⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>De 17e Nisan: Dag van Opstanding en de Ark van Noach⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De 21e studie over de Hebreeënbrief, daar gaan we mee beginnen. Maar voordat we dat doen, wil ik u even bepalen bij de datum van vandaag. Het is vandaag 17 april, zoals u weet. De meesten zullen zeggen: het is vandaag Witte Donderdag. Ik heb begrepen dat ze het in Duitsland Groene Donderdag noemen; waarom dat is, weet ik niet. Het is de dag waarvan de christelijke wereld zegt dat Jezus toen het Laatste Avondmaal vierde. Maar die hele kerkelijke kalender... ik had er al helemaal niks mee, maar als ik aan zulke dingen denk, dan zeg ik: oh oh oh, hoe ver zitten ze ernaast. Want het was niet op donderdag; het was op woensdag dat het Avondmaal gevierd werd. En dan is er morgen Goede Vrijdag. Maar vrijdag is ook al niet goed, want de Heer stierf namelijk op een donderdag.⟨/p> ⟨p>Die kerkelijke kalender is zo'n enorme afwijking en volstrekt onnodig, want God heeft ooit zelf Zijn kalender gegeven aan het volk van Israël. Hij heeft maanden voorgeschreven en data gegeven, en juist op die data zijn dé grote heilsfeiten gebeurd. Een dag als vandaag – ik zei al dat het 17 april is en de kerk viert dan Witte Donderdag – ik wil daar verder helemaal geen nare dingen van zeggen, maar het is zo overbodig. Het is ook weer zo typisch: toevoegen aan het Woord van God en daardoor afdoen van het Woord. Dat is net zoiets als dat je water toevoegt aan wijn; je doet beide bij de wijn, maar je houdt geen wijn over.⟨/p> ⟨p>Het is vandaag op de Hebreeuwse kalender 17 Nisan. Dat is heel erg bijzonder, dat de data nu toevalligerwijs precies samenvallen met de Joodse maand. Afgelopen maandag was het 14 Nisan, dat was de dag dat het lam geslacht werd. Dat was dus ook de dag die morgen in de kerk gevierd wordt, namelijk Goede Vrijdag. Maar dat was op de datum 14 Nisan, de dag van het Pascha. 17 Nisan is de dag... nou, laten we even bij het begin beginnen. Het is toch wel goed om dat even te memoreren voordat we nu verder gaan met de Hebreeënbrief.⟨/p> ⟨p>Ik heb er juist vandaag nogal in het bijzonder bij stilgestaan en er ook een blogje aan gewijd. Het is de verjaardag dat zoveel jaar geleden – ik ben eigenlijk vergeten na te tellen hoe lang precies – de ark vastliep op het gebergte van Ararat. Dat lees je vanuit dit plaatje. Je leest in Genesis 8 vers 4: "En de ark rustte in de zevende maand." Dat was toen de zevende maand, maar later werd die zevende maand, in de dagen van de uittocht uit Egypte, de eerste maand. Ik zal dat verhaal nu niet gaan vertellen. Als u daar meer over wilt weten, zou u die studie van afgelopen zondag, die ik in Urk of in Tollebeek heb gegeven, nog eens een keer moeten beluisteren. Maar in elk geval: in die tijd was het de zevende maand, wat later de eerste maand werd, oftewel de maand Nisan. Nu dus. En er staat: "En de ark rustte in de zevende maand op de zeventiende dag van die maand op het gebergte van Ararat." En dat is vandaag dus, 17 Nisan, toen gebeurde het.⟨/p> ⟨p>Dat is een schitterend type van wat veel later zou gaan plaatsvinden. Want het meest markante van de 17e Nisan is niet dat de ark toen rust vond op het gebergte van Ararat, maar het meest bijzondere is dat 17 Nisan de derde dag is na 14 Nisan. Oftewel: het is de dag dat Jezus Christus verrees uit het graf. Dat is 17 Nisan. Dus dan mag de kerk vandaag, of de christenheid in het algemeen, Witte Donderdag vieren, maar het is vandaag 17 Nisan op de kalender die God heeft gegeven. Het is de dag van de opstanding van Christus en dat zijn schitterende lijnen. Dat zal vanavond niet in Groningen verteld worden, daar ben ik vast van overtuigd. Ik vraag me wel eens af: waar wordt het wel gehoord? Het is zo mooi om te zien dat zulke data dan overeenkomen.⟨/p> ⟨p>Terwijl de hele wereld – moet u zich voorstellen – de hele wereld blank was. Het waren doodswateren, al wat leefde was daarin omgekomen. En in die doodswateren vindt op deze dag de ark rust. Er was nog helemaal niks te zien, maar niettemin vond de ark toen vaste grond. Eigenlijk is dat ook een schitterend type van wat er gebeurde toen de steen werd weggerold. Want sindsdien is het nog steeds zo: de wereld wordt overheerst door de dood, maar niettemin heeft de ark, een type van Christus, vaste grond gevonden. En in Christus, al in die ark, daarmee ook de hele mensheid, want de hele mensheid bevond zich in die ark.⟨/p> ⟨p>En dan te bedenken trouwens dat in de naam van het gebergte van Ararat het woordje 'Arar' zit. Arar betekent 'vloek' en Ararat betekent 'omkering van vloek'. In verband met de zondvloed in de dagen van Noach is dat heel duidelijk: de vloek die op de aarde terechtkwam door al die doodswateren, waardoor al wat leefde daarin omkwam, die werd toen op die dag, de 17e, omgekeerd. Dat wil zeggen: toen vond de ark vaste grond en niet lang daarna zou ook daadwerkelijk het droge zichtbaar worden. Dat was toen nog niet zo, maar toen werd de vloek omgekeerd. Uiteraard is dat een type van wat op die andere 17e Nisan plaatsvond. Toen werd de vloek omgekeerd, toen werd de dood overwonnen en vond de ark vaste grond. Dat wil zeggen dat Hij later uit de doodswateren zou opstijgen.⟨/p> ⟨p>Zo'n mededeling waar je zomaar overheen zou lezen in Genesis 8 vers 4, opent geweldige perspectieven. Je ziet daarin meteen, als je enigszins op de hoogte bent van de Bijbelse lijnen, dat je zo een link kunt leggen naar wat er pakweg 2000 jaar geleden plaatsvond buiten de poorten van Jeruzalem. Dat was 17 Nisan, en het is vandaag die 17e Nisan, dus dat lijkt mij een geweldig feit om bij stil te staan. Het is een hele historische dag als je er goed bij stilstaat. Hoe die eerste maand komt? Dat is een half jaar verder, dus in september; het is eigenlijk omgekeerd. Je krijgt wat dus...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="466" title="Speel af vanaf 07:46">▶ 07:46⟨/button> ⟨span>De Godsdienstige en Burgerlijke Kalender van Israël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Israël heeft nu nog steeds twee kalenders. Eigenlijk heeft Israël sinds de uittocht uit Egypte twee kalenders, want je leest in Exodus 12 vers 2: "Vanaf nu zal deze maand de eerste der maanden zijn." Het was voorheen de zevende maand, en sindsdien heeft Israël twee kalenders: een kalender met de nieuwe telling, waarin de zevende maand de eerste maand is, en ze heeft ook die oude kalender aangehouden. Men noemt dat dan de burgerlijke kalender en de godsdienstige kalender. Dat verklaart ook het fenomeen dat Israël, het jodendom, in de zevende maand – ongeveer in september of augustus/september – Nieuwjaarsdag viert. Zij vieren Nieuwjaarsdag op de eerste van de zevende maand, in september. Als je Joods bent, dan weet je dat: "Chag Sameach", een gelukkig nieuwjaar, wordt je dan toegewenst op de eerste van de zevende maand. Dat is altijd in september; daar moet je heel goed rekening mee houden. Dus als er vóór de uittocht uit Egypte sprake is van de nummering van maanden, dan verspringt dat een half jaar sinds die uittocht.