⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op het Gesprek met Nikodemus over Hemelse Dingen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Een hele goede avond allemaal. We gaan vanavond verder in het Johannes-evangelie, zoals we dat inmiddels al acht keer hebben gedaan. We waren al lang en breed bezig in het derde hoofdstuk. Dat was het gesprek waar we de vorige keer nog bij hebben stilgestaan: het gesprek dat de Heer voerde met Nikodemus. Dat bekende, beroemde nachtelijke gesprek dat Hij met hem had.⟨/p> ⟨p>Het is wellicht verstandig om nog even terug te blikken op wat we de vorige keer hebben gezien in vers 10 en 11 van dat hoofdstuk. Daar lees je dat de Heer spreekt met de leraar van Israël, want zo noemt Hij hem daar uitdrukkelijk. Hij doet dat om daarmee het contrast aan te scherpen tussen dat wat de Heer zegt — wat ook als bekend verondersteld wordt vanuit de Schriften, dat wil zeggen vanuit de Tenach — en waar de leraar van Israël helemaal geen enkel benul van blijkt te hebben. Het gesprek met de leraar van Israël stuit reeds op onbegrip over de aardse dingen. De Heer zegt: "Als Ik nu over de aardse dingen heb gesproken en je begrijpt het niet, hoe moet het dan als Ik ga spreken over de hemelse dingen?"⟨/p> ⟨p>Die aardse dingen bleken te gaan over hetgeen juist in het gesprek daaraan voorafgaand ter sprake is geweest: de wedergeboorte, of tenminste, zo wordt dat meestal genoemd. Want het gaat niet zozeer om het idee van 'weder' of 'opnieuw', als wel om het idee dat het van bovenaf is. Het is een geboren worden, of nog beter: een gegenereerd worden van bovenaf. Degene die voortbrengt, dat is God zelf. Hoe was het ook alweer wat we lazen in Johannes 1 vers 13? "Die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, maar uit God gegenereerd zijn." Van Godswege. Hij brengt nieuw leven voort. Wel, over dat nieuwe leven gaat het in dat gesprek.⟨/p> ⟨p>In vers 12 tot 14 zagen we dat de Heer gaat spreken over de hemelse dingen. Ik moet er trouwens bij zeggen dat het vanaf vers 13 geen verslaggeving meer is wat Johannes doet. Dat wil zeggen: geen verslag van het gesprek dat Jezus voerde met Nikodemus, maar het is commentaar dat Johannes als schrijver veel later, misschien wel decennia later, optekent. Die hemelse dingen hebben uiteraard te maken met wat boven is. In vers 13 is dan ook sprake van: "Niemand is opgevaren naar de hemel." Daaruit blijkt ook dat het Johannes is die dit veel later optekent, namelijk nadat de Heer is opgevaren. Die hemelse dingen hebben daar dus mee te maken.⟨/p> ⟨p>Het heeft feitelijk te maken met de positie die Christus, de Ben Adam, inneemt. Zo wordt Hij genoemd: de Zoon des Mensen. Maar als je dat in het Hebreeuws zegt, 'de Ben Adam', dan is dat veelzeggender dan alleen maar 'Zoon des Mensen'. Dat zou kunnen suggereren dat het een nakomeling van een mens is. Nee, het is de Ben Adam: de Erfgenaam van Adam. Wel, die zou verhoogd worden. We hebben de vorige keer diverse schriftplaatsen opgezocht waarin in de profetieën en de psalmen wordt genoemd dat de Messias verhoogd zou worden. Eerst vernederd, maar vervolgens ook verhoogd en inderdaad aan de rechterhand van God geplaatst. Met recht zou Hij dus naar de hemel gaan.⟨/p> ⟨p>Als die aardse dingen al op onbegrip stuiten, dan zeker die hemelse dingen. Wat vervolgens ook ter sprake komt, is de verhoogde slang in de woestijn. Zoals de slang in de woestijn verhoogd is, zo moet ook de Ben Adam verhoogd worden. Hierbij hebben we nog speciaal stilgestaan bij het feit dat de verhoogde Ben Adam niet slaat op degene die aan het kruis hing. Je kunt natuurlijk verdedigen dat dat ook een fysieke verhoging is, maar daar gaat het juist niet om. Het gaat over hemelse dingen. Het gaat over het feit dat Hij opgevaren is naar de hemel; het gaat erom dat Hij verhoogd is.⟨/p> ⟨p>Kijk, Zijn kruis is feitelijk Zijn uiterste vernedering. Daar zijn nogal wat schriftplaatsen voor aan te halen. De eerste die in mijn gedachten komt is Filippenzen 2: Hij heeft Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood des kruises. Dat is dus Zijn uiterste vernedering. Dat is moreel gezien ook vrij logisch. De verhoging begint juist daar: bij Zijn opstanding en Zijn hemelvaart. In het perspectief van Johannes, zoals hij dat tekent in het evangelie, is dat eigenlijk één en hetzelfde. Het gebeurt allemaal op één dag: opstanding en hemelvaart. Daar hebben we het ook over gehad. Deze laatste aantekening is dus commentaar van Johannes. We zijn daar middenin gebleven en hebben vers 14, 15 en 16 ook besproken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="382" title="Speel af vanaf 06:22">▶ 06:22⟨/button> ⟨span>Johannes 3:16 - de Eniggeboren Zoon en het Kennen van God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Johannes 3 vers 16 is ongeveer het allerbekendste Bijbelvers. We hebben er toch ook wat meer... De Grote Baas komt thuis, geloof ik. Johannes 3 vers 16, hoe bekend het ook mag zijn, we hebben het toch eens wat specialer onder de loep genomen. En dan komen er allerlei dingen aan het licht die helemaal niet zo bekend blijken te zijn. Laten we het nog eens even lezen. "Want alzo lief", staat er dan, heeft God de wereld gehad. Het staat er in een tijdloze vorm en dat vind ik geweldig. Er wordt als een feit gesteld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven. Ik heb er toen nog op gewezen dat die uitdrukking "eniggeborene" ook wordt gebruikt voor Izaak in Genesis 22 en Hebreeën 11; je weet wel, Abraham die zijn zoon moest geven. Hij moet naar de aangewezen plaats toe en daar arriveert hij op de derde dag. Maar uiteindelijk, wat zegt de schrijver van de Hebreeënbrief dan? Hij heeft hem bij wijze van spreken uit de doden ontvangen. Zodat die uitdrukking, de eniggeboren Zoon, ook direct doet denken aan de zoon van Abraham en aan Degene die leeft; Degene die als uit de doden is teruggekeerd. Maar dan niet "bij wijze van spreken" zoals in dat geval, maar daadwerkelijk zo. Zodat je ook hier ziet — bezien in het perspectief dat Johannes dit veel later optekent — dat hij het hier dus ook over Degene heeft die opgestaan en opgevaren is, en nu de Levensvorst is in wie leven is. Omdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat en niet omkomt, maar eeuwig leven heeft.⟨/p> ⟨p>Dat eeuwige leven is het leven van die toekomende eeuw, waarbij ik moet aantekenen — en dat is volgens mij ook zo'n beetje het laatste waar we het over gehad hebben — dat dit eeuwige leven de Heer Jezus Zelf is. In Johannes 17, in het zogenaamde hogepriesterlijk gebed, spreekt Hij Zijn Vader aan en zegt: "Dit nu is het eeuwige leven." Wat je dan krijgt, is min of meer een definitie in het Johannesevangelie van wat het eeuwige leven dan is. Er staat: "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de Vader, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt." Dat is de inhoud van het eeuwige leven: het kennen van de enige waarachtige God en Hem die die ene God gezonden heeft. Er komt een dag, er komt een eeuw — een aioon — waarin de hele aarde gevuld zal zijn met deze kennis. Men zal de enige waarachtige God kennen en de Messias, die dan ook daadwerkelijk op aarde zal heersen en Zijn koninkrijk zal hebben. Dat is dat eeuwige leven. Dus het is te mager om alleen te zeggen dat het het leven van de toekomende eeuw is. Dat is wel zo, maar waar het juist in Johannes' evangelie om gaat, is de inhoud en het karakter van dat eeuwige leven, namelijk het kennen van Hem. In die zin kun je dus nu al dat eeuwige leven beleven. Hoewel het leven thuishoort in de toekomende eeuw, heeft een ieder die de enige waarachtige God kent en Zijn Zoon die Hij gezonden heeft, nu al dat eeuwige leven.