⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik: het Gesprek met Nicodemus en de Hemelse Dingen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Deze laatste bijeenkomst, deze laatste Bijbelstudie van 2015, gaan wij ons nog één keer bezighouden met Johannes 3 en ik vermoed zo dat we ook wel een begin zullen kunnen maken met hoofdstuk 4, het beroemde gesprek met de Samaritaanse vrouw die daar beschreven wordt. Daar zullen we wel enige avonden aan gaan besteden, vermoed ik zo. Ik denk dat we er verstandig aan doen om, zoals gebruikelijk, nog even terug te blikken op niet alleen de voorgaande avond, maar in het algemeen op wat we hebben gezien in Johannes 3.⟨/p> ⟨p>Daar vinden we in de aanvang – en daar is het hoofdstuk denk ik ook met name bekend om – het gesprek met Nicodemus, die door de Heer Jezus Zelf de leraar van Israël wordt genoemd. In de eerste tien verzen van dat hoofdstuk gaat het over 'wedergeboorte'. U ziet dat ik aanhalingstekens heb geplaatst, want op die term is wel wat af te dingen. Eigenlijk staat er niet zozeer het woordje 'weder', maar 'van bovenaf'. Inderdaad is dat een geboorte die volgt op de geboorte die we hier allemaal hebben ondergaan, maar het idee is niet zozeer dat het opnieuw een geboorte is, maar een geboorte met een andere oorsprong. Eigenlijk staat er 'van boven geboren', of eigenlijk nog beter: 'van boven gegenereerd'. Hij is het die van boven genereert.⟨/p> ⟨p>U moet zich realiseren dat dit een gesprek is dat de Heer Jezus voert met de leraar van Israël en Hij zinspeelt ook voortdurend op wat de profeten van Israël hebben gezegd over wat Israël zou overkomen, namelijk dat ze vanuit de natiën verzameld zouden worden en dat God hen een nieuw hart en een nieuwe geest zou geven. In dat soort termen wordt erover gesproken: Israël zal wedergeboren worden of nieuw leven ontvangen. Daarover gaat het in die eerste tien verzen. Nicodemus reageert als iemand die volstrekt onwetend is over deze dingen en dat is precies wat Jezus hem kwalijk neemt: "Zijt gij de leraar van Israël en weet je deze dingen niet?"⟨/p> ⟨p>Vervolgens maakt Jezus een opmerking. Hij zegt: "Als Ik jou nu al gesproken heb over aardse zaken..." Daarmee bedoelt Hij ook die wedergeboorte van Israël in de toekomst als natie. Dat is een zaak die hier op aarde zal plaatsvinden. Israël zal als natie hersteld worden, een nieuwe geest krijgen en een totaal nieuw leven ontvangen uit de doden. Eigenlijk is wedergeboorte niets anders dan nieuw leven ontvangen: opstandingsleven. Israël zal opstaan als uit de doden; dat is een beeld dat we diverse keren in de Bijbel, ook al in het Oude Testament, tegenkomen.⟨/p> ⟨p>Dat zijn aardse zaken. Maar nu zegt de Heer: "Nu heb Ik je gesproken op basis van dingen in het Oude Testament die je zou moeten weten over aardse zaken, en je gelooft het niet, je kent het niet, je weet het niet. Hoe zou je dan wel op de hoogte zijn van hemelse zaken die daar nog weer ver bovenuit grijpen?" Dan heeft Hij het over de verhoging van Christus. De Zoon des Mensen, de Ben-Adam, die verhoogd moet worden, waarbij ik moet zeggen dat die verhoging van de Zoon des Mensen niet Zijn kruisiging is. Sterker nog, dat is Zijn uiterste vernedering. Zijn verhoging is juist dat Hij ten hemel is gevaren en momenteel ook verborgen is op aards niveau, dus volstrekt onkenbaar. Dat wil zeggen dat het dingen zijn die je niet kunt zien. Dat is nu juist het unieke van de tijd waarin Christus verhoogd is – deze tijd dus ook nog steeds. Dat zijn hemelse dingen; dat Hij nu daar is.⟨/p> ⟨p>Paulus gaat daarin nog weer veel verder, namelijk dat wij die vandaag geloven met Hem verbonden zijn en ons leven met Christus verborgen is bij God daar in de hemel. Daar zijn wij; dat is onze positie. Dat zijn hemelse dingen. De Heer brengt dat zo naar voren en illustreert dat trouwens ook nog aan de hand van de geschiedenis van de verhoogde slang. Er zijn heel veel passages in de Bijbel, ook in de letterlijke zin en in de expliciete profetieën, die spreken over de Zoon des Mensen, de Ben-Adam, die verhoogd zou worden. Hij zou op aarde vernederd worden, maar vervolgens door God verhoogd worden. Dat zijn hemelse zaken.⟨/p> ⟨p>Vanaf vers 13 tot en met vers 21 krijgen we een toelichting van Johannes – en als ik zeg Johannes, dan bedoel ik de schrijver, één van de twaalf, de broer van Jacobus. Dat blijkt al vanaf vers 13; ik moet de eerdere opmerking over vers 15 nog even corrigeren. Daar staat namelijk: "Niemand is opgevaren naar de hemel dan die uit de hemel nedergedaald is: de Zoon des Mensen, de Ben-Adam." Niemand is opgevaren. Dat betekent dus dat de Zoon des Mensen inmiddels, toen dit geschreven werd, al opgevaren was. Niet tijdens het gesprek van Jezus met Nicodemus, want toen was de Zoon des Mensen nog niet opgevaren, maar later, toen Johannes dit optekende, uiteraard wel. Vanaf vers 13 tot en met vers 21 betreft het een toelichting van Johannes.⟨/p> ⟨p>In vers 22 tot en met vers 25 lezen we over de controverse, het geschil dat er ontstaat tussen de discipelen van Johannes de Doper met Jezus en de Zijne, Zijn discipelen. Zij bespeurden concurrentie: er was meer toeloop naar Jezus onder het volk. Dat was trouwens ook een grote ergernis voor de leidslieden, maar daar komen we straks ook nog even over te spreken. Als Johannes de Doper daar lucht van krijgt en hem ter ore komt dat zijn discipelen dat met argusogen aanzien – dat Jezus meer publiek trekt, een groter gehoor heeft en ook Zijn discipelen meer mensen dopen – dan is het Johannes zelf die van die houding van zijn eigen discipelen afstand neemt. Hij zegt: "Ja maar, het gaat niet om mij, het gaat juist om Hem. Dus als alle aandacht naar Hem toe gaat, dan is dat alleen maar zoals het hoort."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="442" title="Speel af vanaf 07:22">▶ 07:22⟨/button> ⟨span>Johannes de Doper als Vriend van de Bruidegom⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De laatste verzen die we de vorige keer hebben bezien, zijn vers 29 en vers 30. Ik stel voor dat we ze nog even lezen. Daar zegt Johannes: "Die de bruid heeft, is de bruidegom." De bruidegom heeft uiteraard de bruid. In dit verband is de bruidegom natuurlijk de Heer, zoals we de vorige keer al uitgebreider hebben besproken. Het is een bekend beeld uit het Oude Testament, waarbij Israël de bruid is en de Messias de bruidegom.⟨/p> ⟨p>Ik weet dat dit ook omstreden is wanneer ik zoiets zeg, want men zegt dan: "Ja, maar de kerk is toch de bruid?" Nu moet ik zeggen dat ik sowieso al niet zo houd van de term "de kerk", omdat ik dan direct aan een instituut denk. Maar goed, de tegenwoordige gemeente is het lichaam van Christus; Paulus gebruikt werkelijk nooit dat beeld van een bruid. Johannes de Doper zegt: "Die de bruid heeft, is de bruidegom." Maar hij spreekt ook over de vriend van de bruidegom, en dat is Johannes zelf. Hij is eigenlijk de supporter van de bruidegom, degene die de twee bij elkaar brengt en fungeert als de ceremoniemeester op de bruiloft. De vriend van de bruidegom die erbij staat en naar de bruidegom luistert, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom.⟨/p> ⟨p>De discipelen van Johannes zagen dat allemaal ongemakkelijk aan; zij waren feitelijk jaloers vanwege de aandacht die naar Jezus uitging. Maar Johannes zegt: "Ik ben de vriend van de bruidegom. Ik verblijd mij met blijdschap over dat wat Hij te melden heeft en over het feit dat ik Zijn stem mag horen." Het is logisch dat de aandacht naar Hem toegaat. Hij zegt: "Zo is dan juist mijn blijdschap vervuld als dat gebeurt."⟨/p> ⟨p>Dat zijn de laatste woorden geweest die we hebben besproken: "Hij moet wassen." Dat heeft in dit geval niets te maken met de doop, maar het gaat erom dat Hij moet groeien. Wassen is een ouder Nederlands woord voor groei. Hij moet groeien en groter worden, en ik moet minder worden. Ik zal minder worden.