⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op de Eerdere Hoofdstukken van Johannes⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Nou, dan gaan we alsnog maar beginnen. Voordat we dat lange hoofdstuk Johannes 4 gaan bespreken, waar ik het zojuist al even over had, wil ik zoals te doen gebruikelijk nog even terugblikken. Het is inmiddels wel weer een heel tijdje geleden dat we hier bij elkaar waren en dat we het slot van Johannes 3 hebben besproken, maar wellicht is het nuttig om zo het geheel te overzien.⟨/p> ⟨p>We hebben nu inmiddels drie hoofdstukken van het Johannes-evangelie besproken. Als u zo door uw Bijbeltje bladert en naar de opschriften kijkt, kunt u dat zelf ook nagaan, maar ik kan het ook wel even op een rijtje zetten. Behalve de belangrijke proloog, het voorwoord van Johannes, hebben we gesproken over de doop van Jezus, die een belangrijke rol speelt in het eerste hoofdstuk. Dan volgt in hoofdstuk 2 het eerste teken dat Jezus heeft verricht, en dat was op een derde dag tijdens een bruiloft. Daarna lezen we dat Hij Zich richt op Jeruzalem; daar viert Hij het Pascha en voorafgaande aan dat Pascha wordt de tempel gereinigd door de Heer. Dat was hoofdstuk 2.⟨/p> ⟨p>In hoofdstuk 3 lezen we dat er in de nacht iemand tot Hem kwam. Nou ja, iemand... het was dé leraar van Israël, zo noemt Jezus hem: Nicodemus. Een geweldig gezaghebbende farizeeër, maar hij blijkt er niet al te veel van begrepen te hebben. Zij hebben dan een gesprek, of liever: Jezus spreekt dan over wedergeboorte, oftewel van bovenaf gegenereerd worden — om het wat deftiger en ook wat correcter te zeggen.⟨/p> ⟨p>Vervolgens lees je in het vervolg van Johannes 3 — en dat is inderdaad hetgeen wat we het laatst hebben besproken, alweer ruim een maand geleden volgens mij — over het verblijf van Jezus. Niet in Jeruzalem, maar in Judea, daar bij de Jordaan, waar Zijn discipelen ook doopten, zoals Johannes de Doper en zijn discipelen dat ook deden. Daar ontstaat een hele discussie, een dispuut, en belangrijke dingen worden dan ook uit de mond van Johannes de Doper opgetekend, waarna weer een commentaar volgt van Johannes. En dan bedoel ik dus de schrijver, Johannes, één van de twaalf dus.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="157" title="Speel af vanaf 02:37">▶ 02:37⟨/button> ⟨span>Door Samaria Reizen: het Typologische Karakter⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We komen aan in Johannes 4. De eerste verzen daarvan hebben we al besproken; in ieder geval tot en met vers 3. Dat is namelijk het geval: Jezus bevond zich in Judea en dan reist Hij naar het noorden, weer opnieuw naar Galilea. En dan gaat Hij – Hij móést gaan, staat er – Hij moest door Samaria gaan. Dat was niet alleen maar omdat je door Samaria gaat als je een rechte lijn trekt, want normaal gesproken maakte men een omweg. Ik heb u dat de vorige keer geloof ik ook al verteld. Hij gaat echter een rechte weg; Hij moest daar in Samaria wezen. Heel hoofdstuk 4 is feitelijk een tekst en uitleg waarom dat dan wel het geval was.⟨/p> ⟨p>Vervolgens arriveert Hij in Sichar. Ik stel voor dat we daar de draad op gaan pakken. Er zal nog een klein beetje overlap zijn, niet al te veel, met het slot van de vorige keer om nog even een helder beeld te hebben. Hier ziet u Jeruzalem, niet al te groot afgebeeld. De stad Jeruzalem, hier nog een puntje van de Dode Zee, Judea, en hier Galilea. Nazareth, waar ligt dat? Hier is het Meer van Galilea. In elk geval gingen ze dus vanuit Judea naar Galilea. We zullen aan het slot van dit hoofdstuk trouwens zien dat Jezus weer in Kana terechtkomt. Er valt nog veel over te zeggen, maar daar hebben we het later nog over.⟨/p> ⟨p>In elk geval is Hij hier gearriveerd in Sichar, gelegen aan de voet van de Ebal en de berg Gerizim. Dit zijn twee bergen die ook in het boek Deuteronomium nogal een grote rol spelen, omdat daar door Mozes ook de zegen en de vloek werden voorgesteld. Het is bij de berg Gerizim dat de Samaritanen ook hun heiligdom hadden, maar ik moet eigenlijk zeggen: hebben. Tot op de dag van vandaag bestaat die groep van Samaritanen nog steeds.⟨/p> ⟨p>Ik wilde u dit ook nog eventjes laten zien. Je ziet niet al te veel, maar in elk geval is dit heel authentiek. Als je op plaatsen in Israël komt en je bent op pelgrimage, om het even zo te zeggen, en je bezoekt allerlei oude plaatsen die in de Bijbel besproken worden, dan moet je altijd de vraag stellen: is dit het echte, het originele? Soms blijkt dat nog wel eens een keer af te wijken. Maar daar hebben we het volgend jaar nog wel eens over, Daniela. Ja, ja, dan gaat er een reis georganiseerd worden naar Israël en wellicht dat we dan hier ook nog komen.⟨/p> ⟨p>Dit is de bron van Jakob bij Sichar, een hele oude bron en een zeer diepe put. Dat wordt in dit gesprek trouwens ook nog eventjes in het voorbijgaan opgemerkt. Ik heb begrepen dat de put 31 meter diep is, dus dat is een flinke diepe put. Dit kan niet missen: dit was die put, de bron waar Jezus die vrouw ontmoet. Deze geschiedenis vinden we, en dat is ook weer opmerkelijk, alleen maar in het Johannes-evangelie. Daar vinden we trouwens nog heel wat meer voorbeelden van: dat Johannes er juist gebeurtenissen uitlicht waar hij op terugblikt, maar die in de zogenaamde synoptische evangeliën, de verhalende evangeliën, niet aangetroffen worden. Johannes wijst er echter wel op.⟨/p> ⟨p>Een ander opmerkelijk ding is dat we in Johannes 4 geen wonder vermeld vinden. Althans, niet in deze geschiedenis; in het slot wel. Maar dan zijn ze weer terug in Galilea, na twee dagen. Dat is trouwens Johannes 4 vers 43: 'En na die twee dagen vertrok Hij vandaar naar Galilea.' Als ik dat gezegd heb, heb ik daarmee feitelijk ook alweer iets anders gezegd, namelijk dat in het verhalen van dit gesprek de dingen die daar plaatsvonden in Samaria in hoge mate typologisch en symbolisch zijn; het gaat om de diepere laag.⟨/p> ⟨p>Het is ook om die reden dat Johannes op deze dingen wijst. Eigenlijk zijn het verborgenheden die allemaal te maken hebben met de tegenwoordige tijd, maar die later aan het licht traden door de beschrijving van Johannes zelf. Laat ik het even anders zeggen, zodat ik me niet verlies in mijn eigen woorden: de Here Jezus heeft allerlei dingen meegemaakt en gedaan in Zijn leven die feitelijk spraken van dingen die te maken hebben met de tegenwoordige tussentijd. Johannes heeft daarvan gehoord, wellicht door de apostel Paulus, en terugdenkend aan het leven van Jezus heeft hij die dingen ook verhaald en hij wijst daarop. Johannes 4 is daar een schitterend voorbeeld van. Misschien dat ik nu ook een beetje te cryptisch spreek, maar we komen daar uitgebreid nog op terug.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="496" title="Speel af vanaf 08:16">▶ 08:16⟨/button> ⟨span>De Samaritanen en het Vervreemde Tienstammenrijk⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Eerst even dit, vers 5: Hij kwam dan in een stad van Samaria. Samaria is de plaats of de streek; het is een heel gebied, zoals u net zag. In de Bijbel is er een heel hoofdstuk dat daarover spreekt: 2 Koningen 17. Dat legt uit wie die Samaritanen waren. Het waren mensen die voor een deel afkomstig waren uit het huis van Israël, in het bijzonder de tien stammen. Zij waren door de koning van Assur weer teruggestuurd naar het land en daar hebben ze hun eigen eredienst opgebouwd. Ook hebben ze daar aan de berg Gerizim een heiligdom gebouwd. Het waren dus eigenlijk hybriden, waarmee ik bedoel dat het een mix was van echt Israëlitische mensen en mensen uit de natiën; heidens dus net zo goed. Ze waren vervreemd van het burgerschap van Israël. Als ik het zo zeg, dan doel ik op woorden die Paulus ook gebruikt in Efeze 2.