⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op Antiochië in Pisidië⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Op deze elfde Bijbelavond wil ik beginnen met Handelingen 14. Inmiddels hadden we het dertiende hoofdstuk gecompleteerd; een vrij lang hoofdstuk dat we in een viertal avonden hebben besproken. Het is wellicht nuttig om nog even terug te blikken op het voorgaande, want als we Handelingen 14 vers 1 lezen, dan haakt dat direct aan op wat hieraan voorafging.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 13 hebben we met name stilgestaan bij de toespraak die Paulus heeft gehouden in de synagoge van Antiochië – Antiochië in Pisidië wel te verstaan. Hij besluit daar met de mededeling waar we het de vorige keer vanaf vers 41 over hebben gehad. Hij besluit met de boodschap dat Israël als natie zal verdwijnen. Hij citeert daarbij het Oude Testament en geeft aan dat, terwijl Israël zal verdwijnen, God een wonderlijk werk zal gaan verrichten onder de natiën. Nou ja, "onder de natiën" staat daar op dat punt nog niet letterlijk, maar een paar verzen later al wel.⟨/p> ⟨p>Het is een wonderlijk werk, dat wil zeggen: een werk dat Israël niet zal begrijpen. Het zal verwonderlijk zijn in de zin dat ze niet zullen weten wat het betekent. Oftewel, het is in wezen alweer een verwijzing naar de verborgenheid; naar het verborgen werk dat God vandaag in deze tussentijd doet. En Israël zal het niet geloven, zoals we lazen in dat 41ste vers.⟨/p> ⟨p>Vervolgens lees je dat de volgende sabbat de hele stad bijeenkomt, nieuwsgierig als ze zijn. Maar het zijn dan de Joden die jaloers worden en vervolgens keert het tij compleet. Paulus wordt gelasterd, zijn woorden worden gelasterd en de hele stad wordt opgestookt. De Joden stoken de stadsleiders op en Paulus en Barnabas moeten, om het vege lijf te redden, de streek verlaten. Dat hebben we aan het einde gelezen: ze gingen naar Ikonium, volgens vers 51. De discipelen werden ondanks al die gebeurtenissen vervuld met blijdschap en heilige geest. In hoofdstuk 14 pakken we meteen die draad weer op.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="176" title="Speel af vanaf 02:56">▶ 02:56⟨/button> ⟨span>Aankomst in de Synagoge van Iconium⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En het geschiedde evenzo te Ikonium. Laat ik de landkaart er weer even bij halen. Hier ziet u Cyprus en Syrië. Paulus was eerst hier aangekomen en vervolgens is hij via Antiochië gegaan, waar hij die toespraak heeft gehouden: Antiochië in Pisidië. U ziet dat er hier nog een Antiochië ligt, maar vanuit Pisidië is hij naar Ikonium gegaan. Ik schat dat het zo’n 40 à 50 kilometer verderop ligt, in de streek van Lykaonië. We zullen dat straks trouwens ook nog wel zien.⟨/p> ⟨p>In elk geval geschiedde het evenzo te Ikonium dat zij in de synagoge der Joden gingen. Dat 'evenzo' geeft aan: net als bij andere gelegenheden. Want dit is precies wat ze altijd deden, of meer specifiek Paulus, maar in dit geval ook met zijn medewerker Barnabas. Ik heb hier een aantal verzen getoond waar je ziet dat hij, op het moment dat hij ergens arriveert, als eerste de synagoge der Joden bezoekt. Dat heeft alles te maken met de voorrangspositie die Israël in die dagen nog had. Tot het einde van het boek Handelingen is het zo dat het evangelie eerst naar de Jood ging. Weliswaar wist Paulus al dat het volk als geheel niet tot bekering zou komen en dat het heil naar de natiën ging, maar om dat te prediken en om hen het evangelie voor te houden, ging hij altijd eerst naar de synagoge. 'Eerst de Jood', zegt hij ook in zijn brieven uit die periode. Pas vanaf Handelingen 28 wordt het verhaal anders; dan is Israël zijn voorrangspositie kwijt. Dan is het ook niet meer 'eerst de Jood', maar is het Jood noch Griek. Dan maakt dat geen enkel verschil meer. Maar in het boek Handelingen is dat heel duidelijk. U ziet het in Handelingen 13 een tweetal keren, en later in Handelingen 17 lees je het over Thessalonica, Korinthe en Efeze. Iedere keer: eerst de Jood.⟨/p> ⟨p>Het geschiedde evenzo te Ikonium dat zij in de synagoge der Joden gingen en zo spraken, dat er een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken, tot het geloof kwam. Ik heb er al vaker op gewezen dat 'tot geloof komen' zo'n typische NBG-uitdrukking is. In de Statenvertaling staat die trouwens niet; 'gelovig werden' staat er dan, en dat is inderdaad wat er echt staat. Je zou namelijk net zo goed kunnen verdedigen dat het geloof tot hen kwam. In feite is dat wat er aan de hand is: het woord van geloof kwam tot hen en overtuigde hen. In elk geval geloofden ze; ze werden gelovig.⟨/p> ⟨p>Er staat: een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken. Maar let op wat er dan gebeurt, want ook dat is zo'n procedure die je iedere keer opnieuw tegenkomt. 'Maar', staat er dan, 'de Joden die hun geen gehoor gaven' – letterlijk: die ongezeggelijk zijnde. Dat wil zeggen dat ze niet eens wilden horen. De Joden die geen gehoor gaven of ongezeggelijk waren, prikkelden en verbitterden de zielen van de natiën tegen de broeders. U ziet het, dat woord 'verbitteren' staat er eigenlijk niet letterlijk; er staat dat ze hen kwaad behandelden. Zo wordt het ook elders weergegeven. Ze zetten duidelijk de boel op. Ze prikkelden de mensen en zorgden ervoor dat de zielen van de natiën zo werden opgezet dat de broeders – degenen die wel geloofden – kwaad behandeld werden.⟨/p> ⟨p>Vervolgens staat er: zij verkeerden daar in Ikonium geruime tijd, vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Heer. Als je de interlineair meeleest, dan staat dat woord 'spreken' er eigenlijk niet, maar het woord 'vrijmoedig zijnde' suggereert dat wel. Je bent immers vrijmoedig wanneer je uitkomt voor dat wat er in je leeft. Als je niets zegt of niets doorgeeft, dan is het woordje 'vrijmoedig' niet van toepassing. Dus hoewel het woord 'spreken' er niet letterlijk staat, is het wel inherent aan het vrijmoedig zijn. Ook het woord 'vertrouwen' staat er niet letterlijk, maar er staat: 'vrijmoedig zijnde op de Heer'. Dat 'op de Heer' wil zeggen dat ze op Hem steunden. Dit zeg ik niet om kritiek te leveren op de vertaling, want dit geeft perfect weer wat de strekking is van wat er staat, maar ik wijs er soms op hoe het er letterlijk staat.⟨/p> ⟨p>Hoe lang die tijd precies is geweest, wordt niet vermeld, maar ze waren vrijmoedig en ze kwamen er openlijk voor uit. Ze lieten zich door niets hinderen en steunden op de Heer; ze vertrouwden op Hem. En wat de Heer dan vervolgens doet: Hij gaf daaraan getuigenis. Ook dat zie je iedere keer weer in het boek Handelingen. Hij gaf getuigenis aan het woord van Zijn genade. Het woord van Zijn genade werd gesproken door Paulus. Deze uitdrukking vinden we in Handelingen 20 nog twee keer terug. Daar lees je de toespraak die hij hield op het strand bij Milete, niet ver van Efeze vandaan. Daar spreekt de apostel Paulus ook twee keer over het woord van de genade – van dé genade – die hij mocht doorgeven. Dat is heel karakteristiek voor zijn getuigenis: niet een woord van eisen, maar van vreugde die God om niet geeft. Dat is één ding: dat was wat Paulus sprak. Maar het was de Heer die daar getuigenis aan gaf.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="615" title="Speel af vanaf 10:15">▶ 10:15⟨/button> ⟨span>De Heer Bevestigt het Woord met Tekenen en Wonderen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En hoe deed de Heer dat? Door het Woord te bevestigen met tekenen en wonderen. Ook dat is weer typisch iets wat hoort in het boek Handelingen. De rode draad door het hele boek Handelingen is hoe het Evangelie eerst tot Israël komt, waarbij God dat getuigenis altijd op goddelijke wijze bevestigt. Dat wil zeggen: zodanig dat het aan geen twijfel onderhevig is. Vergeet niet dat zij apostelen waren; ze hadden de Heer letterlijk en in levende lijve met hun eigen ogen gezien, de opgestane Heer. Ze waren door Hem afgevaardigd – dat is wat het woord apostel betekent – en de tekenen van een apostel hebben zij ook gedemonstreerd. De Heer zelf bevestigde hun woord door de wonderlijke gebeurtenissen die dat met zich meebracht.