⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op de Voorgaande Dagen en de Proloog⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dankjewel, Arie. De vorige keer, dat is drie weken geleden, hebben wij ons beziggehouden met het laatste gedeelte van Johannes 1. We zijn er net niet meer aan toegekomen om dat hele hoofdstuk te voltooien, dus we pakken straks de draad op bij die allerlaatste verzen: de ontmoeting van de Heer Jezus met Natanael. Zoals gebruikelijk lijkt het me nuttig om opnieuw weer even terug te blikken, zodat we de context helder hebben van wat we tot dusver hebben besproken.⟨/p> ⟨p>Na de proloog, waar we enige avonden aan hebben gewijd – zo heet dat: de proloog. Wat ik altijd een prachtige term vind in dit verband en in verband met het boek Johannes, omdat hij het juist heeft over de Logos. De Logos die er vóór alle dingen was: pro-logos. Het voorwoord, het Woord dat er voor alle dingen was. In die eerste achttien verzen wordt inderdaad de basis gelegd voor het hele boek.⟨/p> ⟨p>Vervolgens krijgen we na dat achttiende vers een beschrijving van een reeks van dagen. Eigenlijk moet ik zeggen een reeks van zeven dagen, maar daarover straks meer. In Johannes 1 hebben we een reeks van vier dagen. Laten we ze even op een rijtje zetten. Vanaf vers 19 tot 28 is het de eerste dag. Ik moet erbij zeggen dat de nummering van de dagen die ik er nu bij geef niet letterlijk in de Bijbel staat, maar we worden geacht te kunnen tellen. Dat zal straks wel blijken. Bovendien blijkt het heel duidelijk uit de tekst, want na vers 28 lees je: "de volgende dag". Dat betekent dat wat eraan voorafgegaan is, de eerste dag was.⟨/p> ⟨p>Op dag 1, beschreven in de verzen 19 tot 28, vertelt Johannes naar aanleiding van een bezoek van een hoge delegatie uit Jeruzalem wie hij is, wat zijn identiteit is en ook wat zijn missie is waartoe hij gezonden is: om de weg van de Heren voor te bereiden. Dat is Johannes' getuigenis over zichzelf, waarbij ik er nog wel even op wil wijzen dat het zaak is om de verschillende Johannesen uit elkaar te houden. Temeer omdat we het hebben over het Johannesevangelie, maar de schrijver van dit boek is een van de twaalf apostelen, de broer van Jakobus. Incognito zijn we hem al tegengekomen in hoofdstuk 1, waar ik de vorige keer inderdaad een paar dingen over heb gezegd. Het is nu niet direct aan de orde, maar het is wel van belang om te weten dat de Johannes die iedere keer bij name genoemd wordt in het Johannesevangelie nooit de schrijver is. Als Johannes de schrijver het over zichzelf heeft, dan noemt hij zich altijd via omwegen, meestal "de discipel die Jezus liefhad". Dat wil zeggen: de discipel die geliefd werd door Jezus. De Johannes die hij benoemt, is per definitie en standaard Johannes de Doper.⟨/p> ⟨p>Dan krijgen we vanaf vers 29 tot 34 de beschrijving van de dag daarna, dus dag 2. Dan wijst Johannes de Doper op Jezus. Dat zijn die bekende woorden wanneer hij Hem ziet komen daar bij de Jordaan en uitroept: "Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt", of letterlijk: opheft. Dan is het dus Johannes die niet meer spreekt over zichzelf, maar in alle opzichten wijst op Jezus. Daar vinden we ook kortweg de beschrijving van de doop door Johannes.⟨/p> ⟨p>Dan dag 3, want vers 35 begint dan weer met "de volgende dag". Die dag duurt tot en met vers 43. Daar zien we dat Andreas en Petrus een ontmoeting hebben met Jezus. Zojuist zei ik even een beetje geheimzinnig of cryptisch of Johannes de apostel hier ook bij betrokken was. Dat moet ook op deze dag geweest zijn. Dat had te maken met vers 42. Als je leest vanaf vers 41: "Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes gehoord hadden en hem gevolgd waren. Deze vond eerst zijn broeder." Dus daarna vond die ander zijn broeder. Nou, dat moet Johannes geweest zijn, of Jakobus eventueel. Dat kan ook nog, want dat waren namelijk ook twee broers. Andreas en Petrus waren twee broers, en Johannes en Jakobus waren ook twee broers, namelijk de zonen van Zebedeüs. Maar goed, dat is even een zijstraatje.⟨/p> ⟨p>Dat was dus dag drie en dan krijgen we dag vier. Daar zijn we de vorige keer mee geëindigd en dat hebben we nog niet helemaal afgerond, dus daar ga ik mee verder. Dat is de dag die dan begint in vers 44, waar weer staat: "de volgende dag". Je krijgt gewoon een hele reeks van dagen en dan vertrekt Jezus naar Galilea. Waarom? Nou, dat zullen we straks ook nog wel zien. Op die dag heeft hij een ontmoeting met Philippus en Natanael. Over die ontmoeting met Philippus hebben we het al gehad, en vervolgens ook met Natanael. Natanael betekent "geschenk van God". Zij ontmoeten Jezus. Welnu, dat is wat we de vorige keer hebben gezien en besproken, en dan haak ik nu aan bij vers 48.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="404" title="Speel af vanaf 06:44">▶ 06:44⟨/button> ⟨span>Nathanaël: een Ware Israëliet Onder de Vijgenboom⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We krijgen een klein beetje een overlap, omdat we het over deze verzen al even gehad hebben. Maar het is om nog even op die ontmoeting van Jezus met Natanaël — of vice versa — in te zoomen. Jezus zag Natanaël tot Zich komen en dan zegt Hij tot hem: "Zie, waarlijk een Israëliet." Israël is de naam van de bekeerde Jakob. Het is in dit geval heel opmerkelijk, want er staat: "Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is." Maar wij kennen iemand die Israël heette, maar die eerst Jakob heette, en dat is de naam die juist staat voor de bedrieger.⟨/p> ⟨p>Of de naam Jakob helemaal die betekenis dekt, is nog maar de vraag. Jakob betekent eigenlijk hielenlichter, en bij ons heeft dat de betekenis gekregen van per definitie een bedrieger. Dat hoeft niet, maar dat is even een ander verhaal. Het gaat erom dat de Heer zegt: "Hier staat hij, dit is waarlijk een Israëliet, iemand uit Israël." Ik geloof dat ik er de vorige keer nog op gewezen heb dat je van die eigenaardige uitdrukkingen of frases hebt in bijvoorbeeld het boek Jesaja. Daar staat dat de Heer een woord heeft gezonden tot Jakob en het is gevallen in Israël. Dus een woord wordt gezonden aan Jakob, maar als het inmiddels gevallen is en ontkiemt, vrucht draagt — in goede aarde valt — dan is Jakob Israël geworden. En dat zegt de Heer Jezus van deze Natanaël: een Israëliet in wie geen bedrog is.⟨/p> ⟨p>Je kunt de nadruk ook nog op een andere manier leggen: "Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is." Met andere woorden: in alle andere Israëlieten wel. Maar ik denk niet dat dat de gedachte is. Het gaat er juist om: een Israëliet in wie geen bedrog is. Van die Natanaël weten we trouwens niet zo heel veel, behalve dan dat hij uit Kana kwam. Wat we vervolgens vinden, is dat Natanaël verbaasd tot Hem zegt: "Vanwaar kent Gij mij?" Hoe kon Jezus deze uitspraak over Natanaël doen? Dat suggereert immers kennis. En dan is het Jezus die antwoordt en tot hem zegt: "Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom." Ik nam jou al waar toen je daar onder de vijgeboom zat. Met andere woorden: het is niet alleen Filippus die jou riep, maar Ik ben daar ook in betrokken. Zelfs voordat jij geroepen werd, zag Ik jou en nam Ik jou al waar.⟨/p> ⟨p>Onder de vijgeboom. De vorige keer heb ik nog gewezen op een schriftplaats in Miga 4. We vinden hem ook in het boek Jesaja, waar gezegd wordt over het vrederijk dat eenieder zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom. Ik wil nu op iets anders wijzen: dat de vijgeboom in de Bijbel een embleem is van Israël als volk, als natie. Dat zie je met name in de evangelieën diverse keren uitgebeeld. In Lukas 13 vertelt de Heer Jezus die gelijkenis over iemand die een wijngaard bezat, en in die wijngaard had hij een vijgeboom. Waarbij de wijngaard trouwens ook altijd al voor Israël staat en een uitbeelding van Israël is. Dan lees je dat hij die boom drie jaar lang onderhield. Die drie jaar staat voor de bediening van de Heer Jezus onder zijn volk. De Heer was gezonden tot zijn volk en dat volk wordt in die gelijkenis voorgesteld als een vijgeboom.