⟨/p> ⟨p>Dat is taal à la Johannes, maar bij Paulus zie je soortgelijke dingen. De uitdrukking "eeuwig leven" komt bij Paulus weliswaar veel minder voor dan bij Johannes; Johannes is degene die die term zo vaak gebruikt. Maar ook bij Paulus wordt het gebruikt, en wel exclusief in de toekomende zin: "het eeuwige leven waartoe gij geroepen zijt" (1 Timotheüs 6). Er zijn heel wat schriftplaatsen, zoals Galaten 6, maar Paulus gebruikt het altijd in de toekomende zin. In 1 Timotheüs 6 zegt hij echter — het schiet me zomaar ter plekke te binnen — "Grijp het eeuwige leven waartoe gij geroepen zijt." Dat is op zich een wat vreemde term. We zijn geroepen tot dat eeuwige leven, tot dat leven dat wacht in die toekomende eeuw, maar Paulus zegt tegen Timotheüs: "grijp dat". Dat betekent toch dat je daar je hand op legt en dat je het nu al beleeft. Dus hoewel het daar thuishoort, kunnen we het nu al zo beleven. Dat is dan ook de connectie die ik zie tussen wat Johannes hier schrijft en waar Paulus aan refereert. Eén ding moet duidelijk zijn: dat leven is slechts in Hem te vinden, in de eniggeboren Zoon. Waar anders? Hij is de enige die dat leven aan het licht heeft gebracht, tot dusver ook bedoel ik. Hij is de enige in wie opstandingsleven is. Hij is de opstanding en het leven. En dan gaan we naar vers 17.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="756" title="Speel af vanaf 12:36">▶ 12:36⟨/button> ⟨span>Johannes 3:17 - Gods Zoon Is Niet Gezonden Om te Oordelen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We waren gebleven bij vers 16, en Johannes 3 vers 17 haakt daar direct op aan. Dat blijkt wel uit dat redengevende voegwoord waar het mee begint: "Want". Dat betekent dat het een verklaring is van het voorgaande: "Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden..." Hoe bekend vers 16 ook is, zo onbekend is vers 17. Dat is misschien wat overdreven, maar ik moet u zeggen: vers 17 is vele malen minder bekend. Dat zal toch niemand tegenspreken. Johannes 3 vers 16 is een begrip, terwijl het kennelijk toelichting nodig heeft. Dat blijkt uit dat woordje "want"; dat geeft tekst en uitleg aan het voorgaande. Wij zouden daar niet mee beginnen, maar in de tekst staat het er wel.⟨/p> ⟨p>Kijk, wat in het voorgaande gezegd werd is dat degene die gelooft niet omkomt. Maar wat dan wel? Wel, die zal dat eeuwige leven hebben. Die heeft dat eeuwige leven – juridisch bedoel ik. Hij heeft het nu reeds, kan het nu ook al beleven en straks zal het daadwerkelijk ook in de praktijk aanbreken; ik bedoel dat die eeuw gaat aanbreken. En ontvangt iedereen dat? Nee, degene die in Hem gelooft. Degene die niet in Hem gelooft, komt om en die ontvangt dat leven niet. Ja, zo staat het er gewoon.⟨/p> ⟨p>Ik weet wel dat als je de 'dwaarleer' van de alverzoening aanhangt, zoals ik – en ik zie er volgens mij nog meer zitten – dan heb je altijd de reputatie dat te ontkennen. Juist van de week was het zelfs nog een predikant die dat min of meer tegen mij zei, maar over mijn hoofd ook tegen anderen. Hij zei het zelfs zo sterk dat de leer van de alverzoening de gevaarlijkste leer is sinds het begin van de kerkhistorie. Een predikant uit mijn eigen woonplaats. Hij haalde toen onder andere Johannes 3 vers 16 aan, want daar staat toch dat een ieder die in Hem gelooft eeuwig leven ontvangt en niet omkomt. Daarmee suggereerde hij: "Ja, André Piet en degenen die in diezelfde trant denken over alverzoening, die ontkennen dat."⟨/p> ⟨p>Nou ja, het zou best kunnen dat er mensen zijn die er totaal geen idee van hebben en die dat inderdaad zo naar voren brengen, maar dan heb je het inderdaad niet begrepen. Nee, dan heb je het echt niet begrepen. Want het is zo'n duidelijke waarheid dat degene die gelooft straks die toekomende eeuw zal beërven, en degene die niet gelooft, die komt om. Dat is gewoon Bijbels ABC. Alverzoening, dat was er ook nog zoiets.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="984" title="Speel af vanaf 16:24">▶ 16:24⟨/button> ⟨span>De Ware Betekenis van Alverzoening en Gericht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Misschien mag ik er nog even op doorgaan, op wat die predikant zei. Want alverzoening zou dan betekenen dat het uiteindelijk allemaal goed komt. Nou, daar zal ik niks tegen inbrengen. Ik zou zeggen: godzijdank wel, alles komt goed. Maar dat is niet wat alverzoening werkelijk betekent. Verzoening betekent niet dat God alles maar simpelweg vergeeft; dat is een heel groot misverstand. Het was werkelijk een opeenstapeling van misverstanden. De bewering was dat verzoening zou betekenen dat alles vergeven wordt, maar dat is niet wat verzoening is.⟨/p> ⟨p>Verzoening wil zeggen dat iemand veranderd wordt, namelijk van een vijand tot een vriend. Het is niet slechts iets wat aan je gebeurt, een soort administratieve handeling waarbij een schuld wordt kwijtgescholden. Nee, die persoon zelf wordt veranderd; je wordt verzoend. God is het die vijanden tot vrienden maakt. Men zegt dan dikwijls dat bekering noodzakelijk is, of dat een mens eerst zelf moet geloven. Maar het woord verzoening houdt dat nu juist in: je wordt veranderd.⟨/p> ⟨p>In het gewone spraakgebruik begrijpt iedereen het. Als twee partijen zich met elkaar verzoenen, dan begrijpt iedereen dat dit te maken heeft met een verandering van de gesteldheid van de betrokkenen. Er was vijandschap en er ontstaat vrede en vriendschap. De vijandschap wordt weggenomen doordat de personen veranderen. Alverzoening betekent dus niet dat iedereen maar vergeven wordt; alverzoening wil zeggen dat alle vijanden worden veranderd in vrienden en liefhebbers van God, en trouwens ook van elkaar. De term zelf betekent juist dat er een ommekeer plaatsvindt, een verandering. En wat voor een? De grootste verandering die je maar kunt bedenken, namelijk: een vijand wordt een liefhebber. Dat doet God; Hij verzoent. Hij maakt je tot een liefhebber, Hij overtuigt mensen.⟨/p> ⟨p>Alverzoening betekent feitelijk dat er een moment komt dat iedereen Hem van harte zal erkennen en dus ook zal geloven. Iedereen zal eraan gaan geloven. Maar hier in Johannes 3 gaat het over degenen die nú in Hem geloven, die al eeuwen leven hebben en de komende eeuw beërven. Voor die anderen is dat een station verder, maar daar gaat het hier nog even niet om.⟨/p> ⟨p>Kijk dan naar vers 17: "Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld oordele." Ik moet erbij zeggen: er staat hier niet 'veroordelen', maar 'oordelen'. Ik kom daar straks nog even op terug. Hij is niet gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, waarmee gezegd is dat oordeel in de Bijbel voor God nooit een doel is, maar altijd een middel. Het is zo'n fundamentele Bijbelse waarheid. Het staat hier in Johannes 3: het is niet Gods doel dat Hij de wereld zou oordelen. God oordeelt de wereld wel, maar dat is niet waartoe Hij zijn Zoon in de wereld gezonden heeft. Dat is niet het doel.