⟨/p> ⟨p>Dat lees je niet alleen in verband met Petrus, maar bij Paulus net zo goed. Ik zeg het er nog een keer bij: dit gebeurde gedurende het boek Handelingen, de periode waarin Israël nog steeds die voorrangspositie had. Als je de specifieke betekenis en de tijdsperiode van het boek Handelingen niet begrijpt, dan ontgaat je heel veel. Men begrijpt vaak niet dat dit ook een overgangstijd is. Pas na Handelingen 28 sluit voor Israël de deur en wordt het verhaal anders. Bovendien blijkt dan dat de wonderen en tekenen verdwijnen. De massaliteit zoals die plaatsvond in het boek Handelingen, toen Israël nog die voorrangspositie had, heeft plaatsgemaakt voor de verborgenheid. Niet zien. We zullen dat later – al duurt dat nog wel even voordat we bij Handelingen 28 zijn aangekomen – inderdaad zo zien.⟨/p> ⟨p>Israël zou zien, terwijl de natiën vervolgens zouden gaan horen. Om het nog wat schematischer voor te stellen in de driedeling van het boek: Handelingen 1 tot en met 7 beschrijft hoe Israël het Evangelie afwijst binnen de landsgrenzen. Hier zijn het de twaalf, en in het bijzonder Petrus, die het Woord doorgeven. Je leest herhaaldelijk gedurende deze hoofdstukken dat het Woord ook door hun handen bevestigd werd met wonderen en tekenen. Wat zich echter ook heel duidelijk aftekent, is dat de leiders van het volk, het Sanhedrin, het Evangelie afwijzen. In Handelingen 7 – u weet nog dat we deze serie daarmee begonnen zijn – wordt Stefanus officieel gestenigd door het Sanhedrin, de Joodse regering van die dagen. Aan het einde van hoofdstuk 7 zien we voor het eerst de figuur van Saulus opkomen.⟨/p> ⟨p>Dan krijg je de hoofdstukken 8 tot en met 12. In hoofdstuk 9 vinden we de roeping van Saulus, maar in deze hoofdstukken lees je ook dat het Evangelie de landsgrenzen doorbreekt. In Handelingen 8 lees je hoe Philippus naar de Samaritanen gaat. In Handelingen 10 wordt Petrus geroepen naar het huis van Cornelius, de Romeinse hoofdman, wat nog een heel gedoe geeft. In Handelingen 11 lees je dat het bericht buiten de landsgrenzen komt en dat er in Antiochië een grote kring van gelovigen ontstaat.⟨/p> ⟨p>Tenslotte is er het laatste deel van het boek, wat tevens het grootste deel is en in totaal vijftien hoofdstukken beslaat: Handelingen 13 tot en met 28. In dit deel zijn we eigenlijk nog maar net begonnen; we zijn nu aangeland in Handelingen 14. In hoofdstuk 13 beginnen de reizen van Paulus. Wat je hier ziet, is dat Israël het Evangelie ook buiten de landsgrenzen afwijst. Dat is op zich niets bijzonders in het boek Handelingen, want dat gebeurde binnen de grenzen ook al, maar hier gaat het Evangelie al naar de natiën toe.⟨/p> ⟨p>Er is overigens nog een opmerkelijk verschil in dit deel. Hier is nog duidelijk de prediking dat Israël tot geloof zou moeten komen, en dat als zij tot geloof zouden komen, de Koning, de Messias, zou terugkeren om zijn Koninkrijk op te richten. In Handelingen 3 lees je dat Petrus dit heel duidelijk aan het volk voorhoudt. Paulus doet dat nergens meer. Paulus wist dat het volk niet tot geloof zou komen. Hoewel Israël in deze hoofdstukken nog steeds die voorrangspositie behoudt, wist Paulus al: Israël komt niet tot geloof. Sterker nog, het zou als natie van de kaart verdwijnen. Maar daar hadden we het de vorige keer al even over.⟨/p> ⟨p>Dat nog even wat die wonderen en tekenen betreft. We dienen er niet alleen op te letten dat het wonderen zijn, maar ook dat ze altijd een betekenis hebben. Dat is uiteindelijk de kern van het woord 'tekenen': een teken is iets met een betekenis. Meestal zijn tekenen ook wonderen; het zijn wonderen met een betekenis. Tot dusver hebben we geloof ik pas één wonderteken echt besproken, namelijk dat wonderteken dat plaatsvond bij Paulus toen de Joodse tovenaar Elimas blind gemaakt werd. We hebben toen gezien dat dit een duidelijk wonderteken was, omdat het sloeg op het feit dat Israël voor een tijd blind wordt, zodat het heil in deze tussentijd naar de natiën gaat. Dat is diezelfde pericoop waarin sprake is van Saulus die Paulus wordt genoemd. Ik zeg dit om te laten zien dat een wonder dat beschreven wordt niet op zichzelf staat, maar een betekenis heeft. We komen er straks vanzelf nog over te spreken, want we gaan zo meteen weer over een wonderteken lezen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1067" title="Speel af vanaf 17:47">▶ 17:47⟨/button> ⟨span>Verdeeldheid in Iconium en Vlucht Naar Lystra⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We vervolgen onze weg in vers 4. Er ontstond verdeeldheid onder het volk in de stad, in Ikonium dus. Sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen. Nou, de apostelen. Dat wil zeggen: Barnabas was ook een apostel. Hier staat het heel expliciet; je kunt er niet onderuit dat Barnabas inderdaad ook een apostel was. Dat kan maar één ding betekenen: dat hij de Heer inderdaad in levende lijve, als de Opgestane zelf, ook heeft gezien. Want dat is een kenmerk van een apostel, van een afgevaardigde.⟨/p> ⟨p>Hij behoorde bij die apostelen waarover je leest in 1 Korinthe 15, wanneer Paulus het erover heeft dat de Heer is opgewekt uit de doden. Daar staat dat Hij is verschenen aan Petrus, aan Kephas, aan de twaalf, en daarna aan al de apostelen. Kennelijk waren dat er nog meer. En ten slotte verscheen Hij ook nog bij een gelegenheid waarbij vijfhonderd broeders aanwezig waren, die voor het merendeel toen nog in leven waren. Ja, ja. Dat staat in... Wat is het? In één... Moet ik eventjes spieken. Ik meen ergens in Lukas 9. Nee, het is Lukas 10. Daar lees je over de tweeënzeventig apostelen.⟨/p> ⟨p>Tweeënzeventig, ja. Nou, ik geloof dat dat een handschriftenkwestie is, maar er staat: tweeënzeventig andere apostelen. Dus er waren er twaalf, en daarnaast die tweeënzeventig; in totaal dus vierentachtig. Dat is niet zo bekend, maar het is echt zo. Je leest dat in Lukas 10 vers 1. Laat ik dat meteen even opzoeken. Ik moet er wel bij aantekenen dat dit gaat over een uitzending van apostelen vóór de kruisiging en de opstanding. In Lukas 10 vers 1 lees je dat de Heer daarna nog tweeënzeventig anderen aanwees en hen twee aan twee uitzond naar alle steden en plaatsen. Dat getal is overigens een handschriftenkwestie; het ontbreekt dan weer in de Sinaiticus, dus daar zullen we het verder nu niet over hebben. Maar in elk geval waren het er veel meer dan het twaalftal dat wij kennen. Dat is zeg maar de 'inner circle', de binnenste cirkel, maar het werkelijke aantal was veel groter.⟨/p> ⟨p>Je mag dus aannemen dat wanneer er in 1 Korinthe 15 staat dat Hij verscheen aan de twaalf en daarna aan al de apostelen, dat daarop wordt gedoeld. Wellicht dat Barnabas daar ook toe behoord heeft. We hebben bij een eerdere gelegenheid gezien dat Barnabas een Leviet was die in Jeruzalem woonde, dus hij komt daar zeker voor in aanmerking. Trouwens, we lezen hier in Handelingen 14 vers 4 gewoon expliciet dat hij gerekend wordt tot de apostelen, de afgevaardigden.⟨/p> ⟨p>Enfin, er was verdeeldheid onder het volk in de stad en een deel was inderdaad voor de apostelen. Maar kijk eens wat er dan gebeurt en vooral hóe het gebeurt, dat is bijzonder. Toen er een oploop kwam, een aandrang — wat een sterk woord is dat wijst op een groot rumoer — dan staat er dat dit zowel van de kant van de natiën kwam als van de Joden, samen met hun oversten. Eigenlijk is dit weer een herhalingsoefening, want we zagen in Handelingen 13 al een identiek fenomeen: ook daar was groot rumoer. Je leest hier over de heidenen en de Joden met 'hun oversten'. Daarbij kun je de vraag stellen op wie dat 'hun' slaat. Zijn dat de oversten van de Joden, of van de heidenen én de Joden? Uit de tekst blijkt het niet direct; het zou ook gewoon kunnen gaan over de heidenen en de Joden met hun gezamenlijke oversten.