⟨/p> ⟨p>In Matthäus 21 vinden we die eigenaardige geschiedenis dat Jezus langs een vijgeboom loopt en daar een vrucht van wil nemen, maar er hing geen vijg aan. Er waren alleen maar bladeren, dat wil zeggen: een heleboel uiterlijk vertoon, maar vrucht zat er niet aan. Wat de Heer dan doet, is dat Hij een vloek uitspreekt over die vijgeboom: "Aan u groeie geen vrucht tot in eeuwigheid." Dat staat in onze vertaling, maar dat bestaat natuurlijk niet; zo wijs zijn we inmiddels wel geworden na een jaar Bijbelstudie. Er staat: "tot in de aioon". Want in de volgende aioon gaat de vijgeboom weer uitbotten. Dat is trouwens Matthäus 24, een paar hoofdstukken later. Daar wordt gesproken over de laatste dingen, over de verschijning van de Heer en dat Hij zijn volk zal verzamelen. En dan leert de vijgeboom deze les: wanneer je ziet dat zijn takken uitbotten en zijn hout reeds week wordt, dan weet je daaraan dat de zomer nabij is. Zo zeg Ik u dat dit geslacht geenszins voorbij zal gaan voordat al deze dingen zijn geschied. De generatie die dat mee zal maken, zal ook de komst van de zomer en het wereldwijde koninkrijk gaan meemaken. Ook daar is die vijgeboom een uitbeelding van Israël.⟨/p> ⟨p>De Heer kwam, Hij zocht vrucht en Hij vond het niet aan die boom. Vervolgens komt die vijgeboom onder een vloek gedurende de hele aioon. Maar dat is niet hopeloos, want de vijgeboom gaat bij gelegenheid weer uitbotten. In het verleden is dat niet gebeurd. Je kunt je afvragen hoe dat komt. De Bijbel zegt dan, eigenlijk zo dubbelzinnig als het maar kan: "Het was de tijd nog niet." De Heer kwam om vrucht te vinden bij zijn volk, maar Hij vond het niet. Maar het was ook nog niet de tijd. Straks zal het de tijd zijn en dan zal Hij rijkelijk vrucht vinden. Dus die vijgeboom is een heel verhaal; het spreekt van de natie Israël. En hier vindt de Heer een vrucht onder de vijgeboom, om zo te zeggen. Namelijk Natanaël. Dat was de vijg, de rijpe vrucht, een goede vrucht. En die valt niet ver van de boom. Nee, hij zat er gewoon onder. Precies, de vijg valt niet ver van de boom. En dan zegt de Heer: "Eer Filippus u riep, zag Ik u reeds onder de vijgeboom." En Natanaël antwoordde Hem: "Rabbi."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="874" title="Speel af vanaf 14:34">▶ 14:34⟨/button> ⟨span>De Zoon van God en de Koning van Israël (psalm 2)⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij onderkent natuurlijk meteen dat hij hier te doen heeft met een leraar die hem vanuit de Schriften dingen duidelijk gaat maken. "Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israël!" En beide uitdrukkingen, beide titels van de Messias, dat is opmerkelijk hoor. Natanaël heeft de Heer koud gezien – ik bedoel voor de allereerste keer – en Natanaël onderkent meteen met wie hij van doen heeft. Dat moet een man geweest zijn die werkelijk de Schriften heeft gekend.⟨/p> ⟨p>Ik heb juist vandaag nog gelezen dat onder de vijgenboom zitten bij Joden... Dan lieg ik in commissie, maar ik kan het niet direct vanuit de Schrift staven, maar ik vond het verhaal dat onder de vijgenboom een plek bij uitstek was waar rabbi’s graag onderwijs gaven, kennelijk ook vanwege de typologische achtergrond. In ieder geval, dat was Natanaël: een man, een Israëliet in wie geen bedrog was, die de woorden Gods kende. En het loutere feit dat hij hier in dit stadium – terwijl hij nog verder helemaal geen enkel teken heeft gezien, want het eerste teken dat de Heer gaat doen zullen we straks gaan behandelen, maar dat had nog niet plaatsgevonden – gewoon bij deze eerste ontmoeting al een reden zag om zo’n geweldig getuigenis te geven over met wie hij hier van doen heeft.⟨/p> ⟨p>Dit zijn trouwens titels die ook ontleend zijn aan de Hebreeuwse Bijbel, meer speciaal aan Psalm 2. Daar neem ik u even mee naartoe. Dan lees je in Psalm 2 vers 6... Dat is een prachtige psalm die trouwens ook voor een groot gedeelte over de eindtijd gaat, als alle volkeren... U weet het hè, die psalm begint met: "Waarom woelen de natiën en zinnen de natiën op ijdelheid?" Want ze zijn ten strijde getrokken tegen de HERE en Zijn Koning, Zijn Messias. Dat is Psalm 2. En dan zegt de Heer... Die is daar niet van gediend, maar ik wou eigenlijk zeggen: de Heer zit daar niet mee in Zijn maag ofzo. Al die volkeren die dan ten strijde trekken; je moet je voorstellen dat hele Verenigde Naties. Want in feite is het tot op de dag van vandaag een profetisch gebeuren, dat wil zeggen: het moet nog steeds gebeuren. Maar die hele Verenigde Naties die daar gaat samenkomen en ten strijde gaat trekken naar het Midden-Oosten, meer speciaal naar dat ene land. En dan zegt de Heer, die in de hemel zetelt – zo staat het er – die lacht en spot met hen.⟨/p> ⟨p>Dus mocht je de vraag stellen of er in de hemel ook gelachen wordt, dan denk ik nergens meer dan juist daar. Ik denk wel eens een keertje dat gekrioel hier op aarde, dat moet toch wel een heel komisch en koddig gezicht zijn van bovenaf bezien. Nou, ik denk dat we nog een hoop te doen krijgen daar. Maar in ieder geval, er wordt gelachen. En daar ben ik blij om, want daar hou ik van; ik heb niet voor niets lachspieren gekregen. Maar de Heer Zelf, Hij lacht en ook die spot. Het is mooi als je de dingen van bovenaf kunt bekijken.⟨/p> ⟨p>Goed, en dan neemt Hij het woord en dan zegt Hij: "Ik heb immers..." Jullie kunnen wel zo je plannen hebben en beramen, maar: "Ik heb immers mijn Koning gesteld over Sion, mijn heilige berg." Het gaat dus inderdaad heel specifiek over een stad en over die berg of het gebergte daar in Jeruzalem: Sion. En dan staat er – hier neemt de Messias het woord, de Zoon van God, en zegt Hij: "Ik wil gewagen van het besluit van Yahweh. Hij, Yahweh, sprak tot mij: Mijn Zoon ben jij, ik heb je heden verwekt."⟨/p> ⟨p>En als je elders naar Handelingen 13 vers 33 bladert, dan lees je dat Paulus daar commentaar op geeft en dan zegt hij dat "heden verwekt" slaat op de opstanding. Toen werd Hij natuurlijk... Hij was ooit verwekt uit de maagd Maria, daarom is Hij ook de Zoon van God, maar die Zoon van God is wederom verwekt. Dat was bij Zijn geboorte, maar ook bij Zijn wedergeboorte, toen Hij uit de doden werd opgewekt. Dat verzin ik niet, dat staat echt letterlijk zo in Handelingen 13. "Mijn Zoon ben jij" – dat was Hij dus al – "en ik heb je heden verwekt." Eigenlijk slaat dat "heden" dus op de dag van de opstanding. Toen werd Hij opnieuw verwekt uit de doden namelijk.⟨/p> ⟨p>Waarom verwijs ik hiernaar? Hier gaat het dus over de Messias, mijn Koning. En waar zal die Koning zijn? Wel te Sion, Gods heilige berg. En die Messias, dat is de Zoon van God, door God Zelf dus verwekt. En dan staat er verder – hier neemt God dan weer het woord: "Vraag mij en ik zal volkeren geven tot uw erfdeel" – dat wil zeggen: aan Zijn Zoon – "en de einden der aarde tot uw bezit." Het gaat nog verder hoor, maar het gaat er eventjes om dat hier de Koning beschreven wordt. De Koning van Israël, wat zeg ik, de Koning ook van de volkerenwereld! Dus als hier staat: "U bent de Zoon van God, de Koning van Israël," dan kun je heel direct die link leggen met Psalm 2, waar inderdaad sprake is van de Zoon van God die verwekt is uit de doden en die gesteld is door God tot Koning over Sion. En vanuit Sion zal Hij dus regeren over Israël, maar wat dacht je wat: over heel de volkerenwereld! Want "ik zal volkeren geven tot uw erfdeel", tot aan de einden der aarde. Dat wil zeggen tot overal waar het droog is, tot aan de zee, tot de kustlanden en de kuststroken aan toe. De Koning van Israël.⟨/p> ⟨p>Zodat die aanduiding van Natanaël over wie de Heer Jezus is, zo Messiaans geladen is. En Jezus antwoordde dan vervolgens – dat moet hem als muziek in de oren hebben geklonken dat Natanaël zo'n getuigenis gaf. Jezus antwoordde en zei tot hem: "Natanaël, omdat ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom, gelooft gij?" Je zou dit als een verwijt kunnen opvatten, maar ik denk niet dat het een gedachte is van: "Je gelooft nou pas nu ik dit heb gezegd." Nee, Hij zegt: "Nu geloof je namelijk dat ik de Zoon van God ben en de Koning van Israël." Dat wist hij van tevoren natuurlijk niet, maar nu hij hier zo met Jezus in aanraking kwam en dit zo over Hem geopenbaard wordt... Wel, sinds die tijd, sinds nu op dit moment, gelooft hij.