⟨/p> ⟨p>Afgelopen zondag heb ik daar nog wat meer over gezegd, dus dat laat ik nu maar even rusten, al was het maar omdat het ook weinig met de Hebreeën-brief te maken heeft. Maar dit wilde ik u in ieder geval niet onthouden. Was er nog iets wat gezegd moest worden daarover? Wat betreft de telling: de zevende maand werd voortaan de eerste maand. De achtste maand werd de tweede maand en de negende maand werd de derde maand. De oorspronkelijke eerste maand komt dus overeen met de latere zevende maand. Het verspringt gewoon exact een half jaar; het is exact een half jaar verschil.⟨/p> ⟨p>Als ik zeg "de eerste maanden", dan bedoel ik die van de Hebreeuwse kalender. De maand Nisan, die in Israël gevierd wordt en die zeventien dagen geleden begonnen is, is de eerste maand van het jaar. Dat is vrij logisch als je er goed over nadenkt, want dat is ook het voorjaar. Strikt genomen zou je het voorjaar ook moeten beginnen met de lente, nietwaar? Je noemt het niet voor niets voorjaar. Ooit was dat bij ons ook zo. Vroeger was maart in het voorjaar werkelijk de eerste maand en dat zie je nog steeds terug in de namen van de maanden. Dat begint bij september; september zou eigenlijk de zevende maand moeten zijn, maar september is nu de negende maand. Oktober is de achtste maand (octo), november de negende (novem) en december de tiende maand (decem). Dan was januari de elfde maand en februari de twaalfde maand. Februari is daarom ook de schrikkelmaand, want die corrigeert aan het eind van het jaar nog de dagen die eventueel nog te verrekenen zijn. Het jaar begon dus oorspronkelijk in maart, maar het is door een Romeinse keizer – ik geloof dat het Julius Caesar zal zijn geweest – ter ere van zichzelf omgegooid.⟨/p> ⟨p>Dit even over die nummering van de maanden, maar daar wilde ik eigenlijk niet teveel over vertellen. Ik wilde alleen maar even gememoreerd hebben dat het vandaag 17 Nisan is. Als u mij vraagt of het de meest historische dag is: ja, niet zozeer vanwege dit fenomeen, hoewel dat natuurlijk ook wel heel bijzonder is. Het is de dag waarop de ark vaste grond vond voor de mensheid. Denk daar maar eens over na. Toen vond de mensheid vaste grond onder de voeten te midden van de doodswateren. Maar het is bovenal de dag dat Jezus Christus, de beloofde Messias, het graf leeg achterliet. Definitief. "Ik heb de vaste grond gevonden", daar moet ik dan aan denken. Goed.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="789" title="Speel af vanaf 13:09">▶ 13:09⟨/button> ⟨span>Terugblik: Oordeel over Jeruzalem en de Tempeldienst⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Met dat opstapje wil ik naar de Hebreeënbrief, want we waren in hoofdstuk 10 gebleven. Dat was inmiddels al de derde avond daarover en we waren aangekomen bij het 35e vers. Maar voordat ik daarop wil aansluiten, wil ik eerst nog even wat vertellen over de vorige keer, al was het maar om het geheugen op te frissen. Voor degenen die er niet bij waren of het niet gehoord hebben, die weten dan in elk geval waar het over ging en hoe het aansluit.⟨/p> ⟨p>De vorige keer lazen we vanaf vers 23 tot 25 een aantal aansporingen die de schrijver neerlegt om vast te houden aan de belijdenis — niet van de kerk, maar van de hoop, dat wil zeggen van de verwachting. Dat lees je in vers 23. In vers 24 lees je de aansporing om op elkaar acht te geven tot aanvuring van de liefde. Dat stelt hij dan in tegenstelling tot de gewoonte van sommigen om de onderlinge bijeenkomst te verzuimen. Daar hebben we vrij uitgebreid bij stilgestaan, ook over de misverstanden die over dat vers bestaan met betrekking tot die onderlinge bijeenkomst en het verzuimen.⟨/p> ⟨p>Waar we vooral ook bij stil hebben gestaan, is de ernst van de situatie in die dagen. Nergens wordt dat scherper in de Hebreeënbrief getekend dan juist in de verzen 26 tot 31. In Hebreeën 10, samen met hoofdstuk 6, maar hoofdstuk 10 is nog sterker en indringender. Daarin wordt beschreven wat er allemaal op korte termijn zou gaan gebeuren: de eindfase van de situatie. In vers 26 tot 31 lees je over de vreselijke verwachting van oordeel en van felheid van vuur. Dat is niet bij wijze van spreken, en het is al helemaal niet wat de christelijke traditie ervan gemaakt heeft, namelijk een hel — wat een mythologisch verzinsel is en totaal niet aansluit bij waar de schrijver het werkelijk over heeft. Het gaat over de verwoesting van de tempel en de verbranding van Jeruzalem in die dagen, op zeer korte termijn, binnen twee of drie jaar.⟨/p> ⟨p>Wat daar ook op het spel stond: er was een enorme verdrukking gaande. Zoals er ooit in het verleden, in het begin van de Handelingentijd, ook een verdrukking was, zo was er nu een generatie later — pakweg 30 tot 35 jaar later — opnieuw een enorme verdrukking. De Messias-belijdende Joden kwamen velen van hen ten val. Ze waren ooit meegenomen met de stroom en onder de indruk van alle wondertekenen die ze hadden gezien, maar die waren nu aan het verdwijnen of waren al verdwenen. Nu ze onder zulke grote druk kwamen, zwoeren ze de Zoon van God en die belijdenis weer af. Wat er dan letterlijk gebeurde, is dat zij de Zoon van God met voeten moesten treden, op Zijn naam moesten staan en het bloed van het nieuwe verbond onheilig moesten achten. Daartoe werden ze verplicht en onder druk gezet, echt onder de noemer van vervolging en verdrukking. Er werd een enorme druk op hen uitgeoefend.⟨/p> ⟨p>In vers 30 lees je dat de Heer Zijn volk zou gaan oordelen. Dat is het woord dat ook geciteerd wordt: "De Heer zal Zijn volk oordelen." Dat wordt geciteerd uit het boek Deuteronomium. Als je dat nazoekt, dan gaat het uiteraard over Israël. Daarmee vinden we opnieuw bevestigd dat het gaat over de Hebreeën, over het volk van Israël en over de stad Jeruzalem. Voor hen die vasthielden aan de offerdienst en de tempeldienst, zou daar op dramatische wijze een einde aan komen.