⟨/p> ⟨p>Jezus is voor de rest eigenlijk helemaal niet in Samaria geweest; tenminste, dat wordt niet verhaald. Het is niet helemaal waar wat ik nu zeg, maar je leest alleen maar dat Hij er doorheen reisde. Hier is Hij echter twee dagen gebleven, en dat was eigenlijk bij hoge uitzondering. Jezus was immers gezonden tot het huis van Israël, maar hier wordt verhaald dat Hij daar twee dagen is gebleven. Ik zou niet weten of Hij daar wonderen heeft gedaan; toen ik dat zei, doelde ik op Johannes 4. Er vindt een gesprek plaats dat nogal wat effect heeft in de hele stad, want iedereen komt te weten wat Jezus heeft gezegd, maar wonderen worden daar niet verricht. Geen wondertekenen. Dat lijkt mij nogal veelzeggend.⟨/p> ⟨p>Het spreekt namelijk — laat ik het dan meteen maar gewoon zeggen zoals ik het bedoel — van deze tegenwoordige tijd, deze twee millennia waarin God opereert. Daarin komt het woord tot de natiën, een geweldig rijk woord, maar zonder dat er wondertekenen of grootse dingen plaatsvinden die zichtbaar zijn voor het oog. Het is alles verborgen, maar Zijn woord klinkt duidelijk en helder. Dat is wat van deze twee dagen gezegd kan worden. Ik had de bespreking daarvan eigenlijk voor later gereserveerd, maar goed, dat heb ik bij dezen dan ook gezegd.⟨/p> ⟨p>Misschien is er nu toch ook nog een andere gelegenheid die ik even kan aangrijpen, want als ik het zo over Samaria heb: je had het rijk van de twee stammen en dat van de tien stammen. Dat kent u wel. Voor sommigen is dit gesneden koek, anderen zeggen: "Ja, ik heb het misschien wel eens gehoord, maar ik weet niet precies hoe dat zat." Na koning Salomo splitste het rijk van Israël — de twaalf stammen — zich in tweeën. Jeruzalem en het koningshuis van David behielden de twee stammen, en de tien stammen vormden het gebied van Samaria. In Samaria bevond zich ook het centrum, de hoofdstad van de tien stammen. Dat is waar Samaria feitelijk voor staat; het heeft direct te maken met het Tienstammenrijk van Israël.⟨/p> ⟨p>Die tien stammen zijn in de ballingschap terechtgekomen en voor het grootste gedeelte zijn ze nooit meer teruggekeerd. Ze zijn verdwenen onder de natiën, opgegaan in de... eigenlijk moet ik zeggen: ze zijn ondergegaan onder de natiën. Ze zijn hun identiteit helemaal kwijtgeraakt. Dat is waar Samaria van origine aan herinnert. Toen die Samaritanen zich daar later weer gingen vestigen, waren dat eigenlijk ook allemaal vervreemden van Israël. Ze stonden trouwens ook helemaal niet op goede voet met Juda, met de Joden. Ook dat is veelzeggend.⟨/p> ⟨p>Wat je ook in het Nieuwe Testament ziet, is dat het heil naar de natiën gaat wanneer Israël het evangelie afwijst. In het boek Handelingen zie je dat zich aftekenen: de Joodse natie wijst het evangelie af. Jeruzalem met het Sanhedrin heeft officieel de Messias verworpen. Eerst hebben ze Hem gekruisigd, later verwerpen ze ook de opgestane Messias. Dat is de geschiedenis van het boek Handelingen. Wat gebeurt er dan? Dan gaat het heil, de boodschap, middels Paulus in de eerste plaats naar de natiën. Maar als het naar de natiën gaat, dan gaat het daarmee feitelijk ook naar het vervreemde Israël; naar dat deel van Israël dat was ondergegaan in de natiën en hun identiteit volledig was kwijtgeraakt. In het boek Handelingen worden ze ook wel 'de Grieksen' genoemd. Dat wil zeggen: niet de Grieken, maar de gehelleniseerde Joden. Ze hadden ooit Joodse of Israëlitische wortels, maar die waren ze kwijtgeraakt. Wat blijkt nu? Juist daar komt het evangelie terecht en het vindt daar een vruchtbare bodem. Dat is heel opmerkelijk. Het evangelie gaat naar de natiën, maar meer in het bijzonder draagt het vrucht bij het vervreemde Israël. Dat waren eigenlijk natiën die helemaal geen recht meer hadden op enige zegen van God.⟨/p> ⟨p>U weet hoe dat gegaan is met die tien stammen? God had hen ooit — dat lees je — een scheidbrief gegeven. God was getrouwd met Zijn volk, maar aan die tien stammen heeft Hij een scheidbrief gegeven. Dat wil zeggen dat Hij officieel van haar gescheiden is vanwege de afgoderij. Het was een ontrouwe vrouw en ze zijn weggestuurd. Maar juist bij hen vindt het evangelie weerklank. Dit is een heel uitgebreid onderwerp dat ik nu slechts even aanstip. Het is met opzet dat ik dit nu verhaal, omdat Jezus hier in Samaria komt. Dat herinnert aan de tien stammen en aan die ontrouwe vrouw. Let op wat ik nu zeg: dat herinnert ook aan die ontrouwe vrouw die haar Man kwijt is — haar Man met een hoofdletter, de Heer — en zich overgegeven had en gehoereerd had met andere goden, met andere mannen. Als ik het zo zeg, bedoel ik het ook heel dubbelzinnig, omdat we hier bij de bron van Jakob een vrouw tegenkomen die precies in dat plaatje past. Ook zo'n ontrouwe vrouw; we zullen het later in de bespreking nog wel zien. Maar juist daar komt het evangelie terecht. De Heer gaat naar Zijn volk toe, maar Hij maakt een tussenstop; er is een pauze. Twee dagen verblijft Hij daar in het niet-Joodse land en daar komt Hij die vrouw tegen. Nou, daar wil ik het voor wat dit deel betreft even bij laten. Voor zover het van belang is, komt dat nog wel vaker ter sprake. In ieder geval: Hij kwam in de stad van Samaria.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1023" title="Speel af vanaf 17:03">▶ 17:03⟨/button> ⟨span>Sichar, het Erfdeel van Jozef en Jakobs Bron⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En die stad heet Sichar. Dat is heel interessant, want het komt van een Hebreeuws woord. Ik heb het meteen maar even voor degenen die dat willen nazoeken; ik heb de Strong-codering er even bij gezet. Dat woord betekent eigenlijk 'dronken'. En ik vond dat opmerkelijk toen ik daarachter kwam dat het daarvan afgeleid is, want dat is nou precies het onderwerp waar het hier over gaat. Niet zozeer dronkenschap, als wel het drinken van dat wat werkelijk voldoening geeft: het drinken van levend water. Dat is het grote onderwerp.⟨/p> ⟨p>Hij kwam daar in die stad Sichar, zo staat er. Dat was dicht bij het veld dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had. Daar was de bron van Jakob. Dicht bij het veld, en het veld wordt ook genoemd in Genesis 33: het veld namelijk van Sichem. Sichar lag vlak bij Sichem, dat is het huidige Nablus. Nou ja, op dit moment geloof ik dat het wel meevalt, maar je hebt daar heel veel onlusten gehad in Nablus. Maar in ieder geval, dat is wat in de Bijbelse tijd Sichem heette. En hier wordt gezegd dat het dicht bij het veld was dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had. Daar was de bron van Jakob.⟨/p> ⟨p>Dat veld wordt genoemd in Genesis 33. Je leest daar dat Jakob weer terugkomt uit het buitenland en dan komt hij weer in het land Israël. Hij was – ik kan het niet nalaten om het even te zeggen – Jakob was twintig jaar, twee decennia, in het buitenland geweest en toen keerde hij weer terug naar het land. Als u denkt dat daar parallelle lijnen lopen, dan vergist u zich hoor! Dat moet je er niet achter zoeken. Maar goed, bij deze heb ik dat dan toch even gezegd. Jakob kwam op zijn tocht uit Paddan-aram, waar zijn oom Laban woonde, bij de stad Sichem in het land Kanaän. Hij sloeg zijn legerplaats ten oosten van de stad op en dan staat er: hij kocht er voor honderd geldstukken het stuk land waarop hij zijn tent gespannen had van de zonen van Hemor, de vader van Sichem.