⟨/p> ⟨p>Het oordeel is een krisis. Het Griekse woord voor oordeel is 'krisis'. God brengt in crisis, jawel, maar dat is altijd een middel tot zijn doel. En wat dat doel is? Dat staat hier zo geweldig duidelijk: "opdat de wereld — de kosmos — door Hem behouden of gered zal worden." En hoewel de uitwerking daarvan door Johannes hier niet direct volledig uiteengezet wordt, wordt het feit zelf juist in het Johannes-evangelie, en trouwens ook in zijn brieven, heel duidelijk naar voren gebracht.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1328" title="Speel af vanaf 22:08">▶ 22:08⟨/button> ⟨span>De Redder van de Kosmos in het Johannes-evangelie⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De wereld behouden zou worden, de redding van de wereld. Laten we eens gewoon een paar passages de revue laten passeren. Johannes 1 hebben we al gehad, vers 29. Hoewel daar de uitdrukking 'redding' en 'wereld' niet zozeer gebezigd wordt, komt het wel in de buurt: "Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt." We hebben daar bij die gelegenheid toen al bij stilgestaan, maar het is voor nu even genoeg dat 'de zonde der wereld'... die uitdrukking komen we ook in Johannes 16 weer tegen en daar staat dat de zonde der wereld ongeloof is. Johannes 16 vers... dat weet ik even niet uit mijn hoofd, maar in elk geval komen we die uitdrukking twee keer tegen in Johannes 16. En het wordt ook gedefinieerd: er staat niet 'de zonden', maar 'de zonde der wereld'. De zonde van de wereld is ongeloof. En wat doet het Lam Gods? Hij neemt de zonde der wereld weg. Dat wil zeggen: Hij neemt het ongeloof weg van die wereld.⟨/p> ⟨p>Johannes 4 vers 42, daar komen we op een later tijdstip nog over te spreken. Maar ik wil hem nu alvast genoemd hebben, omdat daar ook gesproken wordt over de redding van de wereld. Hier wordt gesproken tot de Samaritaanse vrouw. Trouwens, in 1 Johannes 4 vers 14 vinden we iets soortgelijks. Maar laat ik eerst even voorlezen. Zij zeiden tot de vrouw — en dat zijn de Samaritanen: "Wij geloven niet meer om wat gij zegt, maar wijzelf hebben Hem gehoord en weten dat deze waarlijk de Heiland — dat is de Redder — der wereld is." Jezus verblijft dan twee dagen in Samaria en de conclusie van die Samaritanen is: "Wij weten nu zelf, niet alleen maar om wat jij gezegd hebt, maar om wat we zelf hebben vernomen en hebben gehoord, en nu weten wij dat deze waarlijk echt de Redder van de wereld is." Die uitdrukking 'de Redder der wereld' komen we twee keer tegen: hier en in 1 Johannes 4 vers 14, daar verklaart Johannes het zelf. Want je zou nog, als je er per se niet aan wilt, kunnen zeggen: "Ja, maar dat is wat die Samaritanen zeggen." Ja, maar in 1 Johannes 4 vers 14 zegt Johannes het. Dus hoe duidelijk wil je het hebben?⟨/p> ⟨p>Johannes 6 vers 33, daar staat: "Want dat is het brood Gods dat uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft." Ziet u ook hier weer die kosmische dimensie? Ja, ik zeg kosmisch — en dat bedoel ik ook niet komisch: kosmisch. Het woord ⟨em>kosmos⟨/em> wordt hier gebruikt. Het is kosmisch, het is wereldwijd, het is alomvattend. Hij is de Redder der wereld, de zonde der wereld wordt weggenomen en Hij geeft aan de wereld het leven. Hoe en wat is dat leven? Wel, dat is dat leven dat Hij aan het licht heeft gebracht: de opstanding en het leven, daar gaat het over. Ik heb er nog een — ik noem ze niet eens allemaal, maar de belangrijkste even. Johannes 6 vers 51: "Ik ben het levende brood en het brood dat Ik geven zal, dat is mijn vlees, voor het leven der wereld." Nog een, in Johannes 12 vers 47: "Ik ben niet gekomen om the wereld te oordelen, maar om de wereld te behouden." Dit is de missie, dit is het oogmerk, dit is het doel. Dit zijn woorden van Jezus zelf trouwens. En dit komt wel heel erg dicht in de buurt bij wat we lezen in Johannes 3 vers 17. In Johannes 3 vers 17 zijn het woorden van Johannes, en hier is het Jezus zelf die aan het woord is. Hier verklaart Hij dus hoogstpersoonlijk dat de oordelen niet zijn doel zijn, maar het doel van Hem is om de wereld te redden, te behouden. Voilà, denk ik dan. Geweldig toch?⟨/p> ⟨p>Zo'n grote Heer hebben wij. En wat is het oogmerk en de actieradius van zijn reddingswerk? Wel, dat is kosmos-omvattend. Zo groot. Mooi of niet, Daniëla? Ja. En zo onbekend. En het is dan toch ook wel weer heel tekenend — sorry als ik dat dan zo zeg, maar ik kan me niet aan die indruk onttrekken — dat dat juist weer zo glashard ontkend wordt door degenen die juist geacht worden om dat te vertellen. Dat is het evangelie toch? Het is het evangelie wat Hij niet alleen maar voor een select aantal, nee, voor de wereld doet. Daartoe is Hij gekomen. En als je dan uitgerekend van mensen die op de kansel staan en die geacht worden deze boodschap te brengen... zij blijken de grootste tegenstanders daarvan te zijn. Precies, want het is het een of het ander. Dat is de waarheid, zo zwart-wit is het. Want als het waar is wat Hij zegt... wat zo'n predikant zegt, het is de grootste dwaalleer sinds het begin van de kerkgeschiedenis. Dan is het heel zwart-wit. Dan heeft Hij gelijk en dan houden wij ons hier bezig... gewoon in het algemeen: als je deze overtuiging hebt, dan is dat dus vreselijk. Maar als die ongelijk heeft, dan zit hij dus zelf in dat schuitje.⟨/p> ⟨p>Ja. En ik moet erbij zeggen: laten we ook gewoon even de bezwaren proberen te begrijpen om het gesprek zuiver te houden. Dat gevaar is niet denkbeeldig, dat je één kant... Ik bedoel, het is op zich een heel menselijk ding. Ook een onding, om altijd met een gekleurde bril te kijken, en dat als je het ene ziet, je het andere niet meer ziet. Maar ik vind het zo belangrijk juist om ook dat wat Johannes zegt — Johannes, daar houden we ons nu mee bezig — over oordeel, over gericht, over verloren gaan, om dat net zo goed te benadrukken. Niet als weegschaal waarbij je balans moet hebben, maar omdat het in elkaars verlengde ligt. God redt juist door oordeel heen. Laat ik een ander woord noemen uit Psalm 30 vers 6: dat een ogenblik zijn toorn duurt en een leven lang zijn goedertierenheid. Dus daar zie je zo schitterend die verhouding. Die toorn staat niet tegenover zijn goedertierenheid, nee, dat is een uitvloeisel en juist ook staande ten dienste van zijn goedertierenheid. Ja, dat karikatuur dat je brengt van 'het is het een of het ander', dat klopt niet. Juist als je het oordeel als iets definitiefs ziet, dan is dat een blokkade om nog iets van Gods liefde te zien. Dan zou zijn gericht en de dood en het verloren gaan het laatste woord hebben voor een groot deel van zijn schepping. Dan is het niet meer zijn liefde en genade die overwint. Omgekeerd: als je het oordeel in het juiste perspectief plaatst, namelijk als ten dienste van dat oogmerk dat Hij heeft, ja, dan hoef je niks weg te redeneren. Dan is het ene zelfs noodzakelijk voor het ander. Dat is dus vers 17. Geweldige waarheid: de wereld door Hem behouden worden. Dan lezen we verder in vers 18.