⟨/p> ⟨p>In de laatste verzen die we besproken hebben, in vers 31 tot 34, worden ze herinnerd aan vroeger dagen. Dat is het begin van de Handelingentijd, toen er ook zware vervolgingen waren; smaad, gevangenschap en de roof van bezittingen worden allemaal genoemd. De schrijver herinnert hen eraan hoe ze dat ooit allemaal hebben verduurd en verdragen, en hoe ze zelfs de roof van hun bezittingen met blijdschap hadden aanvaard. Dat was het laatste wat we hebben gelezen in vers 34: "Want gij hebt met de gevangenen meegeleden en de roof van uw bezittingen blijmoedig aanvaard, want gij wist dat gij zelf een beter en blijvend bezit hebt." Dat is wat hen in herinnering wordt gebracht van een aantal decennia terug, van de vorige generatie. En dan pakken we nu de draad op bij vers 35, want vanaf dat vers hebben we het nog niet besproken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1137" title="Speel af vanaf 18:57">▶ 18:57⟨/button> ⟨span>Geef Uw Vrijmoedigheid Niet Prijs: Ongeremd Spreken⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De schrijver zegt: "Geef dan uw vrijmoedigheid niet prijs." Het woord vrijmoedigheid is prachtig. Letterlijk wil het zeggen dat je de moed hebt om je vrij op te stellen, dat je niet beschroomd bent en het niet terughoudt, maar dat je alles geeft. Het stroomt eruit. De woorden waaruit het is samengesteld, hebben ermee te maken dat alles eruit gutst, alles eruit stroomt of alles eruit barst. Vandaar dat ik een plaatje van een vulkaan heb gebruikt, waar ook alles zonder terughoudendheid uitkomt. Dat is wat vrijmoedigheid is: je spreekt alles. Als je vrijmoedig bent, dan zeg je alles wat je te melden hebt. Wat erin zit, komt eruit. Dat is vrijmoedigheid, zodat je daarin totaal niet geremd bent. Je bent ongeremd.⟨/p> ⟨p>Daarom lijkt het me ook heel erg belangrijk, juist als je het Woord van God doorgeeft, dat je je niet laat remmen door mensen. Je zal maar in een gezelschap zijn waarbij mensen jou vertellen wat jij mag zeggen. Dan ben je niet in dienst van Hem, maar in dienst van zo'n groep mensen die jou de wet voorstellen en opleggen. In feite is dat de algemene praktijk binnen de hele christenheid. Je wordt betaald door een groep mensen die jou geld geven als je je houdt aan wat zij hebben voorgeschreven. Dat is echt killing voor vrijmoedigheid. Vandaar dat vrijheid zo'n enorm groot goed is, voor de luisteraars, maar voor de spreker natuurlijk niet minder.⟨/p> ⟨p>Geef uw vrijmoedigheid niet prijs. Ik moet er even bij zeggen: het gaat hier niet zozeer over de vrijmoedigheid van het spreken van het Woord, hoewel dat erin zit, maar de vrijmoedigheid waar het hier over gaat, zinspeelt op het woord dat al eerder in vers 19 was gebruikt. Laat ik eerst nog even de andere keren vermelden dat het voorkomt. In hoofdstuk 3 lees je erover; die vrijmoedigheid is enorm belangrijk. In hoofdstuk 4 vers 16 staat: "Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade." Dus onbeschroomd, ongeremd. En dan in hoofdstuk 10 vers 19, dat was de laatste keer dat we het tegenkwamen — de derde keer dus: "Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom (of in de heiligdommen), het ware heiligdom, door het bloed van Jezus, het presentelijk geslachte Lam." Dat was de derde keer dat de schrijver dat woord gebruikte, en hier in hoofdstuk 10 vers 35, een paar verzen later, zegt hij: "Geef die vrijmoedigheid niet prijs."⟨/p> ⟨p>Sta daarin. Je begrijpt natuurlijk ook dat je de situatie van die Hebreeën voor ogen moet houden. Je moet acht geven op de adressering van die brief, want alleen dan kun je hem begrijpen. Zij stonden onder druk van hun volksgenoten om hun geloof in de Messias prijs te geven, om de Zoon van God met voeten te treden en het bloed onrein te achten. Kortom, om het geloof in de Messias prijs te geven en er niet meer voor uit te komen. Het was veel veiliger om er het zwijgen toe te doen, nietwaar? Als je niet vervolgd wilt worden, moet je gewoon met de mensen meegaan en vooral niet te veel zeggen. Maar dat is in wezen het wegwerpen van de vrijmoedigheid.⟨/p> ⟨p>Ik vind het altijd een prachtig woord in Romeinen 1 vers 16, hoewel het meestal verkeerd wordt weergegeven. De vertaling luidt vaak: "Want ik schaam mij het evangelie niet." Dat Paulus dat zei: "Ik schaam mij het evangelie niet, want het is een kracht Gods tot redding." Maar er staat eigenlijk niet "ik schaam mij niet", maar "het evangelie beschaamt mij niet". Dat is iets heel anders. Er zit een actief element in: "Ik schaam me niet." Maar hoe komt dat? Omdat het evangelie mij niet beschaamt. Dat betekent dat het evangelie solide is; daar kun je op aan. Dat zet jou niet te kijk. En daarom kun je er gewoon vrijmoedig voor uitkomen. Vertel het, laat het klinken, spreek het maar en je zult ervaren in je eigen leven en in dat van anderen dat het kracht heeft. Dat het je niet in dank afgenomen wordt en een heleboel weerstand oproept, is waar. Maar werp uw vrijmoedigheid niet van u weg.⟨/p> ⟨p>Geef uw vrijmoedigheid niet prijs. Letterlijk staat er: "Gooi het niet weg." Wees er zuinig op. Dat wil zeggen: spreek er gewoon van en niet onder druk van wat men zegt. Wat kan je dat toch schelen, wat men zegt? Ik weet wel, dat is gemakkelijk geredeneerd als je in een vrije samenleving woont waarbij je zoveel gelegenheid krijgt om dingen te bespreken. Maar zelfs dan valt het me op dat mensen zeggen: "Pas maar op hoor, want als je daarover gaat spreken, kijken sommige mensen je met de nek aan." Dan denk ik: "En dan?" Alsof dat zo belangrijk is, wat men zegt of wat de godsdienstige mensen van jou zullen zeggen. Spreek het gewoon. Dat Woord beschaamt jou niet.⟨/p> ⟨p>Daarom vind ik dit een prachtige oproep: "Werp die vrijmoedigheid niet van je." Die heeft een ruime vergelding. Dat wil zeggen — het gaat over die vrijmoedigheid — ze heeft een grote beloning. Een mega-beloning. En dan gaat het niet over een beloning in de toekomst, maar een beloning nu reeds. Er staat namelijk in de tegenwoordige tijd: "hebbende een grote beloning". Dus niet toekomst, maar tegenwoordige tijd. Die beloning van die vrijmoedigheid is nu al je deel. Waaruit die beloning dan bestaat? Dat is in feite wat we gelezen hebben: de rijkdom van de belofte, de toegang die we hebben. Dat is al die beloning. Als je daarin staat, spreek ervan en deel de rijkdom daarvan uit. Dan mag je die zelf ook ontvangen. Want hoe was het ook alweer? "Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen," zegt Paulus in Handelingen 20. Hij gebruikt echt het woordje "gelukkiger". Het is geweldig om de rijkdom van het Woord van God te ontvangen, maar weet je wat nog mooier is? Om het door te geven. Die ruime vergelding of die grote beloning, die heeft het.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1661" title="Speel af vanaf 27:41">▶ 27:41⟨/button> ⟨span>De Betekenis van Volharding: Verduren en Onderblijven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Want gij hebt volharding nodig. Ja, dat is ook weer zo’n woord. Nog niet zo lang geleden ben ik daartoe bepaald door Menno Haayman, die bezig is met een Nederlandse interlineair. Het woord is niet 'volharding', zo bleek in een vergadering waarin we het daar uitgebreid over hebben gehad. Het woord dat in onze vertaling wordt weergegeven met 'volharding', is eigenlijk 'verduren'.⟨/p> ⟨p>Wat is het verschil? Volharden of volhouden is een activiteit die jíj doet; verduren gaat over de dingen die jij meemaakt en die je verdraagt, die je aankunt. Het woord betekent letterlijk 'verduring'. Het wordt trouwens in sommige gevallen ook in de NBG zo weergegeven, alleen niet concordant. Dat is altijd weer het probleem, maar in de Nederlandse interlineair die eraan zit te komen, is het inderdaad 'verduren'. Letterlijk betekent het 'onderblijven', eronder blijven. En dat is in tegenstelling tot ervan wegvluchten.