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1352" title="Speel af vanaf 22:32">▶ 22:32⟨/button> ⟨span>Het Dubbele Amen en de Belofte van Grotere Dingen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dat is de opstap voor een nog veel grotere belofte, want dan zegt de Heer vervolgens tegen hem: "En je zult grotere dingen zien dan deze." Dat wil zeggen dat wat je zojuist hebt meegemaakt en datgene waarover Ik je verteld heb... wel, dat is nog maar het begin. Je zult grotere dingen zien dan deze.⟨/p> ⟨p>En dan gaat de Heer iets heel belangrijks zeggen. Want dan zegt Hij: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg ulieden." Dat "voorwaar, voorwaar" is in het Grieks — u ziet het hier op de dia — "amen, amen". Ons woord amen dus. Maar dat komt trouwens ook weer uit het Hebraeus en dat betekent: het is waarachtig, beamen. In het Hebraeus is het eigenlijk ook niets anders dan geloven, amen zeggen, het is waar. Vandaar ook dat de vertalers het weergeven met "voorwaar".⟨/p> ⟨p>Ik heb deze uitdrukking eens nagezocht. Dat "voorwaar, voorwaar" — dus niet gewoon die enkele keer, maar die dubbele melding — vind je uitsluitend in de Johannes-evangelieverkondiging van het Nieuwe Testament. Maar dan ook meteen heel royaal: 25 keer. 25 keer wordt er gezegd "amen, amen", of dus in onze vertaling: "voorwaar, voorwaar". En dit is de eerste keer in het Johannes-evangelie. Dus ik ga u nog — dat kan ik u bij deze aankondigen als we de tijd van leven hebben — er nog 24 keer op wijzen.⟨/p> ⟨p>Ja, hier zegt Hij het tegen Natanaël: "Voorwaar, voorwaar." Uiteraard is daarmee iets enorm sterk benadrukt. Normaal gesproken, als je iets benadrukt, dan leid je dat in. Dat is een bekend Bijbels fenomeen met "voorwaar". Amen! Het is waar. Maar als het dubbel is, dan is dat een dubbele accentuering. Het is geen onderstreping, het is een dubbele onderstreping.⟨/p> ⟨p>"Ik zeg ulieden." U begrijpt dat "ulieden" meervoud is. Hier staat: "Hij zei tot hem", maar vervolgens zegt Hij: "Voorwaar, Ik zeg ulieden." Dus nu spreekt Hij in ieder geval ook Filippus aan, die daar in elk geval bij was.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1501" title="Speel af vanaf 25:01">▶ 25:01⟨/button> ⟨span>De Geopende Hemel en de Ware Jakobsladder⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Jullie zullen de hemel open zien." Wat de Heer nu gaat zeggen, verwijst direct naar de geschiedenis van Jakob — die later Israël werd, weet u wel. Het verwijst naar die Jakob die zojuist gevlucht was voor zijn broer omdat hij bedrog had gepleegd. Ik begrijp wel waarom ik dat nu zo zeg. Maar als er staat "gij zult" of "jullie", "gij zult" is dus niet "jij zult" maar "jullie zullen", meervoud; jullie zullen de hemel open zien. Dat is dus die verwijzing naar Jakobs droom.⟨/p> ⟨p>Wanneer hij daar net gevlucht is, dan lees je dat Jakob een steen neemt. Een heel prachtige geschiedenis. Je zou zomaar in de verleiding kunnen komen om daar dan wat meer aandacht aan te geven. Maar het is zo'n geweldige geschiedenis; dan lees je: "En het werd nacht en Jakob nam een steen." Hij legde zijn hoofd daarop en maakte hem tot een... hoe staat dat in de Statenvertaling? Tot een hoofdpeluw. Dat vond ik altijd een mooie uitdrukking. En hij legde zijn hoofd erop. Ik veronderstel dat u er zelf wel iets tussen gelegd zou hebben, maar goed, het gaat erom: hij legde zijn hoofd op een steen, op dé steen. En zie, hij droomde een droom.⟨/p> ⟨p>Je zou in die omstandigheden verwachten... ja, dat is niet zo gek, als je net gevlucht bent en dat allemaal achter de rug hebt, dan ga je wel dromen in de zin van een nachtmerrie krijgen. Maar wat Jakob te zien kreeg, was geen nachtmerrie; dat was een goddelijk visioen. Feitelijk ziet hij daar het hele ideaal van de mensheid gerealiseerd, alleen precies het omgekeerde van wat je leest in de geschiedenis van Babel. Want daar maakten ze een toren die reikte tot aan de hemel — tenminste, dat waren ze van plan. Dat was het ideaal, maar dat verstoorde God. Hier echter is het van Godswege dat er een ladder — een stenen trap, waarover straks nog even meer — op de aarde is gesteld. In elk geval ziet hij daar de hemel geopend en wordt er een verbinding gemaakt tussen hemel en aarde.⟨/p> ⟨p>Dat dat trouwens alles te maken heeft met die steen waar Jakob zijn hoofd op legt, dat kan niet missen. Want als Jakob dan ontwaakt — dat is voor mij altijd weer zo'n mooie aanwijzing — zie je ook dat zulke gasten, als ik het even oneerbiedig mag zeggen, de aartsvaders, echt zoveel meer van typologie en symboliek hebben begrepen dan wij vaak denken. Wij denken altijd heel westers, causaal, weet je wel? Je gaat van het een naar het ander, maar we zien geen verbanden; we zien geen dwarsverbanden. We zien niet wat het een met het ander te maken heeft en we zien alleen maar oorzakelijke verbanden. Maar iemand als Jakob wist dat er met die steen iets aan de hand was.⟨/p> ⟨p>Want als hij dan wakker wordt na die droom waarin hij de hemel geopend had gezien en die verbinding tussen hemel en aarde, dan lees je dat hij zegt: "Dit is een ontzagwekkende plaats." En hij nam die steen en hij zette hem overeind, staat er. Dus hij doet de steen opstaan. En dan staat er: "en hij zalfde hem" — nou sorry, maar dus met olie, met olijfolie heeft hij hem gezalfd. Waarom doe je dat met een steen? Hij heeft dus toch een verband gezien met dat wat God hem had getoond. God toonde hem dat niet alleen, maar God gaf hem ook nog eens Zijn belofte.⟨/p> ⟨p>Dat vind ik ook zo schitterend, want in die droom — dat moet ik er ook even bij zeggen — lees je geen enkel verwijt. God neemt het woord en zegt niet: "O Jakob, wat heb je nu toch weer gedaan?" Niets daarvan. God geeft alleen maar beloften aan die Jakob die zojuist zijn vege lijf probeerde te redden en vluchtte vanwege zijn bedrog; dat was een laag verhaal. Maar Jakob krijgt alleen maar beloften. God zegt: "Ik zal, Ik zal." Ik zal jouw nageslacht doen toenemen... Eigenlijk wordt de belofte die ooit aan Abraham was gedaan en later herhaald werd aan Isaak, nu weer herhaald aan Jakob. Gewoon gratis, voor niks, en totaal losstaand van al zijn prestaties, als ik het zo mag zeggen. Of wanprestaties, zoals u wilt.⟨/p> ⟨p>Maar Jakob onderkent dus dat die steen ermee te maken heeft: de steen die hij doet opstaan. Een opgerichte steen... hoe vaak lees je daar niet over? Opgerichte stenen hebben met opstanding te maken. Daarom vind ik een begraafplaats ook altijd zo mooi. Ik denk dat de meeste mensen dat niet in de gaten hebben, maar op een begraafplaats zie je allemaal van die opgerichte stenen. Feitelijk zijn dat verwijzingen naar de dood, maar meer nog naar de opstanding. Eigenlijk maakt hij die steen tot een gezalfde dus, tot de Messias. In het Hebreeuws zeg je voor gezalfde: Mashiach. Hij maakt die opgerichte steen tot Mashiach en dan zegt hij van die steen: "Dat is het huis Gods, daar woont God in." Hij zag de hemel open.⟨/p> ⟨p>Even terug naar de geschiedenis van Natanaël. "Jullie zullen de hemel open zien." Dat zijn die grotere dingen die de Heer bij deze gelegenheid aankondigt. "En de engelen Gods opstijgen en nederdalen." Wat een eigenaardige beweging is als je het zo leest, want je zou zeggen: die engelen zijn daar boven, dus ze zouden eerst moeten neerdalen en daarna weer opstijgen. Dat is op zich niet zo'n logische richting. Maar ik denk — en ik geef hier gewoon even de link mee — dat het met opzet zo staat. Je leest dus inderdaad dat die engelen Gods opstijgen en nederdalen. Niet alleen hier staat dat, maar in Genesis 28 lees je exact hetzelfde bij de beschrijving van de droom. Het is dus met opzet dat het er zo staat.