⟨/p> ⟨p>En dat wordt trouwens de inleiding tot een hele onverkwikkelijke geschiedenis, maar dat is Genesis 34. Dat doet nu even niet ter zake: zijn dochter Dina die dan verkracht wordt. Is dat diezelfde stad die daar genoemd wordt, die van Levi en Simeon? Ja, ik zat er net op te kijken, dit is Genesis 33. Hij had dat gekocht van Hemor, de vader van Sichem, maar het was ook de stad Sichem. Dus hij was kennelijk ook een soort van burgervader van Sichem. Maar dat is eigenlijk ook een inleiding op die geschiedenis van Levi en Simeon, die het dan opnemen voor hun zus Dina en daarbij zeer hardhandig te werk gaan. Maar laten we dat onderwerp even laten rusten voor deze gelegenheid.⟨/p> ⟨p>Hij kocht dat stuk land dus, dat veld. Daarover staat geschreven in Genesis 33, maar in Johannes 4 wordt daarnaar verwezen. Het was dus dicht bij dat veld – die connectie wordt gelegd door Johannes – dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had. Je leest in Genesis 48 vers 22 dat hij die bergrug geeft aan zijn zoon Jozef. U weet, Jozef was de eerstgeborene. Ja, wat heet? Laten we het in ieder geval zo zeggen, en ik zeg het helemaal correct hoor: hij was niet eerst geboren, maar hij was wel de eerstgeborene. Het eerstgeboorterecht kwam bij hem terecht. Dat was een heel verhaal, maar u weet dat in het hele boek Genesis dat eerstgeboorterecht altijd een heel complex verhaal is. En het komt nooit terecht bij degene van wie je in eerste instantie zou denken dat het terecht zou komen. Het kwam nooit bij de eerste terecht, maar bij de tweede of latere. Dat eerstgeboorterecht houdt in dat het beste deel, in de praktijk een dubbel deel, wordt gegeven aan diegene.⟨/p> ⟨p>Jozef was trouwens in een ander opzicht letterlijk ook een eerstgeborene, want hij was de eerstgeborene van de geliefde, van Rachel. Maar Jakob had dat deel, waar de Jakobsbron zich dus ook bevond, aan zijn zoon Jozef gegeven, aan de eerstgeborene. Het eerstgeboorterecht: het dubbele deel, het beste deel komt daar terecht. En waarom benadruk ik dat ook? Gewoon, het wordt hier er zo bij gezegd, maar ook dat is weer in hoge mate typologisch. Want het beste deel, het hoogste deel, dat komt juist terecht in die 'twee dagen' bij hen die vervreemd zijn van het burgerschap van Israël. De naties. Vandaag. Dat volk dat God zich vandaag verzamelt. Jakob had het gegeven aan zijn zoon Jozef, die sowieso al bestemd was tot het eerstgeboorterecht. Hij had niet voor niets de veelkleurige rok gekregen. Maar in ieder geval, over hem hebben we het en over dat veld, dat gebied.⟨/p> ⟨p>En daar was de bron van Jakob. Ik heb er de vorige keer al een paar dingen over gezegd. De bron van Jakob, gek genoeg vinden we daar op zich geen melding van in het Oude Testament. Er wordt wel gesproken over een hele mooie geschiedenis waar ik nog even naar verwezen heb – doe ik nu verder niet meer – over Jakob die bij een bron was. Maar dat was toen in Paddan-aram, toen hij Rachel tegenkwam en daar een steen wegwentelde voor de bron. Maar hier is sprake van een bron van Jakob. En u voelt hem eigenlijk al aankomen: zoals elk zinsdeel hier typologisch geladen is, is dat ook hier weer het geval. Die bron van Jakob verwijst naar de woorden Gods. Aan wie zijn, te midden van alle volkeren van de wereld, de woorden Gods toevertrouwd? Aan hen. Waar is de bron? Bij Jakob. Daar moet je wezen. Dat wil zeggen: de woorden Gods zijn aan dat volk toevertrouwd en ze zijn ook bestemd om voor de hele wereld een zegen te zijn.⟨/p> ⟨p>Ik heb toen ook gewezen – en dat doe ik bij deze gelegenheid nog maar een keertje – op Romeinen 3 vers 1. Wat is het voordeel van de Jood? Wat is het voordeel van het huis van Jakob? Nou, daar zegt Paulus in de eerste plaats dit: dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. Dat. Maar Exodus 15 vers 27 is ook mooi. Daar lees je dat het volk van Jakob arriveert bij een oase en die oase heet Elim. Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Dat was allemaal keurig geteld en ga me nou niet vertellen dat dat geen betekenis zou hebben. Twaalf waterbronnen... die twaalf staat voor Israël, of laten we bij het woord 'Jakob' blijven. Twaalf staat voor Jakob en zeventig staat voor de naties. Er waren zeventig stamvaders – vertel het maar na als u wilt – in Genesis 10 worden er zeventig stamvaders van de volkeren genoemd. Zeventig volkeren. Zeventig staat dus voor de volkerenwereld.⟨/p> ⟨p>En dan arriveert men bij Elim. Daar waren twaalf waterbronnen en rond die twaalf waterbronnen waren zeventig palmbomen. En die zeventig palmbomen onttrokken hun water, hun voedsel, uiteraard aan die twaalf waterbronnen. Met andere woorden: die zeventig, de volkerenwereld, wordt gevoed en gedrenkt door de twaalf. Door Jakob, door Israël. Dáár is de bron. Zo zal ook het Koninkrijk opkomen en gevestigd worden. Via die weg, via Israël, komt het bij de volkerenwereld terecht. Trouwens, palmbomen zijn ook een koninklijke boom. Een kroon van bladeren... maar je leest ook van Tamar. Het Hebreeuwse woord voor palm is Tamar.⟨/p> ⟨p>Tamarisk bijvoorbeeld, dat is die palmboom. Maar Tamar is ook een typisch koninklijke naam; kijk het maar eens na. Er zijn twee voorbeelden.⟨/p> ⟨p>De eerste keer is de geschiedenis van Juda en Tamar. Dat is trouwens ook een nogal onverkwikkelijke geschiedenis, maar daar wordt feitelijk wel de koninklijke lijn ingezet. Want bij Tamar verwekte Juda een tweeling: Peres en Zerach. Zij vormden de stam die je terugvindt in Matthäus 1. Dat waren zo’n beetje de eersten in de koningslijst van de Bijbel, die uiteindelijk uitmondt bij de Messias.⟨/p> ⟨p>En de andere Tamar bevond zich in het huis van David; zij was de dochter van David die verkracht werd door haar broer. Dat was ook een Tamar, en ook dat vond plaats in het paleis van Absalom. Het is een koninklijke naam.⟨/p> ⟨p>Over de typologie van de palm gaan we het nu verder niet hebben, want dat zou echt veel te ver voeren. Als je allerlei verwijzingen gaat maken naar andere Schriftgedeelten, dan zou je zomaar daar blijven haken. Dat doen we dus niet. Daar was de bron van Jakob. Dat is voor dit moment even genoeg.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1776" title="Speel af vanaf 29:36">▶ 29:36⟨/button> ⟨span>Jezus Vermoeid bij de Bron Rond het Zesde Uur⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Jezus nu was vermoeid van de tocht. Het is juist Johannes die heel dikwijls wijst op dat soort typisch menselijke trekjes van de Heer. Er zijn daar heel veel voorbeelden van. Ik denk bijvoorbeeld ook aan het moment dat Hij bij het graf van Lazarus is; Hij was verbolgen en Hij weende. Er wordt gewezen op Zijn emoties, gewoon zo menselijk. Een lange reis hadden ze erop zitten en Hij was vermoeid. Johannes was daar ook mee begonnen: "Het Woord is vlees geworden." Zo zet hij het evangelie in en hij beschrijft gedurende eenentwintig hoofdstukken hoe het Woord vlees is geworden. Echt vlees, echt een mens.