⟨/p> ⟨p>Daarmee ziet Johannes heel duidelijk zijn plaats, en hij wordt nooit moe om dat te benadrukken. Na mij komt Hij van wie ik niet waardig ben de schoenriem vast te binden of te ontbinden. Het meest nederige werk; hij zei dat hij niet eens waardig was om dat te doen. Dat zijn de verhoudingen, en daar was Johannes zich heel goed van bewust. Hij was slechts een wegbereider – niet minder, maar ook zeker niet meer. Dat is wat Johannes onderkent.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="626" title="Speel af vanaf 10:26">▶ 10:26⟨/button> ⟨span>Hij Die van Boven Komt en de Mens als Aardeling⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan gaan wij nu verder in de bespreking. En dan zijn we dus aangekomen bij vers 31. En nu zeg ik opnieuw weer: vanaf dit vers krijgen we weer een toelichting van Johannes. En dat zie je dus iedere keer in het Johannesevangelie. We hebben het tot dusver al een paar keer vastgesteld. Eerst dus een beschrijving van wat er gebeurde — een wonderteken of een rede of een gesprek die Jezus heeft, in dit geval met Nicodemus — en dan vervolgens Johannes die daar zijn aantekeningen of zijn toelichtende opmerkingen bij maakt.⟨/p> ⟨p>Nou, nu hebben we net die controverse gezien tussen de discipelen van Johannes en de reactie van Johannes de Doper. Dat is gewoon een verslag van gegevens; Johannes heeft het allemaal opgetekend. En vervolgens zet hij daar weer zijn voetnoten bij, zijn kanttekeningen. En hier beginnen weer die kanttekeningen, als u het mij vraagt. Want let maar eens op de formulering: "Die van boven komt, die is boven allen." Het woord "is" staat in de tegenwoordige tijd. En daaruit blijkt weer dat ook dit een toelichting is van de schrijver. Jezus was inmiddels niet meer hier op aarde. Nee, Hij was boven allen. Hij was dus verhoogd, en dat is dus een uitbeelding van de tegenwoordige positie van de Zoon van God in de hemel. Inmiddels dus verhoogd; dat zijn nou die hemelse dingen.⟨/p> ⟨p>Ik geef hier nog een verwijzing naar Johannes 1 vers 18. Ja, misschien is het even goed om daarnaar terug te bladeren. Maar dan lees je dus dat er staat: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen." Ook daar staat weer die tegenwoordige tijd: "is". Dus Johannes zegt: niemand heeft ooit God gezien. Voor zover we Hem hebben gezien, dan is dat via de Zoon van God. De Zoon van God, die het beeld is van God. De Zoon van God die aan de boezem des Vaders is. Dat wil zeggen: die momenteel daar aan de rechterhand Gods is, tegenwoordige tijd. Dus verhoogd. Hij is boven allen en dat is dus precies wat de Zoon van God vandaag is.⟨/p> ⟨p>Op aarde wordt het niet gezien, maar de wereld ziet Hem ook niet. Dat is trouwens ook een onderwerp wat we later in het Johannesevangelie nog zullen tegenkomen. Dat de Heer zelf zegt: "De wereld zal Me niet meer zien. De wereld zal Me niet meer zien." Nou, dat is de positie van de Zoon van God vandaag. En vandaar ook dat Johannes aan het einde van zijn evangelie ook nog die geschiedenis vermeldt dat Jezus verschijnt op de achtste dag, weet u nog, na die week aan Thomas. En dat Thomas Hem dan ook inderdaad gewoon kan aanraken. En dan zegt de Heer Jezus ook van: "Nu jij Mij gezien hebt, geloof je." Zo zal het trouwens ook met Israël gaan. Israël zal tot geloof komen in haar Messias; ze zullen hun Messias zien. Ze zullen zien wie zij hebben doorstoken en zo tot erkenning komen.⟨/p> ⟨p>Maar dan zegt de Heer: "Omdat jij gezien hebt, geloof je; maar zalig — gelukkig — zijn zij die niet gezien hebben en nochtans geloven." Dat is in feite een beschrijving van de hele tegenwoordige tijd, van die tweeduizend jaren waarin de Zoon van God boven is in het hemels heiligdom, welk Bijbels beeld je daar ook voor kunt gebruiken. Maar dat is ongezien. Daar is Hij, boven allen. En wij geloven Hem. En daarom, Johannes zegt er trouwens ook pal achteraan — ik weet niet of u dat wel eens een keer is opgevallen, nou, ga even met me mee naar Johannes 20. Ik heb er geen diaatje van, maar daar staat er in vers 29 van Johannes 20 dus: "Jezus zeide tot hem: Omdat je Mij gezien hebt — trouwens ook nog getast — heb jij geloofd? Gelukkig zijn zij die niet gezien hebben en toch geloven."⟨/p> ⟨p>En dan staat er nog iets achter: "Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus — de Messias dus — de Zoon van God en opdat gij gelovende het leven hebt in zijn naam." Het leven namelijk dat Hij aan het licht heeft gebracht: de Opgestane. Thomas heeft Hem gezien, maar wij hebben Hem niet gezien, maar deze dingen zijn allemaal geschreven. Wij hebben het te doen met dat wat staat geschreven, met dat wat opgetekend is, zwart op wit, en dat zijn de levende woorden van God. Dat zijn maar geen lettertjes; nee, dat is Iemand die daarin geschilderd wordt en heel die Schrift getuigt van Hem.⟨/p> ⟨p>"Die van boven komt, die is boven allen." Wie uit de aarde is, zegt Johannes er dan achteraan, die is uit de aarde en spreekt van de aarde. Hij spreekt vanuit de aarde, ziet u? Wie uit de aarde is, wat is dat? Dat lijkt mij niet zo moeilijk. Dat zijn gewoon in principe u en ik. Gewoon de mens. Sorry? Ja. Daar ga ik nu naartoe, want 1 Korinthiërs 15 vers 47, daar staat het eigenlijk letterlijk zo. 1 Korinthiërs 15 vers 47: de eerste mens, Adam, is uit de aarde. Ik meen dat er staat "stoffelijk" — ik zou even moeten kijken, maar ik meen dat in de Statenvertaling staat dat hij uit de aarde is en dus aards. De tweede mens, de laatste Adam, is uit de hemel. Dat wil zeggen: van God afkomstig. Hemels van origine.⟨/p> ⟨p>Er zit trouwens nog iets moois aan vast als je het vanuit het Hebreeuws bekijkt. Want het woord Adam is een Hebreeuws woord. Maar Adam betekent eigenlijk "iemand die uit de aarde komt". Het woord voor aarde in het Hebreeuws is Adama, een vrouwelijk woord, en feitelijk is de mens afkomstig uit moeder aarde; we spreken daar ook over, over moeder aarde. De aarde is inderdaad de moeder waaruit wij voortkomen. En Adam komt dus uit Adama. Dus eigenlijk als je in het Hebreeuws "Adam" zegt: mens. Kijk, voor ons is het ook nog eens een persoonsnaam; we doelen daarmee op onze allervoorvader. Maar het is gewoon het woord mens. Wij heten zo omdat we allemaal gewoon naar onze voorouder genoemd zijn, zeg maar: die mens was Adam.⟨/p> ⟨p>Maar eigenlijk zeg je in het Hebreeuws als je "Adam" zegt, dan zeg je feitelijk: hij die uit de aarde is voortgekomen. Adama. Een aardeling. Dus je zou het nog anders kunnen zeggen: een mens is in het Hebreeuws een aardeling. Ik geef toe: het klinkt niet echt zo fraai in het Nederlands, maar u begrijpt wat ik bedoel. Je bent gewoon iemand van de aarde. Uit de aarde afkomstig. Stof zijt gij en tot stof kun je weer terug. Dat is wat de mens is. Uit de aarde. En daarom kun je ook feitelijk niet dat niveau ontstijgen. Je bent gewoon aardsgebonden, dat is ons lot.⟨/p> ⟨p>En voor zover een mens meer is, dan is het omdat de God des hemels, de levende God, wat met je doet en je op een hogere plaats zet. Maar gewoon onze positie als mens, als aardeling, is hiermee getekend, namelijk: uit de aarde en daarom ook aards. En daarom kan je ook niet feitelijk... is daar feitelijk ook weer je toekomst gelegen? Ik bedoel: uit de aarde, dat is je afkomst, maar het is feitelijk ook weer je lot. Je keert weer terug tot die aarde. Ik zei al: tenzij God wat met je gaat doen. Maar dat heeft dan te maken met die tweede mens, met de laatste Adam. Dan wordt het hele proces omgekeerd. Maar dit is daarmee getekend: een aardeling.