⟨/p> ⟨p>Later, als we in Johannes 3 vers 13 aankomen, zullen we het er ook nog wel over hebben dat dit verwijst naar Hem die opvaart ten hemel en vervolgens ook weer zal nederdalen. In Johannes 3 vers 13 lees je inderdaad: "Niemand is opgevaren naar de hemel dan die uit de hemel nedergedaald is." Maar dat staat er eigenlijk niet; in de grondtekst staat het in de aorist: "Die uit de hemel nederdaalt", namelijk de Zoon des mensen. Dus Hij vaart op en Hij daalt weer uit de hemel. En dat is niet het enige; er is dus een verbinding tussen hemel en aarde. Dat is het ene idee: er worden boodschappen overgebracht, want dat is toch wat engelen doen. Een boodschap van boven naar beneden en van beneden naar boven. Kortom, er is communicatie tussen hemel en aarde.⟨/p> ⟨p>Hemel en aarde... dat vind ik een mooie. Het zit in een lied — welk is het ook alweer? "Daar ruist langs de wolken dat lied." Die hemel en aarde verenigd tezamen; geen naam is er zoeter. Wel, dat is deze: die hemel en aarde verenigt. Dat is die ladder, of die trap. Want dat moet ik er ook nog even bij zeggen, dit plaatje geeft het denk ik heel wat beter weer. Bij een ladder — ik weet niet hoe u dat hebt — denk ik altijd aan een houten trap met allemaal van die sporten... hoe zeg je dat? Maar het is een stenen weg, een trap. Die trap is sowieso een type van de Zoon des mensen. Want hier lees je: "Jullie zullen de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen." Dat verwijst uiteraard naar Genesis 28, naar die ladder — of pardon, de trap.⟨/p> ⟨p>Hier is die trap vervangen door de Zoon des mensen, zodat die trap een type is van de Zoon van de mens. "De Zoon des mensen", dat is de letterlijke uitdrukking, de Ben Adam. Het idee was dat de mens zelf geen moeite zou doen om zich naar God op te werken. In dit geval was deze trap ook op de aarde neergelaten; hij komt van boven. Het is dus niet de mens die tot God nadert, nee, God Zelf is het die de verbinding tussen hemel en aarde aanbrengt. En die Zoon des mensen wordt uitgebeeld in die trap. Er staat "ladder", maar als ik me niet vergis, staat er in de Engelse King James "stairway". Een "stairway to heaven". Ja, dat is een heel bekende voor de popkenners: "Stairway to Heaven".⟨/p> ⟨p>Maar dat is geen ladder. Het Hebreeuwse woord ⟨em>soelam⟨/em> heeft nog weer met ⟨em>sela⟨/em> te maken, met rots. Het is namelijk een ophoping van stenen. Dus ik zou zeggen: het is een stenentrap, dus niet het idee van een houten ladder ofzo. Ja, maar daar is het de mens die zelf dat doet. En in Genesis 28 doet de mens helemaal niks. De mens heeft het alleen maar verbruid. En wat doet hij? Hij sluit zijn ogen. Hij legt zijn hoofd op een steen, alsof het een slachtbank is. Hij legt zich ten ruste, doet helemaal niks meer en dan sluit hij zijn ogen.⟨/p> ⟨p>En dan gaat God spreken. En dan laat Hij zien dat Hij degene is die de verbinding aanbrengt. Niet de mens die een trap of altaar maakt, niet godsdienstig. Dus niet de mens die tot God nadert. Nee, God zelf is degene die niet alleen het initiatief neemt, maar ook de verbinding realiseert. De middelaar van God en mensen, de mens Christus Jezus. En dat is dus die trap, die stenentrap. En dat het inderdaad met steen te maken heeft, dat lijkt mij dan, met wat we zojuist hebben overwogen, helemaal duidelijk omdat juist zijn hoofd gelegd was op een steen. En daar gaat het juist om.⟨/p> ⟨p>Nou, dat is wat ze zouden zien: een geopende hemel. De Messias, wat zou die doen? Hij is het die hemel en aarde zal verenigen. Hij zal ervoor zorgen dat er communicatie is. Hij zal ervoor zorgen dat Hij zal – of in ieder geval door Hém – Hij die opvaart naar de hemel, maar ook zal nederdalen. Hij is de ⟨em>Ben Adam⟨/em>, de Zoon des mensen, die dat alles en in wie dat alles gerealiseerd wordt.⟨/p> ⟨p>Nou, dat zijn hele grootse dingen. Maar ook prachtig hoe de Heer Jezus dan zo'n link legt naar een oude geschiedenis in het boek Genesis, naar Jakob. Ja, nu ziet u eventjes niks, maar dat komt omdat we nu het 52e vers van Johannes 1 hebben besproken. En daarmee is dit hoofdstuk ten einde.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2274" title="Speel af vanaf 37:54">▶ 37:54⟨/button> ⟨span>Johannes 2: de Derde Dag als het Zevende Millennium⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan komen we in hoofdstuk 2, Johannes 2 vers 1. Dat begint met: "En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea." Die woorden zijn voor mij heel historisch, mag ik wel zeggen. Therese lacht, want zij weet waarom. Bij ons in het raamkozijn staat een mooie grote Rembrandt Bijbel. Peter en ik zijn ooit getrouwd op de derde dag, op dinsdag – de derde dag van de week. Het was ook de derde paasdag 1992 en toen was onze trouwtekst Johannes 2 vers 1: "En op de derde dag was daar een bruiloft." Toen al mocht ik zien dat dit veel meer is dan alleen een historische mededeling; het opent zulke geweldige profetische perspectieven.⟨/p> ⟨p>Daar wil ik toch even een paar dingen over zeggen. Het is een schitterende geschiedenis die we nu gaan bespreken, maar eerst even die aanduiding: de derde dag. Ik heb ooit, dat is alweer een jaar of vijftien geleden in Rijnsburg, een hele serie bijbelstudies gegeven over de derde dag in het Oude Testament. Dat is een onderwerp op zich. Dat gaan we nu niet doen, maar het is een prachtig thema. Laten we hier concreet bij dit gedeelte blijven. Hier is de derde dag de vervulling van de reeks die al was begonnen in hoofdstuk 1. We waren gebleven bij de vierde dag. Iedere keer was het: de volgende dag, de volgende dag, de volgende dag. In hoofdstuk 2 is het niet direct de volgende dag; er zitten nu twee dagen tussen. Houd die even vast: er zitten nog twee dagen tussen en dan kom je op de derde dag. Dat is gerekend vanaf de ontmoeting met Natanaël op de vierde dag. Omdat dit drie dagen later is, kom je – als je de reeks gewoon vanaf dag één telt – hier aan bij de zevende dag.⟨/p> ⟨p>Zodat die derde dag tevens de zevende dag is, gerekend vanaf dag één die beschreven staat in Johannes 1. Die link tussen de derde dag en de zevende dag is een inkoppertje, want de zevende dag in de Bijbel verwijst altijd naar de Sabbatdag, naar de dag van Yahweh. Het is Zijn dag; de dag waarop de rust zal worden aangebracht en Hij Zijn belofte gaat vervullen, helemaal los van menselijke activiteit. Dan moet ik meteen weer denken aan Natanaël, en aan Jakob die rust en slaapt. Hij doet niets, maar God is het die de belofte realiseert door die Ene. De zevende dag is ook het zevende millennium. Ook dat nog eens een keer. Dat zijn onderwerpen die tegenwoordig niet zo bekend meer zijn.⟨/p> ⟨p>Een paar weken geleden las ik nog een artikeltje over Luther. Dat ging eigenlijk over de antisemitische uitspraken die Luther had gedaan. Hij had namelijk nogal hoge verwachtingen van het Joodse volk en dacht dat met de Reformatie ook het volk van Israël tot bekering zou komen. De tijd was daar echter nog niet rijp voor. Aanvankelijk had hij zich heel positief uitgelaten over de Joden omdat hij dacht dat ze met de Reformatie zouden meegaan. Dat gebeurde niet en toen sloeg zijn mening helemaal om, waarna hij hele kwalijke dingen over het Joodse volk heeft gezegd. Maar dat even terzijde; het ging erom dat Luther ook wist wanneer 'de dag' zou aanbreken. Echt waar. Hij kende de hele heilsgeschiedenis en wist dat Adam 4000 jaar voor Christus leefde. Vanuit die tijdspanne begreep hij dat over een paar honderd jaar, bezien vanuit zijn dagen, de zevende dag zou aanbreken: het zevende millennium. Dat is geen uitvinding van Luther, want de rabbijnen hebben daar ook al over gesproken. Ik heb er ooit een blog aan gewijd; er zijn tal van uitspraken van bijbelleraren uit het jodendom, maar ook uit de vroege christelijke geschiedenis, die dit net zo naar voren brachten. Op de zevende dag – dat wil zeggen voor God het zevende millennium – dan gaat het gebeuren.