⟨/p> ⟨p>Neem de situatie van deze Hebreeën, die zich onder zulke grote druk bevonden; het was dan zo gemakkelijk om te proberen daar onderuit te komen of daar onderuit te vluchten. Maar nee: blijf daaronder, verduur het maar. Dat is het. Er staat vaak dat 'lijdzaamheid'... Ja, lijdzaamheid, daar zit inderdaad een veel passievere gedachte in: het ondergaan. Volgens mij spreekt de Statenvertaling – ik zeg dit nu even uit de losse pols – consequent van lijdzaamheid. Het nadeel van dat woord is dat het weer erg oud-Nederlands is, maar het moderne Nederlandse woord voor lijdzaamheid is 'verduren'. Iets wat je verduurt, dat onderga je. Dat is een mooi woord trouwens in dit verband: dat onderga je. Je blijft daaronder.⟨/p> ⟨p>Ja, dat hadden ze nodig, dat is wat de schrijver zegt, om de wil van God te doen. Wat is die wil van God? Daar had hij zojuist over gesproken, daar spreekt hij de hele brief over. Dan gaat het niet over bepaalde regeltjes, maar dan gaat het juist over de inhoud: over het vasthouden aan de belijdenis van de verwachting en het niet wegwerpen van die vrijmoedigheid. Kortom, die dingen, dat is wat God wil.⟨/p> ⟨p>Je leest in 1 Thessalonicenzen 5 dat Paulus vraagt: "Wat wil God?" Er staat: "Verblijd u te allen tijde, bid zonder ophouden en dank onder alles." Hij noemt het precies in die volgorde: verblijd u te allen tijde, bid zonder ophouden en dank – namelijk: dank onder alles. Want dit is de wil van God ten opzichte van nu. Dan zie je dat het niets te maken heeft met bepaalde uiterlijke dingen; het heeft te maken met de inhoud. Het gaat om de omgang met Hem, leven in dankzegging en je daardoor ook verblijden in Hem. Dat is hier ook aan de orde: het gaat over de verwachting en het vasthouden aan het woord daarvan. Dat is het enige wat telt; de rest is niet interessant.⟨/p> ⟨p>De wil van God doende, om te verkrijgen wat beloofd is. Over die verwachting en over datgene wat beloofd is, daar had de schrijver inmiddels al zoveel over gesproken. In hoofdstuk 6 hebben we zelfs een hele pericoop gelezen over de belofte en over de wijze waarop God dat zelfs bekrachtigd heeft met een eedzwering. Welnu, dat alles: daarin staan, daaruit leven en dat vast te houden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1936" title="Speel af vanaf 32:16">▶ 32:16⟨/button> ⟨span>Een Naderend Oordeel: Nog een Zeer, Zeer Korte Tijd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Want, zegt de schrijver dan, en dan komt er een citaat uit Jesaja 26 vers 20. Hij citeert hier uit de Septuagint: "Want nog een korte, korte tijd." Een micro-tijd. Laten we dat eerst eens opzoeken in Jesaja 26, en dan geef ik het weer zoals de Hebreeuwse tekst het aangeeft. U zult dan zien hoe datgene wat de schrijver in Hebreeën 10 vertelt, direct gekoppeld is aan wat Jesaja 26 beschrijft.⟨/p> ⟨p>Het gaat daar ook over Israël. Je leest: "Kom, mijn volk, ga in uw binnenkamers en sluit uw deuren achter u." Want waarom? Er dreigden ook in die dagen vreselijke dingen. "Verberg u een korte tijd totdat de gramschap over is. Want zie, de HERE verlaat Zijn plaats om de ongerechtigheid der bewoners van de aarde aan hen te bezoeken." Er staat "de aarde", maar in het Hebreeuws staat er gewoon ⟨em>Haaretz⟨/em>. Dat betekent "het land". Het gaat om de ongerechtigheid van de bewoners van het land. Ik haal dit citaat er meteen bij om u te laten zien dat wat hier staat, aansluit bij wat in de Hebreeën-brief naar voren gebracht wordt, namelijk dat er binnen zeer, zeer korte tijd iets staat te gebeuren. Ik geloof niet dat er een tekst is in de Hebreeën-brief die dat zo sterk aangeeft als juist hier: dat het echt zeer spoedig staat aan te breken.⟨/p> ⟨p>We hadden in Hebreeën 8 aan het einde al gelezen over het nieuwe verbond. Daar staat: "Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard; en wat veroudert en verjaart, is niet ver van de verdwijning." Dat wil zeggen dat het hele bestel van het oude verbond, die hele tempeldienst en alles wat daaronder plaatsvond, in de nabije toekomst zou verdwijnen. Maar hier wordt zelfs gezegd: binnen zeer, zeer korte tijd.⟨/p> ⟨p>En dan staat er: "En Hij die komt." Maar ik zal u vertellen wat er blijkt als je het citaat uit Habakuk 2 erbij betrekt. Dan gaat het niet over "Hij die komt", maar over "het komende". Het komende. Er zijn zelfs vertalingen die het zo weergeven. Als je begrijpt waar de Hebreeën-brief over gaat, namelijk over het gericht—het oordeel dat in die dagen zeer binnenkort zou gaan plaatsvinden—dan gaat het hier niet zozeer over de komst van de Heer, maar over het gericht dat zou plaatsvinden. "En het komende zal er zijn en niet op zich laten wachten." Dan hoort "zich" ook niet met een hoofdletter natuurlijk. Het komende zal er zijn en niet op zich laten wachten. Nogmaals, dat gaat dus over die verwoesting van de stad Jerusalem in het jaar 70. Nog een zeer, zeer korte tijd en het komende zal er zijn en niet op zich laten wachten.⟨/p> ⟨p>Ik zei u al dat het een citaat was uit Jesaja 26, maar vervolgens komt het ook uit Habakuk 2. Daar lees je: "Want wel wacht het gezicht"—dat wil zeggen het visioen waar Habakuk over spreekt—"nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde." Ook in Habakuk gaat het over de verwoesting van de stad en een naderend oordeel. "En als het vertoeft, verbeid het"—dat wil zeggen: verwacht het—"want komen zal het gewis en uitblijven zal het niet." Ik haal dit nu even aan omdat de schrijver, als u een bijbeltje hebt met schriftverwijzingen, hier nogal wat verwijzingen geeft naar Oudtestamentische schriftplaatsen. In dit geval is dat dus Habakuk 2. Niet "Hij die komt", maar "het komende". Dat gaat concreet over de gebeurtenissen die zich in die dagen zeer spoedig zouden voltrekken: een aanstaand gericht.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2244" title="Speel af vanaf 37:24">▶ 37:24⟨/button> ⟨span>De Rechtvaardige Zal uit Geloof Leven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan lees je in vers 38: "En mijn rechtvaardige zal uit geloof leven." Dat is een tekst die je natuurlijk heel dikwijls in het Nieuwe Testament tegenkomt of toegelicht vindt. Want als ik zeg 'heel veel', dan bedoel ik eigenlijk drie keer, maar het wordt wel uitgebreid toegelicht. Het is een citaat uit Habakuk 2 vers 4. Je vindt het drie keer in het Nieuwe Testament: in Romeinen 1 vers 17, in Galaten 3 vers 11 en hier in Hebreeën 10 vers 38.