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1202" title="Speel af vanaf 20:02">▶ 20:02⟨/button> ⟨span>Het Juridische Getuigenis Aangaande de Zoon van God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In vers 32 van Johannes 3 krijgen we feitelijk min of meer een herhaling van de eerste zin: Die uit de hemel komt. Hij is komende vanuit de hemel. Feitelijk zie je daarmee – wij denken vaak dat de Heer ooit eenmalig uit de hemel is gekomen – maar dat is niet de gedachte. Alles wat Hij bracht was hemels van origine. Hij had de woorden van zijn Vader vernomen en dat kwam dus met recht van boven, vanuit de hemel. In de grondtekst staat bij 'komen' een vorm die de tegenwoordige tijd aanduidt: Hij is komende vanuit de hemel. Alles wat Hij deed was niets anders dan direct afkomstig vanuit de hemel. En Hij is boven allen, zoals ook al in het vorige vers stond.⟨/p> ⟨p>Wat Hij – en dat is uiteraard de Heer Jezus Christus – gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij. Dat is een heel belangrijk basisbegrip in met name het Johannesevangelie: het woord getuigenis. Ik heb het al een paar keer naar voren gebracht: in feite is het een juridisch begrip. Voor de rechtbank worden getuigen opgeroepen. Wat is een getuige? Dat is iemand die iets gezien heeft, er zelf bij aanwezig is geweest, of het gehoord, geproefd of in ieder geval zintuiglijk heeft waargenomen. Hij kan zeggen: "Ik was er zelf bij, ik heb het zelf gezien, gehoord, gevoeld en getast." Dat is een ooggetuige. Wat in het Nieuwe Testament wordt opgetekend en waar Johannes over spreekt, is niet zomaar een verhaal. Nee, het is een getuigenis. Het is gewoon gezien, gehoord en waargenomen. Er zijn getuigen van. Een getuigenis staat vast wanneer er minimaal twee of drie getuigen zijn; bij elke zaak zal door twee of drie getuigen een zaak vaststaan.⟨/p> ⟨p>Dat is hier ook aan de hand, want er wordt steeds terugverwezen naar de doop van Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan. Waar zou dat 'gezien en gehoord' op doelen? Het gaat hier specifiek over Jezus Christus Zelf. Wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigde Hij. Er waren er die dat getuigenis bevestigden, maar Hij getuigt Zelf van wat Hij gezien en gehoord heeft: namelijk dat Hij inderdaad de Zoon van God is. In Johannes 1 staat dat Johannes getuigde: "Ik heb aanschouwd dat de Geest neerdaalde als een duif uit de hemel en Hij bleef op Hem." En dan staat er dat ze Johannes de Doper ernaar vroegen en hij zei: "Ik kende Hem niet in die gestalte." In hoeverre Johannes de Doper Hem helemaal niet heeft gekend, kun je uit deze woorden verschillend opmaken, maar we moeten ons realiseren dat hun beide moeders nichten waren. Maria bracht een bezoek aan Elisabeth, die haar nicht was, dus zij waren familie. Johannes de Doper was bovendien een half jaar ouder. Toen Elisabeth zes maanden zwanger was, werd Maria zwanger, dus ze scheelden een half jaar. Dat is ook niet zonder betekenis, maar dat laat ik hier even voor wat het is.⟨/p> ⟨p>Johannes zegt dus: "Ik kende Hem niet." Of hij dat echt in absolute zin bedoelde of alleen in de zin van wie Hij werkelijk was, namelijk de Zoon van God, laat ik in het midden. Maar God, die Johannes gezonden had om te dopen in water, had tot hem gezegd: "Op wie jij de Geest ziet neerdalen en op Hem blijven, Deze is het die in heilige Geest zal dopen." Johannes zegt erbij: "En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van God is." Johannes bevestigt dat dus. Als Jezus inderdaad verklaart de Zoon van God te zijn, dan gaat dat helemaal terug naar de geschiedenis van Maria die als maagd zwanger werd zonder omgang met een man. Daardoor is Hij de Zoon van God, maar dat niet alleen. Hij is ook bij de doop door God Zelf zo aangesproken: "Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde." Dat is ook Psalm 2: "Deze is mijn Zoon." In wie Hij al zijn welbehagen heeft.⟨/p> ⟨p>Als je de hele entourage erbij betrekt, dan wordt dat zoveelzeggend. Dan zie je feitelijk daar alweer een plaatje van wat een paar jaar later zou gebeuren. De Heer Jezus Christus stond daar in de Jordaan, werd ondergedompeld en stond uit het water op. Hij stond op uit de Jordaan, die doodsjordaan, en vervolgens kwam de Geest in de gedaante van een duif op Hem en bleef op Hem. Toen klonk die stem uit de hemel. Johannes is daar een getuige van geweest en wellicht zijn er nog veel meer geweest, maar in ieder geval is het bevestigd. Vanuit de hemel hebben die woorden toen geklonken. Dat was ook het officiële begin van Jezus' bediening. Toen werd Hij gezalfd met Gods Geest. Later is het Petrus die dat ook zegt in het huis van Cornelius: "God heeft Hem bij zijn doop in de Jordaan gezalfd met de Geest." Dat wil zeggen: Hij werd daar feitelijk de Christus, de Mashiach. Dat dit een plaatje is van zijn opstanding, is waar, maar daar werd Hij de Christus.⟨/p> ⟨p>Ik ben daar via een ander traject ook nog mee bezig, omdat ik in Rotterdam studies geef over de Bijbelse chronologie. Dan heb je het over het einde van de 7 en 62 weken in Daniël 9. Je leest daar dat die 69 jaarweken eindigen bij Messias de Vorst, en dat is precies op dit moment. Ik ga dat bij een latere gelegenheid uitleggen, maar daar eindigt die 69ste jaarweek. Ik heb het expres eventjes getild naar het volgende jaar, want ik ga daar spannende dingen over zeggen, over die 70ste week. Dat wordt 2016, maar het is allemaal buitenwoon boeiend. Waar het me nu even om gaat: het officiële begin van Jezus' bediening, waar Hij gezalfd werd met Gods Geest, is bij dit moment. Hij is daar letterlijk ooggetuige van het feit dat Hij door God verklaard wordt de Zoon te zijn. "En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van God is."⟨/p> ⟨p>In Johannes 3 vers 32 staat: "Wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en zijn getuigenis neemt niemand aan." Dat klinkt misschien vreemd, want had Jezus niet heel veel succes? Ik had er zojuist al op gewezen dat velen van het volk juist op Hem afgingen. Ja, maar officieel – de leidslieden – moesten niets van Hem hebben. Zoals de Duitsers zeggen: ⟨em>im Ganzen Großen⟨/em>. Dat wil zeggen: over het grote geheel waren ze zeer afwijzend tegenover Hem. Johannes stelt vast dat Israël in zijn dagen het evangelie van de opgestane Messias had afgewezen. Let ook nog even op Johannes 3 vers 11, waar de Heer Jezus tegen Nicodemus zegt: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jou: wij spreken van wat wij weten."⟨/p> ⟨p>"En wij getuigen van wat wij gezien hebben." Ik heb er bij die gelegenheid op gewezen dat die "wij", dat zijn juist Johannes de Doper en de Heer zelf. Wij zijn eigenlijk die twee getuigen. Je zou kunnen zeggen: "Dat is Jezus", of: "Dat is Nicodemus". Maar "wij", dat is niet Nicodemus. Nee, dat zijn Johannes de Doper en de Heer. Wij spreken van wat wij weten, wij getuigen van wat we gezien hebben en jullie nemen ons getuigenis niet aan.⟨/p> ⟨p>"Jullie" is daarbij dan ook speciaal bedoeld voor Nicodemus, de leraar van Israël, als representant van de orthodoxe gezagsdragers, van de autoriteiten. Zij stonden afwijzend; dat is algemeen de lijn. Ik kom er straks nog even op terug, want we zullen zien dat Jezus juist onder het volk dikwijls was. Ik geef toe, dat kan soms heel erg momentgebonden zijn. Dat waren soms ook vlagen, maar bij gelegenheid was Hij buitengewoon populair. We hadden het er net al over dat Hij vele mensen tot Zich trok. Dat was juist de jaloezie en de kift van die discipelen van Johannes de Doper.⟨/p> ⟨p>Maar de autoriteiten stonden altijd afwijzend ten opichte van Hem. En als het eens een keer anders was, dan was het een enkeling: een Nicodemus die 's nachts tot Hem komt om maar niet gezien te worden. Of van Jozef van Arimathea lees je dat ook, die in het verborgene een discipel was. Hij maakte deel uit van het Sanhedrin, maar in het verborgene was hij een discipel van Jezus. Waarmee dus ook gezegd is dat de leidslieden Hem gewoon afwezen. En daarom: Zijn getuigenis neemt niemand aan — officieel dan — van de vertegenwoordigers van het volk. En nu lees ik even verder in vers 33.