⟨/p> ⟨p>Barnabas was van origine Cypriotisch, maar hij was wel woonachtig in Jeruzalem. Daar woonde zijn moeder ook, lees je, en die had kennelijk een groot huis. Je leest in Handelingen 12 — nee niet Handelingen 14 of 9, sorry — dat daar ook een gebedsplaats was en dat vele discipelen bij het huis van de moeder van Barnabas vergaderd waren. Dat was dus in Jeruzalem. Zijn eigenlijke naam was Jozef, maar hij werd Barnabas genoemd, wat 'zoon der vertroosting' betekent. Barnabas, zoals we hem altijd tegenkomen in het boek Handelingen, is eigenlijk een bijnaam van hem. Maar goed, daar hebben we het bij voorgaande keren al over gehad.⟨/p> ⟨p>In elk geval was hij een apostel. Er kwam dus een groot rumoer, een oploop van de zijde van de natiën — de heidenen, de niet-Joden dus — en van de Joden met hun oversten om hen te mishandelen. Eigenlijk staat er gewoon het woordje 'beledigen', wat elders vertaald wordt met 'smaden'. Het doel was hen te besmaden en te stenigen. Het bleef hier nog bij een poging. Maar als je er goed over nadenkt wat er daar gebeurt: het is allemaal in een betrekkelijk kort tijdsbestek. Eerst was hij in Antiochië en had hij daar alles meegemaakt, dat enorme tumult ook weer op instigatie van de Joden. Vervolgens komen ze in Ikonium en herhaalt exact hetzelfde verhaal zich weer. Dit keer is het nog erger, want ze smaden hen niet alleen, ze willen hen ook stenigen. Dat is hun opzet, al doen ze het op dat moment nog niet. Later in dit hoofdstuk wel, maar daar komen we nog op.⟨/p> ⟨p>Toen namen de apostelen, dat wil zeggen Paulus en Barnabas, de toestand overzien hebbende — u ziet dat ze zich ervan bewust waren — de wijk naar andere steden. Ze werden min of meer gedwongen om dat te doen, want ja, als men pogingen onderneemt om je te stenigen, dan wil je wel weg. Ze moesten dus vluchten en namen de wijk naar de steden van Lycaonië: Lystra, Derbe en de omgeving. Ik heb zojuist al Ikonium laten zien, maar ik neem u nu weer even mee naar hetzelfde kaartje. Paulus was in Antiochië en ging daarna naar Ikonium, zoals we hebben gezien. En nu naar de streek van Lycaonië, een hele omgeving, een provincie.⟨/p> ⟨p>Vergis u trouwens niet, want dit zijn enorme afstanden. Op de kaart lijkt het een klein stukje, maar ik kom straks waarschijnlijk nog te spreken over de afstand van Lystra naar Derbe — ik zal het kaartje dan nog een keer laten zien — maar die afstand is negentig kilometer. Dat is toch een flinke afstand om even te overbruggen. Daarom zei ik al: van Antiochië naar Ikonium moet, als ik het zo vergelijk, ook zeker vijftig à zestig kilometer geweest zijn, stel ik me zo voor. In elk geval gingen ze nu vanuit Ikonium, door de omstandigheden gedwongen omdat ze gestenigd dreigden te worden, naar Lystra en Derbe.⟨/p> ⟨p>Als we nog even verder op de kaart kijken, zien we dat het allemaal niet zo heel erg ver was van waar Paulus zelf vandaan kwam, want daar ligt Tarsus. Eenmaal daar aangekomen, verkondigen ze daar een tijd lang — hoelang staat er niet, maar geruime tijd — het evangelie. Er staat hier overigens weer één specifiek werkwoord dat we goed kennen, namelijk 'evangeliseren'. Letterlijk betekent dat 'het goede bericht brengend', evangeliserend. Terwijl ze in die omgeving zijn, doen ze dus niet slechts één stad aan — u leest straks dat ze specifiek naar Lystra gingen, maar ze bezochten al deze steden. Ze evangeliseren daar en er wordt specifiek ingezoomd op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden in Lystra. Dat is een heel bijzondere gebeurtenis. Laten we het eens lezen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1722" title="Speel af vanaf 28:42">▶ 28:42⟨/button> ⟨span>Een Verlamde Man in Lystra Luistert Naar Paulus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In Lystra woonde een man – eigenlijk staat er gewoon: er zat iemand. Lystra is trouwens de stad die we later nog een keer tegenkomen in Handelingen 16 vers 1. Het is namelijk de stad waar ook Timotheüs, zijn latere medewerker, vandaan kwam. Die was hier nog niet in het vizier, maar het is wel dezelfde stad. Er was in Lystra dus een man die geen macht had over zijn voeten. Hij was verlamd vanaf de schoot van zijn moeder.⟨/p> ⟨p>Waar doet dat aan denken? Als je je even beperkt tot het boek Handelingen, dan is dit namelijk dezelfde formulering die we ook tegenkomen bij die man die bij de Schone Poort was neergelegd en die Petrus, samen met Johannes, oprichtte. Naar aanleiding van dat wonderteken – let even op zoals ik het nu zeg – houdt Petrus ook die toespraak op het tempelplein. Er ontstaat een enorme mensenmenigte die dat wonder ziet gebeuren. Daar zien ze een man die vanaf de schoot van zijn moeder verlamd was, die dus zijn hele leven, vanaf zijn geboorte, nooit had gelopen. Die staat daar, die springt daar en die danst daar. De mensenmenigte weet niet wat ze ziet.⟨/p> ⟨p>Het is naar aanleiding van dat wonderteken dat Petrus die rede houdt. Dan houdt hij die man ten voorbeeld: zoals die man opzag en in de naam van Jezus genezen werd, dat is wat er met jullie ook zal gebeuren op het moment dat jullie opzien naar Hem, namelijk naar de Naam, jullie eigen Messias. Dan zal precies hetzelfde wonder met jullie plaatsvinden als wat er met deze man plaatsvond, namelijk: je zult leven ontvangen. Afijn, dit wonder herhaalt zich, maar het is net toch weer iets anders. Dit was namelijk een wonder in de dagen van Petrus, toen hij dat Evangelie predikte aan het adres van Israël. Hier is het Paulus, ver van Jeruzalem verwijderd.⟨/p> ⟨p>Die man was dus verlamd vanaf de schoot van zijn moeder; hij had nooit kunnen lopen. Dat is dan logisch. En dan staat er: deze man luisterde naar Paulus wanneer hij sprak. Hij hoorde Paulus spreken en er wordt niets van hem gevraagd, maar hij hoort wat Paulus sprak. En wat sprak Paulus? We hebben het zojuist nog gelezen: het woord van de genade. Dat heeft Paulus verteld: over wie God is, wat God gedaan heeft en zal doen; kortom, alles wat valt onder de genade van God die reddend is verschenen aan alle mensen, zoals Paulus later zou optekenen.⟨/p> ⟨p>Daarover heeft Paulus gesproken en deze man luistert. Hij hoeft er niks voor te doen; nee, hij luisterde. En dat had zijn effect, want hij werd gelovig. Je leest dan: Paulus keek hem scherp aan – "aandachtig kijkend" staat er in de interlineair. Paulus nam waar dat hij geloof had om genezing te vinden. Letterlijk staat hier trouwens gewoon een woord dat veel algemener is, namelijk "om gered te worden". Niet specifiek een woord voor genezing, maar om gered te worden. Inderdaad, deze man was verlamd, dus gered van de verlamming zou je kunnen zeggen. Dat is waar, maar zo specifiek staat het er niet.⟨/p> ⟨p>Hij had geloof. Hij hoorde van de genade van God, de genade Gods die reddend is verschenen aan alle mensen, en deze man had geloof in de reddende genade van God. Paulus zag het. Paulus hoefde maar naar hem te kijken en hij zag en nam waar dat hij geloof had om inderdaad gered te worden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2011" title="Speel af vanaf 33:31">▶ 33:31⟨/button> ⟨span>Paulus Roept de Verlamde Man op Om te Staan⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En hij zei met luider stem: "Ga recht op uw voeten staan." U ziet hier trouwens dat er letterlijk staat: "Sta op!" Feitelijk is dat ook weer precies de boodschap die hij bracht: de boodschap van de genade Gods. Die boodschap van de genade Gods houdt immers niets anders in dan dat een mens opstandingsleven krijgt.