⟨/p> ⟨p>Ik had het net over Romeinen 1 vers 16: "Want het evangelie beschaamt mij niet." Maar in Romeinen 1 vers 17 daar lees je: "Want gerechtigheid Gods wordt daarin, in dat evangelie, geopenbaard uit geloof tot geloof. Gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven." Dat is een citaat uit hetzelfde gedeelte, Habakuk 2 dus. Paulus haalt het aan in Romeinen 1, maar hij haalt het vervolgens ook weer aan in Galaten 3 vers 11. En de schrijver in de Hebreeën-brief haalt het ook aan, maar dan anoniem; hij vermeldt zijn naam niet. Maar als we ervan uitgaan dat het ook Paulus is geweest, dan vinden we hier dus de derde vermelding van het citaat: Hebreeën 10 vers 38.⟨/p> ⟨p>"En mijn rechtvaardige zal uit geloof leven." Dit is een heel typisch Paulinisch statement. Ja, het is een citaat uit Habakuk, maar het is typisch Paulus omdat geloof en rechtvaardigheid aan elkaar gekoppeld zijn. God rekent geloof tot rechtvaardigheid. Maar dat is dan weer een citaat uit Genesis waar je leest over Abraham: "Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend." Dat wil zeggen: Abraham was een tzadik, een rechtvaardige. Waarom? Omdat hij God geloofde. Hij deed niks; het was geen handel en het had niets te maken met zijn wandel. Natuurlijk heeft dat geloof wel zijn impact, maar hij beaamde simpelweg dat wat God onvoorwaardelijk beloofde. En dan staat er: "En Abraham geloofde God en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend."⟨/p> ⟨p>Wat is een gelovige? Of laat ik de vraag omkeren: wat is een rechtvaardige? Wat is nou rechtvaardigheid? Dat is degene die God op Zijn woord neemt. God belooft onvoorwaardelijk en het beamen daarvan is wat God rekent tot rechtvaardigheid. Dat is een gruwel in de ogen van velen, dat het allemaal zo makkelijk kan. Maar God belooft onvoorwaardelijk en jij beaamt dat. Dat dit gerekend wordt tot gerechtigheid, dat is toch geen prestatie? Nee, dat is het ook niet. Want zelfs het feit dat je het gelooft, betekent dat je overtuigd bent van en overtuigd bent dóór. Hij spreekt, Hij heeft jou overtuigd; wat is dat dan voor een prestatie? Als je "amen" zegt, dan ben je overtuigd. Dus Hij doet ook nog eens een keer Zijn werk daarin. Maar dat is precies wat een rechtvaardige is: iemand die leeft uit geloof, dat wil zeggen: gelooft wat God gesproken heeft.⟨/p> ⟨p>"En mijn rechtvaardige zal uit geloof leven", maar er staat ook: "maar als hij nalatig wordt" — dat wil zeggen: als hij nalaat om te beamen wat God zegt — "dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen." Ook dit wordt trouwens weer geciteerd uit Habakuk 2. Wat de schrijver hier doet is niks anders dan het aan elkaar rijgen van diverse citaten uit Jesaja 26 en Habakuk 2. Het idee daarbij is telkens dat wat God honoreert, inderdaad geloof is: staan op Zijn woord. En als je dat verlaat, dan heeft Mijn ziel in hem geen behagen.⟨/p> ⟨p>Dan komen we in vers 39, waar de schrijver zegt: "Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid." Hier zie je trouwens iets heel moois. Namelijk dat hoeveel kaf er ook onder het koren was daar onder al die tienduizenden Messiaanse gelovigen, en hoeveel er ook afvielen — over aantallen wordt trouwens niet gesproken — de schrijver rekent de geadresseerden tot de "wij". Hij zegt: "Wij zijn niet zo. Wij staan op dat Woord." Hij spreekt dat heel positief uit. Hij stelt gewoon vast dat er velen zijn die ooit beleden dat Jezus inderdaad de Messias en de Opgewekte is, en die onder druk weer zijn afgevallen. Niet alleen onder druk, maar ook doordat het spektakel verdwenen was. Velen waren nalatig en gaven dat prijs; dat stelt hij vast. Maar — en zo spreekt hij de geadresseerden aan — wij hebben niets van doen met die nalatigheid. Dat afstaan daarvan, dat terugdeinzen, 'shrinking back'. Wij hebben niets van doen met die nalatigheid die ten verderve leidt. Eigenlijk staat er gewoon het woord 'destruction' in de Engelse concordante weergave, of 'ondergang'.⟨/p> ⟨p>Ja, dat zijn hele concrete woorden. Je zou voor de aardigheid eens op een rijtje moeten zetten wat de schrijver hier alleen al in hoofdstuk 10 zegt over dat wat aanstaande is. Al die termen worden zogenaamd vergeestelijkt, maar in werkelijkheid zijn ze buitengewoon concreet. Hij heeft het over de felheid van vuur, over het gericht, over "korte, korte tijd" en hier spreekt hij over die nalatigheid, het afstaan van dat geloof, die leidt tot ondergang. Dat was ook heel letterlijk zo, want ik heb u bij andere gelegenheden al eens verteld over wat er toen daadwerkelijk is gebeurd en hoeveel er toen meer dan een miljoen Joden zijn omgekomen even later in de stad Jeruzalem en omstreken. Het ging om 1,2 of 1,3 miljoen mensen; dat is een gigantische slachting geweest. Dat gold voor allen die daar bleven en die niet de wijk namen en de legerplaats niet verlieten. Dat had allemaal te maken met dat vasthouden aan het Woord. Het heeft dus niks met prestaties te maken, maar met dat vasthouden, het niet wegwerpen.⟨/p> ⟨p>"Maar wij hebben niks van doen met die nalatigheid die tot de ondergang leidt, maar met geloof dat de ziel behoudt." Letterlijk is dit niet gewoon een woord voor redding of behoud, maar: "tot verwerving van ziel". Het idee is: wat de ziel in stand houdt, wat de ziel bewaart. Zouden ze inderdaad nalatig zijn en van doen hebben met het afstaan van dat Woord, dan zou dat inderdaad leiden tot de ondergang. Maar daarentegen: als ze gehoor zouden geven aan waar de schrijver nu toe oproept, om inderdaad de stad te verlaten en vast te houden aan het geloof in de Messias, dan zou dat de ziel inderdaad bewaren en verwerven.⟨/p> ⟨p>Dat verwerven is niet de tegenstelling van het verliezen; het doet me trouwens denken aan een woord uit de evangeliën: "Wie zijn ziel liefheeft, die zal haar verliezen, maar wie zijn ziel verliest, die zal haar vinden." De vertalingen zeggen dan "wie zijn leven liefheeft", maar er staat "ziel". Als je het puur psychisch benadert — want dat is het woord dat hier gebruikt wordt — dan was het niet erg slim om te staan voor dat getuigenis van de Messias en de belijdenis van de hoop vast te houden. Dat leverde immers heel veel druk op. Maar uiteindelijk zou de stad ten onder gaan en degenen die zouden vasthouden aan het Woord, die zouden ontkomen. Dat is wat de schrijver zegt. Zo zou men inderdaad de ziel verwerven, ondanks dat het op korte termijn misschien veel zou kosten. Maar dat is wat geloof doet: dan ga je niet uit van wat je ziet, maar van wat God spreekt.⟨/p> ⟨p>Nou, en als ik dat zeg, dan zijn we aangekomen bij hoofdstuk 11 vers 1. Een schitterende uiteenzetting waar we ons nog uitgebreid mee bezig zullen houden, maar ik stel voor dat we eerst even een kopje koffie gaan drinken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2855" title="Speel af vanaf 47:35">▶ 47:35⟨/button> ⟨span>Introductie Hebreeën 11: Wat Is Geloven?⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten wij de draad weer oppakken. Wij hadden inmiddels het tiende hoofdstuk afgesloten, maar zoals u weet, moet u zich van die hoofdstukindeling niet te veel aantrekken. Dat blijkt ook hier weer, want hoofdstuk 11 gaat direct verder met waar hoofdstuk 10 het over had, namelijk over geloof. We hebben zojuist gezien dat geloof de ziel verwerft — of de ziel behoudt, zoals dat in sommige weergaven staat. En wat is dan geloof? Daar gaat Hebreeën 11 vervolgens over.