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1978" title="Speel af vanaf 32:58">▶ 32:58⟨/button> ⟨span>Gods Waarachtigheid Bezegelen en Geest Zonder Mate⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wie het getuigenis van deze Jezus — inmiddels de Christus — aanvaardt, die getuigenverklaring dus, die heeft daarmee bezegeld dat God waarachtig is. Daarmee is eigenlijk gezegd: als je aanneemt wat Jezus sprak, dan bezegel je daarmee ook dat God waarachtig is, want Hij sprak de woorden van God. Dat zullen we zien in het volgende vers, maar laat ik eerst nog even naar 1 Johannes 5 vers 10 gaan. Daar vind je woorden van gelijke strekking. Dat is de brief die Johannes later heeft geschreven. Daar staat: "Indien wij het getuigenis van mensen aannemen" — en dat doen we; mensen kunnen iets getuigen en dat neem je aan — "het getuigenis van God is zoveel meerder. Want dit is het getuigenis van God, dat Hij van Zijn Zoon getuigd heeft." En nu komt het: "Wie in de Zoon van God gelooft, heeft het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, heeft Hem feitelijk tot een leugenaar gemaakt."⟨/p> ⟨p>Dit is echt Johannes. Zelfs al zou je deze verzen niet kennen en je zou moeten raden wie dit geschreven heeft, dan zou je dat herkennen aan de hele stijl, die zo zwart-wit is. Wie Hem gelooft, die bezegelt dat God waarachtig is. Wie dat verwerpt, die maakt Hem feitelijk gewoon tot een leugenaar. En waarom? Omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis dat God getuigd heeft van Zijn Zoon. God heeft getuigd aangaande Zijn Zoon bij meer dan één gelegenheid: niet alleen bij Zijn doop, maar later ook bij de verheerlijking op de berg waar die stem klonk, en later is uiteraard het definitieve getuigenis van God Zijn opstanding uit de doden. Toen God Zijn Zoon opwekte uit de doden en de steen werd weggewenteld. Ook dat getuigenis is bevestigd en vele ooggetuigen waren daarvan. Dat is Gods getuigenis. Als je dat verwerpt, dan verwerp je iets wat juridisch volstrekt vaststaat. Het is een feit. En als je dat niet gelooft, dan maak je Hem feitelijk tot een leugenaar.⟨/p> ⟨p>Ondanks het feit dat Hij Zich vandaag onttrekt aan het gezicht en we Hem niet zien — wij geloven in Iemand die we niet zien — zijn deze dingen opgeschreven en opgetekend. Dat is een keihard getuigenis. Het zijn ooggetuigen die dat bevestigd hebben en velen hebben dat met hun leven bekocht, zodat ze daarmee ook nog eens betrouwbaar bleken. Ziet u hoe dat begrip 'getuigenis' hier bijna elke regel zo'n grote rol speelt? Altijd weer een ooggetuigenis, juridisch vaststaande gegevens. Als je dat gelooft, dan bezegel je daarmee dat God waarachtig is. En omgekeerd: als je het niet gelooft, dan maak je Hem tot een leugenaar. Ik houd wel van zulke zwart-witte taal; dat is volstrekt duidelijk door die contrasten.⟨/p> ⟨p>Het wordt nog nader gemotiveerd in vers 34: "Want Hij die God gezonden heeft..." — uiteraard gaat het nog steeds over de Zoon van God — "...die spreekt de woorden Gods." Dat is logisch, want Hij is gezonden met een missie om Zijn woorden door te geven. "Want Hij geeft de Geest niet met mate." Niet met een beperking, dus onbeperkt en royaal. En hier zie je nog iets moois: die woorden van God worden hier 'Geest' genoemd. Hij die God gezonden heeft, spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate. Met andere woorden: die woorden van God, dat is de Geest. Het is Woord en daarin klinkt Geest, of daarin komt Geest overvloedig mee. Woord en Geest zijn niet twee dingen, het is één en hetzelfde. Zijn Geest is Zijn Woord. Zoals in Johannes 6 vers 63 staat: "Mijn woorden zijn geest en leven." Geest is trouwens hetzelfde als leven. Als je Geest ontvangt, dan ontvang je leven. Stromen van levend water, overvloedig. Dat zijn de woorden van God.⟨/p> ⟨p>Wanneer we straks in Johannes 4 komen en de Heer bij de bron van Jakob zit, gaat het opnieuw over de woorden van God, want daar spreekt die bron van. Waarom het de bron van Jakob is, daar hebben we het nog wel over, maar ziet u? Die woorden van God, dat is de Geest. En nog steeds zijn we in die toelichting van Johannes. "De Vader heeft de Zoon lief." Dat is een prachtige term. Juist Johannes gebruikt daar een schitterende uitdrukking voor. Het is alleen Johannes die Hem in zijn evangelie en zijn brieven de 'eniggeboren Zoon van God' noemt, wat de unieke Zoon van God betekent. De Vader heeft de Zoon lief en dat blijkt alleen al daaruit dat Hij Hem alles in handen heeft gegeven. Ook dit is een duidelijke aanwijzing en verwijzing naar de tegenwoordige positie van de Zoon van God. Want nu is Hem — zoals het in Johannes 17 vers 2 staat in het hogepriesterlijk gebed — volmacht gegeven over alle vlees. En wat dacht u van Matthéüs 28 vers 18, een van de laatste woorden in het Matthéüs-evangelie? Daar zegt de Heer Jezus als de Opgestane: "Mij is gegeven alle macht." Alle volmacht, exousia, autoriteit.⟨/p> ⟨p>In Hebreeën 2 staat een citaat uit Psalm 8 aangaande de Zoon, de Ben Adam, de Zoon des Mensen. Er staat dat Hij een korte tijd beneden de engelen gesteld is vanwege het lijden van de dood. Engelen sterven niet, maar Hij is nu met eer en heerlijkheid gekroond. Dat wil zeggen dat alles aan Zijn voeten onderworpen is. "Thans zien wij nog niet dat alle dingen Hem onderworpen zijn," zegt de schrijver van de Hebreeënbrief. We zien sowieso niets, maar wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond in de Heilige Schriften. Aan de Zoon is alles in handen gegeven. Het is prachtig hoe Johannes dit, terugblikkend op het leven van de Heer, zo neerzet. Dat is Zijn positie en vandaar dat hij er zo zwart-wit over kan spreken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2533" title="Speel af vanaf 42:13">▶ 42:13⟨/button> ⟨span>Eeuwig Leven: het Leven van de Toekomende Aion⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Want nu krijg je weer zo’n typisch woord dat echt thuishoort in het Johannes-evangelie. Wie in de Zoon gelooft, die heeft eeuwig leven. Ik zeg het altijd zo — en misschien lijkt het of ik stotter als ik 'eeuw-ig' leven zeg — maar dat zeg ik met opzet om als het ware een spatie te laten klinken tussen 'eeuw' en dat laatste lettergreepje '-ig'. Ik doe dat om daarmee duidelijk te maken dat het woordje 'eeuwig' alles te maken heeft met een eeuw.⟨/p> ⟨p>Dat is echt geen overbodige luxe, omdat 99,99% van de mensen (en waarschijnlijk is mijn raming nog enigszins optimistisch), christenen nota bene, bij 'eeuwig' direct denkt aan 'eeuwigheid'. Terwijl het woordje 'eeuwig' in de grondtekst verband houdt met aion. Aionios heeft te maken met een aion. Wel, wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Er is een prachtige schriftplaats die daar heel duidelijk over spreekt, namelijk Lukas 18 vers 30. Daar wordt gesproken over het eeuwige leven in de toekomende eeuw. Wat is het eeuwige leven dus? Dat is het leven van die toekomende eeuw; dat wereldtijdperk dat zal aanbreken als de Ben Adam, de Zoon des mensen, hier op aarde zal regeren. Dat is dat eeuwige leven.⟨/p> ⟨p>Kijk, wie gelooft, die heeft in feite nu al dat leven. In die zin dat je straks, in die toekomende eeuw, God zult kennen zoals dan iedereen Hem zal kennen. Hoe staat het ook alweer in de profeet Jesaja? Dat de aarde vervuld zal zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de zeebodem bedekken. Dat is onvoorstelbaar. Zo onbekend als de wereld nu is met God, zo bekend zal de wereld straks met Hem zijn. Men zal Hem kennen en Hem dienen. Welnu, datgene wat karakteristiek is voor die toekomende eeuw, dat kennen wij nu al. Degene die gelooft, heeft dus nu in feite al dat eeuwige leven: het leven van de toekomende eeuw. De Heer Jezus zegt trouwens ook in ditzelfde evangelie, in Johannes 17: "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die U gezonden hebt."