⟨/p> ⟨p>Het geweldige is dat wij nu inderdaad in die generatie zitten. Als je aan Luther had gevraagd wanneer hij dat verwachtte, dan had hij simpelweg gezegd: ergens in het begin van de twintigste eeuw. Het punt is namelijk altijd vanaf wanneer je gaat rekenen. Wij leven nu in een tijd waarin er 2000 jaren voorbij zijn gegaan sinds de geboorte van Christus; daar begint meestal onze jaartelling. Maar als je rekent vanaf Adam, dan zijn er inmiddels 6000 jaar voorbij. Kijk, van Adam tot Abraham is 2000 jaar, van Abraham tot Christus is 2000 jaar – dat is 4000 jaar – en van Christus tot nu is weer 2000 jaar. Het zijn drie periodes, drie 'happen' van 2000 jaar. We nemen het nu even niet op het jaar nauwkeurig, maar er zijn nu dus zes millennia voorbij. Het zevende millennium gaat aanbreken en dat maakt die zevende dag juist in onze dagen zo enorm markant. Wij leven alleen al om die reden in een heel bijzondere tijd.⟨/p> ⟨p>Maar dan komen we bij het andere punt: het is het zevende millennium dat aanstaande is, maar het is tevens het derde millennium wanneer we rekenen vanaf de dood en opstanding van Christus. Onze jaartelling is gebaseerd op de geboorte van Jezus, maar als je uitgaat van de dood en opstanding van Christus, dan hebben we nog zo'n vijftien jaar te gaan en dan zijn er 2000 jaren voorbij. Ik weet niet wat ik allemaal als bekend moet veronderstellen, maar het is goed dat we daar even op wijzen. Want als Petrus aan het einde van zijn leven zijn geestelijk testament schrijft, de tweede Petrusbrief, dan spreekt hij over de komst van Christus. Hij zegt dat dit nog een tijd gaat duren en dat er spotters zullen komen die zeggen: "Wat blijft de belofte van Zijn komst?" Hij legt uit dat hen één ding ontgaat, wat ons niet zou moeten ontgaan: dat voor de Heer één dag is als duizend jaar, en duizend jaar als één dag. Hij noemt twee keer een dag en twee keer duizend jaar, en hij zegt dat dit voor de Heer hetzelfde is. Dat is van groot belang, want op de derde dag gaat het gebeuren.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2833" title="Speel af vanaf 47:13">▶ 47:13⟨/button> ⟨span>Israëls Profetische Herrijzenis in Hosea 6⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Die derde dag verwijst namelijk naar Israëls herrijzenis. U zegt misschien: "Hé, maar wij kennen de derde dag toch vooral als de dag dat de Heer Jezus opstond uit de dood?" Jazeker, maar kijkt u het maar eens na bij de profeten. Dan ziet u dat de derde dag juist verwijst naar Israëls herrijzenis. Ik neem u even mee naar Hosea 6, want dat is wel de Schriftplaats bij uitstek waar dat naar voren wordt gebracht.⟨/p> ⟨p>Daar staat dit (ik lees eerst het laatste vers van hoofdstuk 5 van Hosea): "Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats..." Dat is de Heer Zelf die aan het woord is. Hij zegt: "Ik keer weer terug naar waar Ik hoor, waar Ik woon: de hemel, totdat zij" – dat wil zeggen Israël – "zich schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken. Wanneer het hun bang te moede is, zullen zij verlangend naar Mij uitzien." De Heer trekt Zich dus terug totdat zij gewaarworden wie zij zijn en zich schuldig gevoelen. Dan zullen ze ook het aangezicht van de Heere zoeken, en dat zal zijn in een tijd dat het hen zeer bang te moede is. Dat wil zeggen: een tijd van grote benauwdheid, de tijd van Jakobs benauwdheid, om zo te zeggen. Dat is weer een andere profetische aanduiding. In die tijd zullen ze verlangend naar Hem uitzien en zelfs de naam van Yahweh aanroepen, zoals we in andere profetieën lezen. Dat is iets wat Joden normaal gesproken werkelijk nooit doen.⟨/p> ⟨p>Hosea gaat verder in Hosea 6 vers 1. Nu is het volk aan het woord: "Komt, laat ons wederkeren tot de HERE!" Wat zullen ze zeggen? Dit is de bekering van Israël. "Wij keren terug naar de HERE," zeggen zij dan, "want Hij heeft verscheurd, Hij zal ons helen; Hij heeft geslagen, Hij zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht." Hier is dus sprake van een volk dat zich bekeert en terugkeert tot haar Heer. In de periode die daaraan voorafgegaan is, zijn ze verscheurd en geslagen, en zijn ze ook als natie dood. Want er staat: "Hij zal ons na twee dagen doen herleven."⟨/p> ⟨p>Die dagen zijn hier cryptisch. Dat gaat uiteraard niet over dagen van 24 uur of twaalf uur. Wat voor dagen dan wel? Dat is wat Petrus later zegt (trouwens, ook in de Psalmen staan al soortgelijke dingen): bij de Heere is één dag als duizend jaar. Israël wordt hier als natie opgewekt uit de doden; zij komen tot nieuw leven. Er gaan vele profetieën over, denk aan Ezechiël 37 over die dorre doodsbeenderen en hoe Israël herrijst. Paulus zegt: "Hun verwerping is de verzoening der wereld. Wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?" Dat is de herrijzenis van Israël.⟨/p> ⟨p>Israël zal herreizen en herleven. Er staat ook bij wanneer dat zal zijn: wanneer zij zich schuldig voelen, wanneer het hun bang te moede is en wanneer ze verlangend naar de Heere uitzien. Maar er staat dus ook een tijdstip aangegeven. Cryptisch, maar niettemin: na twee dagen en op de derde dag. Dan zal Israël worden opgericht en opgewekt, "en wij zullen leven voor zijn aangezicht." Dan vers 3: "Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang." Dat wil zeggen de ochtendstond, wanneer de zon opkomt. De Zon der gerechtigheid gaat op en die derde dag vangt aan. Dat is een prachtig type: de nacht is voorbij en de zon komt op. Dan staat er: "Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit."⟨/p> ⟨p>Dit is een geweldige profetie over de herrijzenis van Israël. Waar het nu vooral om gaat, is dat er een verborgen, cryptische tijdsaanduiding staat: het zal zijn na twee dagen en op de derde dag. We hebben nu twee millennia gehad waarin Israël "dood" was en geslagen, en nog is het einde niet. Maar niettemin: de termijn is zo goed als voorbij. Dan, op de derde dag na die twee dagen, zal Hij hen oprichten en zullen ze de Heere kennen. Dat betekent ook gemeenschap hebben (ik kom daar straks nog even op terug). In de Bijbel is dat hetzelfde woord als voor een man die gemeenschap heeft met zijn vrouw. U leest: "Adam bekende (of kende) zijn vrouw en zij werd zwanger." Het is dus niet alleen intellectueel, maar wezenlijk gemeenschap hebben met. Wanneer komt de Heere? Het antwoord is: na twee dagen en bij het aanbreken van de derde dag. Zo zeker als de dageraad in zijn opgang, dan komt Hij tot Israël. Het wordt heel duidelijk gedateerd: na twee dagen en op de derde dag.⟨/p> ⟨p>Ik zie dat het inmiddels negen uur is, dus nu is ons uur weer aangebroken om even te pauzeren. Straks gaan we hiermee verder. We hadden het over de bruiloft te Kana, of eigenlijk moet ik zeggen: we hadden het over op welke dag dat was. Voor de rest hebben we nog helemaal niets van die geschiedenis besproken, en ik vrees dat we dat vandaag ook niet gaan afronden. Dat tillen we dan gewoon over de zomervakantie heen en dan pakken we bij gelegenheid de draad weer op.⟨/p> ⟨p>We hadden het dus over die derde dag en vooral over de wijze waarop de Bijbel dat ziet en uitlegt. Dat zou ons absoluut niet mogen ontgaan in verband met de wederkomst van Christus. Petrus zegt zo uitdrukkelijk: "Dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat bij de Heere één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag." Dat duidt op het feit dat we die link leggen tussen duizend jaar en een dag. Dus na twee dagen is na tweeduizend jaar; dat wordt gewoon zo aangedragen vanuit de Schrift zelf.