⟨/p> ⟨p>Hebreeën 11 is natuurlijk een heel bekend hoofdstuk. In mijn bijbeltje staat erboven: 'De galerij der geloofsgetuigen'. In andere versies staat simpelweg 'de geloofsgetuigen'. Het hoofdstuk is vooral bekend als een verslag van een hele reeks mensen die de revue passeren; mensen die leefden uit geloof. Men spreekt dan wel over 'geloofshelden', waar ik een beetje moeite mee heb. Het klinkt alsof het een soort heroïek is van mensen die uit zichzelf zo geweldig dapper waren. Daar gaat het juist niet om; het gaat erom dat zij zoveel vermochten door geloof. Daar gaat Hebreeën 11 inderdaad uitgebreid over spreken.⟨/p> ⟨p>Geloven nu — niet 'het' geloof, want het gaat niet over dat wat geloofd wordt. Als je het hebt over 'het geloof', denk je aan het onderwerp, de dingen die worden aangenomen of de dingen die worden geloofd. Maar het gaat hier niet over de inhoud, maar over het geloven zelf. Geloven nu is de zekerheid der dingen. Men vat wat hier in Hebreeën 11 vers 1 staat wel eens op als een definitie, maar dat is het niet. Het gaat erom wat geloven behelst, wat het inhoudt en wat het effect ervan is. Het is een beschrijving van wat het in wezen is.⟨/p> ⟨p>"Geloof nu is de zekerheid der dingen..." In het Grieks staat daar het woordje hypostasis. Ons woord 'hypothese' is daarvan afgeleid, hoewel dat technisch niet helemaal correct is. Ik heb het daar in de pauze al even over gehad, maar voor het gemak hou ik het er even bij om het niet te ingewikkeld te maken. Hypostasis betekent letterlijk 'onder-staan'. 'Hypo' is onder, 'stasis' heeft te maken met staan. Dat doet weer denken aan ons woord 'onderstelling'. In de Engelse concordante weergave staat assumption, oftewel aanname. Dat woord kwamen we ook al eerder tegen in de Hebreeënbrief, helemaal in het begin in Hebreeën 1 vers 3. Daar wordt het in vertalingen vaak weer compleet anders weergegeven, bijvoorbeeld met 'wezen', maar dat klopt niet. De Engelse Concordant Version vertaalt het ook daar met assumption. Een aanname, dat is wat het is. Dat is hoe het inderdaad eensluidend weergegeven kan worden.⟨/p> ⟨p>Geloof nu is de aanname der dingen. Ons woord 'hypothese' is wel aardig in dit verband, want dat is wat een academicus zou zeggen. Op de universiteit spreken ze over een theorie en een hypothese. Een hypothese is dat waar je vanuit gaat; het moet nog bewezen worden, de observaties zullen het nog moeten bevestigen, maar je gaat ervan uit. Het is de aanname, de onderstelling. Feitelijk is dat wat geloof is; een academicus zou het zo beschrijven. In de academische sfeer zegt men wel eens in het spraakgebruik: "Dat is een academische kwestie." Men bedoelt dan dat het een kwestie is die er eigenlijk niet toe doet. Als het er echt om gaat, zegt men: "Dat is een academische kwestie," waarmee men bedoelt dat het in de praktijk toch geen ene bal uitmaakt. Dan is het woordje hypothese natuurlijk ook eigenlijk heel erg lauw.⟨/p> ⟨p>Maar geloof is een aanname; je neemt iets aan. In de wetenschap spreken ze trouwens ook over een axioma: een onbewezen uitgangspunt waar je op voorhand vanuit gaat. Dat is ook wat geloof is. Je gaat uit van dat wat gesproken is, de aanname. Het is de aanname der dingen, van zaken die men hoopt, of eigenlijk: die men verwacht. Het wil niet zeggen dat je 'hoopt' in de zin van: "Ik hoop dat ik beter word" of "Ik hoop dat het lekker weer wordt." Je kunt van alles hopen, maar dat is niet dit woord. Het gaat om wat je verwacht; dat wat aangekondigd is en wat zal gaan gebeuren. Het moet nog blijken, maar het zal gebeuren. Dat is ook wat profetie is: een voorzegging. Geloof heeft altijd te maken met zaken die je verwacht over toekomstige dingen, die je nu dus nog niet ziet. Want hoe kan men verwachten wat men al ziet, zoals Paulus zegt in Romeinen 8? Verwachting heeft altijd te maken met dingen die nu nog niet gezien worden.⟨/p> ⟨p>Het is dus de aanname van zaken die worden verwacht, en het bewijs — conviction, de overtuiging — van wat niet wordt geobserveerd, wat men niet ziet. Het woord 'bewijs' is in dit geval wat misleidend, omdat je bij een bewijs denkt dat je het kunt zien. Nee, het gaat juist over de aanname van zaken die worden verwacht en het overtuigd zijn van zaken die men niet kan observeren, die je niet kunt zien.⟨/p> ⟨p>In de hele beschrijving die nu gaat volgen, passeren al die mensen de revue: te beginnen bij Abel, dan Henoch, Noach, Abraham, Mozes, enzovoort. Het is een gigantisch lange lijst en we zullen met de bespreking van dit hoofdstuk veronderstel ik nog wel een tijdje bezig zijn. Het is een schitterend hoofdstuk omdat het telkens weer terugkeert naar dit uitgangspunt. Vers 1 is wat dat betreft het startpunt van een heel nieuw betoog. Daarom begrijp ik die hoofdstukindeling heel goed; het is logisch om hier met een nieuw hoofdstuk te beginnen. Vers 1 is de uitvalsbasis, de beschrijving waarin wordt geëtaleerd en gedemonstreerd dat al die mensen dingen aannamen die in de toekomst hun beslag zouden krijgen. Zij waren overtuigd van zaken die zij nog niet konden observeren.⟨/p> ⟨p>Het geloof had dus per definitie de schijn tegen. Het is natuurlijk niet voor niets dat de schrijver juist deze dingen memoreert aan de Hebreeën. Zij bevonden zich in een omgeving waar nog een fysieke tempel stond en waar een offerdienst was — allemaal zichtbare zaken. Inmiddels was de tijd voorbij dat er spectaculaire wonderen plaatsvonden, waardoor mensen afdreven en afhaakten. Er was sprake van apostasie; men nam afstand. Dat had alles te maken met de dingen die men observeerde. Maar er is niets zo misleidend als de schijn; daarom heet het ook 'schijnen'. Geloof is juist de overtuiging van zaken die niet worden geobserveerd.⟨/p> ⟨p>Door dit geloof is aan de ouden — of eigenlijk staat hier het woordje voor de ouderen, presbuteros, wat elders vertaald wordt met 'oudsten' — een getuigenis gegeven. We komen dit woord bijvoorbeeld ook in Mattheüs 15 vers 2 tegen, waar het gaat over de vroegere generaties, zij die ons voorgegaan zijn. Al die mensen die vervolgens in hoofdstuk 11 genoemd worden, mensen die we kennen uit de Tenach, het Hebreeuwse Oude Testament, dat zijn de ouderen uit de vroegere generaties. Welnu, door dit geloof, door deze aanname en overtuiging van zaken die niet geobserveerd worden, is aan hen een getuigenis gegeven.