⟨/p> ⟨p>Heb je trouwens gezien in hoeveel schriftplaatsen deze waarheid naar voren wordt gebracht? Ik heb er hier een aantal opgesomd, en ik vermoed dat ik niet eens compleet ben: Johannes 3 vers 15, vers 16, hoofdstuk 5 vers 24... In al deze schriftplaatsen staat deze waarheid, namelijk dat wie in de Zoon van God gelooft, eeuwig leven heeft. En ook dat is weer zo’n zwart-wit uitspraak, want het betekent namelijk ook het omgekeerde: dat wie de Zoon van God niet gelooft, dat eeuwige leven niet heeft. Dat verzin ik niet zomaar.⟨/p> ⟨p>Trouwens, nog even dit over 1 Johannes 5 vers 11 en 12. Ik neem u weer even mee naar datzelfde bijbelhoofdstuk waar ik zojuist ook al uit citeerde. Wat is dat getuigenis? Daar heb je dat woord weer. God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven, namelijk dat leven van die toekomende eeuw, dat eeuwige leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. Nou, daar hoef je geen hogere wiskunde voor gestudeerd te hebben om dat te begrijpen. Dat is heel simpel, zo'n duidelijk contrast. Dat leven, dat eeuwige leven, is in het kennen van zijn Zoon. Wie Hem heeft, heeft dat eeuwige leven. Wie die Zoon dus niet heeft, heeft dat leven niet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2823" title="Speel af vanaf 47:03">▶ 47:03⟨/button> ⟨span>Gods Toorn, Ongehoorzaamheid en de Alverzoening⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In Johannes 3 vers 36 staat exact diezelfde waarheid: "Wie in de Zoon van God gelooft, die heeft eeuwig leven." Maar wie aan de Zoon ongehoorzaam is — dus ongezeggelijk is — zal dat leven niet zien. Ongehoorzaam is eigenlijk ongezeggelijk; het is in feite ook weer het tegenovergestelde van geloven. Want wie de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie aan de Zoon van God ongehoorzaam is... met andere woorden: geloven is hetzelfde als gehoorzaam zijn en ongehoorzaam is hetzelfde als niet geloven.⟨/p> ⟨p>Neem even dat woordje 'gehoorzaam'. Dat is heel letterlijk: gehoor geven aan. Je luistert. Je luistert ook naar iemand, zo zeggen we het in het Nederlands ook. "Luister naar mij," zeg je als vader of als moeder tegen je kind. Dat betekent: je geeft gehoor aan wat ik zeg. Dat betekent niet alleen dat je het aanhoort, maar dat je er daarmee dus ook naar handelt. Gehoor geven aan. Wie de Zoon gelooft heeft eeuwig geleefd, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, die zal dat leven dus niet zien. Namelijk het leven van die toekomende eeuw.⟨/p> ⟨p>Is het dan niet logischer dat er 'het' leven staat? Ja, je kunt natuurlijk zeggen dat het verband dat aangeeft omdat er hier gesproken wordt over eeuwig leven. Zoals geloven het tegenovergestelde is van ongehoorzaam zijn, zo is dat eeuwige leven het leven waar het hier over gaat. Alleen moet ik erbij zeggen dat er in de brontekst helemaal geen bepaald lidwoord staat. Er staat gewoon: "Wie zal niet zien leven?" Namelijk welk leven? Nou, het leven waar we eerder in dezelfde zin over spraken: dat eeuwig leven. Die zal dat leven dus inderdaad niet zien; dat is een kwestie van begrijpend lezen. Die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.⟨/p> ⟨p>Voordat we begonnen met deze Bijbelstudie hadden we het al eventjes over dit vers. Toen ging het in het algemeen over oordelen en gerichten, en ook even over die dwaalleer van de alverzoening. Waarom zeg ik dat nou zo? Omdat ik dit vers al zo vaak gehoord heb als een argument tegen de alverzoening. Laat ik op voorhand dit zeggen: als alverzoening een Bijbelse term is — en dat kan niet ontkend worden — dan moeten we daar naar kijken. De term is gewoon rechtstreeks ontleend aan wat Paulus schrijft in Kolossenzen 1: dat God door het bloed van het kruis het al — hetzij wat in de hemel, hetzij wat op aarde is — weder met Zich zal verzoenen. Daar staat gewoon het woord in het Grieks heel duidelijk: alverzoenen. Dat is dus een Bijbels begrip.⟨/p> ⟨p>U moet dus niet gaan vragen: is het één waar of is het ander waar? Wat geloof je nou? Geloof je dat Johannes 3 vers 36 waar is, of Kolossenzen 1 vers 20? Dat is een schijntegenstelling. Sterker nog, als je het zo brengt, dan geloof je kennelijk het ene wel en het andere niet. En dat is heel kwalijk, want we zouden alles moeten geloven wat de Schrift zegt.⟨/p> ⟨p>Maar nu even over Johannes 3 vers 36: die toorn Gods, waar gaat dat dan over? Het gaat hier over degene die de Zoon niet gehoorzaam is. We hebben zojuist nog gezien dat aan de Zoon alles in handen is gegeven, en straks zal dat ook blijken. In die toekomende eeuw zal Hij regeren en heersen. En ieder die dan ongehoorzaam zal zijn, die zal omkomen. Tijdens die toekomende aion waarin de Zoon zal heersen, zal geen ongehoorzaamheid geduld worden. Degene die vandaag niet gelooft, die zal die eeuwen — die aionen — niet meemaken. Die zal dat leven van die toekomende aionen niet kennen en niet beleven, maar daarentegen dood zijn of omkomen bij die gelegenheid. Dat is een volstrekt Bijbels begrip; dat is een Bijbelse waarheid. De toekomende aionen waarin de Zoon zal heersen, zullen slechts gekend, gezien en beleefd worden door degenen die de Zoon van God geloven, oftewel gehoorzaam zijn. En wie Hem niet gehoorzaam is, die zal die eeuwen niet zien; die zal dan in de dood zijn. Het is gewoon een volstrekt Bijbelse waarheid.⟨/p> ⟨p>Is daarmee dus gezegd dat die toorn van God nooit eindigt? Nee, dat staat er helemaal niet. Ja, ik weet het, men zegt: "Jammer, de toorn van God blijft op hem, zie je wel, er komt nooit een einde aan." Nou, dan moet ik nog even iets zeggen. Laat ik het even afmaken, want het wordt tijd om weer eventjes te gaan pauzeren, maar ik wil dit graag afronden. Dat lijkt me een goede zaak.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3206" title="Speel af vanaf 53:26">▶ 53:26⟨/button> ⟨span>De Beperkte Duur van Gods Toorn (het Griekse Woord 'meno')⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Over dat woordje "blijven". Hier staat in het Grieks het woordje ⟨em>meno⟨/em>. En dat woordje betekent: blijven of verblijven voor een al of niet bepaalde tijd. Ik zal u dat laten zien. Dit woord is al een paar keer eerder gebezigd in dit zelfde Johannes-evangelie. Ik neem u mee naar Johannes 1 vers 32. Trouwens, dat vers is al eerder vanavond voorbijgekomen, maar nu zegt Johannes dit: "Ik heb aanschouwd dat de Geest neerdaalde als een duif uit de hemel en Hij bleef op Hem." Het is exact hetzelfde Griekse woord. Maar betekent dat, dat die duif altijd op Hem bleef? Nou, de vraag stellen is haar beantwoorden: dat is namelijk niet zo. Hij bleef kennelijk een langere tijd op Hem, dat is waar, maar natuurlijk niet altijd, niet altoosdurend. Sterker nog, als we dit woord tegenkomen, dan betekent het nooit blijven in de absolute zin, in de zin dat daar geen einde meer aan komt.⟨/p> ⟨p>We komen dit woord vervolgens weer tegen in Johannes 1 vers 40. Daar staat: "En zij" – dat zijn dan de discipelen – "die kwamen dan en ze zagen waar Hij verblijf hield." Hier staat weer dat Griekse woord. "En zij bleven die dag bij Hem." Betekent "blijven" hier dat ze daar altijd zijn? Nee, dat staat er hier ook bij: ze bleven die dag bij Hem. Het is gewoon verblijven. Het betekent inderdaad dat je er langer bent dan een moment. Als je ergens verblijf houdt, dan ben je er niet slechts één moment. Dan blijf je er, dan heb je er verblijf. Maar dat wil niet zeggen dat je er altijd bent. Je huurt een verblijf waar je dus een langere tijd vertoeft, maar dat wil niet zeggen dat daar helemaal geen einde aan komt.