⟨/p> ⟨p>Al die andere verwijzingen naar de derde dag in de Hebreeuwse Bijbel laten we voor wat ze zijn, maar misschien mag ik één uitzondering maken: de geschiedenis van Jona. Die is namelijk heel sterk hieraan gekoppeld. Jona was in de zee, de volkerenzee. De zee staat inderdaad voor de volkerenwereld. Laat ik het anders zeggen: Jona was ontrouw aan zijn missie en kwam daardoor in de zee terecht. Eigenlijk ook in het graf, want u leest in Jona 2 dat hij bidt vanuit het dodenrijk. Hij zit in de buik van de vis en op de derde dag komt hij boven water, uit het dodenrijk. De Heer legt later Zelf die link: "Gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn." Er wordt een link gelegd tussen Jona's verblijf in de vis en de zee, en vervolgens het feit dat hij daarna weer aan het land gespoeld wordt. Dat is de ene kant: de dood en opstanding van Christus. Maar het blijkt dus net zo goed van toepassing op het volk Israël. De overige verwijzingen naar de derde dag laten we even rusten. Ik ga verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3406" title="Speel af vanaf 56:46">▶ 56:46⟨/button> ⟨span>De Bruiloft te Kana en het Werven van de Bruid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Op de derde dag staat er dan in Johannes 2 vers 1: "was er een bruiloft te Kana in Galilea". Een bruiloft, maar ook dat is weer zo'n profetisch geladen term. U moet zich realiseren — en nou loop ik eventjes op de zaken vooruit, maar in hoofdstuk 2 vers 11 staat het al: "Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Kana in Galilea en Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard." Dus wat hier plaatsvindt op deze derde dag, dit wonder, dat is niet alleen een wonder; het is een teken. En Hij toonde daarin zijn heerlijkheid.⟨/p> ⟨p>Het loutere feit dat het de derde dag was en dat het een bruiloft was, heeft betekenis. Wat ik zojuist zei over die derde dag: dat heeft te maken met de dag dat Israël zal herreizen uit de dood, hersteld zal worden en als natie leven zal ontvangen van God. Dat valt samen met de bruiloft. Ik had het zojuist over Hosea, weet u wel? Hosea 6 vers 2: "Na twee dagen zal Hij ons doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten." Ik neem u nog eens een keer mee naar Hosea, maar dan naar Hosea 2. In Hosea speelt die bruid en de bruiloft namelijk een grote rol. Hosea moest dat trouwens ook uitbeelden — dat is Hosea 3 dan weer — waarin hij een hoer moest trouwen en haar dan apart moest zetten voor vele dagen. Pas daarna zou hij zich tot haar wenden en gemeenschap met haar hebben. Dan zie je exact dezelfde gedachte uitgebeeld.⟨/p> ⟨p>Maar even die bruiloft. Want ik weet wel, vraag aan een gemiddelde kerkmens of christen: "Wat is de bruiloft? Waar staat dat voor?" Dan zeggen ze: "Nou, dat staat voor de kerk die de bruid is van Christus." Maar dat kunt u wel vergeten. Nergens in de Bijbel staat dat de bruid de bruidsgemeente is. In de bundel van Johan de Heer komt die uitdrukking volgens mij meerdere keren voor, maar die uitdrukking komt sowieso al niet voor in de Bijbel. Ook de gemeente in de brieven van Paulus is nooit de bruid. Sterker nog, het woord 'bruid' komt niet één keer voor in de brieven van Paulus.⟨/p> ⟨p>Wie de bruid wél is, daar hoeven we helemaal niet over in het ongewisse te zijn. Dat wordt letterlijk al in de Hebreeuwse Bijbel door de profeten gezegd. Ik neem u even mee naar Hosea 2. Daar staat: "Daarom zie Ik," dat is God zelf die aan het woord is, "Ik zal haar," het volk, "lokken en haar leiden in de woestijn en spreken tot haar hart." Hier wordt de bruid gebracht naar de woestijn en de Heer zal daar tot haar spreken, tot haar hart. "Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven." En het dal van Achor — dat is wanneer Israël door de Jordaan is gegaan en ze in het dal van Achor komen — dat is daar een "deur der hoop". Het verwijst naar het verleden, maar het is profetisch, want het gaat hier over wat de Heer zal gaan doen. "Ik zal haar wijngaarden geven, aldaar," dus ook in de woestijn. "Het dal Achor maken tot een deur van hoop," staat er, "en dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als de dagen toen zij trok uit Egypte."⟨/p> ⟨p>Hier wordt dus een vergelijking gemaakt met het verleden: zij trok uit Egypte, kwam in de woestijn terecht en vervolgens kwam ze in het land. Wel, dat gaat opnieuw gebeuren in de toekomst. We lezen even verder in vers 16: "En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des HEREN, dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl." Dus de Heer zelf wordt dan de man, de echtgenoot van Israël. Ik sla een paar verzen over; alle tussenliggende verzen maken ook duidelijk dat het hier gaat over de Messiaanse tijd die zal aanbreken. In vers 19 staat: "Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig, voor de olām. Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, goedertierenheid en ontferming."⟨/p> ⟨p>Ik begrijp dat "mijn Baäl" niet... Ja, Baäl op zich betekent eigenaar of heer, maar Baäl is vooral ook de naam van een afgod. Zij zullen dan niet meer zeggen: "Mijn Baäl." Geen afgoderij, maar integendeel, ze zullen God kennen en Hij zal de echtgenoot zijn. Feitelijk was het oude verbond ook al zo'n huwelijksrelatie; dat wordt ook in de profeten, in Ezechiël en Jeremia, uitgewerkt. Maar het gaat mij er nu eventjes om dat in de toekomst Israël opnieuw geworven zal worden tot bruid, maar dan blijvend. Dan zullen de verplichtingen niet op het volk gelegd worden, want dat nieuwe verbond is karakteristiek juist doordat de Heer zelf dat verbond gaat vervullen. Het is niet meer wat zij moeten doen; geen enkele verplichting wordt daar nog op het volk gelegd. De Heer zelf belooft uitsluitend; dat is het kenmerk van dat nieuwe verbond. Een nieuw huwelijksverbond dus, en Hij zal Israël tot bruid werven.⟨/p> ⟨p>Een boek als Hooglied gaat daar profetisch gezien ook over: dat de Messias zijn bruid zal vinden. Vandaag is de tijd dat Hij die bruid zoekt en dat Hij ze niet kan vinden — daar gaat het boek Hooglied trouwens ook over — maar Hij zal de bruid vinden. De Heer zal de bruid werven door recht en gerechtigheid. Vers 20 van Hosea 2 zegt: "Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw." Met recht een trouwerij dus. "En gij zult de HERE kennen."⟨/p> ⟨p>Wanneer zal dat zijn? Wanneer wordt Israël geworven tot bruid? Wanneer zal zij de Heer kennen en Hem als man gaan kennen? Nou, dat is dus wat later in Hosea 6 gezegd wordt: dat zal zijn op de derde dag. Dus als er in Johannes 2 staat: "en op de derde dag was er een bruiloft", dan is zo'n aanduiding eigenlijk zwanger van Messiaanse belofte. Als je de profeten kent, dan weet je: aha, hier is veel meer aan de hand. Het is niet zomaar. Nee, dit heeft te maken met wat God gaat doen in de toekomst op dé derde dag, die tevens ook de zevende dag zal zijn. Mooi hè? De derde dag zal tevens de zevende dag zijn: de Sabbat, het zevende millennium, de dag van rust. Dan zal Hij dat volk werven tot bruid en dan zal Hij dat volk ook nieuw leven geven.⟨/p> ⟨p>Dat is het wonder wat vervolgens ook hier op deze dag plaatsvindt in Kana. Jezus op de derde dag... Oh wacht even, nee, dat had nog niet met de derde dag te maken hoor. Ik dacht even dat het op de derde dag was. Nee, we hadden Hosea 6 voor de pauze nog even gelezen, en daar lees je dus dat de Heer zal komen tot zijn volk. Inderdaad, zo zeker als de dageraad is zijn opgang, dan komt Hij tot ons. En dat is inderdaad de derde dag. Maar dat heeft dan weer niet te maken met het nederdalen op die ladder, want dat is nog Johannes 1. Dat was een paar dagen eerder. Over die tijdspanne: zij zullen uit de dood opstaan. Ja, want dan komt het volk ook daadwerkelijk tot leven. Dan gaat de vijgenboom uitbotten. De winterperiode is voorbij en er komt weer leven in dat volk. Nu is die vijgenboom nog steeds dor, verdord.⟨/p> ⟨p>Maar wacht even, ik denk dat dat nog weer een andere link is. Laten we het niet ingewikkelder maken dan het is. Nou ja, zo ingewikkeld is het ook weer niet, maar als je te veel schriftplaatsen in één keer bij elkaar brengt en bespreekt, dan wordt het er niet overzichtelijker van. Dan krijg je het probleem dat je Natanaël gaat verwarren met deze geschiedenis en zo. Ik wil het dus wel een beetje overzichtelijk houden.⟨/p> ⟨p>Dat was dan de bruid Israël en God is dan de man, hè? De Heer is de man. Ik denk dat het ermee te maken heeft dat deze stand terugkomt. Jazeker, want de Messias is feitelijk ook daarbij de uitdrukking. Dat is natuurlijk in de algemene Bijbelse gedachte: de Heere is de man, maar meer speciaal of uitgebeeld in de Messias, die immers de icoon van God is. Hij is de bruidegom. Later in Johannes zullen we ook nog zien dat Johannes de Doper zegt: "Ik ben de vriend van de bruidegom", verwijzend naar de Heer. De Heer is de bruidegom en Hij komt tot Zijn woord, tot de bruid.