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1896" title="Speel af vanaf 31:36">▶ 31:36⟨/button> ⟨span>Johannes 3:18 - Vrijspraak en Doel in het Leven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Wie in hem gelooft, wordt niet veroordeeld." Ook hier moet ik zeggen: er staat niet 'veroordeeld', maar 'geoordeeld'. Dat woord 'veroordeeld' of 'veroordeling' is het begrip ⟨em>katakrino⟨/em>. ⟨em>Krino⟨/em> of ⟨em>krisis⟨/em> en alle varianten van dat werkwoord en van het zelfstandig naamwoord, dat is 'oordeel'. Als dat voorzetsel ⟨em>kata⟨/em> er voor staat, wat eigenlijk 'neerwaarts' betekent, dan heeft het de betekenis van veroordeling. Dat komen we maar twee keer tegen in het Johannes-evangelie en die verzen zijn bekend. In Johannes 8 vers 10 en 11 lees je over die overspelige vrouw die was betrapt, u weet wel. Dan lees je dat de Heer Jezus zegt: "Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af aan niet meer." Daar wordt het begrip veroordeling gebruikt, maar voor de rest nergens in het Johannes-evangelie. Ook hier dus niet.⟨/p> ⟨p>In deze passage komt het in mijn vertaling diverse keren voor, maar het staat er niet. Er staat niet veroordeling, er staat oordelen. Trouwens, wat dacht u hiervan in Johannes 8, wat de Heer zegt tegen deze vrouw: "Ook Ik veroordeel je niet. Ga heen en zondig van nu af aan niet meer." Hij zegt het in die volgorde. Dat vind ik prachtig. Hij zegt niet: "Zondig van nu af aan niet meer en dan veroordeel Ik je niet." Nee, Hij zegt: "Ik veroordeel je niet." Het is vrijspraak en vanuit die vrijspraak, vanuit die bevrijding, krijgt je leven zin, inhoud en richting. Dat staat tegenover zondigen. Zondigen is doel missen. Juist als je bevrijd bent van veroordeling — oftewel vrijspraak, rechtvaardiging — dan heeft je leven juist een doel gekregen.⟨/p> ⟨p>Wie in hem gelooft, wordt niet geoordeeld. En er staat bij: "wie niet gelooft, is reeds veroordeeld." Ook hier moet ik weer zeggen: is reeds geoordeeld. Het blijkt al uit de formulering dat het hier niet over een toekomstig gebeuren gaat. Wat dat oordeel is, dat zullen we in het volgende vers zien, dat staat er meteen bij: "Dit is het oordeel..." Maar hier staat: wie niet gelooft, is reeds geoordeeld. Het oordeel betekent in de praktijk ook dat diegene het eeuwige leven niet zal zien. Ook daar komen we nog op terug. Heel duidelijk: omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. Die eniggeboren Zoon van God, dat is die Zoon die God gegeven heeft en in wie alleen leven is. Eigenlijk is het de universele Bijbelse waarheid dat er slechts redding is door geloof in Hem.⟨/p> ⟨p>Dat is ook weer zoiets waar we altijd mee te maken hebben: de beschuldiging alsof wij, die geloven in alverzoening — terwijl dat gewoon een Bijbels begrip is, dus wat kan er bezwaarlijk aan zijn om dat te geloven — het idee zouden ontkennen dat er alleen maar redding is door geloof en door Hem aan te roepen. Dat is gewoon een Bijbelse waarheid en ik zou niet weten waarom ik, of wie dan ook, daar onderuit zou moeten komen. Er zijn ook universalisten — zo heten die mensen, dat zijn heel enge mensen — maar die universalisten geloven dat de hele wereld nú al gered is. En dat is een leugen. Dat is niet waar. De hele wereld is niet gered, de hele wereld wordt gered. Hij is de Redder der wereld en dat betekent dat Hij de wereld redt, ⟨em>some way, somehow⟨/em>. Dus dat feit staat vast, maar dat is wat anders dan dat je zou beweren dat de hele wereld nú al gered is. Dat is niet waar. Er is slechts redding door geloof in Hem en door het erkennen van Hem. Zolang een mens Hem niet erkent en zolang je ogen daar nog niet voor opengegaan zijn — het is maar hoe je het bekijkt, van Zijn kant of wat de mens daarin doet — dan is er eigenlijk geen redding.⟨/p> ⟨p>Dat zie je op elke bladzijde van de Bijbel en ook bij de apostel Paulus. Vorige week had ik er nog een gesprek over, toen ging het over Romeinen 10. Daar lees je dat Paulus dit zegt in vers 11: "Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen." Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, immers één en dezelfde is Heer van allen, rijk voor allen die Hem aanroepen. Want al wie de naam des Heren aanroept, zal gered worden, aldus Paulus. Trouwens, dit haalt hij dan weer aan uit het boek Joël. Hij is een Heer van allen en rijk voor allen die Hem aanroepen. Zeg, wat is de miljard van Janny en Marjolein? Ja, ik heb het gelezen vanmiddag. Dan hoor je bij de gelukkigen vandaag die dat nu al mogen kennen en beleven. En dat is een enorm groot voorrecht.⟨/p> ⟨p>In 1 Johannes 4 vers 9 staat: "Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat we zouden leven door Hem." Hier heb je hem weer. Ook hier zie je weer: in die eniggeboren Zoon is leven. Waaruit ook weer blijkt dat het hier gaat over degene die opgestaan is uit de doden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2328" title="Speel af vanaf 38:48">▶ 38:48⟨/button> ⟨span>Johannes 3:19 - het Oordeel (de Crisis) Is de Komst van het Licht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit is het oordeel. In de voorgaande verzen werd al gesproken over 'geoordeeld' en dat wie gelooft alreeds geoordeeld is. Dan komt natuurlijk de vraag: wat is dat oordeel dan wel? Nou, we worden op onze wenken bediend, want dat staat in vers 19: "Dit echter is het oordeel", of de beoordeling.⟨/p> ⟨p>U ziet trouwens dat hier het Griekse woord ⟨em>krisis⟨/em> staat. Je herkent het direct, zelfs in die Griekse letters: de ⟨em>krisis⟨/em>. Ons woord 'crisis' komt daar uiteraard direct uit voort; het is niet eens een vervorming daarvan, maar gewoon exact hetzelfde woord. Ons woord 'kritiek' trouwens ook. Bij kritiek denken wij ook aan een oordeel. Het kan bovendien heel erg 'kritiek' zijn, en dan spreken we over een crisis. Die begrippen zijn hier dus aan elkaar gekoppeld: dit is de crisis, de kritiek.⟨/p> ⟨p>Feitelijk is de gedachte hier: dit is de crisis, maar daarmee ook de kritiek, namelijk dat het licht gekomen is. U weet het eigenlijk inmiddels wel, vooral als de aanhef van het Johannes-evangelie u nog goed bijstaat: dat licht, dat is het leven. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen — het licht des levens. Licht en leven zijn synonieme begrippen, zoals ook duisternis en dood synoniem zijn, denk maar aan de 'schaduwen des doods'.⟨/p> ⟨p>Maar hier gaat het erom dat het licht in de wereld gekomen is. Met 'de mensen' worden hier toch wel in het bijzonder 'de zijnen' bedoeld. Hij kwam in de wereld en de wereld heeft Hem niet gekend; Hij kwam tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet ontvangen. Dat lijkt mij hier inderdaad het geval. Daartoe was Hij immers in het bijzonder gezonden? Dat zegt Hij Zelf ook.⟨/p> ⟨p>Het licht is in de wereld gekomen en u moet daarbij bedenken dat ook hier weer dezelfde 'wereld' wordt genoemd als in vers 16 en 17. De reikwijdte van dat woord is dus heel groot. Dat wel. En je kunt natuurlijk ook nog vaststellen dat Johannes dit schrijft nadat alles al zijn beslag heeft gekregen en de andere evangeliën al zijn opgetekend. De Heer Jezus is dan al lang en breed gekruisigd, gestorven, opgestaan en ten hemel gevaren. Nu blikt Johannes daarop terug en zegt: het licht is in de wereld gekomen en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht.⟨/p> ⟨p>Dat is de kritiek. Wat is de goddelijke kritiek? Dat het licht in de wereld kwam en de mensen de duisternis prefereerden boven het licht. Dat geeft een heel duidelijke zin. Dat is Gods oordeel: dat de mensen de duisternis prefereren en liever hebben gehad dan het licht.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk is het ook zo — en ik borduur nog even voort op waar we het zojuist over hadden — dat de Heer gezonden was tot het huis van Israël. Als er nu één plek was waar Hij ontvangen had moeten worden, dan was het daar wel. Men had immers de Schriften, men leefde bij het Woord en men kende de profeten. Kortom, men stond in contact met God. Waar zou Hij dus ontvangen worden? Juist daar. En met name door de leidslieden, degenen die zo op de hoogte waren en het Woord beheerden. Maar juist daar werd Hij verworpen.⟨/p> ⟨p>Dit is het oordeel, de goddelijke kritiek: men prefereert kennelijk de duisternis boven het licht. Want, zo staat er: "hun werken waren boos". Dat wordt in het volgende vers nog verder uiteengezet. Het licht ontmaskert namelijk.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2654" title="Speel af vanaf 44:14">▶ 44:14⟨/button> ⟨span>Het Licht Ontmaskert de Duistere Religieuze Werken⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ja, dat is eigenlijk vrij logisch. Wat doet licht? Dat maakt openbaar. Want er staat: eenieder die kwaad bedrijft... En dat kwaad, het verrichten van slechte dingen, dat is weten dat wat je doet kwaad is. Ik geloof dat we straks nog een diaatje daarvan krijgen, als ik me goed herinner, maar houd hem even vast. Degene die kwaad bedrijft, die weet dat wat hij doet duister is; die haat het licht en gaat niet tot het licht.⟨/p> ⟨p>Weet u wat trouwens een mooie Bijbelse definitie is van het licht? Wat is licht? Ik heb hier een verwijzing staan naar Efeze 5 vers 13. Daar lees je dat Paulus zegt: "Maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt, is licht." Als u een Statenvertaling hebt, staat hier — als ik me niet vergis — "en al wat openbaar gemaakt wordt". Dus wat is licht? Dat is wat openbaar maakt. Dat lijkt me eigenlijk een hele mooie definitie: licht maakt openbaar.⟨/p> ⟨p>Waarom zouden mensen een afkeer hebben van licht? Wel, omdat er dan dingen openbaar worden. Als je werken boos zijn, als je werken duister zijn, dan wil je niet dat dat aan het licht komt. Want het kan het daglicht niet velen, zeggen we dan. Ja, ik ken de tekst: "Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten." Daar zie je dus ook weer dat het licht inderdaad de opgewekte Christus is. Hij staat op uit de doden en Christus zal over u lichten. Licht is dat wat openbaar maakt.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk is wat je hier leest typisch de stijl van Johannes. De manier waarop dit geformuleerd wordt is heel zwart-wit: licht en duister. We zullen dit thema nog vaak aantreffen in de vele disputen en debatten die de Heer voert, met name ook weer met de leiders van het volk. Hij zegt tegen de leidslieden — ik lees even voor uit Johannes 5, het is vrij willekeurig, maar in Johannes 5 zegt Hij: "Jullie onderzoeken de Schriften; jullie menen daarin eeuwig leven te hebben, maar deze zijn het welke van Mij getuigen. En toch willen jullie niet tot Mij komen om leven te hebben." En dan zegt Hij erbij: "Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u." En: "Hoe kunt gij gelovig worden, jullie die eer van elkaar behoeven en de eer die van de enige God komt niet zoekt?"⟨/p> ⟨p>Dit is de confrontatie met de leidslieden die elkaar eergaven, en namen en titels, en daarmee ook eer gaven. Maar waar het werkelijk om gaat, namelijk wat er staat geschreven, dat gleed bij hen af als water van een eend. Het raakte hen niet. Waarom? Omdat de eer van mensen, het gezien worden en erkenning vinden, voor hen belangrijker was. Jezus zegt: "Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; uw aanklager is Mozes, op wie gij uw hoop gevestigd hebt. Want als jullie Mozes zouden geloven, zouden jullie ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven. Maar indien jullie zijn geschriften niet geloven, hoe zullen jullie Mijn woorden dan geloven?" Dat soort termen, dat soort confrontaties.⟨/p> ⟨p>Ja, dan komt er heel veel aan het licht. We hebben het nu over religieuze duisternis, maar in het algemeen: waarom hebben mensen een hekel aan het licht? Ik bedoel ook dit echte licht. Omdat het openbaar maakt. Even terug naar Johannes 3 vers 20: "Opdat zijn werken niet aan de dag komen", of letterlijk "ontmaskerd worden". In feite is het moment dat iets aan de dag komt een ontmaskering. Ik heb het hier al eens een keertje aangehaald, want ik weet dat Thérèse dit boek ook kent, van Peter Bruin: "Geen geloof zonder bewijs". Wie kent het hier nog meer? Het boek is al een jaar of 25 geleden verschenen, schat ik. Een schitterend boek trouwens. De titel is "Geen geloof zonder bewijs" en als ondertitel heeft het dit: "De leugen vreest het bewijs, omdat het bewijs de waarheid aan het licht brengt." Een schitterende statement; het zou niet misstaan tussen de woorden van Johannes.⟨/p> ⟨p>Hier hebben we het over. Waarom haat men de waarheid? Waarom haat men het licht? Wel, omdat het bewijs de waarheid aan het licht brengt. Wie de waarheid doet, die gaat tot het licht. Je ziet hier trouwens ook weer dat waarheid en licht inderdaad synonieme begrippen zijn. "Opdat van zijn werken blijke dat zij in God verricht zijn." Weet u wat hier staat? Er staat hier "en theo". Daar komt ons woordje "enthousiast" vandaan. "En-theos", enthousiast, betekent dus eigenlijk "in God zijn". Nu zeg ik niet dat in Johannes 3 vers 21 direct de gedachte van enthousiasme aanwezig is, maar het is omgekeerd wel zo dat de essentie van enthousiasme inderdaad is dat je in Hem bent.⟨/p> ⟨p>Maar even samenvattend: "Wie de waarheid doet, die gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke dat zij in God verricht zijn." Waar het om gaat is dat als je de waarheid zoekt, je uitkomt bij de Schrift en dan kom je dus ook bij Hem uit. Ik ben ervan overtuigd dat als je eerlijk bent — en ik weet het, God is het die de ogen en de harten opent — maar als je eerlijk bent, dan kom je uit bij de waarheid van de Schrift. Want wie de waarheid doet, die gaat tot het licht. Ik stel voor dat we het hier even bij houden en dat we straks de draad oppakken bij vers 22. In mijn Bijbel begint daar ook een nieuwe passage.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3093" title="Speel af vanaf 51:33">▶ 51:33⟨/button> ⟨span>Johannes 3:22 - Jezus en Zijn Discipelen Dopen in Judea⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wij gaan weer even verder. De laatste verzen die we zojuist hebben besproken, waren wat abstract, zoals Johannes dat heel vaak doet. Hij heeft een heel speciale, eigen manier van formuleren waarbij hij vooral gebruikmaakt van woordparen en tegenstellingen: licht en duisternis, dood en leven, waarheid en leugen. In de verzen die we nu onder ogen hebben gezien, zie je dat ook. Soms is het wat lastig – we hadden het er in de pauze nog even over – om dan goed scherp te blijven waar het eigenlijk over gaat. Kijk, als we het hebben over het gesprek dat Jezus heeft met Nicodemus, dan zie je die partners bij elkaar zitten en wanneer ze verwezen worden naar de slang die verhoogd werd, is dat allemaal heel visueel. Je kunt je dat voorstellen; daar wordt iets verhaald. Maar op het moment dat er conclusies worden getrokken in de trant van: degene die de waarheid doet, die gaat tot het licht, en als je niet van de waarheid houdt, dan keer je je juist af van het licht omdat je bang bent dat de dingen die je in het duister doet ontmaskerd worden... kijk, dat zijn meer abstracties. Die hebben we nu vooral vanaf vers 19 tot en met 21 bezien, en we zullen dat nog veel vaker in het Johannes-evangelie tegenkomen. Het is een heel eigen manier van de dingen beschrijven.