⟨/p> ⟨p>Hij was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten. Ik heb een verklaring gelezen in de Studiebijbel waarin staat dat we niet precies weten wat dat "zo" betekent; misschien is Hij op de grond gaan zitten. Toen keek ik even in de interlineair – niet dat het er verder toe doet – maar ik zag dat er niet staat "bij", maar "op". Hij was op de bron gaan zitten. Dat kun je heel gemakkelijk visualiseren: Hij heeft gewoon op de ommuurde rand gezeten. "Op de bron", zo staat het er dan. Juist dat voorzetsel werpt daar meteen een licht op. Hij bleef dus "zo" op de bron zitten.⟨/p> ⟨p>En dat was ongeveer het zesde uur, zo staat er. Dat wil zeggen, volgens de Joodse tijdrekening. Een Jood rekent – of eigenlijk is het de Bijbelse dagrekening – vanaf het moment dat de dag begint. God noemde het licht "dag". Wanneer begint de dag? Wanneer het licht wordt. Gemiddeld gesproken is dat zes uur 's morgens, dus dan begint de tijdrekening. Het zesde uur is dan twaalf uur 's middags. Wij rekenen vanaf middernacht, wat eigenlijk helemaal niet zo logisch is, maar het is maar net wat je gewend bent. Het was dus twaalf uur in de middag.⟨/p> ⟨p>Het is heel opmerkelijk dat dit hier zo gezegd wordt, want als we een hoofdstuk teruglezen, lees je ook uitgebreid over een conversatie. Ik wees er al even op dat die plaatsvond midden in de nacht. Dat mag je wel echt een tegenstelling noemen. De één, de leraar van Israël, kwam in de nacht. Wellicht geneerde hij zich; dat staat er niet letterlijk bij – dus als u zegt: "André, zo staat het niet", dan klopt dat – maar hij kwam in de nacht tot Jezus. Dat suggereert toch in elk geval dat het in het donker was, terwijl niemand hem zag. Je leest namelijk ook elders in Johannes dat hij in het geheim een discipel van Jezus was; hij wilde niet dat het gezien werd.⟨/p> ⟨p>Deze vrouw komt midden op de dag. Dat was eigenlijk ook opmerkelijk – daar komen we nog wel op – maar in ieder geval was het midden op de dag. Er kwam een vrouw uit Samaria, vanuit het land. Ze kwam om water te putten. Dat is echt een vrouwelijke bezigheid, dat weten we uit meerdere plaatsen. Ik moet er ineens aan denken dat wanneer de Heer een paar discipelen eropuit stuurt, vlak voor de nacht dat Hij wordt overgeleverd, de zaal klaargezet moet worden. Ze moeten dan een man volgen met een waterkruik. Wat is daar opmerkelijk aan? Nou, dat deed een man normaal niet. Het was heel opvallend als een man met een waterkruik liep, want dat was een vrouwelijke bezigheid.⟨/p> ⟨p>In Genesis 24 lees je de geschiedenis waarbij er gezorgd werd voor een vrouw voor Isaak. Dat ging allemaal heel luxe, hij hoefde het zelf niet te doen; er werd zomaar een vrouw voor hem gearrangeerd en dat trof hij bijzonder. De knecht van Abraham werd eropuit gestuurd naar dat verre Mesopotamië, waar later Jakob dus ook was. Dan lees je dat die knecht daar arriveerde en de kamelen liet neerknielen buiten de stad bij een waterput. Ik ga niet nalaten om er even op te wijzen: buiten de stad bij een waterput. Waar vind je de bron? Daarvoor moet je buiten de stad wezen, buiten de legerplaats.⟨/p> ⟨p>Het was trouwens ook tegen de avond, de tijd dat de vrouwen uitgaan om te putten. Hier zie je dat expliciet zo bijvermeld. Er staat bij dat het de avond was en dat het gebruikelijk was om dat te doen. Elders lees je geloof ik ook over de ochtend, maar in ieder geval niet midden op de dag zoals hier. Dit was midden op de dag, twaalf uur 's middags, terwijl de gebruikelijke tijd om water te putten tegen de avond was. Het feit dat deze vrouw dus een wandeling van een paar kilometer gemaakt heeft – want dat moet een paar kilometer geweest zijn als je terugkijkt op de kaart – om op dat tijdstip van de dag water te gaan putten, heeft er alles van weg dat zij inderdaad probeerde de andere vrouwen te ontlopen. Om hen niet tegen te komen. Ze liepen wel in het licht, dat is waar, maar het was siëstatijd. Ja, het was siëstatijd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2200" title="Speel af vanaf 36:40">▶ 36:40⟨/button> ⟨span>Een Ongehoord Gesprek Tussen een Jood en een Samaritaanse⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Jezus zat daar bij die bron. Hij zei tegen haar – en dat was op zichzelf natuurlijk al opmerkelijk, we zullen dat straks ook zien – Hij zei tegen haar: "Geef Mij te drinken." Het feit dat een man tegen een vrouw spreekt, was in die dagen absoluut niet gebruikelijk. Bovendien sprak hier een Jood tegen een Samaritaanse. Ik hoef dat nu verder niet zo te benadrukken, want het komt nog wel ter sprake, maar Hij vraagt haar dus om een dienst.⟨/p> ⟨p>Er wordt nog bijgezegd waarom dat zo is: "Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen." Dat 'want' geeft aan waarom Hij het aan háár vroeg; de anderen waren er simpelweg niet. Er waren kennelijk meerdere discipelen nodig voor die boodschappen, of in ieder geval heb je een kruik of andere middelen nodig om water te kunnen putten. Dus Hij zegt tegen haar: "Geef Mij te drinken," want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.⟨/p> ⟨p>Ik zie daar ook een tegenstelling in, of in ieder geval bespeur je het contrast. Aan de ene kant is Hij achtergebleven terwijl de discipelen naar de stad gaan om voedsel te kopen. Hij blijft echter achter, en wat gaat Hij doen? Hij gaat om niet levend water geven. In dit geval vraagt Hij weliswaar eerst nog om water, maar dat is de aanzet om over het levende water te spreken. Maar goed, in ieder geval: zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.⟨/p> ⟨p>De Samaritaanse vrouw zei toen tot Hem: "Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?" Ze heeft Hem wellicht meteen opgemerkt aan Zijn spraak of aan Zijn kledij, wie weet. "Hoe kunt Gij als Jood van mij, een Samaritaanse vrouw – waarbij je zowel de nadruk kunt leggen op het Samaritaanse als op het vrouw-zijn – te drinken vragen of om drinken verzoeken?"⟨/p> ⟨p>Dat was hoogst ongebruikelijk. Vandaar ook dat dit haar eerste reactie is. Ze doet niet in de eerste plaats wat er gevraagd wordt, maar ze spreekt eerst haar verbazing uit over het feit dat een Joodse man een verzoek doet aan een Samaritaanse vrouw.⟨/p> ⟨p>Vervolgens wordt er door Johannes nog iets uitgelegd. Daarin zie je trouwens ook dat het Johannes-evangelie een veel breder bereik heeft. Het is ook voor een niet-Joods publiek geschreven, of het moest in ieder geval voor hen begrijpelijk wezen. Want er staat bij: "Want Joden gaan niet om met Samaritanen." Zo’n toelichtende opmerking is alleen maar zinvol als je je ervan bewust bent dat je publiek veel breder is. Dat hebben we al vaker opgemerkt: dat zulke dingen gewoon even uitgelegd worden door de schrijver. "Want Joden gaan niet om met Samaritanen." Er is een grote controverse tussen die beiden. Die was trouwens ook nog eens politiek van aard, maar vooral religieus. Het is in die zin dezelfde controverse die er ooit al was tussen de twee stammen en de tien stammen. Joden gaan niet om met Samaritanen. En dan vers 10.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2426" title="Speel af vanaf 40:26">▶ 40:26⟨/button> ⟨span>De Gave Gods en de Belofte van Levend Water⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En Jezus antwoordde en zei tot haar: "Indien jij wist, indien je had waargenomen..." Eigenlijk heeft dat woord 'weten' hier de gedachte in zich van weten op grond van waarneming. Dat is het: indien je had waargenomen en daardoor wist van de gave Gods. Prachtig woord is dat. Het geschenk; eigenlijk staat er: het geschenk van de God. Dat is een prachtig thema natuurlijk in het evangelie van Johannes. Ik verwijs hier ook naar Johannes 3 vers 16 – ik hoef nauwelijks te zeggen wat daar staat. Daar wordt gesproken over dat wat God gegeven heeft: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft." Dat is die gave Gods, uit pure liefde. Hij gaf die gave aan de wereld.