⟨/p> ⟨p>Daar is natuurlijk heel veel over te melden. Dit is Hosea 2 en als je gewoon door zou lezen, dan kom je in Hosea 3, waar ik even aan refereerde: dat Hosea een vrouw moest nemen, een ontuchtige vrouw, een hoer. En dan wordt zij afgezonderd voor een bepaalde tijd. Na die tijd lees je dat Hosea haar alsnog huwt, of nou ja, niet zozeer huwt als wel gemeenschap met haar heeft. De prijs was al voor haar betaald, ze was gekocht en betaald, maar pas na verloop van tijd wordt ze daadwerkelijk in de praktijk de vrouw, de bruid. Ze was in "quarantaine". En feitelijk is die quarantaine de periode van twee dagen waarin de bruid zoek is.⟨/p> ⟨p>Maar dat is dan weer even een link naar het boek Hooglied. U ziet, er zijn zoveel Bijbelse passages die over dit soort thema's gaan. Soms is de invalshoek weer wat anders en zijn de uitbeeldingen weer wat anders, maar altijd toch met dat centrale thema van de Heer en de bruid, de bruidegom en de bruiloft. Wat dacht u van de bruiloft van het Lam? Dat is niet dat de Heer de kerk trouwt ofzo. De gemeente Gods die vandaag verzameld wordt, is het lichaam van Christus. Om even in de terminologie te blijven: dat is dus het lichaam van de bruidegom. Wij horen niet bij de bruid, wij horen bij de bruidegom. Ja, dat is eventjes een switch in je denken, maar het is geweldig als je dat mag zien.⟨/p> ⟨p>In elk geval was er op de derde dag een bruiloft. Dat was te Kana. Dat was dus de plaats waar Natanaël ook vandaan kwam. Later wordt deze plaats ook nog genoemd aan het einde van deze geschiedenis, maar ook in hoofdstuk 4 vers 46. En dan is het wonderlijk genoeg weer de derde dag. Echt waar, je zou haast zeggen dat het geregisseerd moet zijn.⟨/p> ⟨p>Dat was in Galilea. Als je dat in het boek Johannes leest, zit daar nog een gedachte achter. Ik zal u even meenemen naar een paar hoofdstukken later, in hoofdstuk 7 vers 52. Daar lezen we dat Jezus' opponenten antwoordden: "Zijt gij soms ook uit Galilea? Ga maar na en zie dat uit Galilea geen profeet opstaat." Dat slaat eigenlijk op het feit dat de profetieën daar niet over gaan. Met andere woorden: de Heer bezat volgens hen niet de juiste papieren. Daarbij waren ze natuurlijk onkundig.⟨/p> ⟨p>Maar goed, het was in Galilea en de moeder van Jezus was daar. Waarom dat daar verder niet bij wordt vermeld? Het was een familiebruiloft. Je kunt erover fantaseren wat je wilt, maar de mededelingen zijn tamelijk sober. Laten we het gewoon bij deze mededeling houden. Het loutere feit dat Jezus' vader niet genoemd wordt, is een van de vele aanwijzingen dat zijn wettige vader Jozef inmiddels al overleden was. Die speelt nooit meer een rol in de Bijbel gedurende Jezus' optreden.⟨/p> ⟨p>Er staat ook: "Jezus en zijn discipelen waren ter bruiloft genodigd." Dat verklaart ook waarom we in hoofdstuk 1 vers 44 lezen — dat was op de vierde dag — dat Jezus naar Galilea wilde vertrekken. Waarom? Nu weten we waarom: Hij was ter bruiloft genodigd. Kana ligt trouwens vlak bij Nazareth, daar in het noorden in Galilea. Jezus en zijn discipelen waren ter bruiloft genodigd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4361" title="Speel af vanaf 01:12:41">▶ 01:12:41⟨/button> ⟨span>Het Gebrek aan Wijn en het Vastgestelde Uur⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En toen er gebrek aan wijn kwam... dat is natuurlijk een hele pijnlijke vaststelling. Dat blijkt ook in deze hele geschiedenis. Want daarmee zou eigenlijk gezegd zijn dat het bruidspaar niet goed aan de gasten heeft gedacht. Het was in die cultuur eigenlijk ongastvrij als je niet genoeg eten of drinken had. Je zou zelfs kunnen denken dat het heel gierig was van ze. Maar in ieder geval: het is een hele pijnlijke vaststelling dat er een gebrek aan wijn was.⟨/p> ⟨p>Toen zei de moeder van Jezus tot Hem: "Zij hebben geen wijn." En dan krijg je een heel eigenaardige reactie, want de Heer reageert heel scherp op die mededeling. Maria — ze wordt hier trouwens niet bij name genoemd, maar gewoon aangeduid als de moeder van Jezus — zegt tegen Jezus: "Zij hebben geen wijn." En Jezus antwoordde toen: "Vrouw, wat heb Ik met u van node?" Ofwel: "Vrouw, wat heb jij met Mij?" Dat klinkt in onze oren misschien brutaler dan het werkelijk is, maar in elk geval klinkt er een duidelijke afwijzing in door.⟨/p> ⟨p>Het punt is dat de Heer, door dit zo te zeggen, aangeeft: "Jij denkt Mij nu te informeren, maar in werkelijkheid heb Ik dit al helemaal getimed." Hij zegt namelijk: "Mijn ure is nog niet gekomen." Maria denkt bij de hand te zijn door Jezus even te informeren, maar Hij geeft aan dat Hij hiervan al op de hoogte is.⟨/p> ⟨p>Vermoedelijk is die telefoon van jou, Marjolein? We gaan gewoon verder. Nee? Ik zet hem ook altijd maar op stil, ja. Dat is wel handig als je tijdens een spreekbeurt ineens opgebeld wordt. Dat is me nog niet overkomen trouwens.⟨/p> ⟨p>De Heer motiveert die afwijzing dus door te zeggen: "Mijn ure is nog niet gekomen." Mijn ure voor wat? Nou, om mijn heerlijkheid te tonen. Want dat is wat we verderop lezen: "Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Kana in Galilea en Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard." Hij zegt dus: "Mijn ure is nog niet gekomen." Dit was met recht getimed. De Heer wist waar Hij naartoe ging en Hij wist wanneer Hij daar naartoe ging. Dit was zo goddelijk gearrangeerd en de Heer was daarvan volledig op de hoogte. Dat hoefde Maria Hem helemaal niet te vertellen.⟨/p> ⟨p>Overigens komen we deze uitdrukking, "mijn ure is nog niet gekomen", nog een heel aantal keren tegen in het Johannes-evangelie. Ik heb ze eventjes voor u opgeschreven; in totaal vinden we deze frase zes keer terug, inclusief deze eerste vermelding. Het is opmerkelijk hoe Johannes van dat soort frases gebruikt en verweeft in de opbouw van zijn boek. "Mijn ure is nog niet gekomen," zegt de Heer. En zijn moeder zei tot de bedienden: "Wat Hij u ook zegt, doe dat." Zij kende inmiddels haar zoon en dit is de raad die zij hen geeft.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4598" title="Speel af vanaf 01:16:38">▶ 01:16:38⟨/button> ⟨span>De Zes Stenen Watervaten Der Reiniging⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Nu waren daar zes stenen watervaten. Dat het om natuursteen gaat, blijkt uit het woord dat hier gebruikt wordt. Er staat eigenlijk niet zozeer 'neergezet', maar die lagen daar; 'liggende', ziet u? Ze lagen daar volgens het reinigingsgebruik der Joden. In Mattheüs 15 en op andere schriftplaatsen lees je dat wanneer de Joden bij elkaar kwamen om te eten, de handen eerst op een speciale wijze gewassen moesten worden. Vandaar dat reinigingsgebruik der Joden, waar in de evangeliën vaker naar verwezen wordt. Er waren soms ook discussies en disputen over hoe en wanneer dat precies moest gebeuren, maar in elk geval was dat het gebruik.⟨/p> ⟨p>Er waren dus zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee of drie metreten. Dat doet me denken aan een verhaal dat ik ooit hoorde van iemand die het wonder niet helemaal goed begrepen had. Die dacht dat het grote wonder van de bruiloft te Kana was dat daar watervaten waren 'met reten' — met scheuren erin dus — en dat het water er toch in bleef zitten! Ja, dat was volgens hem het wonder van Kana. Maar 'metrete' is natuurlijk een inhoudsmaat; dat is jullie inmiddels wel duidelijk. Het zijn leuke misverstanden die je er eigenlijk in moet houden. In de NBG staat 'neergezet', maar ik wijs er gewoon op dat er letterlijk 'liggende' staat. Misschien dat ze daarom ook 'met reten' waren, dat ze daar zo lagen? Eén ding is zeker: ze lagen daar.⟨/p> ⟨p>Een metreet is 39,39 liter. Nou, dan kun je wel heel gemakkelijk uitrekenen wat de totale inhoud is. Dan krijg je zes vaten maal gemiddeld tweeënhalve metreet, en dan kom je uit op ongeveer 600 liter. Vergis u niet, dat is een heleboel! Met zo'n hoeveelheid mag je niet meer rijden. Men had meestal een bruiloftsfeest van zeven dagen, en als er vele gasten waren, had je aan een paar liter niet genoeg. Maar neemt u mij niet kwalijk: 600 liter is echt veel. De Heer was daar en Hij maakte deze bruiloft werkelijk tot een feest.