⟨/p> ⟨p>In vers 22 pakken we de draad weer op en daar wordt het weer verhalend. We lezen: "Daarna ging Jezus met zijn discipelen naar het land van Judea." Hier wordt de verslaggeving weer opgepakt. We hebben vanaf vers 13 een heel commentaar van Johannes gelezen en nu gaat het verhaal weer verder; de geschiedenis, de verslaggeving. Jezus bevond zich in Jeruzalem ter gelegenheid van het Pascha, het eerste Pascha dat Hij gevierd heeft gedurende Zijn openlijke bediening sinds Zijn doop in de Jordaan. Hij vertrekt vanuit Jeruzalem naar het Judese land. Eigenlijk lag Jeruzalem ook in het land van Judea, maar Hij vertrekt dus uit de stad naar het omliggende land. Hij vertoefde daar met hen, met Zijn discipelen, en doopte. Zo staat het er hier, en de wijze waarop dit geformuleerd wordt zou suggereren dat Jezus zelf doopte, maar we weten heel duidelijk dat dat niet het geval was. In vers 2 van het volgende hoofdstuk lezen we juist dat Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen. Waarom Hij zelf niet doopte? Nou, dat lijkt mij inmiddels wel duidelijk. Want hoe was het ook alweer wat Johannes de Doper had gezegd? "Ik doop u in water, maar Hij die na mij komt, die zal dopen in Heilige Geest." Dat is van een heel andere orde.⟨/p> ⟨p>Jezus doopte zelf niet, maar Jezus en Zijn discipelen hielden er dus dezelfde praktijk op na als Johannes: er werd gedoopt bij de Jordaan. Dat mogen we aannemen en dat zal straks ook wel blijken. Wat Johannes deed, was het volk oproepen. In Johannes 1 vers 31 zegt de Doper: "En zelf wist ik niet van Hem, maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom kwam ik dopen in water." Dus het doel van Johannes was dat dopen in water, met het oog op de openbaring van de Messias aan Israël. Dat is een heel duidelijke missie en de doop in water staat helemaal in dat teken. Jezus en Zijn discipelen zijn daarin meegegaan om het volk voor te bereiden.⟨/p> ⟨p>Dan staat er in vers 23: "Doch ook Johannes doopte." Johannes was daar dus ook nog aan het dopen. Eerder lazen we in hoofdstuk 1 vers 28 over Bethanië over de Jordaan, aan de andere kant van de rivier. Dat is een mooi beeld: je gaat door de Jordaan en dan kom je aan de andere kant. Nou, daar doopte hij. In Mattheüs 3 lees je dat dit een enorme volksbeweging is geweest. Vergis u niet waar Johannes mee kwam. Men wist dat de tijden rijp waren voor de komst van de Messias. Als u daar meer over wilt weten, moet u de volgende keer naar de Bijbelstudie in De Aken in Rotterdam komen, want dan ga ik het daarover hebben. De tijd was vervuld, de tijd was nabij, en als Johannes dan in een heel bijzondere verschijning de oproep doet dat het Koninkrijk der hemelen nabijgekomen is, dan komt het hele volk in beweging. Jeruzalem, heel Judea en de hele Jordaanstreek liepen tot hem uit en zij lieten zich in de rivier de Jordaan door hem dopen onder belijdenis van hun zonden.⟨/p> ⟨p>Toen hij nu zag dat velen van de Farizeeën en de Sadduceeën tot de doop kwamen, zei hij tot hen – heel aardig, sympathiek en wervend: "Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan?" Nou, dat was niet iemand die eropuit was om veel publiek te verzamelen of mensen stroop om de mond te smeren. Hij was echt recht voor zijn raap. Ook hier zie je dus weer die leidslieden die de boel zaten te flessen en te misleiden. Zij hadden weliswaar de Schrift in beheer, maar in werkelijkheid doofden zij het licht. Het is precies waar we het net over hadden: zij die het licht haten. Johannes doorzag dat en heeft het heel duidelijk tegen hen gezegd. U begrijpt dat die leidslieden de grootste moeite moeten hebben gehad met Johannes, maar ze konden niet ontkennen dat hij een goddelijke missie had. Dat weten we ook uit andere plaatsen. Dat kwam vooral omdat het hele volk met de grootste achting over Johannes de Doper sprak; er was dus ook weer angst in het spel. Angst speelt een grote rol in de wijze waarop je je opstelt.⟨/p> ⟨p>Goed, dat even als achtergrond van wat er aan de hand was toen Johannes aan het dopen was. Hij doopte te Enon bij Salim, omdat daar veel water was. Een calvinist zal dat niet zo makkelijk begrijpen, want voor dopen heb je in die visie niet zoveel water nodig; dan is een liter water meer dan genoeg om velen te dopen. Maar als je weet wat dopen echt is, dan weet je dat het onderdompelen is. Daar heeft het mee te maken; het is een reinigingsgebruik. De plaats heette Enon bij Salim, en dat 'Enon' betekent letterlijk 'vol bronnen'. Alleen de naam geeft dus al aan dat het een waterrijk gebied was. Het was bij Salim, en het zou mij niet verbazen – al heb ik dat niet meer nagegaan – of dat iets te maken heeft met 'Shalom' en dus met vrede. Maar goed, dat is een losse vlodde. Het was in ieder geval bij Enon, omdat daar veel water was. De mensen kwamen daar en werden gedoopt. Die uitdrukking "lieten zich dopen" vinden we vaak in de NBG-vertaling, maar eigenlijk staat er dat men werd gedoopt. Het is nog passiever: je wordt gedoopt, je ondergaat het. Zij kwamen en werden gedoopt door Johannes. Want, zo staat er, Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. Nu lijkt dat nogal evident; als je doopt, ben je kennelijk nog niet in de gevangenis geworpen. Maar er zit meer achter. Het geeft namelijk vooral aan dat het begin van Jezus' bediening gelijktijdig is geweest met de bediening van Johannes.⟨/p> ⟨p>Weliswaar was Johannes al veel eerder – hoeveel eerder weet ik eigenlijk niet, maar veel eerder – actief als doper. Hij was eerder, maar dat wil niet zeggen dat hij belangrijker was. Nee, het wil juist zeggen dat hij slechts een voorbereider was, een wegbereider. Zo was hij door de profeet Jesaja ook aangekondigd: om de weg des Heren te bereiden, klaar te maken en te effenen.⟨/p> ⟨p>En als u mij vraagt naar het eerste halfjaar... Nou, als Jezus gedoopt is in het najaar, bij het begin van het Joodse jaar, en dit was net na het Pascha, dan is dat een halfjaar verder geweest. Dit was tegen de tijd dat Johannes gevangen genomen zou worden. Er is dus een gelijktijdigheid van pakweg een halfjaar geweest waarin beiden daarmee bezig waren.⟨/p> ⟨p>Johannes was op dit moment nog niet in de gevangenis geworpen. De wijze waarop dit geformuleerd wordt, geeft ook aan dat dit zeer binnenkort zou gaan plaatsvinden. Er rees dan, vers 25, een geschil, een kwestie.