⟨/p> ⟨p>Nog één: Johannes 2 vers 12. Daar staat: "En zij bleven daar niet vele dagen." Dus ze bleven wel, maar niet vele dagen. Dus dat woordje "blijven" – dat is wat ik ermee wil zeggen, ik geef maar een paar voorbeelden – betekent eigenlijk nooit een blijven in de absolute zin, zodat daar geen einde aan zou komen. En dat is namelijk wat men vaak zegt. Kijk, die waarheid dat God alles met Zich verzoent, is in strijd met de gedachte dat de toorn van God nooit eindigend is. Dat klopt. Als er aan de toorn van God geen einde zou komen, dan kan het niet waar zijn dat allen tot Hem verzoend worden en zich voor Hem zullen neerbuigen. Die twee zijn niet te matchen. Maar dat kun je niet afleiden uit dit woordje "blijven". Blijven betekent niet dat daar nooit een eind aan komt. Gewoon door de wijze waarop het woord gebruikt wordt, betekent het nooit blijven in de absolute zin.⟨/p> ⟨p>Trouwens, als je de Schrift zou kennen, dan zou je ook weten – en dat is het laatste waar ik op wijs, ik heb daar niet eens een diaatje van – Psalm 30. Die moet je echt uit je hoofd kennen. Want als je nou echt een tekst wilt hebben waarin je die Bijbelse verhoudingen gaat verstaan: Psalm 30 vers 6. Hoe ligt nu die Bijbelse verhouding tussen toorn en Gods goedertierenheid? Nou, daar heb ik een hele mooie voor, en die staat al gewoon zwart-op-wit in de Schrift, in de Psalm. In vers 5 staat er: "Psalmzingt de Here, gij Zijn gunstgenoten, en looft Zijn heilige naam." En dan: "Want een ogenblik duurt Zijn toorn, een leven lang Zijn welbehagen; des avonds vernacht het geween, maar tegen de morgen is er gejuich."⟨/p> ⟨p>Met andere woorden: dat die toorn van God een realiteit is, een gevreesde realiteit. Maar als je het nu afzet tegen Zijn goedertierenheid, dan verhoudt het zich als een ogenblik ten opzichte van een lang leven. Zo staat het hier. Een ogenblik duurt Zijn toorn. Dat kan soms wel een langere tijd zijn, maar ten opzichte van Zijn goedertierenheid – als je die twee vergelijkt – dan is het een ogenblik. En dat is die toorn. Dus die toorn is een gevreesde realiteit en ja, dat is ook precies waar Johannes hier op wijst: de toorn van God blijft op hem. Namelijk zolang men ongehoorzaam is aan die Zoon.⟨/p> ⟨p>Maar wij weten ook dat eens elke knie gaat buigen. Dat is niet tijdens de heerschappij van de Zoon, maar als de Zoon eenmaal de laatste vijand teniet gaat doen, de dood, dan zal Hij Zijn koninkrijk overgeven aan Zijn God en Vader. Dan zal Hij niet langer heersen en dan wordt God alles in allen. Dat is het moment dat er geen dood meer zal zijn. Dan zullen allen die in Adam sterven, zijn opgewekt in Christus. Dan zal de Zoon de heerschappij, het koninkrijk, teruggeven aan God en dan zal elke knie voor die Zoon buigen. Dus dan zijn er geen mensen meer die ongehoorzaam zijn aan de Zoon, want dan zullen ze Hem allemaal erkennen als Heer, tot eer van God de Vader.⟨/p> ⟨p>Dus als je nu vraagt: "Wat moeten we nu geloven? Johannes 3 vers 36 of Kolossenzen 1 vers 20?" Dan moet je zeggen: geloof allebei. Allebei is het waar, maar laat het gewoon staan. Maak van dat blijven niet een eindeloosheid of een eeuwigheid. Een ⟨em>aion⟨/em>, daar heeft het mee te maken, met tijdperken. En dan is alles in harmonie en zo kennen we ook God. Zo kunnen we Hem ook inderdaad psalmzingen als die God die alle dingen wél maakt. Ik stel voor dat we het hier even bij laten, want ik zie inmiddels dat het al vijf over negen is. Met het bespreken van Johannes 3 vers 36 hebben we tevens dat hoofdstuk ook afgesloten.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3617" title="Speel af vanaf 01:00:17">▶ 01:00:17⟨/button> ⟨span>Begin van Johannes 4: het Vertrek uit Judea⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan vangt er dus een nieuw hoofdstuk aan: Johannes 4. Daar lees je dit: "Toen nu de Here vernam..." Ik zie trouwens dat hier in de grondtekst inderdaad gesproken wordt over Jezus. "Toen nu Jezus vernam", of eigenlijk — ik meen dat er in de Statenvertaling staat — "wist". Het gaat om dit woord: Hij vernam, verstond of wist. Eigenlijk staat er dat Hij wist dat de Farizeeën gehoord hadden dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes. Terwijl we van Johannes juist lazen dat het ganse volk tot hem uitliep; dat geeft dus wel wat aan.⟨/p> ⟨p>We moeten ons goed realiseren dat we hier nog aan het begin van Jezus' bediening zitten. Ik geloof dat die bediening in totaal drieënhalf jaar geduurd heeft. Dat is ook weer een onderwerp voor de chronologie, maar je vindt in het Johannes-evangelie inderdaad vier keer een Pascha dat Jezus gevierd heeft gedurende Zijn bediening, en dat klopt dan precies. Bij het laatste Pascha is Hij omgebracht als het ware Paaslam. Maar daar hebben we het een andere keer wel over. Het gaat er hier even om dat Johannes de Doper hier nog niet gevangen was gezet en omgebracht door Herodes. We zagen juist in het voorgaande dat Johannes de Doper nog een antwoord geeft. Het is hier ongeveer een half jaar later — ruim een half jaar zelfs, want inmiddels had Jezus al het Pascha gevierd, dat was aan het einde van Johannes 2. Johannes doopte hier nog steeds; hij was nog niet gevangen genomen, maar dat zal erom gespannen hebben.⟨/p> ⟨p>Afijn, de Farizeeën vernamen dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes. Uit deze wijze van formuleren zou je suggereren dat Jezus zelf doopte, maar het tweede vers maakt met dat misverstand korte metten. We zagen trouwens al in Johannes 2 vers 23 — dat sluit mooi aan — dat terwijl Hij te Jeruzalem was op het paasfeest, velen in Zijn naam geloofden. Dat is dus ongeveer een half jaar na Zijn doop. Ik ga dat nu niet aantonen, maar het is goed om het even in een tijdskader te plaatsen. Op het paasfeest geloofden velen van het volk in Zijn naam. Er wordt tevens de kanttekening bij gemaakt dat dit geloof vooral gebaseerd was op wat zij zagen: "doordat zij Zijn tekenen zagen die Hij deed." Jezus Zelf had trouwens niet al te veel fiducie in dat geloof, of wat daarvoor doorgaat. Maar het gaat erom dat de massa wel degelijk oor had naar wat Hij te melden had.⟨/p> ⟨p>Nog even later — we hebben het zojuist in het voorgaande gedeelte gezien in Johannes 3 vers 26 — kwamen zij tot Johannes en zeiden tot hem: "Rabbi, die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wie gij getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot hem." Dus daar praten we ook over een volksmenigte die op Jezus afkwam. Zij gingen naar Hem toe en legden hun oor bij Hem te luisteren, of misschien moet ik beter zeggen dat zij vooral kwamen vanwege de sensatie van wat zij zagen, vanwege de tekenen. Maar in ieder geval bracht het volksmassa's op de been. Bij het volk was Hij populair — ik zeg erbij: tot op zekere hoogte — maar het was juist bij de autoriteiten dat Hij op onwil stuitte. Ik gaf dat voor de pauze ook al even aan.⟨/p> ⟨p>In onze vertalingen staat vers 2 trouwens tussen haakjes, omdat dit een tussenopmerking is. Er staat bij: "ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen." Dat is de nadere uitleg. Waarom doopte Jezus niet zelf? Volgens mij hebben we het antwoord eigenlijk al eerder gelezen. Het staat meteen in het begin van Johannes' evangelie en trouwens in alle evangeliën en in het boek Handelingen. Iedere keer als Johannes spreekt over waarom hij doopt in water, wordt het benadrukt. Hij zegt: "Ik doop in water, maar Hij die na mij komt, die zal niet dopen in water maar in Geest." Jezus doopte niet zelf, want Hij zou later gaan dopen, maar dan niet in water maar in Geest. Dat lazen we in Johannes 1 vers 33. De reden lijkt mij dus vrij duidelijk.