⟨/p> ⟨p>Nou, deze man kon helemaal niet staan, laat staan wandelen of rechtop staan. Maar dat is precies het wonder dat hier plaatsvindt. Met luide stem wordt tegen hem gezegd: "Sta op de voeten van jou, rechtop." En wat gebeurt er dan? Dat is wel weer vergelijkbaar met wat je leest over die man die bij de Schone Poort lag, want daar staat iets soortgelijks. Maar hier staat: "Hij sprong overeind." U ziet het, hij springt en hij wandelde. Een man die nog nooit had gelopen!⟨/p> ⟨p>Hij springt – dat vind ik een prachtige term trouwens. Omdat, als ik aan springen denk, dan denk ik aan het voorjaar, dan denk ik aan nieuw leven. Trouwens, de Engelsen zeggen ook ⟨em>spring⟨/em> wanneer alles openbarst. Nou, deze man lag daar eigenlijk doods. Als je verlamd bent, kun je niet staan. En deze man staat op. Dat is echt opstandingskracht. Hij springt, dat is nieuw leven.⟨/p> ⟨p>En vervolgens hoefde hij niet te revalideren. Hij springt en hij wandelde. Hij liep heen en weer? Nou, dat staat er niet. Hij wandelde gewoon. Dat is wat hij deed. Dit is zo'n duidelijk goddelijk bewijs van het woord van genade dat God toen gaf in die Handelingentijd. Maar het is ook een wonderteken, namelijk een uitbeelding van nieuw leven. Het is ook een uitbeelding van wat het woord van genade vermag. En daar moet ik trouwens nog iets bij zeggen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2155" title="Speel af vanaf 35:55">▶ 35:55⟨/button> ⟨span>De Menigte Aanziet Paulus en Barnabas voor Goden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wanneer je in vers 11 leest: "En toen de scharen zagen...", dan zie je dat de menigten zagen wat Paulus gedaan had. Maar hoezo 'gedaan had'? Wat had Paulus dan feitelijk gedaan? In wezen had hij uitsluitend gesproken. Dat is een opvallend verschil: hij had feitelijk niets gedaan. Van Petrus lees je in Handelingen 3 nog dat hij de man bij de hand nam en hem oprichtte; dat staat in Handelingen 3 vers 7. Maar bij Paulus lees je dat niet eens. Paulus deed niets fysieks. Het was puur het Woord dat hij sprak. Het was dus inderdaad het Woord van God dat zijn kracht betoonde. Dat dit met Paulus te maken had, is duidelijk, want het werd via hem gesproken, maar het was niet iets wat Paulus zelf gedaan had.⟨/p> ⟨p>De scharen nemen het echter zo waar; dat is hun perceptie. Toen de menigten zagen wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem. Let eens op wat er dan gebeurt; het is heel eigenaardig. Dat ze hun stem verheffen, is tekenend voor wat hier aan de hand is en ook voor deze stad. Ik zei eerder — en ik moet mezelf hierin corrigeren of in elk geval een aantekening bij maken — dat Paulus, wanneer hij ergens kwam, meestal eerst naar de synagoge ging. Hier in Lystra lees je dat echter niet. De enige conclusie die ik daaruit kan trekken, is dat daar geen synagoge was. Er waren wel Joden — we weten dat Timotheüs daar vandaan kwam — maar er was kennelijk geen synagoge. Dat het inderdaad een zeer heidense omgeving was, niet-Joods en vol van afgoderij, blijkt wel uit wat er nu gaat gebeuren.⟨/p> ⟨p>Toen de scharen zagen wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem, compleet buiten zichzelf. Ze zeiden in het Lycaonisch — een andere taal, ik denk niet dat het een Grieks dialect was — en ik veronderstel dat Paulus dat ook niet gesproken zal hebben: "De goden zijn in mensengedaante tot ons neergedaald." Hieruit blijkt hoezeer zij doordrongen waren van mythologische verhalen. Je moet bedenken hoeveel van dat soort verhalen er destijds in omloop waren. In Handelingen 17 zullen we dat later bij Athene ook tegenkomen, een stad die vergeven was van afgodsbeelden. Hier is dat ook zo, inclusief alle verhalen daaromtrent. Wanneer zij nu deze man zagen, die vanaf zijn geboorte verlamd was en nu plotseling opsprong en wandelde, raakte de hele menigte volledig buiten zichzelf. Ze verheffen hun stem en roepen: "De goden zijn in mensengedaante tot ons neergedaald!"⟨/p> ⟨p>Ze noemden Barnabas Zeus. Waarom noemden ze hem Zeus? Zeus is de oppergod. Waarom gaven ze Barnabas die naam? Eén ding is zeker: Paulus was degene die het woord voerde. Maar afgezien daarvan blijft de vraag waarom ze Barnabas Zeus noemden. Was Barnabas misschien de oudere, de grotere van de twee? Ik heb er expres een vraagteken bij gezet; ik weet het niet zeker, maar dat is in elk geval de indruk die het op hen heeft gemaakt. Vandaar ook dat Barnabas hier als eerste wordt genoemd. Hij krijgt de naam Zeus en Paulus krijgt de naam Hermes. Hermes betekent in het Grieks 'vertaler'. In de Griekse tekst staat inderdaad Zeus en Hermes; in het Latijn is dat Jupiter en Mercurius. Het zijn dezelfde namen, alleen de ene taal is Grieks en de andere Latijn. Het viel mij op dat de Statenvertaling voor de Latijnse weergave heeft gekozen, maar de Griekse grondtekst spreekt over Hermes.⟨/p> ⟨p>Barnabas en Paulus krijgen dus deze namen uit hun pantheon, uit de vele goden die zij kenden; dat etiket wordt hen opgeplakt. Waarom krijgt Paulus de naam Hermes? Omdat hij het was die het woord voerde. In werkelijkheid staat het er nog sterker: Paulus was de leider van het woord, de leidinggevende van het woord. Het was duidelijk dat Paulus degene was die de inhoud van de verkondiging bracht. Dit betekent kennelijk dat Barnabas op een andere wijze indruk heeft gemaakt, waardoor zij hem Zeus noemden. Dat moet dan toch iets met zijn uiterlijk te maken hebben gehad, wellicht zijn postuur of zijn ouderdom. Ik geef direct toe dat ik dat niet kan bewijzen, maar het wordt wel uitgelegd waarom Paulus Hermes wordt genoemd. In de mythologie is Hermes namelijk de god die altijd het woord voerde voor Zeus (of Jupiter). Vandaar dat Paulus die naam kreeg opgespeld.⟨/p> ⟨p>Vervolgens lees je dat de priester van Zeus-voor-de-stad — kennelijk was er in Lystra een specifiek heiligdom gewijd aan Zeus — stieren en kransen aanbracht bij de poortgebouwen. Er staat letterlijk een meervoud: de poortgebouwen van de stad of van de tempel. Waarom deed hij dat? Je kunt je voorstellen dat zulke grote offerdieren van stal worden gehaald en dat er kransen worden aangebracht, want er moest een offerfeest plaatsvinden voor de goden die in levende lijven in hun midden waren verschenen. Het grote wonderteken dat zij gezien hadden, spoorde hen hiertoe aan. De priester wilde samen met de scharen gaan offeren.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2644" title="Speel af vanaf 44:04">▶ 44:04⟨/button> ⟨span>De Apostelen Scheuren Vol Ontzetting Hun Klederen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden – en dit moet u opvallen. Nu lezen we namelijk 'Barnabas en Paulus', terwijl we vanaf Handelingen 13 vers 9 iedere keer 'Paulus en Barnabas' zagen. In dit geval is de reden van deze volgorde nogal evident, omdat diezelfde volgorde ook in vers 12 voorkwam: Zeus, dat was Barnabas (of Barnabas werd Zeus genoemd) en Paulus was Hermes, de tweede god, zeg maar. Vandaar dus dat in dit geval deze volgorde wordt aangehouden en er wordt afgeweken van het normale patroon.⟨/p> ⟨p>Toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden... Hier hebben we trouwens bewijs nummer twee: u leest hier opnieuw dat Barnabas gerekend wordt tot de apostelen. Zowel in vers 4 als in vers 14 staat dat zo vermeld. De apostelen hoorden wat er allemaal nu op stapel stond te gebeuren, want ze wilden dat offerfeest laten plaatsvinden. Ik ga ervan uit dat Paulus geen Lykaonisch heeft gesproken, maar dat het vertaald is. Hoe dan ook, ze hoorden het en dan lees je: ze scheurden hun mantels.