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3500" title="Speel af vanaf 58:20">▶ 58:20⟨/button> ⟨span>De Aionen Toebereid Door het Woord van God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Door het aannemen van wat God gesproken heeft, door geloof, verstaan we. Begrijpen betekent hier dat we erover kunnen nadenken. Het woord dat hier gebruikt is, heeft inderdaad te maken met nadenken, met het besef hebben van, maar ook begrijpen dat. Dat is niet door observatie of wetenschappelijke redeneringen of ontdekkingen; nee, het is door geloof. God Zelf heeft het door Zijn Woord bekendgemaakt. Dat wil zeggen: door openbaring. Dus niet door deductie, door afleidingen en door menselijke intelligentie, maar door openbaring. God Zelf vertelt het.⟨/p> ⟨p>"Door geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods..." Oei, oei, oei, wat een fout staat hier in de vertaling. Want er staat niet "de wereld". Het woordje "wereld" is een heel ander woord in het Grieks, namelijk kosmos. En bovendien staat hier een meervoud; hier komen we weer dat woord aionen tegen. Door geloof verstaan we, begrijpen we, dat de aionen door het Woord Gods, door Gods uitspraak, tot stand zijn gebracht. God spreekt en de aionen zijn daardoor tot stand gebracht. In de Statenvertaling kunt u dat trouwens ook zien, daar staat "toebereid". En inderdaad, dat is het idee: toebereid of gereed gemaakt.⟨/p> ⟨p>De Concordant Version spreekt hier van ⟨em>adjusted⟨/em>. Het woord wordt ook gebruikt in Mattheüs 4 vers 21 — trouwens niet alleen in dit vers — waar het gaat over het toebereiden van de netten. Ik weet even niet exact hoe het er staat, maar in ieder geval waren daar vissers aan de oever die hun netten aan het toebereiden waren, in gereedheid aan het brengen. Dat is wat het woord dat hier gebruikt wordt, betekent. Dus die aionen, die wereldtijdperken en dat wat daarvan gezien wordt, zijn door Gods uitspraak toebereid, gereed gemaakt.⟨/p> ⟨p>En dan staat er: "zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare." Dat is boeiend. Laat ik het even letterlijk lezen: zodat het niet uit fenomenen... Ja, ik heb het expres zo weergegeven, want ik geef toe dat het vreemd klinkt. Maar hier ziet u het woord ⟨em>phenomenon⟨/em>. Een fenomeen is een verschijnsel dat zich aan ons voordoet, wat we zien met de ogen en wat zich op deze wijze aan ons vertoont of voordoet. Dat is wat een fenomeen is. Zodat niet uit fenomenen het geobserveerde is geworden. Met excuses dat het misschien stijfachtig klinkt, maar dat is wat de schrijver naar voren brengt. Wat wij observeren, is niet uit zichtbare verschijnselen voortgekomen. Dat is wat er staat.⟨/p> ⟨p>Alles is voortgekomen uit het Woord Gods: de aionen. Het geobserveerde komt dus overeen met de aionen, en die komen niet voort uit zichtbare verschijnselen, maar uit wat God gesproken heeft. Wat God gesproken heeft is niet zichtbaar, maar uit Zijn Woord, uit Zijn uitspraak komt alles voort. Zoals we weten — en daarom begrijp ik ook wel een beetje waarom men gemakshalve heeft gezegd dat de wereld door het Woord Gods geworden is. Dat is natuurlijk wel zo, want inderdaad: God sprak en het was er, "er zij licht" en er was licht. Gods Woord verklaart het ontstaan van de schepping. Maar het gaat niet alleen over de schepping; het gaat over de aionen, de wereldtijdperken zoals die geordend zijn en gekenmerkt worden. Zoals wij nu in een boze aion leven, wel, dat is door Gods Woord, door Gods uitspraak ook zo geworden. Alles komt voort uit het Woord Gods.⟨/p> ⟨p>Nu ben ik eigenlijk weer terug bij Johannes 1: "Zonder dat is geen ding geworden dat geworden is." Alles komt voort uit het Woord. En dan denken wij dat er dingen zijn die belangrijker zijn dan het Woord; dat is de grootste onzin. Alles komt voort uit het Woord. En niet alleen verklaart dat het ontstaan, het verklaart ook het bestaan der dingen. De dingen worden gedragen — dat was trouwens ook Hebreeën 1 — alle dingen worden gedragen door het Woord van Zijn kracht, Zijn krachtig Woord. Er gaat niets boven het Woord van God, dat is alles. Alles komt daaruit voort, dat is daaruit geworden.⟨/p> ⟨p>Zodat je aan het Woord per definitie nooit te veel betekenis kunt toekennen. In je leven is dat ook zo, puur praktisch: er is niets wat boven het Woord uitgaat. Ten opzichte van het Woord is al het andere flauwekul, want alleen Zijn Woord houdt stand. Het zal ook altijd de waarheid blijken. En dat verklaart ook precies... Je vindt het op zulke prachtige plaatsen en misschien wel een van de allermooiste is — mag ik het van mijn schoonmoeder misschien niet vertellen — die geschiedenis in Lucas 10 van Martha. Martha, weet u wel, die bezig was met vele dingen en die zich ergerde aan haar zus die gewoon aan de voeten van de Heer zat en luisterde. Te midden van die ergernis zegt Hij: "Gij bekommert u om vele dingen, maar één ding is slechts belangrijk." Één ding. En Maria heeft het goede deel gekozen. Één ding: luisteren naar het Woord.⟨/p> ⟨p>Als je luistert naar het Woord, gebeurt alles. Dan zal alles zijn beslag krijgen, dan zal alles goed gaan. Mensen denken dat er zoveel dingen belangrijk zijn, maar dat is onzin, dat is niet waar. Er is maar één ding belangrijk, want door te luisteren naar het Woord zal alles vervolgens gewoon gaan zoals het moet gaan. In je leven is dat de grootste krachtbron; het zal je alle vrede geven die je maar kunt bedenken. Wij denken dat allerlei andere dingen toch ook wel heel erg belangrijk zijn, maar dat is niet waar. Alleen het Woord. Als je met die instelling leeft dat alleen het Woord telt, zullen juist al die andere dingen als vanzelf gaan. Ik denk meteen aan een ander woord in het Evangelie: "Zoek eerst dat ene, en alle andere dingen zullen u bovendien geschonken worden."⟨/p> ⟨p>Ja, zo zie je dat als je dit echt gaat verstaan — het belang, de betekenis en de kracht van het Woord... Sorry voor dat ouderwetse woord, maar ik weet geen beter modern woord: de algenoegzaamheid van het Woord. Het Woord voorziet dus in alles, het geeft alles. Ik moet eigenlijk altijd lachen als mensen dan zeggen dat er ook nog zoveel andere belangrijke dingen zijn. Nee, als je het afzet tegen het Woord, is het volstrekt onbelangrijk. Door dat Woord Gods zijn de aionen toebereid.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4098" title="Speel af vanaf 01:08:18">▶ 01:08:18⟨/button> ⟨span>Het Betere Slachtoffer van Abel⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Door geloof heeft Abel – ook hier weer niet door ⟨em>het⟨/em> geloof, maar door geloof – Gode een beter offer gebracht dan Kaïn. Ja, een beter offer. Weet u trouwens wat de naam Abel betekent? Abel betekent ijdel, leeg, hebel. Het is hetzelfde woord dat in het Oude Testament, bijvoorbeeld in Prediker, vertaald wordt als 'ijdelheid der ijdelheden'. Dat woord: ijdel, leeg. Dat was hij van zichzelf, maar aan Abel is getuigenis gegeven. Waarom? Hij mocht zelf dan leeg zijn, maar dat is helemaal geen enkel probleem, want hij werd gevuld. Dat is het mooie van iets wat leeg is: dat kan gevuld worden. Een leeg vat. Als het leeg blijft, dan klinkt het misschien hard, maar dan heeft het met recht geen inhoud. Maar het gaat erom dat het gevuld wordt.