⟨/p> ⟨p>Ik heb nog een paar andere verwijzingen. Kent u Jesaja 9? Als u nog een beetje in de sfeer van december bent, waarin die passage nog wel eens gelezen wordt, dan weet u wat er staat: "Een Kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouders." Of Romeinen 8: "Hoe zal Hij, die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen heeft overgegeven voor ons allen..." Dat is dat geschenk van de God.⟨/p> ⟨p>Het geschenk van God is dus niet alleen maar 'iets', zoals Zijn woord, maar dat Woord is iemand. Eigenlijk is dat toch het grote thema van het Johannesevangelie. Het Woord is dat wat Hij sprak, waardoor alle dingen geworden zijn. Hij sprak en het was er; alle dingen zijn door het Woord geworden. En dat Woord is vlees geworden. Hij sprak ooit; het Woord van God werd gesproken tot Maria en dat werd letterlijk vlees. Dus de geboorte van Jezus was eigenlijk niets anders dan – mag ik het zo zeggen? – de materialisatie van het Woord. Het Woord werd vlees.⟨/p> ⟨p>Degene die hier nu sprak, was dus het vlees geworden Woord, waardoor ooit de hele wereld, de hele schepping en alle dingen tot aanzijn waren geroepen. Zo is het: het Woord dat vlees werd. Dat Woord heeft God gegeven en dat is Zijn Woord, ja, dat wat Hij spreekt, maar het is Iemand: Zijn eniggeboren Zoon.⟨/p> ⟨p>Indien je wist, indien je had geweten en had waargenomen wat het geschenk van de God is en wie het is die tot u zegt: "Geef Mij te drinken", dan zou je Hem verzocht hebben, Hem gevraagd hebben, en Hij zou u levend water hebben gegeven. Als zij zich bewust was geweest van dat geschenk, dan zou de vraag van háár aan Hem gericht zijn: "Geef mij levend water."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2653" title="Speel af vanaf 44:13">▶ 44:13⟨/button> ⟨span>Levend Water in de Beelden van het Oude Testament⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Als hier staat 'levend water', dan is dat een heel bekend beeld in de Bijbel. In het Johannesevangelie komen we het later ook nog tegen, maar wat dacht u van het Oude Testament, waar we zo vaak levend water aantreffen? In de eerste plaats – we hadden het er vanavond aan tafel nog even over – betekent de term 'levend water' simpelweg water dat beweegt. Stromend water is levend water; dat is de primaire betekenis van het woord. Ook in de Bijbel trouwens, zoals we straks nog wel zullen zien. Maar het verwijst onmiskenbaar naar het Woord van God.⟨/p> ⟨p>Ik neem u weer even mee naar Genesis. Daar lees je ook over levend water in de geschiedenis van Isaak en de waterputten. Dat is werkelijk een geweldige geschiedenis. Kent u de geschiedenis van Rehobot? 'In de ruimte gesteld'. Daar lees je dat Isaak de waterputten weer opgroef die men in de dagen van zijn vader Abraham had gegraven. De Bijbel heeft me op dit spoor gezet, en dan zie je dat dit een dubbele bodem heeft. Waar hebben we het over als we spreken over de bronnen van Abraham? Over datgene waar Abraham zijn leven en zijn voedsel aan ontleende. Dat is waar die waterbronnen van spreken: het Woord van God. Abraham leefde van de woorden die God hem gegeven had, de belofte van God.⟨/p> ⟨p>Wat was er gebeurd met die waterputten? Je ziet dat de letterlijke bronnen en de bronnen als type hier voortdurend door elkaar worden gebruikt. Dat gebeurt in Johannes 4 ook; de Samaritaanse vrouw begreep er even niets meer van. Maar hier groef Isaak de letterlijke waterputten op die in de dagen van zijn vader Abraham waren gegraven en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgestopt. Die bronnen waren dus 'naar de Filistijnen'; ze waren dichtgestopt. Dat is precies wat Filistijnen doen: de bronnen verstoppen. Men zegt wel eens dat de kerk dat ook doet – dat zijn dan uw woorden – maar het is in elk geval een hele klus waar je het druk mee kunt hebben: het dichtstoppen van die bronnen.⟨/p> ⟨p>Wat Isaak deed, was ze weer opgraven en ze dezelfde namen geven als zijn vader. Vervolgens groeven de knechten van Isaak in het dal en vonden daar een put met levend water. Volgens mij is dat de eerste keer dat we die uitdrukking in de Bijbel tegenkomen: levend water. Dat vond Isaak daar. Ik ga het verder niet toelichten; het ligt zo voor de hand. Ik zou zeggen: drink ervan. De bronnen zijn opgegraven; drink van dat levende water waar Abraham zich ooit aan gelaafd had en nu Isaak ook weer. De Filistijnen mogen ze allemaal dichtstoppen, maar dat maakt niet uit: we graven ze gewoon weer op. Daar moet je namelijk wezen.⟨/p> ⟨p>Ik neem u nog mee naar een andere plaats waar we levend water tegenkomen. Waarom doe ik dit? We hebben het over Johannes 4, dat begrijp ik, maar als Jezus spreekt over het vragen om levend water, dan gaat daar een hele Bijbelse geschiedenis aan vooraf waarin dikwijls wordt gewezen op de betekenis van levend water. Wat ik nu doe, is een selectie maken van een paar sterke voorbeelden.⟨/p> ⟨p>In Leviticus 14 lees je over de wet op de melaatsheid. Er moest een ritueel plaatsvinden waarbij de priester gebood om één vogel te slachten – er waren twee vogels, twee duiven. De ene vogel werd geslacht boven een aarden pot met levend water. Dat moest dus stromend water zijn. De levende vogel moest de priester vervolgens nemen, samen met het cederhout, het scharlaken en de hysop. Ik ga aan de details daarvan nu voorbij, want het gaat me om dit: hij moest de levende vogel dopen in het bloed van de vogel die boven het levende water geslacht was. Vervolgens mocht die vogel weer wegvliegen, zo de hemel in. Ik vind dat prachtig.⟨/p> ⟨p>Die twee vogels zijn een type van de Messias, van het offer. De ene vogel wordt geslacht en het bloed wordt opgevangen. Wat er vervolgens gebeurt, is dat de andere vogel in dat bloed boven die pot met levend water wordt gedoopt, waarna die vogel met dat bloed zo de hemel in mag vliegen. De schrijver van de brief aan de Hebreeën ontbrak het aan tijd om over alle details en rituelen van het Oude Testament te spreken, maar als hij dit ook aan de orde had gesteld, hadden we nog een prachtig hoofdstuk gekregen. Want waar hebben we het over? We hebben het over Hem die, gedoopt in dat bloed, de hemel is ingegaan: de Levende. Dat is wat er benadrukt wordt met die levende vogel. Tegelijkertijd herinnert het eraan dat die vogel weliswaar leeft, maar in type dood is geweest. Hij is immers gedoopt in het bloed van die andere vogel. Ziet u? Die levende vogel vliegt weg, maar in beeld is hij gestorven. Vandaar dat hij, besmeurd met bloed, wegvliegt en wordt losgelaten. In elk geval speelt levend water daar een grote rol, en het moge duidelijk zijn dat die levende vogel een type is van de opgewekte Christus.⟨/p> ⟨p>Dan heb ik nog een voorbeeld uit Jeremia 2. Daar lees je het grote verwijt van de profeet Jeremia aan het volk Israël. Hij spreekt namens de HEERE: "Want mijn volk heeft twee boze daden bedreven." Het gaat me even om die eerste: "Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden." Dat is het grote verwijt en de eerste boosdaad van het volk. Het meest primaire is dat ze de bron van levend water, het levende Woord, hebben verlaten en er eigen bakken van hebben gemaakt. Gebroken bakken die geen water kunnen houden. Dat verwijst uiteraard naar de eigen woorden die ze hebben gecreëerd, hun eigen overleveringen en tradities. Dat is geen levend water meer. Aan de ene kant heb je stromend water, en aan de andere kant heb je waterreservoirs of bakken waarin het water dood is omdat het niet meer stroomt. Dit levende water is een beeld van de bron, van de Heer Zelf. Dat staat er ook letterlijk: "Mij, de bron van levend water."