⟨/p> ⟨p>Dat je je mantel scheurt, vind je bij meerdere gelegenheden terug. Het is juist bij Joden een expressie van ontzetting. Ik heb hier de verwijzing naar Matthéüs 26, waar we lezen over de hogepriester als Jezus voor het gerecht staat. Jezus zwijgt de hele tijd, maar op een gegeven ogenblik wordt Hij gedwongen te spreken en spreekt Hij over de levende God. Die hogepriester is dan zo verbouwereerd, ontsteld en ontzet, dat hij in het bijzijn van de raad zijn klederen scheurt. Of dat een symbolische handeling is geweest, waarbij hij een stukje kleed scheurde, dat weet ik niet. Er staat letterlijk dat ze hun bovenkleding scheurden. Misschien trokken ze de knoop er vanaf; in dat geval heb je wat minder kracht nodig. Maar waar het nu even om gaat is de uitbeelding: het is een duidelijke uiting van ontzetting.⟨/p> ⟨p>Paulus en Barnabas zijn hierover zeer ontzet, want wat hier nu gaat gebeuren is natuurlijk de reinste afgoderij. Ze sprongen naar voren. Eigenlijk staat er letterlijk dat ze 'eruit' sprongen: uit de verblijfplaats of uit de poort. Ze sprongen tevoorschijn, wat suggereert dat ze ergens binnen waren. In elk geval horen ze hiervan, ze zijn ontzet, ze springen tevoorschijn te midden van de menigte en ze roepen het schreeuwend uit. Met luider stem zeggen ze: "Mannen, wat doen jullie hier? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij."⟨/p> ⟨p>U ziet hier staan: "wij zijn maar zwakke mensen." Dat is wel zo, maar er staat letterlijk: "wij zijn maar mensen met soortgelijke emoties als jullie." We zijn niet anders dan jullie; inderdaad zwak, met soortgelijke emoties, en wij verkondigen u... Maar dat is een heel zwakke vertaling, want hier zien we weer exact het woord dat we al eerder tegenkwamen, ook vanavond: evangeliseren. Wij brengen jullie een goed bericht!⟨/p> ⟨p>Voordat we daar nu mee verder gaan, stel ik voor dat we eerst even gaan pauzeren. Ik wil er alleen nog eventjes op wijzen dat voordat Paulus iets gaat zeggen, hij benadrukt dat hij ontzet is. Maar niettemin brengt hij hen een evangelie. Hij verkondigt hen niet zomaar iets en hij zegt ook niet dat ze iets móéten doen – in de vertaling staat dat wel, maar daar komen we straks nog op. Hij evangeliseert hen, dat wil zeggen: hij vertelt hen een goed bericht. Wat dat goede bericht precies is, zullen we straks lezen. Maar ik stel voor dat we eerst even een kopje koffie drinken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2985" title="Speel af vanaf 49:45">▶ 49:45⟨/button> ⟨span>Het Goede Bericht: Keer U Af van Zinloze Dingen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Goed, wij pakken de draad weer op. We hebben voor ons doen een flinke sprong voorwaarts gemaakt: we begonnen bij vers 1 van Handelingen 14 en zijn nu al bij vers 15. Dat komt omdat dit echt een geschiedenis is, iets wat verhaald wordt, en dat bespreekt altijd wat sneller dan een betoog zoals we dat hebben gelezen in Handelingen 13.⟨/p> ⟨p>Afijn, we hebben zojuist gelezen over wat daar gebeurde in Lystra, waar ze aangekomen waren. Er was die man, die verlamde man die vanaf zijn geboorte nooit gelopen had, en we zagen hoe hij plotseling geneest. Hij aanhoort het woord van Paulus, er werd geloof in hem gewekt, de man sprong op en hij wandelde. Dat riep een enorme verbazing op onder de menigte daar in Lystra. Ze willen gaan offeren omdat ze denken dat de goden in mensengedaante tot hen zijn neergedaald: Zeus en Hermes.⟨/p> ⟨p>Dan is het Paulus die tussenbeide treedt en schreeuwt: "Dit kan niet! Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar mensen zoals jullie, met soortgelijke emoties, en wij evangeliseren jullie." Dat is waar we vlak voor de pauze gebleven waren. Wij evangeliseren jullie, wij brengen jullie een goed bericht. En de vraag is: wat is dat goede bericht?⟨/p> ⟨p>Ik moet u zeggen dat het korte betoog wat we hier opgetekend vinden, wel heel veelzeggend is. Paulus is hier — ik herinner u eraan — niet in een synagoge en niet in een Joodse omgeving. Integendeel, hij is hier in een omgeving die compleet heidens is, met afgodische ideeën. Deze mensen zijn totaal niet op de hoogte van de Tenach of van de Schriften. Paulus doet daar dan ook geen beroep op. Hij verwijst niet naar de Schriften; dat doet hij wel als hij in de synagoge is. Dat heeft zin, want dan kan hij verwijzen naar gemeenschappelijke kennis en een gezamenlijk uitgangspunt. Maar dat doet hij niet als hij hier in Lystra is. We zullen dat later ook weer tegenkomen wanneer we lezen dat hij een rede houdt in Athene, op de Areopagus. Dat is ook in een heidense setting.⟨/p> ⟨p>Laten we het eens lezen. Paulus zegt: "Wij evangeliseren jullie, en wel dat jullie je van dit ijdel bedrijf zouden bekeren." Dit "ijdele bedrijf" wil zeggen: van deze zinloze dingen. En met welke zinloze dingen waren ze mee bezig? Nou, dat is dat sterfelijke mensen — mensen zoals u en ik, met emoties zoals wij — tot goden worden verklaard. Dat is zinloos, dat is ijdel. En het loutere feit dat ze zich daarvan mogen afkeren, dat is op zich al een blijde boodschap: dat je je van zinloze dingen mag afkeren. Zinloze dingen die dus geen enkele betekenis of doel hebben en dus feitelijk zondig zijn in de letterlijke zin van het woord: doelmissend, zinloos.⟨/p> ⟨p>"Dat jullie je van dit ijdel bedrijf, van deze zinloze dingen bekeren." Nu ziet u dat er in de vertaling "moet bekeren" staat, maar dat staat er niet. Paulus zegt: "Ik evangeliseer jullie dat jullie je van dit ijdele bedrijf, van deze zinloze dingen omkeren." Ik benadruk hierbij nogmaals dit woordje "moeten", zoals het in de NBG-vertaling staat. Hoe is het in de Statenvertaling eigenlijk? Staat dat woordje "moeten" er? Nee? Het is heel opmerkelijk; ik heb al vaker op dit fenomeen gewezen, maar hoe moderner de vertaling, hoe meer er "gemoet" wordt. Het woordje "moeten" wordt zo vaak toegevoegd terwijl het er niet staat. Het is ook echt een dissonant, een valse klank. Paulus evangeliseert hier, hij brengt een goed bericht. Dat betekent dat de mensen iets aangeboden krijgen, een blijde tijding te horen krijgen. Dan past het woordje "moeten" niet.⟨/p> ⟨p>Het is een voorrecht. Dat is net zoiets als wanneer een baas tegen zijn personeel zegt: "Jullie moeten dit jaar een loonsverhoging krijgen van tweehonderd euro per maand." Dat slaat toch nergens op? Je krijgt dat, hè? Ja, dat is goed. Of: "Jullie moeten nu een paar weken vakantie nemen." Dat woordje "moeten" past niet wanneer je iets aanbiedt of wanneer het een voorrecht is; dan wordt het woordje "moeten" gewoon belachelijk. Ken jij zulke bazen? Ja, die had ik. Oké, die moet je hebben! Zo’n baas heb je nu zeker ook? Maar ja, als je eenmaal weet hoe het zit met het goede bericht en het woord van genade, dan gaat dat je steeds meer tegenstaan als dat woord eraan toegevoegd wordt. Want dat past niet. Er wordt een blijde tijding verteld. Zinloze dingen mogen ze nu achter zich laten en ze mogen zich wenden tot de levende God. Dat is een blijde tijding. Dan ga je toch niet praten over "je moet je afkeren"? Dat mag je dan doen. Dat is een voorrecht, dat is een blijde tijding. Weg met het woordje "moeten". A: het staat er niet, en B: het klinkt vals.⟨/p> ⟨p>Het geeft ook aan dat je niet weet dat er echt geëvangeliseerd wordt. Trouwens, als ik het zo zeg, dan klopt dat ook, want in de vertaling wordt hier niet eens gezegd dat er geëvangeliseerd wordt. Ik weet ook hier niet hoe het in de Statenvertaling is, maar vaak staat er "verkondigen". Er staat niet dat er geëvangeliseerd wordt, er staat niet dat er een evangelie gebracht wordt, terwijl dat er wel staat. Er wordt hier geëvangeliseerd! Hier staat in de vertaling alleen maar: "Wij verkondigen jullie dat je iets moet doen." Maar nee, er wordt geëvangeliseerd. Ik breng jullie een blijde tijding dat jullie je van deze zinloze dingen mogen afkeren en je mogen wenden tot de levende God. Dat is een blijde tijding en dat woordje "moeten" — weg ermee. Het staat er niet en het past er niet.