschreven. Althans, dat dringt zich zo aan je op; het is heel opvallend dat het bij Rachab inderdaad eindigt. Ik dacht even dat de schrijver ermee ging stoppen, maar dat valt mee.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="200" title="Speel af vanaf 03:20">▶ 03:20⟨/button> ⟨span>Geloofsdaden in Tijden van Openbare Godsregering⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Bij vers 32 stel ik voor dat we de draad weer oppakken. Hoewel we dit vers al kort hebben aangestipt, lees ik het nog even voor: "En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuel en de profeten." De namen die hier genoemd worden, hebben we in de vorige studie al iets uitgebreider besproken dan de schrijver zich hier veroorlooft, want hij noemt hier enkel de namen. Samuel is trouwens de laatste van de richteren en de eerste van de profeten, zo weten we.⟨/p> ⟨p>Dan komen we bij vers 33, en dat hebben we nog helemaal niet besproken, dus ik stel voor dat we daar nu ons verhaal voortzetten. Er staat over de mensen die zojuist zijn genoemd, dat zij "door geloof koninkrijken onderworpen" hebben. "Onderwerpen" betekent hier eigenlijk "bedwingen". Daar zijn nogal wat voorbeelden van uit de tijd van de richteren; denk aan Gideon en Simson, maar ook aan David. Er staat ook dat zij "gerechtigheid geoefend" hebben, of letterlijk: "rechtvaardigheid werkten". Zij deden wat recht is, of werkten uit wat recht is, en hebben "de vervulling van de belofte verkregen".⟨/p> ⟨p>Kijk, wat in dit hoofdstuk zo schitterend uiteengezet en beschreven wordt — en niet alleen uitgelegd, maar ook met voorbeelden gelardeerd — is dat geloof niet iets is van: "Nou ja, ik weet het niet zeker, maar ik geloof het wel." Nee, geloof is de overtuiging van zaken die we niet zien. Het heeft ermee te maken dat we vooruitgaan. Het is een volledige overtuiging en het daarnaar leven; het is een onderstelling. Dat is het uitgangspunt: zo heeft God gesproken, en dat is het en niet anders. Dat geeft een enorme power. Wat dat uitwerkte in hun leven, hebben we al uitgebreid gezien. Hier wordt dan in het algemeen, zonder nadere toelichting, verteld wat dat geloof teweegbracht: dat ze koninkrijken bedwongen en gerechtigheid oefenden te midden van alle onrecht.⟨/p> ⟨p>Er staat ook dat zij "de vervulling van de belofte verkregen hebben". In de grondtekst staat daar trouwens niet "de belofte" in het enkelvoud; er staat letterlijk: "verkregen beloften", in het meervoud. Dat is van belang, omdat je anders een schijnbare tegenspraak krijgt met vers 39 aan het einde van dit hoofdstuk. Daar lees je immers dat zij "het beloofde niet verkregen hebben". Het grote verschil is dat het in vers 39 gaat over dé grote belofte in het algemeen die God heeft gegeven over Christus; Hij is de belichaming van de belofte. Maar al deze personen hebben wel specifieke beloften voor zichzelf gekregen. Tegen Gideon werd bijvoorbeeld gezegd dat hij het volk van de Midianieten zou verslaan. Dat zei de engel die aan hem verscheen. Die boodschap kreeg hij, en de vervulling daarvan heeft hij ook daadwerkelijk ondervonden. Al die personages kregen van Godswege een belofte die in hun leven gestalte zou krijgen en vervuld zou worden. Welnu, zij hebben die beloften voor zichzelf verkregen.⟨/p> ⟨p>Vervolgens wordt de beschrijving voortgezet met: "muilen van leeuwen dichtgesnoerd". Ik herinner me hierbij de naam van Elhanan in het boek Samuel, die ook vocht tegen een leeuw en hem bedwong. Simson is natuurlijk bekend, en David, die een leeuw en een beer verscheurde. Je leest over David dat hij, voordat hij de Filistijn Goliath gaat benaderen, zegt: "Ik heb gevochten tegen een leeuw en een beer." Dat is trouwens ook erg profetisch. En natuurlijk Daniël, bekend van de leeuwenkuil. In Daniël 6 lees je dat al die roofzuchtige leeuwen, die bovendien niet gegeten hadden en voor wie Daniël een gewillige prooi zou zijn, hun muilen moesten houden. Er staat dat hun muilen waren dichtgesnoerd; ze konden hem niets doen. Dat was door geloof.⟨/p> ⟨p>Dan staat er: "de kracht van het vuur gedoofd hebben". Trouwens, er staat niet dat zij het vuur gedoofd hebben, maar de ⟨em>kracht⟨/em> van het vuur. Hierbij denk ik weer aan Daniël, maar dan aan zijn vrienden. Zij doofden het vuur weliswaar niet, maar de kracht van het vuur werd door het geloof aan hen tenietgedaan. Het is natuurlijk niet zo dat zij dat in eigen kracht deden; ik denk zelfs dat ze er helemaal geen enkele invloed op hadden. Het overkwam hen, maar niettemin door geloof. Dat is het telkens weerkerende refrein: door geloof.⟨/p> ⟨p>Zij zijn ook "aan scherpe zwaarden ontkomen". Letterlijk staat er dat zij vluchtten voor de "monden van het zwaard". Dat is heel opmerkelijk. Het Griekse woord ⟨em>stomata⟨/em> (van ⟨em>stoma⟨/em>) betekent eigenlijk "mond". Dat is een typisch Hebreeuwse manier van zeggen: de mond van het zwaard. Als je daarover doordenkt, is dat typologisch heel bijzonder, want het zwaard is een beeld van het Woord. De mond van het zwaard is de plek waaruit het woord gesproken wordt. Wanneer de Heer Jezus in het boek Openbaring verschijnt, komt er een zwaard uit Zijn mond. En in Hebreeën 4 lezen we dat het Woord van God scherper is dan enig tweesnijdend zwaard. Het zwaard verslindt ook; er zijn allerlei associaties tussen het zwaard, de mond en het woord.⟨/p> ⟨p>Ik moet hierbij ook denken aan de geschiedenis van Ehud — ik vind die prachtig. Ehud komt bij de dikke koning Eglon en zegt: "Koning, ik heb een woord Gods voor u." Dat is wat hij zegt. Vervolgens nadert hij de koning en de linkshandige Ehud steekt hem met zijn zwaard neer. Met het idee van: "Alsjeblieft, dat is het Woord Gods." Het zwaard als een hartig woordje. Dat zijn schitterende beelden die laten zien hoe veelzeggend die uitdrukking "de mond van het zwaard" eigenlijk is. De associatie tussen het zwaard en het Woord is hiermee gelegd.⟨/p> ⟨p>Velen zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, zoals David aan Saul en Elia aan Izebel, om maar eens een paar voorbeelden te geven. Bij elk van de beschrijvingen die je hier vindt, kun je met gemak een aantal Bijbelse voorbeelden bedenken. Voor het doven van de kracht van het vuur ken ik echter maar één specifiek voorbeeld: de vrienden van Daniël.⟨/p> ⟨p>Ten slotte: "In zwakheid hebben zij kracht ontvangen." Letterlijk staat er: "vermogend gemaakt vanaf zwakheid". Het idee is dat zij zwak waren, maar dat God hen vermogend maakte. Hoe? Door Gods Woord. Dat is wat geloof immers is. Geloven is niets anders dan het aanvaarden en aannemen van wat God gesproken heeft. Geloof op zich is helemaal niets; het is geen verdienste. Het is enkel de woorden tot je nemen en daarvan uitgaan. En dan, al ben je zwak, word je daardoor vermogend. Dat wil zeggen: dan vermag je alles, zoals Paulus ook zegt.