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3785" title="Speel af vanaf 01:03:05">▶ 01:03:05⟨/button> ⟨span>Johannes 3:25 - een Geschil over de Doop en Onderlinge Concurrentie⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Er rees een geschil tussen de discipelen van Johannes met een Jood over de reiniging. En de reiniging, dat is gewoon de doop. Hoe reinigde een Jood zich? Deed hij dat door zichzelf te dopen, of deed Johannes het op zijn spectaculaire nieuwe manier door anderen te dopen? Daarom was Johannes de Doper; hij doopte anderen en dat kende men voorheen niet. Maar het fenomeen van dopen en je reinigen – de mikva, zoals de Joden zo'n bad noemen – dat was voor hen een heel bekend gegeven.⟨/p> ⟨p>Het lijkt een feit dat Johannes hier met een Jood staat. Hij wordt niet met name genoemd, maar dat doet er kennelijk helemaal niet toe; het gaat erom dat het een Jood was. En daarmee zie je dus ook weer dat die hele waterdoop een Joodse aangelegenheid is. Het was een kwestie van: hoe zit dat dan precies? Hoe moet dat gepraktiseerd worden?⟨/p> ⟨p>Er was dus een geschil met een Jood over de reiniging. Die reiniging is de waterdoop en de leer van de dopen is een heel fundamenteel ding voor een Hebreeër. Als ik het zo zeg, dan refereer ik aan Hebreeën 6 vers 2; u moet het daar maar eens nalezen. Daar lees je dat het tot één van de grondslagen hoort van het geloof van de Hebreeën: een leer van dopen, dat wil zeggen allerlei gelegenheden waarbij men zich reinigde.⟨/p> ⟨p>En zij kwamen – die discipelen van Johannes – zij kwamen tot Johannes en ze zeiden tot hem: "Rabbi..." Johannes onderwees hen, dus was hij voor hen een rabbi. Ze zeiden: "Rabbi, die met u was aan de overzijde van de Jordaan..." Over wie gaat het hier? Ze noemen de naam Jezus niet, want dat was al beschreven in hoofdstuk 1. Het was aan de andere kant van de Jordaan, waaruit blijkt dat ze nu kennelijk aan de westkant waren, aan de kant van Israël, waar ze nu aan het dopen waren.⟨/p> ⟨p>"Die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wie gij getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot Hem." Haha, concurrentie! Dat is het eigenlijk. Dat is wat zij nu ontwaren. "Allen" – met de nadruk op dat woord "allen" – ze gaan tot Hem. Dat zal wellicht overdreven geweest zijn van hun kant, maar niettemin: wat men zag is dat de mensen nu niet meer naar Johannes toe gingen, maar naar Jezus en zijn discipelen. Hoe zit dat? Let dan op de wijze waarop Johannes daarop reageert.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3969" title="Speel af vanaf 01:06:09">▶ 01:06:09⟨/button> ⟨span>Johannes de Doper Erkent Zijn Plaats: Alles Is een Gave uit de Hemel⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En hoe groot het verschil ook is tussen zijn leerlingen en dat wat Johannes zelf zegt. Johannes antwoordde en zei: "Geen mens kan iets aannemen" — eigenlijk iets in ontvangst nemen, zelfs niet één, ziet u? Zelfs niet één ding. Er staat hier zelfs: helemaal niets. Geen mens kan iets in ontvangst nemen of het moet hem uit de hemel gegeven zijn.⟨/p> ⟨p>Waar zou Johannes hier op gedoeld hebben? Wat denkt u? U weet wel, dit is zo'n heel simpel evangelie, het stelt ons nooit voor vragen... Maar als dat zo zou zijn, dan heb ik toch een vraag. Over wie zou Johannes het hier hebben? En waarom formuleert hij dit zo? Doelt hij hier op zichzelf? Of doelt hij juist hier op Jezus? Dat is mijn vraag.⟨/p> ⟨p>Op zich geven beide een goede zin. Je zou kunnen zeggen dat Johannes refereert aan Jezus' bediening, maar je kunt ook verdedigen dat hij doelt op zijn eigen bediening. Hij zou dan zeggen: "Wat ik heb ontvangen, wat ik doe, dat had ik nooit kunnen doen dan alleen doordat het vanuit de hemel mij gegeven is." Maar ik denk, zoals ik het hier ook in de aantekeningen schrijf, dat Johannes juist refereert aan de bediening van Jezus. Daarover was de vraag immers gesteld.⟨/p> ⟨p>Wat hij dus feitelijk zegt is: "Die Jezus waarvan ik getuigd heb..." Let er trouwens op dat die leerlingen die bij hem kwamen, Jezus niet eens bij de naam noemen. Ze zeggen: "Die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wie gij getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot hem." Maar zijn naam noemen ze nog niet eens. Het is een hele afstandelijke benadering en ze voelen zich duidelijk ook in hun eer aangetast als concurrenten.⟨/p> ⟨p>En dan zegt Johannes naar aanleiding van Hem: "Geen mens kan iets aannemen." Dus niets van wat Hij doet, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn. Hij geeft hiermee alle credits aan Jezus. Dat kan alleen maar vanuit de hemel zijn. En nu gaat hij dat nog nader motiveren. Hij zegt: "Jullie kunnen zelf van mij getuigen dat ik gezegd heb: ik ben de Christus niet." We hebben dat trouwens gelezen in hoofdstuk 1 vers 20. Wat dat betreft is Johannes heel strikt; als hij zulke dingen zegt, dan refereert hij aan dingen die hij al eerder had beschreven. Ze waren destijds zelfs met een delegatie gekomen met de vraag of hij de Christus was, maar hij zei: "Nee, ik ben het uitdrukkelijk niet. Ik ben voor Hem uitgezonden." Zo is het.⟨/p> ⟨p>Ik ben slechts een wegbereider, als iemand die roept in de woestijn — letterlijk: roepende in de woestijn. En ik ben voor Hem uitgezonden, dat wil zeggen: ik heb slechts een dienende functie. Ik ben een richtingaanwijzer; ik wijs naar Hem die na mij komt. Dáár gaat het om. En nu zegt hij er nog iets bij... mooi, dat vind ik mooi. Echt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4210" title="Speel af vanaf 01:10:10">▶ 01:10:10⟨/button> ⟨span>De Bruidegom, Zijn Gemeente en de Vreugde van de Vriend⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan begint Johannes over de bruid, en hijzelf noemt zich dan de vriend van de bruidegom. Hij zegt: "Die de bruid heeft, dat is de bruidegom." Dat lijkt me nogal logisch; anders gezegd: van wie is de bruid? Uiteraard van de bruidegom. De uitdrukking "bruid" komen we drie keer in de evangeliën tegen en vier keer in het boek Openbaring. Het is trouwens één Openbaring, geen meervoud. In de brieven van de apostelen komen we het woord echter helemaal nooit tegen. Dat geeft te denken. Ook in de brieven van Paulus spreekt hij nooit over de bruid. Hoewel men vaak denkt dat de gemeente de bruid is, komt dat woord daar geen enkele keer voor.⟨/p> ⟨p>Waar men dan aan refereert, is dat hij de gemeente vergelijkt met Eva: "Een man zal zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen. Die twee zullen tot één vlees zijn." Maar in dat beeld is de gemeente het lichaam, en het type is dan Eva. Eva is echter nooit een bruid geweest. Paulus zegt dat dit geheimenis groot is, maar de gedachte is daarbij niet die van een bruid. Bij een bruid gaat het om de gemeenschap en het huwelijk dat wacht op de toekomst. Paulus' onderwijs is juist dat we nu al als één lichaam met Hem verbonden zijn. Wij zijn juist niet de bruid, want wij zijn met Hem als één vlees verbonden. Dat zijn twee verschillende zaken die tegenover elkaar staan.⟨/p> ⟨p>Het loutere feit dat wij als gemeente, zoals Paulus dat tekent, in het lichaam zijn van de Christus die de Bruidegom is, brengt ons in een heel bijzondere verhouding met het volk Israël. Hoewel dat nergens in de Bijbel verder zo expliciet wordt uiteengezet, is de grote waarheid dat Hij het hoofd voor ons is en wij leden van Zijn lichaam zijn. In die verhouding van één lichaam en één vlees is Zijn positie onze positie.