⟨/p> ⟨p>Wat Paulus hier doet in deze omgeving, is hen confronteren met de levende God. Dat bekeren is hier... je hebt twee woorden, zoals het in de vertaling wordt weergegeven, maar hier is het dus echt letterlijk omkeren. Gewoon dit: een draai maken. Met het woord "bekeren" heb ik op zich niet zoveel moeite, alleen je moet het wel letterlijk nemen. Bekeren betekent omkeren. Eigenlijk zou... maar omdat het woordje "bekering" zo’n hele godsdienstige klank heeft, denken mensen dat je overgaat van de ene godsdienst naar de andere, en dat heet dan een bekering. Maar dat is niet wat het is. Het is gewoon echt dit: omkeren. Ze hielden zich bezig met die zinloze dingen en met een ijdel bedrijf, en nu wordt hen de blijde tijding van de levende God verteld.⟨/p> ⟨p>En die levende God staat dus tegenover die stervelingen. Zij dachten dat er goden in mensengedaante waren, maar dat zijn gewoon stervelingen. Nu wijst hij hen op de echte God, namelijk de ene God, de levende God. Er zijn dus twee tegenstellingen: de tegenstelling tussen een sterveling en de Levende, en de tegenstelling tussen stervelingen — meerdere — en de ene God. Die stervelingen zouden goden zijn? Er zijn wel goden in menigte, maar Paulus zegt: "Voor ons nochtans is er maar één God." En die ene God predikt hij aan. Dat is een hele blijde tijding.⟨/p> ⟨p>Weet u wat zo opvallend is? Paulus zegt in deze toespraak, zoals we hem opgetekend vinden, niet eens iets over de Heer Jezus Christus. Nee, het staat er niet. Daar waren ze ook nog niet aan toe. Kijk, als hij in de synagoge was, hoefde hij hen niet te prediken dat er één God is, want dat is wat een Jood elke dag zegt en dat is de basis van de synagoge: één God. In de Joodse setting is dat volstrekt bekend en dus hoeft Paulus dat in de synagoge ook niet te vertellen. Daardoor kon hij daar meteen van wal steken en spreken over de beloofde Christus, over de Messias die in het Oude Testament was voorzegd en inmiddels gekomen is. Hier spreekt hij echter in een gezelschap van mensen die niet eens wisten dat er één God is, namelijk de levende God.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3606" title="Speel af vanaf 01:00:06">▶ 01:00:06⟨/button> ⟨span>Het Evangelie Verkondigd in een Compleet Heidense Setting⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In Lystra moest dat eerst gebeuren: ze moesten eerst weten wie die ene God is. En dat is in feite het enige wat Paulus hier doet. Ik vind dat een buitengewoon leerzaam gegeven. Voordat je mensen vertelt over Jezus Christus, moeten ze eerst weten wie God is. Dat er één God is. En laat ik u dit vertellen: bijna niemand weet het. Dat er één God is, wordt zelfs door het volk waarvan wij zeggen dat ze te boek staan als monotheïsten, in de praktijk niet werkelijk gekend. Men zegt wel monotheïst te zijn, maar als je navraag gaat doen en kijkt in de belijdenissen, dan blijkt men het over drie personen te hebben. Ze kennen dus niet één God. Bovendien heeft die ene God volgens hen niet eens alles in handen; er gaat van alles mis. Dan ken je God niet. Laat ik het zeggen met de woorden van Paulus in Romeinen 1: ze zeggen God te kennen, maar ze vereren Hem niet als God. Ze kennen Hem niet als God en ze ontkennen Hem feitelijk ook als dé God. Ik weet dat wat ik nu zeg tamelijk frontaal is, maar ik kan daar geen woord van afdoen, want het is gewoon een feit. De ene God wordt in de heidense zetting — en wij leven feitelijk ook in zo’n heidense zetting — niet gekend. Die boodschap is zo verwaterd. Met de mond belijdt men het misschien nog wel, maar in de praktijk kent men het niet: dat er één God is die alles in Zijn handen heeft. Want dat is wat het betekent dat er één God is.⟨/p> ⟨p>Kortom, als je mensen het evangelie wilt vertellen, dan zul je ze eerst moeten vertellen dat er één God is. En het mooie is: mensen weten wel dat God er is. Ik geef toe, dat zijn woorden die ik ooit heb gehoord op catechisatie: 'ingeschapen godskennis'. Het is geen Bijbelse uitdrukking, dus laat ik het anders zeggen: dat God er is, wordt door mensen met het verstand doorzien. Iedereen weet dat. Dat is wat de Bijbel het geweten noemt. Dat is wetenschap die je gewoon hebt, die eigen is aan een mens. Natuurlijk kan het door het onderwijs weer worden onderdrukt en dan worden er atheïsten gemaakt. Maar een atheïst wordt niet geboren; atheïsten worden gemaakt doordat kennis ten onder wordt gehouden. Elk mens weet echter van huis uit, van geboorte, gewoon als mens met een geweten dat God er is. Zodat ze geen verontschuldigingen hebben, zegt Paulus in Romeinen 1. Dat is het punt.⟨/p> ⟨p>Als God niet alles in Zijn hand heeft, zowel het goede als het kwade, dan is Hij dus niet die ene God. En omgekeerd: als je weet dat er één God is, dan ken je in essentie het evangelie ook. Want dan weet je dat alles wat er is — alle dingen — uit Hem, door Hem en tot Hem zijn. Dat is wat het betekent. Maar dan weet je ook dat alles in goede handen is. Dat alles bij Hem vandaan komt, maar ook dat de goede bestemming gegarandeerd is. Want Hij is het die het alles bedacht en tot aanzijn riep. Hij is het die als enige alles in de hand heeft. En dus kan er ook niets misgaan. De goede afloop is verzekerd. Maar dat is dus ook iets wat men niet gelooft, en dat komt omdat men niet gelooft dat er één God is.⟨/p> ⟨p>Feitelijk heeft men ook de mens tot een godheid gepromoveerd, precies wat deze mensen in Lystra ook deden met Paulus en Barnabas. De mens wordt tot een godheid gemaakt, tot een god gepromoveerd. Want God kan wel willen dat, ik noem maar wat, alle mensen gered worden, maar als de mens het niet wil, dan gebeurt het niet. Dan heb je de mens een status gegeven die boven God uitgaat en dus ken je niet meer de ene, de levende God. Uiteindelijk kwam zelfs een man als Nebukadnezar tot die erkenning. Het is zo geweldig als je mag weten dat er één God is, maar dat die God ook werkelijk God is. Je hoeft mensen feitelijk alleen maar te herinneren aan dat wat men latent al weet. Elk mens weet dat God er is. En nogmaals: voor zover men het ontkent, is dat omdat het onderdrukt wordt door de god van deze aeon die dat allemaal beheerst en door menselijke redeneringen. Maar een mens weet het. Door wat Paulus hier doet, herinnert hij hen aan de levende God. En dat is de blijde tijding die ze te horen krijgen.⟨/p> ⟨p>In feite is het zo dat wanneer je weet dat God werkelijk God is, en dus de levende God is, je het evangelie in handen hebt. Dan heb je het evangelie gehoord, want dat is de basis. Dat is de basis voor hoe je naar het verleden kijkt en waar alles vandaan komt; dan weet je ook hoe het tegenwoordig is en je weet hoe het uiteindelijk gaat eindigen. Dat kan niet missen. Er is maar één God. En dat is wat Paulus hier dus vertelt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4027" title="Speel af vanaf 01:07:07">▶ 01:07:07⟨/button> ⟨span>De Levende God Die Alles Gemaakt Heeft⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De levende God, zo zegt hij, die de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is, gemaakt heeft. Dat staat hier trouwens in de aorist. En zoals u weet, betekent dat een feit van onbepaalde tijd. Het gaat er niet zozeer om dat het in het verleden gebeurd is; nee, Hij maakt hemel en aarde. Feitelijk is Hij nog steeds bezig met dat proces. De schepping is nog niet af.⟨/p> ⟨p>Daarom zou je ook nog je oordeel moeten onthouden over waar God mee bezig is. Een werk beoordeel je immers pas als het af is. Dat is zo of je het nu over een schrijver hebt die een boek aan het maken is, een schilder die een schilderij vervaardigt, of een musicus, een componist die een muziekstuk maakt. Je beoordeelt het pas aan het eind en niet halverwege wanneer het schilderij nog niet klaar is. Gods schepping is nog niet klaar, maar mensen veroorloven zich nu al een mening over die God. Hoe kan Hij het kwaad een plaats geven? Hoe kan Hij het kwaad toelaten? Dat is ook de echte reden waarom mensen atheïst zijn. Ze kunnen een God die het kwaad een plaats geeft in deze wereld, niet plaatsen. Daar is men boos op, dat verdraagt men niet en dus redeneert men God weg.