⟨/p> ⟨p>Ik vermag alles in Hem die mij Zijn kracht geeft. Hij spreekt en Zijn woord is leven, is kracht; het is scherper dan een tweesnijdend zwaard. In zwakheid hebben zij kracht ontvangen en zij zijn in de oorlog sterk geworden.⟨/p> ⟨p>Daar zijn heel veel voorbeelden van te geven. Ze hebben vijandige legers doen afdeinzen. Of zoals er letterlijk staat: legerplaatsen van uitheemsen hebben ze doen wijken. Nogmaals, van al deze dingen lees je vele voorbeelden in de boeken Samuël en Koningen.⟨/p> ⟨p>Vrouwen, staat er, hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen. Ik ken daar ook twee voorbeelden van – dat moet ook wel, want er staat 'vrouwen', dus dat moeten er minstens twee zijn. Dat zijn de weduwe van Sarfath in de geschiedenis van Elia, die haar zoon terugkreeg, en de Sunamietische in de geschiedenis van Elisa, die ook haar zoon terugontving uit de doden. In beide geschiedenissen, Elia en Elisa. Ook een weduwe trouwens.⟨/p> ⟨p>En Maria? En Maria, ja, zeker. Nou, ik denk dat de schrijver in dit verband daar niet aan gedacht heeft, maar het is wel zo. Ja, precies.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="934" title="Speel af vanaf 15:34">▶ 15:34⟨/button> ⟨span>De Andersoortigen: Foltering, Ontbering en Verachting⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En anderen, zo staat er, hebben zich laten folteren. We zullen dat trouwens in het volgende vers ook zien. Daarmee is ook aangegeven dat er nu een nieuwe categorie besproken gaat worden. Kijk, dat blijkt ook wel, want er staat: "anderen echter". Ik kom daar straks nog even op terug, maar ik lees nu eerst even dit: "anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten."⟨/p> ⟨p>Trouwens, dan moet ik er ook nog bij zeggen dat in deze opsomming niet alleen verwezen wordt naar Bijbelse voorbeelden, maar we zullen straks nog een paar voorbeelden zien waaruit blijkt dat hij ook verwijst naar de meer recente geschiedenis. Kijk, de brief aan de Hebreeën is uiteraard geschreven aan Hebreeën en er wordt gezinspeeld op de geschiedenis van hun eigen volk. Maar de recente geschiedenis kennen we ook uit de apocryfe boeken, de Makkabeeën. Daar vinden we dit bijvoorbeeld: anderen hebben zich laten folteren en zelfs van geen bevrijding willen weten.⟨/p> ⟨p>In het boek van de Makkabeeën vind je daar een heel hoofdstuk over. Een priester werd onder druk gezet en hij zou bevrijd kunnen worden, maar dan zou hij het vlees van zwijnen moeten eten. Dat weigerde hij; hij heeft zich laten folteren en wilde niet van bevrijding weten. Waarom? Wel, hij ging uit van het woord dat aan de Hebreeën gegeven was. En waarom deden ze dat? Omdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben. Dat wil zeggen: niet bevrijd worden in dit leven, maar met het oog op de "opstanding ten leven". Zoals gezegd verwijst dit dus naar de geschiedenis van de Makkabeeën.⟨/p> ⟨p>Kijk, en zo rekent geloof vanuit het Woord; je weet van de verwachting. En dan kun je al die andere dingen die normaal gesproken in je beleving — als je puur afgaat op je zintuigen — zo belangrijk zijn, dan laat je dat toch allemaal maar gebeuren. Dan kies je toch heel andere dingen? Ja, maar geloof gaat ook niet af op of uit van wat je ziet en van de eigen redeneringen, maar van wat God gesproken heeft. Dat is nou het grote verschil. En dan zie je niks, dan hoor je niks, dan voel je niks. God heeft gesproken, er staat geschreven en dat is precies wat telt. Dat is wat je wereldkijk en ook je beleving totaal anders maakt.⟨/p> ⟨p>Hebreeën 11 is een opeenstapeling van allemaal personen en van getuigenissen die daar inderdaad van spreken en die dat in hun leven ook hebben gedemonstreerd. Een schitterende opsomming, zo alles met elkaar. "Anderen weder", kijk, en nu is het nog wat sterker, want er staat letterlijk: "andersoortigen echter". Want dit is opmerkelijk. We zagen dus in de beschrijving van vers 33 en 34 — kijk het eens in uw Bijbeltje na — dan lees je over hoe zij koninkrijken hebben onderworpen, gerechtigheid geoefend, muilen van leeuwen dichtgesnoerd en de kracht van vuur gedoofd hebben. Ze zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen. Allemaal door geloof.⟨/p> ⟨p>Maar nu gaat de schrijver een heel andere opsomming geven. Ook van mensen die leefden door geloof, maar die juist het tegenovergestelde ondervonden. Zij die niet aan het zwaard ontkwamen, maar juist... Nou, hoe staat het er zelfs, wat we zullen zien? Doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord. Nou ja, al dat soort voorbeelden. Het grote verschil is dat er tijden zijn van, zoals dat dan genoemd wordt, openbare godsregering. Als God openlijk regeert, bijvoorbeeld in de dagen van de koningen, van David, maar ook in de tijd van de richters, dan is het God die iemand heeft aangesteld en dan geldt Zijn heerschappij openlijk. Zijn macht wordt openlijk gedemonstreerd; men spreekt dan van een openlijke theocratie. God heerst zichtbaar in de persoon die Hij heeft aangewezen.⟨/p> ⟨p>Wel, in die tijden — denk aan David — werden koninkrijken onderworpen en vijandige legers afgedeinzen, ja. Maar er zijn ook tijden, en dat is ook typerend voor onze tijd, eigenlijk al tweeduizend jaar, waarin God in het verborgene opereert. Zijn koninkrijk is niet openbaar. Maar zulke tijden zijn er ook geweest in de dagen van het Oude Testament. En wat hebben die mensen ondervonden? Nou, dat was heel andersoortig. Het zijn niet zozeer "andere" mensen, maar het zijn "andersoortige" mensen, in die zin dat ze heel andersoortige dingen hebben ondervonden in hun leven. Precies het tegenovergestelde. Niet koninkrijken onderworpen; nee, ze werden zelf juist onderworpen, verdrukt en vervolgd.⟨/p> ⟨p>Laten we het lijstje maar eens bezien van wat hier nu gezegd wordt over die andersoortigen die ook door geloof leefden. Wel, zij hebben hoon verduurd en geselslagen. Het een is nog erger dan het ander. Het begint met hoon en spot; daar kun je op rekenen. En ik ben ervan overtuigd dat dit de situatie is sinds de dagen van het Nieuwe Testament, sinds Christus onttrokken is aan het oog en Zijn koninkrijk verborgen is. "Ze hebben Mij vervolgd," zegt de Heer, "ze zullen ook u vervolgen." Dus geen aanzien, geen status in de wereld; integendeel, het is allemaal verborgen. Waar je gewoon op voorhand op kunt rekenen — en als het anders is, is dat altijd verdacht — is hoon.