⟨/p> ⟨p>Jezus zei tot hen: "Vult de vaten met water." Dat is mooi. Hebben we het daar in een van de laatste bijbelstudies niet over gehad? Over stenen vaten of aardevaten die in de Bijbel altijd gevuld worden? Ik herinner me vooral het beeld van vaten die gevuld worden met olie, wat in de wonderen gebeurt als een beeld van de Geest en van leven. Gevuld worden met water is een beeld van het Woord. In feite is de mens ook een aardevat. Vandaar ook dat ze soms zoveel herrie maken; holle vaten klinken immers het hardst. Maar een mens is eigenlijk bestemd om leeg te zijn, zodat de Eigenaar die vaten kan vullen.⟨/p> ⟨p>Ik weet nog een voorbeeld van vaten die gevuld worden, en dat is met fakkels in de geschiedenis van Gideon. Het mooie daar is dat die fakkels weliswaar waren aangestoken, maar dat het licht nog niet werd gezien. Weet u wanneer het licht pas vrijkwam? Toen die aardevaten gebroken werden. Wij denken altijd dat we zo zuinig moeten zijn op onze aardevaten, maar het gaat er juist om dat ze gebroken worden, want dan komt het licht vrij. Dat zijn bijbelstudies op zich, wat ik hier nu even in een paar zinnen zeg. Bij die aardevaten gaat het niet om de buitenkant — nee, met recht niet — het gaat erom wat erin zit: Zijn Woord, werkelijk leven.⟨/p> ⟨p>"Vult de vaten met water," en zij vulden ze tot de rand. Dat vind ik mooi, want ze luisterden dus heel goed naar de raad van Maria, die had gezegd: "Wat Hij u ook zegt, doet dat!" De Heer zegt: "Vul ze," en zij vulden ze tot de rand toe. U zegt vol? Dan doen we ze vol ook. En zo vulden ze die vaten tot de rand, en dan zegt Hij tot hen...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4999" title="Speel af vanaf 01:23:19">▶ 01:23:19⟨/button> ⟨span>Van Water Naar Wijn: het Nieuwe Leven in Christus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Schep nu..." Ik vind dat mooi, het heeft nadruk. "Schep nu..." Het uur is nu gekomen. "En breng het aan de leider van het feest." Dat wil zeggen: de keurmeester, de ceremoniemeester. En dan staat er: zij brachten het.⟨/p> ⟨p>Toen nu de leider van het feest het water proefde dat wijn geworden was... want hij wist van niets, lezen we. Dat moet ik er even bijzeggen. Hij wist niet waar deze vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden, die wisten het.⟨/p> ⟨p>Toen nu de leider van het feest het water proefde dat wijn geworden was... Dat water hier representeert het Woord. Ik zei al: water in de Bijbel is een beeld van het Woord, maar hier heel specifiek ook het Woord van het oude verbond. Want wat lees je? Het was gevuld volgens de reinigingsgebruiken der Joden. Dus het heeft juist ook te maken met het oude verbond en met de wet van Mozes. Er staat in Johannes 1 vers 18 — dat is de proloog dus — daar staat: "De wet is door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden." Dat wil zeggen: de genade is de waarheid geworden door Jezus Christus. Mozes staat voor dat water; Jezus Christus en dat wat Hij brengt, staat voor de wijn: het nieuwe leven.⟨/p> ⟨p>En dan zal ik u nog eens wat vertellen, want wat was het eerste teken dat Mozes ooit deed? Water werd veranderd in bloed. Ja, Mozes en Christus, allebei een eerste teken. Mozes verandert water in bloed, een type van het oude verbond. Dat wil zeggen: het Woord dat vloek en dood met zich meebrengt. En dan komt Christus. Zijn eerste teken is dat Hij water ook verandert, maar dan in wijn: vreugde! Het ene spreekt van de dood, het andere spreekt van leven. Maar dan ook werkelijk léven. Wijn spreekt van leven. Nietwaar, Therese? Een Joodse mevrouw zegt: "L'chaim!", op het leven. Dat is wat wijn is.⟨/p> ⟨p>Ik moet er altijd aan denken; ik heb er ooit eens een uitgebreide studie over gehoord van iemand die veel verstand van wijn had en de wijze waarop dat tot stand komt. Iedereen weet wel dat het van druivensap komt, maar het zal je gedacht zijn als je weet wat erbij komt kijken voordat dat druivensap wijn is. Want dan gaat het de kelder in, een beeld van een graf onder de aarde, en daar gaat het gisten. En dan komt het vervolg — ik heb daar ook eens het een en ander over gehoord — dan wordt het standaard van oudsher bewaard in eikenhouten vaten. Die vaten in de kelder zijn van eikenhout. En dan stel je de vraag: waarom eikenhout? Dat heeft weer te maken met de eedsgezworenen en waarom Abraham altijd bij de eikenbomen ging zitten. En dan weet je dus ook meteen waarom dat teken van de besnijdenis ook weer met de eik te maken heeft — of de eikel, ja toch? Prachtige dingen! Dat is niet voor niets natuurlijk.⟨/p> ⟨p>Maar het loutere feit dat wijn — dat is druivensap, jawel — maar het komt uit de kelder. Het is eerst gestorven en dan volgt dat transformatieproces. Dat het 'geestrijk vocht' wordt, vind ik ook zo mooi. Geestrijk vocht betekent: er komt leven in dat vreugde voortbrengt. Uit de kelder, uit de dood. Dus het spreekt inderdaad van de derde dag. Van nieuw leven dus, van opstanding uit de doden. Hoe je het ook wendt of keert, of je dat nu leest in het licht van Jezus die op de derde dag opstond uit de doden, of in het grote geheel van Israël dat na twee millennia, in het derde millennium, opgericht wordt uit de dood; het brengt je op dezelfde gedachte. Het heeft te maken met nieuw leven, met opstanding uit de doden.⟨/p> ⟨p>Nou, laten we het tiende vers er nog even bij betrekken. Het wordt misschien ietsje later dan anders, maar goed, we hebben twee maanden vakantie. Ik wil even dit ene vers nog bij betrekken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5325" title="Speel af vanaf 01:28:45">▶ 01:28:45⟨/button> ⟨span>De Goede Wijn tot het Laatst Bewaard⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan staat er nog dat de ceremoniemeester natuurlijk zeer verbaasd is. Want de leider van het feest roept vervolgens de bruidegom bij zich en hij zegt tot hem: "Iedereen zet eerst de goede wijn op en als er goed gedronken is, de mindere." De vertalers durfden het eigenlijk niet aan, maar er staat niet "als er goed gedronken is". Eigenlijk zou er staan: "als ze dronken zijn". Ja, echt waar, zo staat het er. Dit is echt een eufemisme; in de grondtekst staat het veel sterker. Je kunt het ook in de commentaren nalezen: eigenlijk staat er "dronken zijn". Kijk maar naar dit woord, dat wordt elders gewoon vertaald met "dronken zijn".⟨/p> ⟨p>Waarbij ik overigens wel moet aantekenen dat "dronken" en "dronken" natuurlijk ook weer twee verschillende zaken zijn. Begrijp me goed, want u zou mij zomaar kunnen gaan beschuldigen van het promoten van dronkenschap. Zo bedoel ik het niet. Ik wil gewoon recht doen aan wat er staat; er staat gewoon "dronken zijn".⟨/p> ⟨p>Lazarus... ja, Lazarus. Zullen we het over Lazarus hebben? Maar u weet: die werd ook opgewekt, hè? Opgewekte mannen, ja. Maar goed, als men dronken zou zijn, dan serveert men daarna de mindere wijn. Dan heb je namelijk niet meer in de gaten wat de kwaliteit van de wijn is; dat soort onderscheidingen maak je dan niet meer. Iedereen zet de goede wijn normaal gesproken direct op.⟨/p> ⟨p>"Maar jij," wordt er tegen de bruidegom gezegd, "jij hebt de goede wijn – de ideale wijn, het water dat Jezus had veranderd – tot dit ogenblik bewaard." Met andere woorden: tot het laatst. En dit is natuurlijk een universeel Bijbels principe: het beste wordt voor het laatst bewaard. Altijd heeft de Heer zoveel goeds te geven. Daarom zeg ik ook altijd zo graag: "Het beste komt nog!"⟨/p> ⟨p>Dat lijkt me eigenlijk een heel mooi moment om dat te zeggen en om er een uitroepteken bij te zetten: het beste, mensen, dat komt nog! Laten we hier de studie mee afsluiten. Ik weet dat de geschiedenis nog eventjes twee verzen verder gaat, maar dat komt de volgende keer en dan haken we hier weer aan. Maar wat een geweldige verwachting hebben we zo. Zo zie je dat zo'n geschiedenis vol met diepere lagen zit en zo enorm veel rijkdom bevat. Daarvan hebben we vanavond een tipje van de sluier mogen oplichten.⟨/p>