⟨/p> ⟨p>De gedachte van de bruid is natuurlijk direct ontleend aan de profeten, zoals Jesaja en Jeremia. Hosea is daarin misschien nog wel het meest expliciet. Laten we daar eens naartoe gaan. In Hosea 2 lezen we aan het slot van het hoofdstuk: "Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken en hen veilig doen wonen." Het is onmiskenbaar dat dit refereert aan de toekomende eeuw waarin vrede zal zijn. Er wordt een einde gemaakt aan de oorlog en de zwaarden zullen worden omgesmeed tot ploegscharen. Kortom, het hele oorlogstuig krijgt een nuttige functie ten behoeve van de opbouw. Dan weten we over welke tijd we het hebben.⟨/p> ⟨p>En dan staat erbij: "En Ik zal u, volk Israël, tot bruid werven voor eeuwig" – voor de Olam, de eeuw. En dan nog een keer: "Ik zal u Mij tot bruid werven." Iedere keer klinkt dat "Ik zal". Hij zal het volk werven en kopen, zodat ze van Hem zijn. Die de bruid heeft, dat is de bruidegom. Hij zal hen tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming. Hij doet recht, Hij vervult Zijn woord en in Zijn goedertierenheid ontfermt Hij Zich over Zijn volk. In vers 20 staat er voor de derde keer: "Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HEERE kennen." Dat "kennen" heeft de betekenis van diepe gemeenschap met Hem hebben.⟨/p> ⟨p>Nu is het volk feitelijk nog een bruid in afwachting van de bruiloft die gaat komen. Wanneer het straks daadwerkelijk zover is, dan staat de trouw van God garant voor een succesvol huwelijk. Het Oude Verbond werd ook beschreven als een huwelijk, maar dat ging niet goed; dat verbond werd verbroken. Het Nieuwe Verbond is echter een blijvend verbond, omdat daar geen voorwaarden meer aan het volk worden gesteld. De Heere Zelf belooft, vervult en doet alles: "Ik zal, Ik zal, Ik zal." Daar ziet u die gedachte van de bruid; het volk wordt tot bruid gemaakt.⟨/p> ⟨p>Dit is ook weer een thema van het Johannesevangelie. Herinnert u zich het voorgaande hoofdstuk nog? Johannes 2 begon met een bruiloft op de derde dag. Na twee dagen, op die derde dag, is er een bruiloft en daar was de Heere ook bij aanwezig. Over de profetische betekenis daarvan hebben we het destijds gehad, maar hier wordt daar opnieuw, door Johannes de Doper, aan gerefereerd. Over de identiteit van de bruid hoeven we totaal niet te speculeren; de profeten hebben dat klaar en duidelijk neergelegd. Nogmaals: ons aandeel daarin is heel anders. Wij staan in een andere verhouding tot Hem. Hij is niet onze Bruidegom, Hij is het Hoofd van het Lichaam. Dat is een veel nauwere relatie.⟨/p> ⟨p>Maar via een omweg vind ik het een prachtige gedachte dat wij deel uitmaken van die Bruidegom en daarmee ook betrokken zullen zijn bij die bruiloft en dat feest. De volkeren hebben daar trouwens ook een aandeel in, maar zij zijn de bruiloftsgasten die uitgenodigd zijn om die derde dag te beleven. Die derde dag is tevens de zevende dag. Weet u nog dat die derde dag in Johannes 2 ook de zevende dag was? Die de bruid heeft, dat is de bruidegom.⟨/p> ⟨p>Maar wie is de vriend van de bruidegom? Dat is Johannes de Doper zelf. Hij is de vriend van de bruidegom die erbij staat en naar Hem luistert. Hij verblijdt zich met blijdschap – een typisch Joodse en Hebreeuwse manier van formuleren: in vreugde is hij zich verheugende. Hij verblijdt zich over de stem van de Bruidegom. "Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld," zegt Johannes. Voor hem is het als vriend van de bruidegom de ultieme vreugde om de stem van de Bruidegom te vernemen en daar zijn aandeel in te hebben. Hij is er om de bruid gereed te maken en fungeert als vriend van de bruidegom eigenlijk als de ceremoniemeester.⟨/p> ⟨p>Johannes verblijdt zich over de stem van de Bruidegom. Met andere woorden: hij is zo blij dat hij nu ook lijfelijk kan verwijzen naar zijn neef, naar Degene die na hem kwam en van wie hij had getuigd. Daarin is zijn blijdschap vervuld. De argwaan van zijn discipelen was dus volkomen misplaatst. Johannes ziet dit juist als zijn roeping. Dit is precies waar het hem allemaal om te doen was en wat God op zijn weg heeft geplaatst.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4758" title="Speel af vanaf 01:19:18">▶ 01:19:18⟨/button> ⟨span>Hij Moet Wassen, Ik Moet Minder Worden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij moet wassen. Ja, dat is een mooie uitdrukking. Vroeger vond ik dat een rare uitdrukking, of dan dacht ik meteen aan... ja, hij moet wassen. Ook als je denkt in de termen van dopen, dan denk je: oh, hij bedoelt misschien wassen, dopen, reinigen. Maar het is inderdaad zoals je dat ziet in de vertaling: het is groeien. Zoals wij spreken over volwassen, dan ben je volgroeid. En gewas, dat is wat groeit. Oh ja, je hebt nog zo'n ander woord; zelfs de NBG-vertaling gebruikt dat nog: "Het woord des Heren wies". Dat is dan de verleden tijd van wassen, hè? Het woord des Heren dat reinigt? Jazeker, dat weet ik wel, maar dat heeft er niets mee te maken. Nee, het woord des Heren groeide. Dat wil zeggen: het had invloed, het werd groter.⟨/p> ⟨p>Nou ja, dit moet duidelijk zijn. Als Johannes dit zo zegt: "Hij moet wassen", dan wil dat zeggen — hier weer — moeten, dat is bindend. Dit is zoals het niet anders kan en ook zo is bestemd. Het is bindend dat Hij, diegene, groeit en alleen maar grootser wordt. Johannes, dat zie je iedere keer, Johannes erkent zijn plaats en erkent Hem, Jezus, als volstrekt zijn meerdere. Hij zegt het bij een andere gelegenheid: "Ik ben niet eens waard Zijn schoenriem vast te maken." Nou, dat zijn de verhoudingen. Dat is wat Johannes... hoe de Heer Jezus later zegt, als Johannes inmiddels onthoofd is: "Er is geen grotere profeet geweest dan Johannes de Doper." Dus zo groots is die Johannes de Doper, maar afgezet tegen Degene van wie hij getuigde, is hij het zelfs niet eens waard, heeft hij niet eens de waardigheid om Zijn schoenriem vast te maken. Hij was ook degene die zoveel weerzin had om Jezus te dopen; dat was voor hem teveel.⟨/p> ⟨p>Het is bindend dat Hij groeit en ik moet minder worden. Letterlijk staat er: "Hij groeien, ik echter...". Er staat niet 'moet niet minder worden', maar: "Ik moet minder gemaakt worden." Ik moet minder gemaakt worden. Ziet u? Die verhouding. Hij de Grote. En natuurlijk is dit eigenlijk een universele waarheid, eigenlijk voor als je het hebt over onze Heer. Wat is onze rol daarin? Kijk, hier zegt Johannes het, maar ik en jij kunnen dat net zo in de mond nemen. Het gaat niet om mij, het gaat om Hem. Hij moet groter worden en ik... Iemand zei een keer: "Weet je wat de definitie van geestelijke groei is? Dat je steeds kleiner wordt."⟨/p> ⟨p>Ja, ik denk dan aan een paar woorden uit Galaten 2 vers 20: "Met Christus ben ik gekruisigd en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij." Dat is dat minder worden. Nou, dan krijgen we vanaf vers 31 het slot van Johannes 3. Dat zijn dan alweer woorden, als u het mij vraagt — maar daarover de volgende keer meer — weer opnieuw commentaar van Johannes. Ik bedoel nu de schrijver dus, ja, dat is soms wat verwarrend. Ik stel voor dat we het dus eventjes hierbij laten voor vandaag.⟨/p>