⟨/p> ⟨p>En geselslagen. Nou ja, de Hebreeën wisten daar ook van mee te praten, dat hebben we in hoofdstuk 10 ook gezien. Vandaar dat de voorbeelden die hier gegeven worden voor hen natuurlijk des te sprekender waren. Ze hebben hoon en geselslagen verduurd. Praat niet te gauw hoor, als je zulke dingen leest over verdrukking en vervolging, want het is een enorme luxe die we hier kennen. Maar dit is de normale gang van zaken: verachting, hoon, geselslagen verduurd en, zo staat er nog bij: "daarboven nog boeien en gevangenschap".⟨/p> ⟨p>"Daarboven", dat betekent dat het nog erger is. Dat komt ook omdat in ons idee geboeid zijn en in gevangenschap verkeren het "uitzitten van een straf" is. Maar dat was niet de functie van een gevangenis in de dagen van de Bijbel. Dat was geen straf op zich; het was eigenlijk alleen maar een voorspel voor de executie. Je werd in bewaring genomen, of het was een voorarrest, of het was wachten op de dood. Dus dat is daar nog erger. Ze ondervonden hoon, vervolgens geselslagen, daarboven werden ze ook nog in gevangenschap gehouden om tenslotte gedood te worden.⟨/p> ⟨p>Dat blijkt ook wel, want dan staat er vervolgens: "ze zijn gestenigd". Daarvan zijn diverse Bijbelse voorbeelden, zelfs in het Nieuwe Testament, denk aan Stefanus. "Op zware proef gesteld." Dat is een wat omstreden zin, maar hij past wel helemaal in het rijtje, dus ik heb er eerlijk gezegd niet zo'n probleem mee. Het idee blijft hetzelfde: ze zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd.⟨/p> ⟨p>Hiervan zou ik zo geen Bijbels voorbeeld weten, maar wel weer in het boek van de Makkabeeën. De Makkabeeën is een boek dat de periode beschrijft van enkele eeuwen voor Christus. Dat is net na de dagen van Maleachi geschreven, maar voor de geboorte van de Heere Jezus Christus; ergens in de eeuwen voor onze jaartelling dus. En daar lees je inderdaad van mensen die, omwille van dat wat ze geloofden vanuit het Woord, doormidden gezaagd werden. Dat zijn gruwelijke dingen. "Met het zwaard vermoord." Ziet u hoe andersoortig deze groep is in vergelijking met wat we zojuist zagen? Die anderen waren aan het zwaard ontkomen en hadden koninkrijken onderworpen. Maar hier niets van dat al. Ze zijn gestenigd, op de proef gesteld, doormidden gezaagd...⟨/p> ⟨p>...met het zwaard vermoord. Ze hebben rondgezworven in schapenvachten en geitenvellen. Ook deels in de boeken van de Makkabeeën lees je daarover, maar we kennen natuurlijk ook Elia – ook miskend trouwens – die moest vluchten. Je leest, althans in de Septuagint in 2 Koningen 1 vers 8, dat hij in een schapenvacht rondging, in een haren mantel. En hij had sprinkhanen. Die man liep niet rond in een driedelig pak, zeg maar; nee, in schapenvachten en geitenvellen.⟨/p> ⟨p>"Onder ontbering", staat het er dan. Dat wil zeggen: in gebrek, met vele tekortkomingen, zonder de meest primaire dingen – althans, wat wij als primair benoemen. Ze leefden onder ontbering, verdrukking en zelfs mishandeling. De opsomming gaat verder, want er staat ten slotte in vers 38: "De wereld was hunner niet waardig."⟨/p> ⟨p>Dat kun je op twee manieren opvatten. Je zou kunnen zeggen: de wereld had voor hen geen waarde meer. Maar de betekenis is: de wereld achtte hen niet waardig. Eigenlijk is het beide waar, maar in het Grieks is de gedachte dat de wereld hen niet waardig achtte. En dat blijkt inderdaad uit wat zij allemaal verduurden en ondervonden: totale miskenning en al het afschuwelijke wat daarvan het gevolg kan zijn. De wereld was hunner niet waardig. Ze hebben rondgedoold door woestijnen en gebergten, in spelonken en holen der aarde. Al die dingen hebben zij ondervonden door geloof.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1678" title="Speel af vanaf 27:58">▶ 27:58⟨/button> ⟨span>Getuigenis Ontvangen, maar de Belofte Nog Niet Verkregen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ook deze allen, zo staat er aan het einde van dit hoofdstuk, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is. Dat wil zeggen: aan hen is getuigenis gegeven. Hoe dan? Wel, door dat wat van hen gezegd en geschreven staat. Zo is er getuigenis aan hen gegeven in de Schriften of in andere documenten, maar met name toch in de Schriften, want Hebreeën 11 refereert daar in het bijzonder aan. Het zijn allemaal mensen die leefden door geloof. Het waren voor het grootste gedeelte ook voorvaderen van de Hebreeën. Zij leefden uit geloof en vandaar ook dat al deze mensen voor deze Hebreeën zo'n geweldig voorbeeld waren.⟨/p> ⟨p>Het loutere feit dat de Hebreeën van de zijde van hun volksgenoten zoveel verdrukking ondervonden en dat het er zo om ging spannen, is volgens de schrijver eigenlijk niets bijzonders. Zo is het namelijk nooit anders geweest. Als je in geloof je weg gaat, dan is dat de normale gang van zaken. Maar hij laat ook zien wat geloof vermag in zulke omstandigheden, wanneer het er echt op aankomt en je onder enorme druk staat. Wat het Woord dan vermag door geloof, doordat je dat mag beamen en daarop mag staan.⟨/p> ⟨p>Door het geloof is aan hen getuigenis gegeven, en doordat van hen getuigenis is gegeven, kunnen we daar kennis van nemen; het staat allemaal zwart op wit opgetekend. En ze hebben, zo staat er, het beloofde niet verkregen. Hier ben ik weer terug bij waar we het al even over hadden: hier staat inderdaad "de belofte", enkelvoud. Het gaat hier over de beloofde zegen die gerealiseerd zou worden in Christus. Hier wordt dus gerefereerd aan alles van vóór de komst van Christus. Al deze mensen leefden niettemin uit het geloof, maar ze hebben het beloofde niet verkregen. Dat wil zeggen dat ze zijn gestorven zonder dat ze weet hadden van de Christus. Ja, het was beloofd en ze wisten dat de Messias zou komen, maar ze hebben Hem niet verkregen.⟨/p> ⟨p>Inmiddels was de situatie voor de Hebreeën aan wie deze brief geschreven is anders; daarom waren zij ook zo bevoorrecht. De geloofshelden uit het verleden hebben het beloofde niet verkregen, dat wil zeggen: nu nog steeds niet. Toen de schrijver dit optekende was dat zo, en wij kunnen dat nu in 2014 nog steeds zo zeggen. Al die mensen in Hebreeën 11, van Abraham en Jozef tot Jakob en Mozes, leefden uit geloof, maar ze hebben het beloofde — het beloofde Zaad, de Messias waar alles op gericht is — niet verkregen. Zij wachten nog steeds in het graf; zij rusten.