⟨/p> ⟨p>Afijn, Hij verliet Judea, wellicht ook uit veiligheidsoverwegingen, want Judea was een onveilige plek. Als je dat vergelijkt met de andere evangeliën — het wordt in Johannes niet beschreven, maar we weten het uit Mattheüs, Markus en Lukas — dan weten we dat Johannes de Doper in die tijd gevangen is genomen. Terwijl Jezus' openbare optreden nog maar een half jaar of iets langer duurde, werd Johannes vervolgens door Herodes ter dood gebracht. Maar dat was allemaal in Judea, in het zuiden. Ik zal straks even een kaartje laten zien.⟨/p> ⟨p>Hij vertrok weder, dat wil zeggen: Hij ging weer terug naar Galilea. Daar woonde de Here Jezus; Hij kwam uit Nazareth en is later in Kapernaüm gaan wonen, wat we ook in het Johannes-evangelie lezen. De manier waarop dit hier geformuleerd wordt — "Hij verliet Judea, Hij vertrok naar Galilea" — betekent dat als Johannes 4 spreekt over Zijn verblijf in Samaria, dit feitelijk een onderbreking is. Hij ging namelijk naar Galilea, dat was Zijn doel. Ik zeg dat er expres zo bij, niet omdat ik dat nu al helemaal uiteen wil zetten, maar de typologie van de navolgende geschiedenis over het gesprek met de Samaritaanse vrouw en het verblijf van twee dagen in Samaria heeft alles te maken met een onderbreking. Het gaat om wat er op de derde dag gaat gebeuren. Ik bedoel dit natuurlijk profetisch en typologisch, maar letterlijk gaat het ook om die derde dag. Er vindt een onderbreking plaats van twee dagen waarin Jezus inderdaad verbleef in Samaria, bij die Samaritaanse vrouw. Deze geschiedenis wordt op voorhand al gepresenteerd als een onderbreking op de reis van Judea naar Galilea.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4127" title="Speel af vanaf 01:08:47">▶ 01:08:47⟨/button> ⟨span>De Typologische Noodzaak Om Door Samaria te Gaan⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat was het oogmerk. "En Hij moest door Samaria gaan." Dat is heel eigenaardig, zoals het er staat. Hij móést. Hoezo moest Hij? Hij kon toch ook een omweg maken? Dat deed men namelijk algemeen. We lezen trouwens bij een andere gelegenheid, in Lukas 17 vers 11, dat de Heer Jezus vanuit de omgekeerde richting — dus vanuit het noorden — rechtstreeks door Samaria naar Jeruzalem ging. Dus terwijl de Joden gebruikelijk een omweg maakten, deed Jezus dat niet.⟨/p> ⟨p>Ik zal u hier even een kaartje laten zien. Hier heb je Galilea. Laten we het even goed bekijken: u ziet Nazareth en Tiberias. Waar hebben we Capernaum? Dat ligt hier helemaal in het noorden, bij het Meer van Galilea. En waar is Jeruzalem nu? Naar onder, naar onder... ja, hier, want hier is de Dode Zee. Precies. Hier is dus Jeruzalem. Daar was de Heer geweest voor het Paasfeest. Vervolgens lezen we in Johannes 3 dat zijn discipelen gingen dopen, wat waarschijnlijk bij de Jordaan geweest zal zijn. Nu verliet Hij Judea. Judea is deze hele streek, eigenlijk het gebied van de Joden, van het voormalige Juda.⟨/p> ⟨p>Hier heb je dan Samaria en daar Galilea. Wat deed men gewoonlijk als men die reis ondernam? Dikwijls maakte men een omweg, omdat Samaria gezien werd als een vijandig gebied. Men ging niet om met Samaritanen; we zullen dat straks ook nog zien. Dus wat deed men? Men maakte een omweg als men van Galilea naar Judea ging. Men ging de Jordaan over naar het Overjordaanse en reisde op die manier naar Judea, of vice versa via het Overjordaanse weer terug. Zo ontweek men Samaria eenvoudigweg.⟨/p> ⟨p>Maar nu lezen we: Hij móést door Samaria gaan. De vraag luidt: hoezo "moest"? Hij kon toch ook gewoon die omweg maken die iedereen doorgaans maakte? Hier stuiten we natuurlijk op een waarheid die feitelijk alles te maken heeft met de typologie. Alles wat in het Johannesevangelie, en in de Schrift in het algemeen, naar voren gebracht wordt, heeft een dubbele bodem. Dat blijkt hier ook weer heel sterk het geval te zijn.⟨/p> ⟨p>Wanneer er staat dat Hij naar Galilea ging, dan wordt die reis voorgesteld als een onderbreking. Eigenlijk was zijn verblijf in Samaria een onderbreking, maar dat is profetisch. Hij moest door Samaria gaan. Hoezo moest Hij? Dat is in profetische zin. Hij moest daar namelijk verblijven omdat Hij bij die Samaritanen moest zijn. Daar was een Samaritaanse vrouw die Hij zou ontmoeten. We zullen in het vervolg ook zien dat die Samaritanen zeer enthousiast zijn over wat ze van die Samaritaanse vrouw horen. Ze zeggen dan: "Wij hebben geloofd dat Hij werkelijk de Redder der wereld is." Ja, Hij moest daar zijn vanwege dat getuigenis. Dat heeft alles te maken met het plan dat God heeft. Ik vind het heel opmerkelijk zoals dat dan geformuleerd wordt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4395" title="Speel af vanaf 01:13:15">▶ 01:13:15⟨/button> ⟨span>Aankomst in Sichar bij het Land van Jakob⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij kwam dan in een stad van Samaria. Kijk, Samaria is de streek en één van die steden had de naam Sichar. Dat is dezelfde plaatsnaam als Sichem, zoals we die in Genesis tegenkomen. Dat blijkt wel uit het vervolg: Sichar-Sichem, het Sichem namelijk dat we in het Oude Testament tegenkomen.⟨/p> ⟨p>U ziet trouwens – laat ik dat kaartje er nog eens bij halen – dat Sichar tussen twee bergen in ligt, namelijk de Ebal en de Gerizim. Dat zijn Bijbelse locaties waar ooit de zegen en de vloek zijn voorgehouden. In het boek Jozua lees je dat: "Ik houd u de zegen voor en de vloek." De ene berg staat voor de zegen en de andere berg staat voor de vloek. Wilt u weten welke berg voor de zegen stond? Daar moet ik u het antwoord even schuldig blijven; dat had ik even na moeten kijken. Maar in elk geval speelden die beide bergen al in het begin van het volksbestaan van Israël een grote rol: de zegen en de vloek. En daar, in dat gebied, ligt Sichar, oftewel Sichem.⟨/p> ⟨p>Hier wordt nog iets anders bij vermeld, namelijk dat dit dicht bij het veld was, bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had. Zo worden we verplaatst naar de geschiedenis in de Bijbel. Je leest in Genesis 33 vers 19 dat Jakob een stuk grond had gekocht van Hemor. Later lees je in Genesis 48 dat dit gebied aan Jozef wordt gegeven als erfdeel. Dit is dus het stamgebied van Jozef en het was verkregen door Jakob, zodat we hier meteen naar de aartsvader Jakob worden verwezen.⟨/p> ⟨p>Daar wordt nog iets bij vermeld: daar was de bron van Jakob. Die bron wordt in het Oude Testament verder niet genoemd, maar het was een heel diepe bron. Je kunt dat nu nog steeds zien en dat was ongetwijfeld in de dagen van het Oude Testament ook al het geval. Het is een heel oude bron, tientallen meters diep. Dat werd dan de bron van Jakob genoemd. Waarom? Omdat die bron lag op een plek waar zuiver water ontsprong en omdat zij lag in het gebied dat Jakob ooit had gekocht en verkregen.⟨/p> ⟨p>In datzelfde gebied liggen trouwens ook de aartsvaders begraven. We lezen in Genesis 33 vers 18: "Jakob kwam op zijn tocht uit Paddan-Aram – dat is dus bij zijn oom Laban vandaan – behouden bij de stad Sichem in het land Kanaän. Hij sloeg zijn legerplaats ten oosten van de stad op en hij kocht voor honderd geldstukken het stuk land waarop hij zijn tent gespannen had van de zonen van Hemor, de vader van Sichem." Daar richtte hij een altaar op en noemde dat: "De God van Israël is God."⟨/p> ⟨p>Dus als hij daar net uit het buitenland is gekomen – let op, ik wil er even op wijzen – hoe lang had Jakob in het buitenland vertoefd bij zijn oom Laban? Twintig jaren. Zoals de twee dagen spreken van de twee millennia, zo spreken de twintig jaren feitelijk van de twintig eeuwen. Dat is de betekenis van dat verblijf van Jakob in het buitenland. Dan komt hij na die twintig jaren weer terug en koopt hij van Hemor, de vader van Sichem, het stuk grond waar hij zijn tent had opgeslagen.