⟨/p> ⟨p>Even los van die beeldspraak: Abel mag dan zelf ijdel zijn, maar hij was een man die geloofde. Hoe weten we dat? Hij heeft Gode – dat wil zeggen: aan God, aan de God – een beter offer gebracht dan Kaïn. Dat is een heel boeiend verschijnsel. Want trouwens, er staat hier letterlijk niet 'beter', maar 'meer'. En het woord 'offer' is letterlijk een 'slachtoffer'. Hij heeft meer slachtoffers gebracht, en dat is essentieel in dit verhaal. Als u trouwens even terugbladert naar hoofdstuk 10 vers 8, dan zien we dat de schrijver Psalm 40 aanhaalt en zegt: 'Slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers hebt Gij niet gewild.' En wat blijkt? Dat woordje 'slachtoffers', zoals dat in Psalm 40 ook gebruikt wordt, gaat inderdaad over offers die geslacht worden. En dan begrijp je Hebreeën 11 ook direct, want het gaat over een slachtoffer dat Abel bracht.⟨/p> ⟨p>Kijk het maar na in Genesis. Wat was het verschil? Laten we het even opzoeken. Ik heb hier geen diaantje van, maar in Genesis 4 lees je in vers 3: 'Na verloop van tijd bracht Kaïn van de vruchten der aarde aan de HERE een offer. Ook Abel bracht van de eerstelingen van zijn schapen. En de HERE sloeg acht op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht.' Wat is het verschil als je puur naar de aard van het offer kijkt tussen dat wat Abel bracht en wat Kaïn bracht? Kaïn bracht van de vruchten van het land en wat deed Abel? Abel bracht een slachtoffer, namelijk van de eerstelingen van de schapen. Hij bracht dus met recht een slachtoffer, een bloedig offer.⟨/p> ⟨p>Dat is het wezenlijke verschil, vooral ook weer in relatie tot het hele thema van de Hebreeënbrief, waar het gaat over het grote, het ware offer. Waardoor wordt dat gekenmerkt? Wel, door een bloedig offer. Dat is wat Abel bracht door een dier te slachten en zo vervolgens te offeren. Want niet de slachting was het offer, maar eerst werd het dier geslacht en vervolgens op het altaar steeg het op tot God. Ik weet niet wat Abel daarvan begrepen heeft, dat is moeilijk te achterhalen. De weergave en het hele verslag in Genesis is heel summier, maar we weten: Abel deed het uit geloof. Kennelijk heeft God daarover geïnformeerd, anders heet het geen geloof. Geloof heeft altijd te maken met de aanname van wat God spreekt.⟨/p> ⟨p>Ik denk wel eens dat die mensen – als ik de beschrijvingen lees over de aartsvaders – veel meer geweten en dus ook gehoord moeten hebben dan wij vaak denken. Over de schepping, over de natuur, over typologie en over allerlei rituelen die ze deden. Ze deden dat dan toch maar. En Abel... ik lees nergens in het boek Genesis dat God voorschriften geeft of dat Hij iets zegt over offeranden. Maar Abel bracht een offer en Abels offer was in elk geval uit geloof. Het inhoudelijke verschil is dat Abel een offer bracht, een slachtoffer: een dier dat geslacht werd en vervolgens geofferd. Wel, dat was voor God welgevallig.⟨/p> ⟨p>Dat is precies wat hier ook staat: 'Hierdoor wordt van hem getuigd dat hij rechtvaardig was.' Nou, één en één is twee, we zagen het al eerder: wat is een rechtvaardige? Dat is iemand die gelooft. Abel geloofde. Wat hij ervan begrepen heeft, dat is de vraag, maar Abel geloofde. En hij heeft een offer gebracht waarin precies tot uitdrukking gebracht wordt waar het bij God om gaat: door dood en opstanding. Slachting en offer, zo nadert een mens tot God en niet door de vrucht van wat de aarde voortbrengt. Dat is wat Kaïn deed. Niet door de vrucht van wat de aarde voortbrengt, maar door middel van dood en opstanding; zo nadert een mens tot God. Abel was een rechtvaardige, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven.⟨/p> ⟨p>Ik wil de volgende keer daar nog even wat over zeggen, want er staat hier eigenlijk het woord voor een naderingsgeschenk. Hij naderde tot God en God gaf getuigenis aan zijn gave, niet aan wie Abel was. Abel zelf was van zichzelf leeg, dat betekent zijn naam. Maar dat is geen probleem; Abel geloofde wat er gesproken werd en hij kreeg getuigenis van datgene waarmee hij God naderde. God gaf getuigenis aan zijn gaven; daar zie je dus het geheim van zijn offer en het verschil tussen dat wat Abel bracht en dat wat Kaïn bracht. En hierdoor spreekt hij nog. Hij spreekt nog steeds, niet nadat hij gestorven is, maar ofschoon hij stervende was, sprak hij toch.⟨/p> ⟨p>U kent de geschiedenis, want er wordt natuurlijk heel vaak van allerlei dingen daarover gefantaseerd, ook over wat er gebeurde met het offer van Abel. Dat is de kinderbijbelversie: hoe wist Kaïn nu dat God het offer van Abel accepteerde en zijn offer niet? De kinderbijbelversie is altijd dat de rook van Kaïns offer wegwaaide en die van Abel omhoog steeg. Ik herinner me nog dat plaatje in de bijbel van Anne de Vries destijds; zo werd dat dan voorgesteld. Maar dat is op basis van latere geschiedenissen over hoe God een offer aanvaardde, en dat was door het zelf aan te steken. Er zijn diverse voorbeelden van. Als een mens het zelf aanstak, dan heet dat 'vreemd vuur'. Dat was iets wat God buitengewoon kwalijk nam. Men mocht het offer niet aansteken door het zelf aan te maken, maar altijd door vuur van het altaar, en ooit was dat begonnen met goddelijk vuur.⟨/p> ⟨p>Op de berg Karmel lees je dat ook, dat is wel heel demonstratief als Elia het opneemt tegen die vierhonderdvijftig Baälpriesters. Maar in het algemeen is het zo dat God een offer aanvaardt en tot Zich neemt. Eigenlijk is het een vorm van maaltijd: Hij neemt het tot Zich door het inderdaad aan te steken. God gaf getuigenis aan zijn gave, dat is één ding wat zeker is, en dat heeft Kaïn gezien. Ofschoon Kaïn vervolgens in woede ontvlamde en zijn broer doodde. Dat was de eerste grote wereldoorlog, dat weet u toch? Ja, toen werd de toenmalige wereldbevolking, die nog niet zo heel erg groot was voor zover we weten, voor 25% omgebracht. Abel namelijk. Dat mag een wereldoorlog heten.⟨/p> ⟨p>Maar in elk geval: ofschoon hij stierf, sprak Abel nog. Je leest ook later – niet veel later, want het staat zelfs beschreven in Genesis 4 – dat het bloed van Abel schreeuwde. Dat is dan het laatste wat ik nog even met u wil opzoeken in Genesis 4 vers 10. Daar lees je dat God tegen Kaïn zegt: 'Wat heb jij gedaan?' En dan staat er dat God zegt: 'Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem.' Ja, en dan komt er nog iets over wat er met Kaïn gebeurt, die vervolgens een zwerver wordt over de aardbodem. Daar wil ik nu niet meer over uitweiden.⟨/p> ⟨p>Ik wil de volgende keer daar nog even iets over zeggen, over Kain, en nog één of twee opmerkingen eraan toevoegen, ook in verband met dat woord van de naderingsgave.⟨/p> ⟨p>Maar voor vanavond wil ik volstaan met het feit dat God aan de gaven, aan het offer van Abel getuigenis gaf. Het was een verschillend offer en het was een offer dat Abel bracht door geloof. Hij nam aan wat God sprak. En dat is het beste wat een mens kan doen.⟨/p>