⟨/p> ⟨p>Het is opmerkelijk hoe de schrijver dat vervolgens gaat motiveren in het laatste vers van het hoofdstuk: "daar God iets beters met ons" — of letterlijk: omtrent ons — "voor had." Volg goed het betoog van de schrijver. Hij zegt dus: zij hebben het beloofde niet verkregen; al die mensen wachten nog steeds in het graf. Waarom? Wel, zij wachten daar de God aangaande ons iets beters voorgenomen had. Let op: het gaat hier over de Hebreeën. Ik weet het, we kunnen daar natuurlijk heel veel van leren en veel dingen ook zo op ons van toepassing brengen, maar houd altijd in gedachten dat dit geschreven is aan de Hebreeën. Het overblijfsel van Israël, zo worden ze in deze brief benaderd. Dat ze deel uitmaakten van het lichaam van Christus is hier totaal niet het onderwerp. Zij waren Hebreeën, gelovige Hebreeën, en daarmee ook een overblijfsel van Israël. Zoals God straks met het overblijfsel van Israël een nieuw verbond zal sluiten, zo worden ze in de Hebreeënbrief beschouwd: als een voorloper en het type van dat volk waarmee straks het nieuwe verbond gesloten zal worden.⟨/p> ⟨p>Daar heeft God iets beters mee voor. Er staat nog bij: "zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen." Dat wil zeggen: zij rusten in het graf en eerst moest de Messias komen. Zonder ons, zegt de schrijver hier — ons die nu geloven, maar in het bijzonder het overblijfsel van Israël — konden zij niet tot de volmaaktheid komen. Eerst moest daar zo'n overblijfsel gevormd worden: de "gemeente der eerstgeborenen". Zo worden ze in hoofdstuk 12 vers 23 genoemd: de ⟨em>ecclesia⟨/em> van eerstgeborenen. Hieruit blijkt dat aan hen een hele hoge status wordt toegekend. De Hebreeën waren eerstgeborenen; zij hebben het eerstgeboorterecht gekregen. Ze waren dus zeer bevoorrecht, boven allen die in het Oude Testament geleefd hebben en allen die in dit hoofdstuk opgevoerd worden. Hoe groot die mensen ook waren, zij hoorden bij de ⟨em>ecclesia⟨/em> van de eerstgeborenen nu Christus was gekomen.⟨/p> ⟨p>Zonder hen zouden al die mensen die de revue waren gepasseerd, die hele galerij van geloofshelden, niet tot de volmaaktheid kunnen komen. Dat wil zeggen: eerst zou die gemeente van eerstgeborenen gevormd worden en daarvóór zou ook niet de opstanding plaatsvinden. De volmaaktheid was hier de opstanding voorafgaand aan het vrederijk.⟨/p> ⟨p>Dat is het laatste vers van hoofdstuk 11. Voordat we nu verder gaan naar hoofdstuk 12, is er nog iemand die iets wil opmerken of iets zou willen vragen over dit hoofdstuk? Nee? Of iets wat ik misschien niet voldoende duidelijk heb gemaakt? De toekomstige opstanding, ja. Dus zij wachten. Al die mensen in Hebreeën 11, al die geloofshelden, zij wachten; ze hebben het beloofde niet verkregen. Ze rusten in het graf en zonder de gelovige Hebreeën kunnen zij niet tot opstanding komen. Eerst moest de Messias komen en eerst moesten zij de zegen in Christus ontvangen als die ⟨em>ecclesia⟨/em> van eerstgeborenen. Dat is dat overblijfsel aan wie het eerstgeboorterecht gegeven wordt: de hoogste zegeningen, namelijk in de hemel.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2232" title="Speel af vanaf 37:12">▶ 37:12⟨/button> ⟨span>De Grote Wolk van Getuigen Rondom Ons⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan gaan we nu verder in hoofdstuk 12 vers 1. En zo groot is het verschil ook weer niet, want weliswaar wordt hier in vers 40 van hoofdstuk 11 iets afgesloten, maar vervolgens wordt dat in hoofdstuk 12 vers 1 weer gecontinueerd. Dat blijkt alleen al uit het eerste woord: 'Daarom dan'. Dat volgt dus helemaal uit het voorgaande. Daarom dan laten ook wij – net als zij die allemaal in het voorgaande hoofdstuk genoemd zijn – nu wij zulk een grote wolk van getuigen hebben...⟨/p> ⟨p>In de nieuwe Nederlandstalige interlinea komt te staan: 'een wolkenmassa'. Hier wordt het weergegeven met 'een grote wolk' en andere vertalingen spreken over een 'zwerm'. Het idee hier is dat van een wedloop in een stadion; we zullen dat in de rest van het vers ook nog zien. Wel, als je een wedloop loopt, dan heb je ook toeschouwers – ik kom daar straks nog even op terug. Daar zit de tribune helemaal vol. Ik weet niet of u de laatste dagen nog wel eens een voetbalwedstrijd ziet, maar daar zie je voorbeelden van. Als je in zo’n stadion zit, zie je een wolk van mensen. Je ziet ze niet individueel, maar je ziet ze als een massa. Dat is het idee: een grote massa van getuigen hebben. Want laten we wel wezen: weliswaar zijn er heel veel namen genoemd in hoofdstuk 11, maar het is maar een greep van een aantal bekende figuren. De schrijver kwam tijd en ruimte tekort om dat allemaal te verhalen.⟨/p> ⟨p>We hebben dus een grote wolk van getuigen. Daar moet ik wel even iets bij zeggen, want ik noemde zojuist het woordje 'toeschouwers'. Dat is inderdaad het beeld van een wedloop in een stadion waar je een grote wolk van getuigen hebt. Maar u moet niet denken – want men heeft dat uit dit vers ook afgeleid – dat al die mensen die in Hebreeën 11 genoemd waren, toeschouwers zijn die vanuit de hemel naar ons kijken terwijl wij de wedloop lopen, ons leven leven en in geloof wandelen of rennen. Dat is niet het idee.⟨/p> ⟨p>Kijk, het idee van getuigen is niet dat zij getuigen zijn ⟨em>van⟨/em> ons, maar zij getuigen ⟨em>zelf⟨/em>. Zij spreken namelijk, en er is ook een getuigenis aangaande hen gegeven. Het idee is niet dat zij ons waarnemen. Dat vloeit allemaal weer voort uit een andere leer, namelijk die van de onsterfelijke ziel: dat een mens niet echt doodgaat, maar voortleeft en dan ook nog vanuit de hemel zou kunnen toeschouwen. Men heeft dat hieraan ontleend.⟨/p> ⟨p>Maar een getuige is iemand die spreekt. Het is trouwens opmerkelijk – ik heb dat in verschillende commentaren nagelezen, onder andere van Owen Hill, die een commentaar op de Hebreeënbrief heeft geschreven. Hij gelooft in een onsterfelijke ziel, maar hij is zo eerlijk om toe te geven dat het hele idee van toeschouwers die vanuit de hemel naar ons kijken – van overleden mensen die ons aanschouwen – hier niet in gelezen kan worden. Hij zegt dat je dat hier niet aan kunt ophangen en dat het absoluut niet het idee is. Dat vind ik wel aardig om dat eens uit zijn mond te horen. Zelfs zij die geloven in een onsterfelijke ziel, moeten eerlijkheidshalve toegeven dat je dat niet hieruit kunt opmaken.⟨/p> ⟨p>Het idee is dus: zij zijn getuigen. Waarom? Wel, zij hebben getuigenis gegeven en we hebben over hen ook een getuigenis; het staat zwart-op-wit in de Schriften. Abel, Mozes, Abraham – zij getuigen. Welnu, die wolk van getuigen hebben wij rondom ons. We kunnen hen allemaal beschouwen en zij moedigen ons aan. Niet in die zin dat zij ons aanschouwen, maar door het getuigenis dat ze hebben achtergelaten, moedigen zij ons aan om die wedloop te lopen. We hebben een grote wolk van getuigen rondom ons.