⟨/p> ⟨p>Ik heb er nog één waar ik op wil wijzen voordat we gaan pauzeren: Zacharia 14, een prachtige profetie. Net nadat vermeld is dat de Heer Zelf zal terugkomen tot Zijn volk en Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg – dat zijn de eerste verzen van Zacharia 14 – lees je dat Jeruzalem hersteld zal worden. Dan staat er in vers 8 dat er "te dien dage" levende wateren uit Jeruzalem zullen vlieten, oftewel voortkomen. De helft daarvan stroomt naar de oostelijke zee, de Dode Zee, en de andere helft naar de westelijke zee. Er is een heel hoofdstuk in de Bijbel, Ezechiël 47, dat gaat over die helft die naar de oostelijke zee gaat. In de toekomst zullen er dus twee rivieren ontspringen uit Jeruzalem. Dat zijn bronnen van levend water, zó levend dat zelfs de Dode Zee – een zee die volstrekt dood is – weer een levende zee wordt. Er zullen zelfs weer vissersplaatsen zijn, zo zegt Ezechiël 47.⟨/p> ⟨p>En een ander deel stroomt naar de Middellandse Zee, naar de westelijke kanten. Maar in ieder geval zijn het levende wateren. U begrijpt wel dat wanneer dat gebeurt, het een uitbeelding is. Het is letterlijk waar, maar het is tegelijkertijd een uitbeelding van wat Jeruzalem straks zal zijn. Hoe staat het in Jesaja? Ja, Jesaja 2 vers 4: "Want uit Sion zal de wet, de Torah uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem."⟨/p> ⟨p>En alle volkeren... Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Ze zullen hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden. Dat is het Koninkrijk. Alle volkeren zullen daarin delen. Al die zeventig volkeren zullen delen in de bronnen, in het levende water dat vanuit Jeruzalem stroomt, waar het heiligdom zal zijn en waar de Messias zal heersen. Ze zullen delen in die zegen. Een uitbeelding daarvan zien we in die rivieren die vanuit Jeruzalem zullen stromen; allemaal levend water. Aan zulke beelden refereert de Heer als Hij in gesprek is met die Samaritaanse vrouw.⟨/p> ⟨p>Ik stel voor dat we even gaan pauzeren, en dan pakken we straks weer de draad op bij vers 11.⟨/p> ⟨p>Vrienden, zullen wij weer naar de bron gaan? De bron van Jakob. Zojuist voor de pauze heb ik gewezen op een aantal passages in het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel, waar al sprake is van levend water. In alle gevallen spreekt het over het levende Woord van God. Dat is levend omdat het afkomstig is van God, van de levende God, maar het is ook levendmakend.⟨/p> ⟨p>Dat is het in de meest letterlijke zin van het woord, omdat het spreekt van de opgewekte Christus. Het spreekt van de overwinning op de dood; God die inderdaad door Zijn Zoon nieuw leven tot stand brengt dat deze vergankelijke wereld overwint. Daar spreekt levend water van; het is eigenlijk het grote thema van de Schrift. Ik vind het prachtig dat de Heere Jezus hier bij zo'n put dat ook ter sprake brengt en daarnaar verwijst. Ik stel voor dat we verder gaan bij vers 11.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3455" title="Speel af vanaf 57:35">▶ 57:35⟨/button> ⟨span>Het Onbegrip van de Vrouw: Bent U Meer Dan Jakob?⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Zij zei tot Hem: "Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep." Zoals ik al liet zien op de foto, is het een put van 32 meter diep. Je hebt dus een heel lang touw nodig om daar water uit te halen. Het schijnt tot op de dag van vandaag water van echt prima kwaliteit te zijn; levend water in de letterlijke zin van het woord dus.⟨/p> ⟨p>Deze vrouw ontgaat echter de typologie en wat de Heer precies bedoelt. Zij zegt: "Ik heb geen emmer en de put is diep. Hoe komt Gij dan aan het levende water?" Of eigenlijk letterlijk: "Van waar dan?" Dat wil zeggen: hebt U een andere locatie waar dat water waar U het over hebt vandaan komt? Waar haalt U dat levende water vandaan?⟨/p> ⟨p>Precies zoals bij Nicodemus, die ook de beeldspraak van de Heer ontging, dacht zij heel aards. Nicodemus dacht bij de woorden van de Heer meteen aan het terugkeren in de moederschoot. "Hoe kan dat als je oud bent?" vroeg hij. Dan begrijp je gewoon niet dat de Heer het typologisch bedoelde. Dat is altijd een lastig punt: dat mensen die diepere laag ontgaat of dat men het onderscheid niet ziet. Aan de ene kant zijn dingen gewoon letterlijk waar, maar ze zijn ook typologisch waar. Die twee grijpen in elkaar en soms wordt er van de ene betekenis op de andere overgesprongen.⟨/p> ⟨p>Neem het voorbeeld waar ik voor de pauze op wees en dat me nu als eerste te binnen schiet: straks zullen er vanuit Jeruzalem levende wateren voortkomen en ontspringen. Dat is letterlijk waar, maar het is juist letterlijk waar omdat het een dubbele betekenis heeft. Het is namelijk geestelijk ook waar; eigenlijk is dat zelfs de meest primaire betekenis. Het belangrijkste is dat het woord des Heren vanuit Jeruzalem zal uitgaan naar de volkenwereld, naar de zeeën. Als een zichtbare uitbeelding daarvan zullen er rivieren ontspringen uit Jeruzalem die deels naar de Dode Zee en deels naar de Middellandse Zee zullen gaan.⟨/p> ⟨p>En hier hebben we dus dit gesprek. Het is trouwens opmerkelijk – we moeten het maar eens een keertje nakijken en als ik het niet vergeet, zal ik u er de volgende keer op wijzen – hoe er in dit gesprek een opklimmende reeks van vragen en opmerkingen is die de Heer aan het adres van deze vrouw plaatst. Het is mooi om dat eventjes te demonstreren, maar dat doen we de volgende keer wanneer we op deze conversatie terugblikken.⟨/p> ⟨p>Afijn, zij vraagt dan: "Vanwaar dan dat levende water?" Ze begrijpt het niet en zegt vervolgens: "Bent U soms meer...?" Als ik me niet vergis, bespeur ik hier ook enige verbolgenheid in haar reactie. "Bent U soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft? U zegt dat U elders levend water hebt, maar wat mankeert er dan aan deze bron? Is dat geen levend water? Bent U dan meer dan onze vader Jakob?"⟨/p> ⟨p>Trouwens, ze zegt "onze vader Jakob", waaruit dus blijkt dat zij hem als stamvader beschouwt. Jakob, die ons de put gegeven heeft en die er zelf uit gedronken heeft, en niet alleen hijzelf maar ook zijn zonen en zijn kudden. Overigens staat dat niet direct zo in de Bijbel. Ik lees nergens in de Hebreeuwse Bijbel, in het Oude Testament, een verwijzing naar deze bron of deze put. Wat zij hier zegt, moet dus op grond van overlevering of mondelinge traditie zijn; in de Schriften staat het in ieder geval niet zo opgetekend.⟨/p> ⟨p>Maar dit is haar reactie: "Bent U soms meer dan onze vader Jakob?" Dat was echter helemaal niet aan de orde. Jezus antwoordde en zei tot haar: "Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen." Ja, zo gaat dat nu eenmaal, ongeacht hoe goed dat water ook is. Dit is helemaal geen diskwalificatie van deze bron, maar het is nu eenmaal eigen aan dit water, hoe goed het ook is. Het is slechts een type, en dat is waar de Heer op wijst. Ieder die van dit water drinkt, zal opnieuw dorst krijgen. "Maar," zegt Hij...