⟨/p> ⟨p>Maar Gods werk is nog niet af. Het rijmt pas aan het eind. Om het lijstje compleet te maken: je gaat een gedicht ook niet halverwege beoordelen, want het rijmt pas aan het eind. Als mensen zeggen: "Ik kan het kwaad niet rijmen met een goede God", dan is dat ook zo. Het rijmt pas aan het eind. Pas aan het eind zal God bewezen hebben dat Hij inderdaad goed is en elke tong zal het ook belijden: God is goed.⟨/p> ⟨p>Waarom zeg ik dit nu even? Omdat dit in de aorist staat; dat wil zeggen dat het feit wordt gesteld. God is degene die hemel en aarde, de zee en alles wat daarin is, maakt. Ongeacht wanneer. Hij is van alle dingen de Creator, de Schepper, niets uitgezonderd. En die God evangeliseert Paulus aan hen. Dat is het evangelie wat hij vertelt. Maar hij blijft daar trouwens niet bij, hij voegt er nog dingen aan toe.⟨/p> ⟨p>Hij heeft in de tijden van de geslachten die achter ons liggen, in de vervlogen generaties, alle volkeren en alle natiën hun eigen wegen laten gaan. Dat wil zeggen: Hij liet ze hun eigen gang gaan. Later, als we de rede van Paulus op de Areopagus zullen bespreken in hoofdstuk 17, dan heeft Paulus het ook over die tijd en dan noemt hij het de tijden die voorafgegaan zijn, de tijden van de onwetendheid. Ze wisten daar niet van. God heeft die natiën allemaal hun eigen gang laten gaan, in tegenstelling tot dat ene volk dat Hij uitverkoren had.⟨/p> ⟨p>Ik wil in dat verband verwijzen naar Psalm 147. Daar lees je over God: "Hij heeft Jakob Zijn woorden bekendgemaakt en Israël Zijn inzettingen en Zijn verordeningen." Dat is een voorrecht dat Jakob, oftewel Israël, kent. Jakob en Israël is een volk dat God heeft uitverkoren; temidden van al die natiën die hun eigen gang gingen, heeft Hij dit volk eruit gekozen en hen bekendgemaakt met de waarheid van de ene God, het Shema. En dan staat er achteraan: "Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en Zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja." Dat "Halleluja" staat er omdat God hen daartoe heeft uitverkozen.⟨/p> ⟨p>Dat is wat Hij met Israël heeft gedaan; het is uniek. Alle andere volken liet Hij hun eigen gang gaan. Let op: dat is iets wat God Zelf zo heeft ingezet. Het wordt hen niet verweten. Nee, Hij heeft één volk eruit getild, uitgekozen en met deze dingen, met Zijn woorden, Zijn inzettingen en Zijn verordeningen bekendgemaakt. Al die andere volken gingen hun eigen weg. Dat is wat de God, de Plaatser, zo heeft gewild en geregeld.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4366" title="Speel af vanaf 01:12:46">▶ 01:12:46⟨/button> ⟨span>God Liet Zich Onder de Natiën Niet Onbetuigd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Al de natiën liet Hij hun eigen wegen gaan. En toch staat er, hoewel Hij hen hun eigen weg liet gaan – niet op Zijn weg, maar op hun eigen wegen – toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door goed te werken, het goede werkende.⟨/p> ⟨p>Waarin blijkt dat? Wel, we lezen even verder: "Door u van de hemel..." Van bovenaf dus. Dat is in verband met regen nogal duidelijk, want alle zegen en alle regen komt van boven. "Door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven." Dat is wel mooi, er staat letterlijk: vruchtbrengende gelegenheden. Hier staat niet zozeer het woordje "tijden", maar gelegenheden, ⟨em>kairos⟨/em>. En die vruchtbrengende gelegenheden, dat zijn dus oogsten, perioden van regen, vruchtbare tijden. Dat gaf Hij jullie allemaal. God liet jullie dus je eigen weg gaan, maar Hij gaf je regen, Hij gaf je voedsel en Hij gaf je oogsten. Hij gaf aan jullie harten overvloed van spijs. Laven, dat wil zeggen: overvloedig geven. Er staat: overvloed van voedsel en ook van vrolijkheid te schenken.⟨/p> ⟨p>Moet u nagaan: ze gingen hun eigen weg, God had hen weggestuurd om hun eigen weg te laten gaan, maar Hij liet Zich niet onbetuigd. Hij gaf ze regen, Hij gaf ze hun oogsten en Hij gaf ze bovendien overvloed van spijs en voedsel en vrolijkheid. Zelfs als zij vrolijk waren terwijl ze God helemaal niet kenden, dan was dat een gave van God. Zo staat het hier. Dat ze onwetend waren, dat kon hun niet kwalijk worden genomen; ze wisten simpelweg niet beter. Ze waren met recht onwetend, agnostisch. Ons woordje "agnost" is eigenlijk een Grieks woord en betekent letterlijk onwetend. Dat is het woord dat Paulus gebruikt in dat verband in Handelingen 17. God liet Zich dus niet onbetuigd; Hij gaf hun hart overvloed van voedsel en vrolijkheid.⟨/p> ⟨p>Hier houdt de toespraak van Paulus op. Het is maar een korte optekening, maar ik neem aan dat dit de samenvatting is van wat Paulus hen heeft voorgehouden. Paulus evangeliseerde hen en hij heeft slechts gesproken van de ene God. Niet over wat ze moesten doen, maar wat ze mochten doen: ze mochten zich nu keren tot die ene God. En dat was inderdaad het evangelie. Ik weet niet hoe ik het belang daarvan nog beter kan onderstrepen, maar de essentie van het evangelie is gelegen in de boodschap dat er één God is. Ga nou niet zeggen dat Paulus het evangelie niet vertelde omdat hij niets over Jezus zei. Hij heeft wel degelijk het evangelie verteld. Natuurlijk, als je zegt dat het niet het complete evangelie was, dan is dat absoluut waar. Want hoe die ene God Zich bewezen heeft, daar valt natuurlijk nog veel meer over te vertellen. Maar dit is de basis. Paulus heeft daar absoluut het goede bericht gebracht, namelijk van de ene God. Dat is de clue, de basis, zelfs zonder nog maar iets gezegd te hebben over Zijn Zoon. Dit is het fundament.⟨/p> ⟨p>Dat betekent ook voor vandaag – en dat is de conclusie die ik er zelf uit trek – dat je ontmoetingen hebt met zoveel mensen, maar we leven inmiddels weer in een tijd waarin er niet meer de geringste kennis is. We hadden het er in de pauze nog even over. Kees zei het al: als je het over Pasen hebt, dan denken mensen alleen nog maar aan chocolade-eitjes die je in de tuin moet zoeken. Maar echt waar, ook bij de jeugd, voor een groot gedeelte zelfs in ons christelijke vaderlandje, is de kennis inmiddels zo hollend achteruitgegaan. Men weet nauwelijks nog iets over de Schrift, over God en over Jezus Christus. Zelfs de meest basale kennis ontbreekt. Begin daarom met God. Vertel gewoon dat er één God is bij wie nooit iets misgaat en die alles in Zijn hand heeft. Dan heb je een evangelie verteld. Misschien kom je helemaal niet verder, en het zou erg mooi zijn als je wel verder komt, maar begin daarmee.⟨/p> ⟨p>Als we niet weten wie God is en dat er één God is, dan heeft het ook geen zin om te gaan spreken over Jezus Christus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs en die is opgestaan uit de dood. Begrijp me goed, ik wil niet beweren dat dit een bepaalde strategie is, maar dit is de normale volgorde. Eerst moeten mensen weten dat er één God is en dan pas kunnen we spreken over Zijn Zoon, die Hij uit de doden heeft opgewekt. Dat gaat nog zoveel verder, maar dit is de basis. Paulus heeft hun het evangelie verteld. Dit lijkt me buitengewoon leerzaam en we zullen daar, als we in Handelingen 17 aangekomen zijn, ongetwijfeld nog wel op terugkomen. Maar dit is het eerste echte voorbeeld van een evangelieverkondiging in een compleet heidense setting, waar men niets wist van de Schrift en waar hun nog niets was verteld over Jezus Christus.