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2531" title="Speel af vanaf 42:11">▶ 42:11⟨/button> ⟨span>De Wedloop Rennen: Alle Last en Ongeloof Afleggen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten wij dan afleggen alle last, alle belemmering en alles wat zwaar is. Men heeft er trouwens aan gedacht – dat vond ik wel interessant – dat men hier zelfs aan lichaamsgewicht dacht. Want wat hindert je in de wedloop? Dat is alle last, alles wat je belemmert. Je kunt het je voorstellen: als je gewoon wandelt, kun je een gewaad aanhebben en sieraden meenemen. Is daar iets mis mee? Nee. Maar op het moment dat je een atleet bent en een prestatie moet leveren, gooi je al die troep af. In dat licht is het ineens een last geworden. Alles wat je tegenhoudt, alles wat je te zwaar maakt, leg je af.⟨/p> ⟨p>Laten we afleggen alle last, alles wat je belemmert. Het gaat hier over de wedloop van het geloof. Dat is wat we straks ook nog zullen zien: een wedloop. Het idee is – en dit wordt nu in Hebreeën 12 genoemd – dat we dit beeld van de wedloop of andere verwijzingen naar de Olympische Spelen en de sporten uit die dagen ook kennen uit de brieven van Paulus. In 1 Korintiërs 9 spreekt hij over die krans die voor ons ligt. Kampvechten komt voor in 1 Timoteüs 2. In Filippenzen 3 zegt hij: "één ding doe ik: vergeten wat achter mij ligt." Ook dan gebruikt hij het beeld van de spelen en de sporten die in die dagen zo populair waren. Hier in Hebreeën 12 zien we dat weer.⟨/p> ⟨p>Het idee daarbij is dat we leven in geloof. Dat is niet zomaar een wandeling, maar het is het beeld van een wedloop waarbij je afziet. Ik zal dat straks ook echt laten zien. In ieder geval moeten we alles afleggen wat ons daarin belemmert. Waarin belemmert het ons? In geloof namelijk. Er staat: "de zonde". Wat is zonde hier in de Hebreeënbrief? We hebben dat in hoofdstuk 3 en 4 met name uitgebreid gezien. Zonde is ongeloof. Waardoor kon Israël niet ingaan? Door zonde. Maar wat was die zonde? Dat was ongeloof.⟨/p> ⟨p>Die zonde staat ons zo licht in de weg. Door dit ene zinnetje zie je dat de schrijver nog steeds in de beeldspraak is van een wedloop, met een tribune waar een grote wolk van getuigen is. Er wordt een wedloop gelopen en wat doe je dan? Alles wat te zwaar is en misschien op zichzelf helemaal geen zonde is, maar je wel belemmert, dat doe je af. En de zonde zeker – het ongeloof – die ons zo licht in de weg staat. Stel je voor dat je een gewaad aan hebt, misschien wel een mooi gewaad, maar in de wedloop staat het je licht in de weg. Je kunt daarin namelijk niet rennen; dat is het idee. Alles wat je belemmert, leg je af.⟨/p> ⟨p>Dan staat er: "met volharding". Ik noemde zojuist al even de nieuwe Nederlandse Interlinear die eraan gaat komen – binnenkort, mag ik inmiddels zeggen. Daarin wordt het woordje volharding weergegeven met "verduren", zoals de Concordant Version dat ook heeft. Dat is toch iets anders. In de NBG-vertaling wordt het soms ook weergegeven met verduren, maar in de meeste andere gevallen met volharden. Het woord betekent letterlijk: "eronder blijven". Terwijl je zoveel meemaakt, verduur je het. Je blijft eronder. Daarbij is het niet moeilijk om de link te leggen: je blijft onder dat woord en onder die omstandigheden; die verdraag je. Het gaat er dus niet zozeer om dat je de kracht hebt om vol te houden, maar dat je alles wat je ondervindt – alle tegenslag, alle verdrukking en alle tegenkrachten – verduurt. Ze brengen je niet van de wijs. Ik geef toe dat de betekenis van verduren en volharding dicht bij elkaar ligt, maar het is een subtiel verschil.⟨/p> ⟨p>De zonde die ons zo licht in de weg staat, leggen we af om met verduring de wedloop te lopen. "Lopen" betekent hier eigenlijk "rennen". De wedloop rennen die voor ons ligt. Waarom wordt hier nu gesproken over een wedloop? Waarom is dat leven in geloof een wedloop? Zoals ik al zei: hier is het beeld van die wolk van getuigen op de tribune. Er zijn zoveel dingen die je kunnen hinderen en die moet je afleggen. Daarom wordt het zo genoemd. Maar er is nog een reden, en die zien we meteen in het tweede vers.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2920" title="Speel af vanaf 48:40">▶ 48:40⟨/button> ⟨span>Focus in de Wedloop: Wegkijkend van Al het Andere⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De aansporing van dit hoofdstuk laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op... U ziet, dit is een hele lange zin, maar in het Grieks staat hier maar één woord: 'wegkijkende'. Dat is het woord. Wegkijkende, dat wil zeggen dat je wegkijkt van alles wat er te zien is. Waarom? Omdat je gefocust bent. Dat is eigenlijk het woord wat wij in dat verband gebruiken, en ook in sporttermen is dat een bekende term. Iemand die een sportieve prestatie levert, kijkt weg van alles wat voor een normaal mens van waarde is en normaal is. Daar kijkt een sporter, iemand die een prestatie moet leveren, van weg. Hij heeft één focus. En al het andere, hoe leuk, hoe goed of hoe aardig dat allemaal ook mag zijn, is niet interessant. Sterker nog, het hindert alleen maar. Het is dus het totaal wegkijken van al het andere.⟨/p> ⟨p>Daarom is dat beeld van die wedloop zo prachtig. Waarom de weg van geloof vergeleken wordt met een wedloop, is juist ook vanwege die focus die een sporter, een atleet heeft; die heeft één ding op het oog. En de vraag is helemaal niet of bepaalde dingen goed zijn of niet. U weet wel, dat zijn de bekende morele en ethische kwesties: "Is dat nou goed of is dat nou fout? Mag dat dan wel of mag dat nou niet?" Dat is voor een sporter niet interessant. De vraag is niet of het mag of niet mag. De vraag is: draagt het bij aan de prestatie die je op het oog hebt, ja of nee? Als het antwoord nee is, dan weg ermee. Dan staat het je namelijk alleen maar in de weg. Hoe goed het op zich misschien ook mag zijn, dit is dus geen morele kwalificatie. Het punt is: het hindert je om daar te komen waar je wilt zijn. Het hindert je om de weg te gaan die alleen gericht is op het doel.⟨/p> ⟨p>Kijk, zo staat het hier: laat ons oog alleen gericht zijn, of wegkijkende van alles en ziende op. Je hebt er in het Nederlands een heleboel woorden voor nodig. Maar oké, laat ik dan dat Engelse begrip 'focus' erbij halen. Dat is het: ons alleen maar focussen op inderdaad Jezus. Ik zie inmiddels dat het negen uur is, want ik wil eigenlijk nog wat meer zeggen over deze beide termen. Maar ik stel voor dat we dat even parkeren. Ik stel voor dat we dan de draad straks weer oppakken bij Hebreeën 12 vers 2.⟨/p> ⟨p>Trouwens, in de pauze hadden we nog wat gesprekken over de positie van de Hebreeën en ook de relatie die zij met ons hebben. Dat wil zeggen, het ging eigenlijk over de vraag: maken die Hebreeën ook deel uit van dat Lichaam van Christus, of is dat een hele aparte groep? Nou, ik denk dus inderdaad dat er vanaf de opstanding van Christus maar één gemeente is, namelijk het Lichaam van Christus. Alleen die waarheid werd pas veel later geopenbaard, namelijk aan Paulus. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan en dat kan niet zo in één keer uitgelegd worden. Zeker niet zo in het voorbijgaan, vind ik. Het onderwerp is daar te groot voor om dat op die manier te behandelen. Dus ik stel voor dat we daar gewoon eens een aparte avond aan moeten wijden. Want de vraag is namelijk belangwekkend genoeg. En ik begreep zojuist ook al even uit een paar vragen en opmerkingen dat daar toch wat onduidelijkheid over is. Ik begrijp het eigenlijk heel goed, want ik kan me die verwarring ook bij mezelf nog erg levendig herinneren. We waren dus gebleven bij die aansporing van de schrijver: laat ons oog daarbij alleen gericht zijn, of wegkijkend van alles en dan ziende op dat ene.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3202" title="Speel af vanaf 53:22">▶ 53:22⟨/button> ⟨span>Jezus: de Leidsman en Voleinder van het Geloof⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat focussen op Jezus, daar staat nog wat anders, maar Hij wordt genoemd: ons oog gericht op de Leidsman en de Voleinder van het geloof. De Leidsman, dat is eigenlijk het woord dat hier gebruikt wordt, en dat betekent degene die het initiatief neemt, dus de initiatiefnemer.⟨/p> ⟨p>Ik heb hier de naam Mozes bijgeschreven, want dat is wel opmerkelijk in deze brief. We hebben dat gezien in hoofdstuk 3 en 4, dat die reis door de woestijn een grote rol speelt. Die veertig jaren, die ook in de geschiedenis van de Hebreeën zo'n grote rol spelen – van het jaar 30 tot 70 loopt dat heel erg parallel. Er zijn hele bijzondere vergelijkingen daarin te maken en dat hebben we in het verleden ook wel eens gezien. Maar wat je daarbij ziet, is Mozes. Wat deed hij? Hij ging het volk van Israël voor, hij leidde hen uit het land Egypte en bracht hen door de woestijn als de initiatiefnemer, degene die vooropging en hen uitleidde, maar ook door de woestijn heen leidde.⟨/p> ⟨p>Welnu, dat is de ene functie die van Hem gegeven wordt. Aan de ene kant wordt er gesproken over de Leidsman en aan de andere kant wordt er ook gesproken over de Voleinder. Dan krijg je het idee: degene die het initiatief neemt, degene die ermee begon, maar ook degene die ermee eindigt, die het voleindigt, namelijk van geloof. En dan dringt de naam Jozua zich aan ons op. Degene die dus vooropging en het initiatief nam om het volk uit te leiden, hen ook veertig jaren in de woestijn geleid heeft; de Leidsman, maar ook degene die het voleindigt. Niet alleen degene die hen bracht náár het beloofde land, maar ook ín het beloofde land. Dus als voleinder, degene die de functie vervulde die Mozes was begonnen.⟨/p> ⟨p>Dan klinkt dus de naam: de initiatiefnemer, de Leidsman en de Voleinder van het geloof – en dan staat erachter: Jezus. Maar nu moeten we opletten, want dan krijg je een prachtige vergelijking. Er wordt gesproken over de Leidsman, zoals Mozes, en de Voleinder, zoals Jozua, van het geloof: namelijk Jezus. Maar hier staat exact dezelfde naam als die we ook... lees even mee in hoofdstuk 4 vers 8. Daar staat: "Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou hij niet meer over een andere, latere dag gesproken hebben." Het wordt daar vertaald met Jozua, maar ik heb u toen ook verteld, en nu is dat helemaal te vatten, dat de naam Jozua in het Grieks exact hetzelfde is als de naam Jezus. Als ze consequent waren geweest, dan hadden ze hier in hoofdstuk 4 vers 8 dus ook gewoon 'Jezus' weergegeven. Of zo u wilt, had je hier 'Jozua' moeten invullen; dat kan namelijk net zo goed.⟨/p> ⟨p>Wat ik ermee wil zeggen is: in het Griekse Nieuwe Testament is er geen verschil tussen de naam Jezus en de naam Jehoshua of Jozua. De man die de voleinder van Israëls weg was. Mozes was de Leidsman, de initiatiefnemer; Jozua was de voleinder. Welnu, beiden zijn zij typen van Jezus. Ons oog – meer specifiek dat van de Hebreeën – zou gericht zijn, uitsluitend gefocust, met die wolk van getuigen om hen heen, op Hém die niet alleen maar als Mozes de Leidsman is, maar bovendien ook degene is die het af zal maken, de Voleinder.⟨/p> ⟨p>Die naam die nu dus klinkt, de naam van Jezus, is niet zomaar een van de vele geloofsgetuigen; nee, Hij is veel meer. Hij is ook nog eens de Leidsman, degene die ons voorgaat en degene die het ook completeert. De Perfecte, degene die tot volmaaktheid brengt, de Voleinder van geloof. Een schitterende vergelijking die zich hier misschien wat onder de oppervlakte, maar toch zo duidelijk aan ons aandient: Mozes en Jozua als type van Jezus. Welnu, ons oog zou daarop gericht zijn. Waarom? Waarom zou ons oog alleen op Hem gericht zijn? Dat wordt hier dan ook gezegd: Hij ging namelijk ook de weg van geloof.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3540" title="Speel af vanaf 59:00">▶ 59:00⟨/button> ⟨span>Het Kruis Verduurd Omwille van de Voorgestelde Vreugde⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij is daarin het ultieme voorbeeld. Nadat in Hebreeën 11 er zoveel namen geklonken hebben en zoveel geschiedenissen al zijn opgevoerd om het punt te maken van wat geloof is, klinkt nu als laatste de naam van Jezus. Uiteindelijk draait het allemaal om Hem, per slot van rekening. Hij is ook degene op wie alle beloften betrekking hebben. Maar bovendien: Hij is niet zomaar een getuige van geloof, Hij is ook nog eens de leidsman en de voleinder van geloof.⟨/p> ⟨p>Nou, en hoe ging Hij zelf die weg van geloof? Wel, dan staat er: "die om de vreugde welke voor Hem lag". U ziet trouwens "om", dat is letterlijk in het Grieks ⟨em>anti⟨/em>, "in plaats van". Het is niet eens zo makkelijk hoor om dat hier vervolgens uit te leggen of om dat te verstaan. Maar het idee daarbij is, als u mij vraagt, dat Hijzelf in de plaats waar Hij was, op de weg die Hij ging, de vreugde voorgesteld was. Hoe dan? Hoe was die vreugde aan Jezus, aan Joshua, voorgesteld? Anders dan in de Schrift?⟨/p> ⟨p>Jezus zelf leefde uit geloof. Dat wil zeggen: vanuit de Schriften. Hij was met de dingen van Zijn Vader bezig, van jongs af aan. Als twaalfjarig ventje was Hij daar al mee bezig; dat is het enige wat we uit Zijn jeugd ook weten, dat Hij bezig was met de dingen van Zijn Vader. Dat wil zeggen: met de Schriften. We hebben trouwens in hoofdstuk 10 daar nog een prachtig voorbeeld gezien vanuit de Psalmen. Namelijk Psalm 40, een profetische Psalm waarin je leest over de Messias. Dat is een Psalm van David waarin Hij profetisch wordt opgevoerd en die prachtige woorden spreekt tot God.