⟨/p> ⟨p>U moet zich voorstellen dat dit allemaal nog in een tijd was waarin er niet heel veel mensen op aarde rondliepen. Het was nog maar een paar honderd jaar na de zondvloed, per slot van rekening. Eigenlijk is het apart dat juist dat stuk grond zo gemarkeerd werd. Dat had ermee te maken dat de Samaritanen dat gebied natuurlijk hadden geclaimd, maar er zit ongetwijfeld meer achter. In ieder geval lees je daar dat de aartsvaders er begraven werden. Dat is dat gebied: daar was de bron van Jakob. De bron wordt zo genoemd omdat zij lag in het gebied dat hij gekocht had.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4792" title="Speel af vanaf 01:19:52">▶ 01:19:52⟨/button> ⟨span>Jakob bij de Waterput en de Weggewentelde Steen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We lezen overigens over een apart verhaal. We kennen natuurlijk het verhaal van Jakob bij een bron, maar dat was een bron in Paddan-Aram, bij zijn oom Laban. Als hij net gevlucht is uit Kanaän, dan lees je dat hij daar bij zijn oom Laban aankomt. Of in ieder geval is hij daar in de buurt en dan ziet hij een herderin met een kudde. Dat blijkt Rachel te zijn, eigenlijk een achternicht van hem.⟨/p> ⟨p>Het was nog midden op de dag en het was eigenlijk helemaal geen tijd om de kudde te drenken. Dat valt ook weer op. Ik ga dat even voor u opzoeken in Genesis 29. Net na Genesis 28, waar Jakob die droom heeft gehad bij Bethel, staat in vers 1: "En Jakob begaf zich op weg". Letterlijk staat er in de Statenvertaling dat hij zijn voeten ophief. Het is bijna alsof hij de aarde verlaat; hij hief zijn voeten op en ging naar het land van de stammen van het Oosten.⟨/p> ⟨p>Toen hij rondkeek, zag hij een put in het veld. Let wel, dit is niet de bron van Jakob waar we het in Johannes over hebben; dit is helemaal daar in het Oosten. Daar lagen drie kudden kleinvee bij die put, want men placht de kudden uit die put te drenken. De steen op de opening van die put was groot. Waar denkt u dan aan als u dat leest? Die steen had een bedekkende functie, namelijk om die put af te sluiten. De steen was groot en er staat letterlijk dat hij op de mond van de put lag.⟨/p> ⟨p>Als alle kudden daar bijeengedreven waren, wentelde men de steen van de opening en drenkte men het vee. Daarna bracht men de steen weer terug op zijn plaats op de opening van de put. Jakob zei tegen de herders: "Mijn broeders, waar komt u vandaan?" Ze zeiden: "Wij zijn uit Haran." Vervolgens vroeg hij hen: "Kent u ook Laban, de zoon van Nachor?" Ze zeiden: "Ja." Hij vroeg: "Gaat het hem wel?" En ze zeiden: "Ja, maar kijk, daar komt zijn dochter Rachel aan met het kleinvee."⟨/p> ⟨p>Toen zei Jakob: "Zie, het is nog volop dag. De dag is nog groot, staat er. Het is nog geen tijd dat de kudde bijeengedreven wordt. Drenk het vee en ga het weer weiden." Maar ze zeiden: "Dat kunnen wij niet voordat alle kudden bijeengedreven zijn. Pas dan wentelt men de steen van de opening van de put en drenken wij het vee."⟨/p> ⟨p>Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel eraan met het kleinvee van haar vader, want zij was een herderin. Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, trad hij toe. Hij wentelde de steen van de opening van de put en drenkte het vee van Laban. Daarna kuste Jakob Rachel en verhief hij zijn stem; een zeer emotioneel moment.⟨/p> ⟨p>Het eigenaardige is dat men normaal gesproken moest wachten. Er was een vastgesteld tijdstip waarop alle kudden verzameld werden en de steen gezamenlijk weggewenteld werd. Dat moest men blijkbaar gezamenlijk doen, want alleen kon men dat niet. Maar wat doet Jakob? Hij ziet Rachel en op een tijdstip dat het eigenlijk nog niet mocht, wordt de steen weggewenteld zodat de kudde van Rachel al gedrenkt kan worden.⟨/p> ⟨p>U voelt waarschijnlijk al aan dat hier meer achter zit. Die steen die weggewenteld wordt, verwijst natuurlijk naar het geopende graf. Jakob is hier een schitterend type van de Heer zelf, die de steen deed wegwentelen. Geen mens kon dat eigenlijk, maar Hij deed het. Hij deed het ook uit liefde, omdat hij zo geraakt was door de ontmoeting met Rachel. Die liefde gaf hem de kracht.⟨/p> ⟨p>Op een tijdstip dat de kudden nog niet allemaal verzameld waren – dat vind ik ook zo'n prachtig beeld. Straks zal de hele volkerenwereld drinken, maar de steen wordt al eerder weggewenteld voor degenen die nú al bij de bron zijn en van dat water drinken doordat Hij die steen heeft weggewenteld. Terwijl ik er zo over nadenk en het formuleer, proeft u hopelijk ook van dat water; dit spreekt van leven.⟨/p> ⟨p>Dat was een bron in de geschiedenis van Jakob die direct verwijst naar de opstanding en de weggewentelde steen. Maar in Johannes 4 zijn we ook bij een bron van Jakob. Ik aarzel om daar nu al veel meer over te zeggen, dus laat ik voor nu volstaan met deze ene opmerking.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5164" title="Speel af vanaf 01:26:04">▶ 01:26:04⟨/button> ⟨span>De Bron van Jakob als Beeld van de Woorden Gods⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De bron van Jakob heeft te maken met de bron die in de Bijbel ook dikwijls een aanduiding is van het Woord van God. Hoe vaak worden de woorden Gods niet vergeleken met een bron? Ik moet denken aan de profeet Jeremia, waar staat: "Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten en zij hebben zich uitgehouwen bakken gemaakt, die geen water bevatten", of die geen water kunnen houden. Eigen tradities dus. Maar de bron is natuurlijk dat wat God gegeven heeft.⟨/p> ⟨p>Maar nu even iets anders: aan wie zijn de woorden Gods toevertrouwd? Aan het volk van Israël, aan het volk van Jakob. Aan dat volk zijn de woorden Gods toevertrouwd. Dus als je water wilt drinken, dan kom je uit bij de woorden van de Schrift. De woorden die aan dat volk, aan het volk van Jakob, zijn gegeven. Daar vind je de bron. En daar vind je Hem die inderdaad schept van dat levende water, want het is echt levend water wat uit die bron voortkomt. Dus die bron van Jakob heeft alles te maken met die Schrift die juist aan dat volk van Jakob is gegeven.⟨/p> ⟨p>Nog één voorbeeld, dat is de laatste. Je leest in de geschiedenis van Israël dat ze op weg zijn naar het beloofde land. Wanneer ze net uit Egypte zijn getrokken, lees je dat ze in Elim kwamen. Daar staat dat daar twaalf waterbronnen waren. Waar spreekt twaalf nu van? Laat Jakob het antwoord maar geven: dat zijn mijn zonen, de twaalf zonen van Jakob. De twaalf, dus het volk van Israël.⟨/p> ⟨p>Wanneer ze daar in Elim arriveren – ik meen dat het Exodus 15 is – staat erbij dat daar twaalf waterbronnen waren en zeventig palmbomen. Dan denk je: hoe wordt dat er nu bij gezegd? Hebben ze die palmbomen allemaal geteld? Ja, blijkbaar wel, want anders staat het er niet bij. Maar waarom wordt dat aantal vermeld? Omdat twaalf het getal van Israël is en zeventig het getal van de volkeren, de zeventig natiën.⟨/p> ⟨p>Weet je wat ik nu zo mooi vind? Het was gewoon een oase. Ze waren onderweg in de woestijn en dan komen ze bij een oase met maar liefst twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen die allemaal rond die twaalf bronnen gegroepeerd waren. Hier ligt de betekenis zo voor het opscheppen. Want de volkerenwereld, waar ontleent die haar voedsel en haar water aan, dat wat ze nodig heeft? Wel, aan die twaalf waterbronnen. Kortom, dan denken we toch weer aan het Woord dat aan Jakob, aan dat volk, is gegeven.⟨/p> ⟨p>Daar moeten we het nu even bij laten, want ik zie dat het vijf voor tien is. Het volk zit daar in de schaduw van de bomen en ze drinken daar ook uit die bron, ook uit die twaalf waterbronnen. Dat lijkt me een aardige opstap om de volgende keer – dat wordt dus volgend jaar – verder na te denken over die bron van Jakob en de gesprekken die daar plaatsvinden. Zo hebben we in ieder geval de smaak te pakken gekregen; het zijn allemaal prachtige beelden. Zullen we het hierbij laten voor vanavond?⟨/p>