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4795" title="Speel af vanaf 01:19:55">▶ 01:19:55⟨/button> ⟨span>Joden Praten de Scharen Om en Stenigen Paulus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En hoewel zij zo spraken, Paulus en Barnabas, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hen te offeren. Dus ondanks het feit dat ze dat zo verteld hadden, was de meerderheid daar kennelijk toch niet echt doorgedrongen; zij waren simpelweg te veel onder de indruk van het wonder dat daar zojuist had plaatsgevonden. En dan lees je in vers 19 – en je had het eigenlijk inmiddels al een beetje kunnen voorspellen – dat er Joden kwamen uit Antiochië en Ikonium. Zij praten de scharen om, zij overreden hen, en moet je nagaan hoe snel dat kan omkeren. Eerst zijn het nog de goden die in mensengedaante zijn neergedaald, en dan komen daar die godsdienstige mensen, de orthodoxie uit Antiochië en Ikonium, waar Paulus zojuist geweest was en waar ze hem ook al wilden lynchen. Zij komen nu hier in Lystra aan en ze praten de schare zo om dat het 'Hosanna' in no-time veranderde in 'kruisig hem'. Het 'Halleluja' veranderde in een steniging, want er staat: zij praten de scharen om en zij stenigden Paulus. Ik mag aannemen dat dat gaat over de Joden die ervoor zorgden dat de scharen dat gingen doen.⟨/p> ⟨p>Zij stenigden Paulus. Kijk, bij een eerdere gelegenheid lazen we nog, zojuist in Ikonium, dat ze wilden stenigen en dat Paulus en Barnabas daarom maakten dat ze wegkwamen. Maar hier stenigen zij hem echt. Paulus komt op deze gebeurtenis terug in de tweede brief aan de Korinthiërs. Wanneer hij in 2 Korinthe 11 terugkijkt op zijn carrière, op zijn loopbaan, zegt hij – dit is trouwens ongeveer veertien jaar later – dat hij van de Joden vijfmaal de veertig-min-één slagen heeft ontvangen en driemaal met de roede is gegeseld. En dan voegt hij eraan toe: "Eénmaal ben ik gestenigd." Dat is inderdaad bij deze gelegenheid hier in Lystra geweest. Eén keer ben ik gestenigd. Hij zegt er nog bij: driemaal heb ik schipbreuk geleden en een etmaal heb ik doorgebracht op volle zee. Het lijstje gaat nog aanzienlijk langer door, maar ik haal het hierom aan: één keer ben ik gestenigd, en dat was veertien jaar daarvoor in Lystra.⟨/p> ⟨p>Ze hebben Paulus dus gestenigd en sleepten hem vervolgens de stad uit, menende en veronderstellend dat hij gestorven was. En nu doet zich iets merkwaardigs voor, of in ieder geval dringt zich een vraag op: is dit de gelegenheid geweest dat hij is opgetrokken in de derde hemel? We lezen in 2 Korinthe 12 vers 2, dus diezelfde brief waaruit ik zojuist citeerde dat hij één keer gestenigd is: "Ik weet van een mens – het is veertien jaar geleden..." Hij heeft het over zichzelf, dat blijkt uit de context: "...die opgetrokken is geweest in de derde hemel. Hij heeft dingen gezien die het een mens niet geoorloofd zijn uit te spreken. God weet het, of het in het lichaam was of buiten het lichaam, ik weet het niet."⟨/p> ⟨p>Ik houd niet zo van de term 'bijna-doodervaring'. Er zijn vele verklaringen van mensen die zeggen dat het een kijkje is in wat de dood is, maar dat is natuurlijk sowieso uitgesloten. Een bijna-doodervaring zegt helemaal niets over de dood. Als je bijna geslaagd bent, dan zegt dat er nog niets over dat je geslaagd bent. Of begrippen als 'bijna zwanger'. Maar goed, zij meenden dat hij dood was. We weten dus dat hij een keer opgetrokken is geweest in de derde hemel en dat dit veertien jaar daarvoor was. Dat zou overeenkomen met deze periode, met de tijd dat hij hier inderdaad in Lystra was. Ik kan het niet bewijzen; het is door velen al geopperd en ik kan niet anders zeggen dan dat het heel aannemelijk is dat hij bij deze gelegenheid, toen men meende dat hij dood was, opgetrokken is geweest in de derde hemel. U ziet het, ik zet er een vraagteken achter. Ik kan het vanuit de Schrift niet bewijzen, of nog niet bewijzen. Misschien dat iemand anders daar wel een goed, echt sluitend argument voor heeft. Ja, daarom; dat is heel goed. Maar het is in elk geval een hele bijzondere gedachte: "Ik weet van een mens die veertien jaar geleden..." En dat zou dan overeenkomen met dit tijdstip. In elk geval is dat nog niet het einde.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-14" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5189" title="Speel af vanaf 01:26:29">▶ 01:26:29⟨/button> ⟨span>Paulus Staat op en Vertrekt Naar Derbe⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Men meende dat hij dood was. En dan staat er: "En toen de discipelen hem omringd hadden..." Dit is opmerkelijk, want het betekent dat Paulus daar in Lystra heeft geëvangeliseerd over de ene God en dat er discipelen waren; mensen die inmiddels gelovig waren geworden door zijn boodschap. De massa had hem gestenigd, maar niettemin waren er discipelen. Terwijl deze discipelen hem omringden, stond hij op. Men dacht dat hij dood was, maar hij stond op.⟨/p> ⟨p>Het woord dat hier gebruikt wordt is ⟨em>anastasis⟨/em>, hetzelfde woord dat altijd gebruikt wordt voor de opstanding uit de doden. Hij was als dood. Ik vind dit ook opmerkelijk omdat Paulus in al zijn brieven — die overigens allemaal na deze gebeurtenis geschreven zijn — zichzelf en trouwens ook alle gelovigen rekent als gestorven en toch levend. Bij Paulus was dat op dat moment met recht zo: hij was als gestorven, maar hij leefde. Dat is precies onze positie. Dit is dus typologisch; het is een wonder wat hier gebeurde, maar het is ook een teken, een wonderteken. Hij was als dood, maar in werkelijkheid levend. Dat is betekenisvol.⟨/p> ⟨p>Dat hij buiten de stad lag, is in wezen ook "buiten de legerplaats". In de legerplaats werd hij niet gerekend, maar buiten de legerplaats vindt die opstanding plaats en zij nemen dat inderdaad waar. Het is een uitbeelding van zijn boodschap: "Met Christus ben ik gestorven en toch leef ik; het is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij." Dit is feitelijk een uitbeelding daarvan.⟨/p> ⟨p>De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. Dat is een wonder dat echt een wonder is, want je leest helemaal niet dat hij moest herstellen. Je mag toch aannemen dat wanneer je gestenigd bent en men meent dat je dood bent, je flink gehavend bent. Toch ging hij de volgende dag al naar Derbe, dat negentig kilometer verderop ligt. Hij zal er wel een paar dagen over gedaan hebben, dat mag je aannemen, maar in elk geval onderneemt hij die reis dan.⟨/p> ⟨p>Wat daar vervolgens gebeurt, daar gaan we het de volgende keer over hebben, want ik zie dat het inmiddels vijf voor tien is. We moeten het hier dus bij laten. Ik had gedacht misschien het hele hoofdstuk te kunnen bespreken, maar zover is het niet gekomen. We zijn wel een heel eind gekomen, wel negentig kilometer verderop, om in de sfeer van de reis te blijven. We hebben een flinke reis ondernomen. Ik stel voor dat we deze avond zullen afsluiten met dankgebed.⟨/p> ⟨p>Machtige God en Vader, wij danken U dat we hier in alle rust bij elkaar mochten zijn om Uw Woord te overwegen. We mochten de woorden lezen, tot ons nemen en bestuderen die ooit door Lucas zijn opgetekend: geïnspireerde, levende woorden van U. Woorden die getuigen van een levende God en een levende Heer; een God die ook bewijst leven te geven, zoals Paulus dat aan den lijve heeft ondervonden en in zijn woorden daarvan mocht spreken en getuigen.⟨/p> ⟨p>Heer, we danken U dat we die ene levende God mogen kennen en dat dit de basis voor alles is. Het is voor ons een geweldige aanmoediging om ook in deze wereld te getuigen van wie U bent: de ene God die alles, maar dan ook werkelijk alles, in Zijn hand heeft en die ervoor garant staat dat alles tot een goed einde gebracht wordt. Heer, wij danken U dat we een woord van genade mogen brengen, een blijde tijding voor wie dan ook, wat hun reactie ook is. Zelfs al zouden ze ons stenigen of smaden, we hebben een blijde tijding voor wie het maar horen wil, en zelfs voor degenen die het niet horen willen.⟨/p> ⟨p>Wij hebben werkelijk een goed bericht en we danken U dat we ons daarin zelf ook elke dag mogen verblijden. Leer ons ook de vreugde, de volle vreugde daarvan steeds meer en meer te ontdekken, zodat Uw licht rijkelijk niet alleen in, maar ook door ons heen kan stralen. Zo danken we U voor alles, voor Uw Woord en voor wat U met macht doet in ons leven. In de naam van Uw Zoon, Christus Jezus. Amen.⟨/p>