⟨/p> ⟨p>"Slachtoffers en offeranden..." Ik lees deze voor uit Hebreeën 10 vers 5. Ja, Hebreeën 10 vers 5. Ik ben haast geneigd om het uit de berijmde Psalmen voor te zingen: "Slachtoffers nog offers voor de schuld, voldeden aan Uw eis nog eren." Nou ja, zo ging die ongeveer, geloof ik. Ik zing hem niet zo heel erg vaak meer, maar in ieder geval uit de onberijmde tekst, dat is veel belangrijker, want dat is wat de Schrift zegt. "Slachtoffer en offergaaf hebt Gij niet gewild." Dat is niet de wil van God, hoewel ze naar de wet gebracht werden, maar dat is niet wat God wilde. "Slachtoffers en offeranden hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid. In brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie hier ben Ik, in de boekrol staat van Mij geschreven om Uw wil te doen, o God."⟨/p> ⟨p>Kijk, dat is de Messias. Dit is de weg geweest die Jezus hier op aarde is gegaan. Hij heeft Zich herkend in de boekrol, in de Tenach. In de Schrift las Hij en alles was Hem volkomen duidelijk wat Hem te doen stond. In die weg van geloof is Hij gegaan. En Hij wist dat Hij de Messias was. Hij wist welke rol Hem van Godswege was toebedeeld. Hij wist dus ook welke vreugde voor Hem lag als de Mashiach, als de Koning, Priester, etc. Dat was Hem voorgesteld, dat wist Hij.⟨/p> ⟨p>Maar nu moet u opletten wat er gebeurde. Hij heeft daarop gezien en vanwege die vreugde, in de plaats van die vreugde — ja, laat ik hier even bij het vertaalwoord "om de vreugde" blijven — welke voor Hem lag, heeft Hij het kruis op Zich genomen. Ook hier trouwens weer hetzelfde woord wat een vers hiervoor werd vertaald met "volharden". Dit is trouwens een fraai voorbeeld wat precies aangeeft wat ik voor de pauze ook al zei, namelijk dat het woord geen volharden is. Het is verduren. Hij heeft het kruis verduurd. Niet het kruis "volhard" of zo; nee, Hij heeft het kruis verduurd. Dat wil zeggen: dat werd Hem aangedaan.⟨/p> ⟨p>Waarom kon Hij dat allemaal verduren? Er staat hier dan nog bij: "de schande niet achtende". Letterlijk staat er — kijkt u maar even met me mee — Hij verduurde het kruis van schande. Het gaat om het feit dat het een kruis van schande was. Er staat ook niet bij dat Hij het kruis veracht heeft. Per slot van rekening zal God juist door dat kruis, door het bloed van het kruis, de wereld, het heelal, hemel en aarde met Zich verzoenen. Dat heeft Hij niet veracht, maar Hij heeft wel de schande niet geacht. De weg die Hij te gaan had, die heeft Hij kunnen verduren. Hoe kon Hij dat verduren? Omdat Hij zag op de vreugde die Hem was voorgesteld, die Hij kende vanuit de Schrift. Dat is geloof.⟨/p> ⟨p>Dus als de naam van Joshua hier klinkt, Jezus, dan is daarmee het ultieme voorbeeld gegeven, juist ook voor die Hebreeën, van iemand die leefde als mens hier op aarde uit geloof en die vervolgens nu voor hen ook zowel de leidsman als ook de voleinder van dat geloof is. Laat ons oog alleen daarop gericht zijn, zoals Hij die weg ging in geloof.⟨/p> ⟨p>Ik zeg het trouwens nog even bij: we zien dit nog steeds vanuit de context van die Hebreeën. Ik word niet moe om dat altijd weer te herhalen, want zo'n brief kun je alleen maar verstaan als je ook weet aan wie het gericht is en in welke omstandigheden zij zich bevonden. Waarom deze brief ook aan hen gericht is? Te midden van de enorme afval en te midden van de omstandigheden dat er zovelen afstand deden van hun geloof in de Messias. De schande en de smaad die zij van hun volksgenoten ondervonden, en niet alleen dat, maar ook de vervolging en verdrukking die zij daardoor ondervonden, hadden ze allemaal te verdragen. Wel, dat waren de omstandigheden en nu kwam het erop aan dat zij staande zouden blijven. Dat ze hun oog daarop zouden richten; vandaar ook dat al die geloofshelden opgevoerd worden en tenslotte, als ultiem voorbeeld daarvan, de naam van Jezus klinkt. Waarom? Omdat Hij als geen ander volmaakt de weg van geloof is gegaan. In de boekrol staat voor Mij geschreven, en om de vreugde die Hem was voorgesteld, daarop heeft Hij gezien en heeft Hij al de schande en zelfs het kruis niet geacht.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4040" title="Speel af vanaf 01:07:20">▶ 01:07:20⟨/button> ⟨span>Gezeten Ter Rechterzijde van de Troon Gods⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En Hij is nu gezeten; dat staat trouwens in de voltooide tijd. Dat wil zeggen dat Hij nu gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods, op de allerhoogste plaats. Nu, zelfs in de dagen van de Hebreeën werd dat al als een feit meegedeeld. Een krappe veertig jaar daarvoor was Hij inderdaad gekruisigd, en inmiddels was Hij al zoveel jaren daarboven en gezeten ter rechterzijde van de troon Gods. Dat is een van de grote onderwerpen van de Hebreeënbrief, nietwaar? Gezeten daar als Koning-priester in het hemelse heiligdom.⟨/p> ⟨p>Waarbij trouwens deze uitdrukking – als u zich dat nog wat voor de geest kunt halen, want we zijn natuurlijk al langdurig met de studie van de Hebreeënbrief bezig – deze mededeling al vier keer eerder heeft geklonken. Laten we die even lezen. Ik heb er geen dia van, maar in hoofdstuk 1 vers 3 speelt deze mededeling een enorme, ja zelfs centrale rol: "gezeten ter rechterzijde van de troon Gods". Iedere keer als dat in de Hebreeënbrief klinkt en naar voren wordt gebracht, heeft het weer een bijzondere betekenis. Dat wil zeggen dat er weer nieuwe of andere aspecten daarvan worden genoemd.⟨/p> ⟨p>In hoofdstuk 1 vers 3 staat: "De afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, heeft, na de reiniging van de zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge." En in vers 4 volgt: "Zoveel beter geworden dan de engelen, heeft Hij een uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen", namelijk de Zoon van God. Dat is het eerste.⟨/p> ⟨p>Dan in vers 13 van ditzelfde hoofdstuk: "Tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor Uw voeten?" U ziet, dit is een citaat uit Psalm 110, en die psalm speelt zo'n enorme rol, juist in de Hebreeënbrief. Dat is ook die psalm over de Koning-priester naar de ordening van Melchizedek. "Zet U aan Mijn rechterhand." Wel, dat is precies de plaats van de Messias nu. Het werk is volbracht. En waar is Hij nu dan? Op de allerhoogste plaats. Hier op aarde? Nee, aan Gods rechterhand daarboven, verborgen voor het oog in het hemelse heiligdom. Als ik het zo zeg, dan raak je direct een aantal onderwerpen aan die allemaal in de Hebreeënbrief doorklinken.