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3785" title="Speel af vanaf 01:03:05">▶ 01:03:05⟨/button> ⟨span>Een Fontein Die Opspringt tot in Aionisch Leven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat is ongeveer het centrum van deze conversatie. Maar nu komt de echte uitleg. Wie gedronken heeft... of eigenlijk: wie zal drinken van het water dat Ik hem zal geven, die zal geen dorst krijgen tot in de Aion. Daar heb je weer dat woordje: de Aion. Niet de eeuwigheid, maar de Aion, wat heel specifiek verwijst naar het komende rijk van de Messias. Het aionische leven is het leven van die eeuw.⟨/p> ⟨p>Hier wordt gesproken over dat levende water dat dorstlessend is tot in de Aion. Jezus zegt erbij dat het water dat Hij hem zal geven, in hem zal worden tot een bron. In sommige vertalingen staat 'fontein', en vanuit de rest van de tekst klopt die gedachte wel. Eigenlijk staat er gewoon het woord voor 'bron', maar het water in die bron springt. Vandaar dat men in dit geval voor 'fontein' heeft gekozen, want een fontein doet het water springen. Het zal worden tot een bron van water dat springt tot in het aionische leven. Daar heb je die Aion weer.⟨/p> ⟨p>We moeten nu even naar Johannes 7 gaan, want daar komt het onderwerp van het dorstlessen en het geven van levend water opnieuw aan de orde. Ik neem u even mee. In Johannes 7 lezen we – we zijn dan inmiddels een paar jaar verder – over het eind van het grote Sukkot, het Loofhuttenfeest. Daar staat dat op de laatste, de grote dag, de achtste dag van dat feest, Jezus opstond. U moet zich realiseren dat er bij die gelegenheid een hele waterprocessie werd gehouden. Het is niet zomaar dat de Heer daar in Jeruzalem ineens iets roept te midden van de mensenmenigte. Nee, er vond een hele waterprocessie plaats waarbij water werd uitgegoten op een route naar de bron van Siloam. Terwijl iedereen daarnaar kijkt, staat Jezus op en roept Hij luid, zodat iedereen het kon horen: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke!"⟨/p> ⟨p>Eigenlijk is dat ook min of meer een citaat. Want wie is die bron van levend water? Dat is de Heer zelf. "Mij, de bron van levend water." Als je werkelijk je dorst gelest wilt hebben, dan zul je bij Hem moeten zijn. Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke. Dat is hetzelfde thema als wat we in Johannes 4 zien. "Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien."⟨/p> ⟨p>Hebt u er trouwens wel eens aan gedacht waar de Heer aan refereert als Hij zegt: "zoals de Schrift zegt"? In Jesaja 55 staat: "Ik zal Mijn woord uitgieten op het dorstige land." In Jesaja 55 vinden we die woorden – ik heb er geen diaatje van, maar mijn vader citeerde dit heel vaak: "O, alle dorstigen, komt tot de wateren; en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet!" De discipelen waren net weggegaan om voedsel te kopen, en nu spreekt de Heer over dingen die gratis zijn. Zoals de Engelsen zeggen: ⟨em>The best things in life are free.⟨/em> De echte dingen die er toe doen in het leven, die kun je niet kopen. "Gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Waarom weegt gij geld voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige."⟨/p> ⟨p>Ziet u? Dat is exact dezelfde gedachte. Je moet bij Hem zijn, dan vind je werkelijk voldoening en werkelijke verzadiging. Zijn Woord geeft dat. Ik lees even verder in datzelfde hoofdstuk, Jesaja 55: "Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten hoger dan uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde, maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten, geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, alzo zal Mijn Woord dat uit Mijn mond uitgaat ook zijn; het zal niet ledig tot Mij weerkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en het zal volbrengen waartoe Ik het zend."⟨/p> ⟨p>Dat is toch geweldig? Het Woord van Hem is gratis, het is puur 'om niet', en dat is wat werkelijke voldoening geeft. Het is wijn, het is melk; het geeft vreugde en het geeft voeding. Dat is waar een mens door groeit en wat werkelijk verzadigt. "Hoort aandachtig naar Mij." Kortom, je moet bij die Bron zijn, bij de Schrift. De vrouw en Jezus waren daar nu bij die bron. De Heer zegt eigenlijk: "Drink daaruit." Je moet bij de Heer zijn, want Hij is het vleesgeworden Woord van God, niemand minder. "Bij Mij dus. Drink dit Woord."⟨/p> ⟨p>"Wie in Mij gelooft zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." Zoals er straks ook uit het binnenste van het heiligdom, van de tempel, inderdaad stromen van levend water zullen vloeien. Dat heb ik net nog niet verteld, maar ik zei zojuist in het algemeen dat er levend water vanuit Jeruzalem zal ontspringen. Om precies te zijn: ze zullen ontspringen in het heiligdom, van onder het altaar vandaan. Daar is de bron. Het staat letterlijk zo in Ezechiël 47: vanuit het heiligdom zal er een rivier van levend water ontspringen. Dat is zo wonderlijk. Ook daar zie je weer dat het letterlijk waar is, maar het is letterlijk waar omdat het een geestelijke waarheid uitbeeldt. "Wie in Mij gelooft zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." En als u nu denkt: waar gaat dit over? Dat is nogal mooi, want Johannes geeft hier even later zelf tekst en uitleg.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4289" title="Speel af vanaf 01:11:29">▶ 01:11:29⟨/button> ⟨span>Het Levende Water als de Onvergankelijke Geest⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit doet Hij in Johannes 4 niet, maar nu komt Johannes zelf met een toelichting. Dit zeide Hij, Jezus, van de Geest. Ik zeg dit er eventjes bij: de Heer heeft dit destijds geroepen zonder direct een toelichting te geven. Het was toen dus nog verborgen. Het was trouwens ook verborgen in de dagen van die Samaritaanse vrouw; zij heeft dat ook allemaal niet begrepen. Maar later, als Johannes deze dingen optekent, geeft hij tekst en uitleg. Dan staat er: dit zeide Hij van de Geest, welke zij die tot geloof in Hem kwamen ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.⟨/p> ⟨p>Daarin zie je een paar dingen. Dat levende water spreekt van de Geest. En wat is Geest? Dat is leven. Als je de Geest krijgt, krijg je leven – de grote L en de grote G. Geest is feitelijk synoniem voor leven. De Bijbel spreekt ook over de Geest des levens. En het is ook Woord; dat is trouwens ook typisch Johannes: mijn woorden zijn geest en leven. Dan heb je ze alle drie bij elkaar: Woord, Geest en leven. Feitelijk zijn ze synoniem. Als je Woord spreekt, dan komt daar Geest in mee en daarmee ook leven. Je kunt die woorden onderling zo vervangen; ik zeg niet dat ze identiek zijn, maar ze zijn synoniem en representeren parallelle gedachten.⟨/p> ⟨p>Die Geest van Hem zouden ze ontvangen, maar die hadden ze toen dus nog niet. Want die Geest was er nog niet. Namelijk die Geest die Jezus zelf eigenlijk ook is. Weet u dat de Heer zelf ook Geest genoemd wordt? In 1 Korinthiërs 15 lees je over de laatste Adam. Paulus zegt daar dat de laatste Adam een levendmakende Geest is. Dat gaat over degeen die opgewekt is uit de doden. De Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Toen Hij opstond uit de doden en verheerlijkt werd, wel, toen was daar die levendmakende Geest. Voor het eerst trad daar leven aan het licht dat onvergankelijk was. Eerder dan dat Jezus opstond uit de doden kon dat nog niet gegeven worden. Hier zie je dus dat dat levende water spreekt van Geest, spreekt van Hém, die is opgestaan uit de doden en verheerlijkt is door God. Vandaar ook dat deze dingen pas in een later stadium toegelicht konden worden. Het was allemaal nog cryptisch voorheen, maar later kon dit allemaal zo aangewezen en toegelicht worden. Het spreekt van levend Woord, maar dat Woord is ook in die zin werkelijk concreet geworden in Zijn opstanding uit de doden.