⟨/p> ⟨p>De volgende vinden we in hoofdstuk 8 vers 1. Dat is heel aardig in dit verband, want dan zie je inderdaad dat deze mededeling van het gezeten zijn ter rechterzijde niet zomaar een mededeling is, maar echt de clou van de hele brief. We lezen in hoofdstuk 8 vers 1: "De hoofdzaak van het gezegde" – of in de NBG staat: "De hoofdzaak van ons onderwerp" – "is, dat wij zulk een Hogepriester hebben" (namelijk een Koning-priester), "die gezeten is ter rechterzijde van de troon der Majesteit in de hemelen, de Dienstverrichtende in het heiligdom." Heb je hem weer? Dat is de derde keer. En de schrijver zegt er zelfs bij: "De hoofdzaak van ons onderwerp." Dat is dus het allerbelangrijkste van wat hij tot dusver naar voren had gebracht. Hij zegt samenvattend in hoofdstuk 8 vers 1 dat dit de hoofdzaak van ons onderwerp is: dat wij Iemand kennen die momenteel gezeten is aan de rechterzijde van de troon van God, met alles wat daarmee verband houdt. Het is de tegenwoordige positie van Christus.⟨/p> ⟨p>"...totdat Zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten." Ook dit is weer een toelichting op Psalm 110, want daar staat inderdaad dat Hij daar gezeten is aan de rechterhand. Is dat voor altijd? Nee, niet voor altijd, wel bij voortduring. Hij wacht daar. Aan de ene kant is er de verhoging, aan de andere kant het wachten tot het moment dat Zijn vijanden door God Zelf gesteld zullen worden tot een voetbank voor Zijn voeten. Dat is toekomst, dus Hij wacht.⟨/p> ⟨p>Maar ook in Hebreeën 10 is het idee van het gezeten zijn ter rechterzijde aanwezig. En waarom "gezeten"? Wel, omdat Hij het offer, het eenmalige offer, gebracht heeft. Alle andere priesters staan, ook omdat die offeranden voortdurend weer herhaald moesten worden. Maar Hij is gezeten, omdat Hij het ene offer volmaakt heeft afgerond. Vandaar dus een positie van rust.⟨/p> ⟨p>En dan heb je vervolgens de laatste, die we nu onder ogen hebben. Daar is Hij nu gezeten. Maar hoe is Hij daar gekomen? Hoe heeft Hij deze plaats bereikt, deze toppositie, de allerhoogste plaats van verhoging? Wel, door geloof. Doordat Hij, vanwege de vreugde die Hem was voorgesteld, alles heeft verduurd en zelfs de schande niet geacht heeft. Vestigt uw aandacht dan op Hem!⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4478" title="Speel af vanaf 01:14:38">▶ 01:14:38⟨/button> ⟨span>Vestig Uw Aandacht op Hem, Opdat Gij Niet Verslapt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De schrijver zegt – en hier staat trouwens in het Grieks het woordje ⟨em>analogia⟨/em>, of in ieder geval een woord dat daarvan afgeleid is – dat 'analogie' eigenlijk betekent, als ik het heel letterlijk zou willen weergeven: iets overwegen door vergelijking. Analogie heeft te maken met een vergelijking; een analogie is een vergelijking met iets anders. Welnu, dat woord wordt hier gebruikt: vestigt uw aandacht, oftewel overweeg door vergelijking. Je aanschouwt Hem en je vergelijkt Hem in dit geval met jullie eigen situatie en met dat wat Hij deed te midden van al die tegenstand en afleiding. "Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen." Ook hier zien we weer 'verdragen', ziet u? Niet volharden, maar Hij heeft het verduurd; Hij heeft het verdragen.⟨/p> ⟨p>Waarbij – dat is ook wel opmerkelijk – Hij die weg van geloof is gegaan. Hij heeft het kruis verdragen en de schande niet geacht. Er staat hier ook dat Hij een tegenspraak van zondaren heeft verdragen. Waar wordt hier op gedoeld? Ja, op alle weerstand die Hij ondervond. Maar met name – en dat vind ik dan wel opmerkelijk – welke weerstanden heeft de Heer vooral ondervonden? Dan kun je natuurlijk helemaal aan het einde van Zijn leven denken aan Pilatus en aan Herodes, maar het grootste gedeelte van Zijn leven heeft Hij zoveel tegenspraak ondervonden van de godsdienstige zijde. Zíj worden hier genoemd: de zondaren. Waarom? Omdat ze niet godsdienstig of niet religieus waren? Nee, dat waren ze juist wél, maar juist dáárom worden ze 'de zondaren' genoemd. We moeten gewoon af van al dat soort godsdienstige inkleuringen, want wij denken bij zondaren meteen aan een bepaald plaatje. We vullen dat religieus in, maar 'de zondaren' zijn hier juist de godsdienstige leiders; degenen die afgingen op traditie en op mensenwoorden – misschien wel heel vroom – in plaats van te buigen voor de Schriften.⟨/p> ⟨p>Hij werd voortdurend weersproken, maar wat was altijd het antwoord van de Heer? "Er staat geschreven..." Of: "Kent gij dan niet? Gij kent de Schriften niet, noch de kracht Gods." En ja, dat lees je bijvoorbeeld in Mattheüs 12. Dat was niet omdat zij een woord hadden tegen de Zoon des mensen – want dat zou hen vergeven worden – maar zij lasterden de Geest, willens en wetens. Maar al die tegenspraak van zondaren heeft Hij dus allemaal verdragen. Hij heeft het verduurd en het heeft Hem niet van de wijs gebracht. Integendeel, Hij ging – en dat is hier weer het beeld van die wedloop – gefocust op dat doel dat Hem voorgesteld was. Zo ging Hij Zijn weg in geloof.⟨/p> ⟨p>"...opdat gij niet door matheid van ziel verslapt." Dat wil zeggen: als je daar je aandacht op vestigt, dan is dat wat je kracht geeft in het leven. Dat Woord, en Hij die dat Woord zelf ook is. Letterlijk staat er trouwens: "...opdat gij niet door uitputting van jullie zielen zouden bezwijken." Het gaat er niet alleen om dat je niet zou verslappen, maar ook dat je niet zou bezwijken. Wat je nodig hebt te midden van weerstand, is kracht. Wij noemen dat ook wel 'weerstand opbouwen'. Dat je bestand bent; dat is toch wat weerstand is? Je bent bestand tegen al die krachten en alles waardoor je omgeven wordt. En dat mag dan ziekelijk zijn, het mag je afleiden en het mag zich enorm tegen je keren, maar je gaat je weg.⟨/p> ⟨p>Hoe kan dat? Dat kan maar door één ding, en dat is de grote les hier voor de Hebreeën, maar voor ons is dat niet anders. Want Paulus zegt dat in zijn brieven net zo: namelijk dat we ons oog alleen gericht hebben op de Schriften. Laat je niet van de wijs brengen, sta daarop. Dat is het enige wat telt; dat is ook wat een mens kracht geeft en rust. Daardoor kun je inderdaad koers houden en je niet laten misleiden en meeslepen door allerhande zogenaamd belangrijke dingen. Want er zijn zoveel dingen belangrijk, maar uiteindelijk is het enige wat telt: de Schriften, wat Hij gesproken heeft. Dat is het enige wat een mensenleven werkelijk waarde geeft. Ik stel voor dat we het daarbij laten, want dan gaan we de volgende keer – zo had ik het ook gepland – bij vers 4 verder. In die zin heb ik het mooi voorbereid, want ik had het zo ingedeeld dat we de volgende keer inderdaad bij vers 4 verder zouden gaan, want dan begint de schrijver namelijk weer een min of meer nieuw onderwerp. Zullen we het dan hierbij laten?⟨/p>