⟨/p> ⟨p>Dan praten we echt over het meest centrale thema van de hele Schrift: God die de dood door Zijn Zoon tenietdoet. Gewoon als feit wordt dat gesteld en in fasen wordt dat gerealiseerd. Deze Geest, dat leven, zal alles overwinnen. Wel, daarover heeft de Heer het en daaraan kunnen we dus ook direct denken als we dat gesprek aanhoren bij de bron van Sichar, waar Jezus spreekt met zo'n arme Samaritaanse vrouw. En Hij zegt er trouwens nog dit bij: dat springt tot in aionisch leven. Daarover hebben we het al vaker gehad: aionisch leven, het leven van die toekomende aion. Dat hoef je niet zelf te definiëren, dat doet de Heer zelf in Johannes 17: dit nu is het aionische leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. Straks in de toekomende aion zal iedereen de enige waarachtige God kennen en Hem die Hij gezonden heeft, maar wij kennen Hem nu al. Dus wij hebben dat aionische leven, dat leven dat thuishoort in die aion, nu al hier.⟨/p> ⟨p>Hij geeft dat levende water, dat levende Woord, en dat springt op. Dat geeft dus meteen ook aan in welke richting dat gaat: richting Hém. U weet dat alles op aarde inzakt en naar beneden valt; de richting van de dood gaat neerwaarts. Maar dat Woord doet precies het omgekeerde. Dat is ook precies een bewijs van de vitaliteit: het richt op, het wekt op, het doet opstaan. Het richt ook omhoog; het springt op. Ik vind het een hele mooie geschiedenis in de Bijbel waar je dat zo leest over die verlamde man die aan de poort van de tempel zat en aangesproken werd door Petrus en Johannes. Die man, die vanaf zijn geboorte verlamd was, sprong op! Er werd tegen hem gezegd 'sta op' en hij sprong op. Kijk, dat is wat leven doet. Dat is nieuw leven.⟨/p> ⟨p>Je kunt dat ook heel makkelijk onthouden door het gewoon met Engelse oren even te beluisteren: Spring, nieuw leven. Als het seizoen van de dood voorbij is, dan krijgen we Spring, wanneer alles ontspringt en openspringt en in ieder geval ook opwaarts springt. Alles wordt opwaarts gericht naar Hém. Als je die kant op gericht bent, dan leef je; anders ben je gewoon dood, ja toch? Dat springt tot in aionisch leven. De vrouw zei tot Hem... ze heeft het nog niet helemaal door hoor, want ze zegt dan: "Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet meer hierheen behoef te gaan om te putten." Dan heb je het toch nog niet helemaal begrepen, dat ze daar niet meer helemaal doorheen hoefde te komen. Het was kennelijk nog een hele tippel om dat te doen, maar u begrijpt dat als ze zoiets vraagt, ze daarmee opnieuw blijk geeft het toch nog niet begrepen te hebben.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4789" title="Speel af vanaf 01:19:49">▶ 01:19:49⟨/button> ⟨span>Het Verzoek van Jezus: Ga Heen en Roep Uw Man⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan zegt Hij tot haar: "Ga heen, roep uw man en kom hier." Ja, waarom lach jij? Nee, ik kan het niet zeggen, ik vertel het later wel. Oké, roep uw man en kom hier. Waarom zou de Heer dat nu zeggen? Ik las in een commentaar dat dit gezegd werd om haar in haar geweten te treffen.⟨/p> ⟨p>Maar wat dacht je hiervan: je leest een paar hoofdstukken eerder, aan het einde van Johannes 1, dat de Heer al zoiets opmerkelijks tegen Nathanael zegt. Als Hij Nathanael ontmoet, zegt Hij: "Ik zag je al zitten onder de vijgenboom." Hoe kon Hij dat weten? Ja, dat wist Hij. Dat was rechtstreeks van boven natuurlijk.⟨/p> ⟨p>Dit wordt ook de opstap om dingen te vertellen die alleen een profeet kan zeggen. Dat is dan ook precies haar conclusie: "Here, ik zie dat Gij een profeet zijt." Want let op wat Hij dan zegt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4867" title="Speel af vanaf 01:21:07">▶ 01:21:07⟨/button> ⟨span>Vijf Mannen Gehad: Openbaring van de Ware Profeet⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De vrouw zegt: "Ik heb geen man." O, bedoelt u dat zo? Wacht even, ja. "Ga heen, roep uw man." Ik zie die link ook, want zoals ik al zei, deze vrouw doet denken aan de tien stammen die inderdaad een scheidbrief hadden gehad en geen man meer hadden. Maar dat was ook vanwege het feit dat ze andere goden, andere mannen achterna liepen. In de Bijbel was afgoderij voor Israël eigenlijk gewoon hoererij. Want ze waren getrouwd met de Heer; het verbond dat ze hadden, was een huwelijksverbond. Dus als zij andere goden naliepen, dan was dat feitelijk hoererij. Zo wordt het in de profeten ook heel vaak genoemd.⟨/p> ⟨p>"Ga heen en roep uw man en kom hier," en ze zegt: "Ik heb geen man." Nee, dat klopt. En dat zegt de Heer dan ook. Ik had hier op deze aantekening al eerder gewezen: "Ik heb geen man." Nee, precies. Dat tienstammenrijk had geen man meer. En Jezus zei tot haar: "Terecht zeg jij: ik heb geen man." Hij bevestigt dat dus. En niet alleen dat, want: "Gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet." Hij zegt dus: "Hierin hebt gij de waarheid gesproken." Als u zegt: "Ik heb geen man," dan klopt dat. Vijf mannen gehad en die je nu hebt, dat is je man niet eens. Met andere woorden: met de man met wie ze nu leefde, was ze niet eens getrouwd.⟨/p> ⟨p>En de vrouw zei tot Hem: "Heer, ik zie dat U een profeet bent." Want dit was rechtstreeks het Woord van God. Dat kan niet anders. Hoe kon Hij dat anders tegen haar zeggen? Nu was het haar duidelijk geworden. Dat blijkt trouwens ook wel – daar komen we nu niet meer aan toe – maar die vrouw gaat vervolgens de stad in. Al haar gêne is ze ineens kwijt en ze gaat de stad vertellen wie zij bij de bron ontmoet heeft. Dan zegt ze ook: "Die man heeft verteld wie ik ben en alles aan het licht gebracht." Daar is ze zo door getroffen. Dit is die Profeet! Dit is de Messias! Dat is wat ze gaat zeggen. Maar hier zegt ze nog: "Ik zie dat U een profeet bent." Want dit zijn woorden van God, dat kan niet anders.⟨/p> ⟨p>Het is mooi dat het Woord van God daarin ook zichzelf bewijst. Hoe weet je dat het het Woord van God is? Omdat het het karakter heeft van een woord van boven. Een mens kan het niet bedenken. Hoe weten we dat dit de Schriften zijn? Er is een intrinsiek bewijs daarvoor. Dat wil zeggen: het is zo opgebouwd en samengesteld dat het slechts een goddelijk concept kan zijn. Het is alleen van Gods wege mogelijk dat zo’n hele bibliotheek een eenheid kan zijn; zo krachtig, zo samenhangend, zo’n levend geheel. Het is een levend Woord. Het is zoals mijn lichaam en uw lichaam een levend geheel zijn. Alles hangt met alles samen. Dat is met de Schrift ook zo: het is levend, het ademt, het geeft leven, maar het is ook één geheel. Alles hangt daarin met alles samen.⟨/p> ⟨p>"Ik zie dat Gij een profeet zijt." En dan komt ze bij een vraag die bijna een hele theologische discussie wordt. Want de grote religieuze controverse die er was tussen Samaria en Jeruzalem, tussen Joden en Samaritanen, die brengt zij nu ter sprake. Maar ik denk dat we er verstandig aan doen om hier even halt te houden en dat te parkeren voor de volgende keer. Dan pakken we dus de volgende keer de draad op bij vers 20.⟨/p>