⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op het Zevenvoudig Werk van God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In deze negende Bijbelstudie over Paulus' voetsporen, zoals we die tegenkomen in het boek Handelingen en zoals ze verhaald worden, stel ik voor dat we eerst even zoals gebruikelijk terugblikken. We zagen, om mij even te beperken tot de voorgaande avond, Handelingen 13 – de voorgaande avonden moet ik erbij zeggen, want het is inmiddels alweer de derde avond over Handelingen 13.⟨/p> ⟨p>Handelingen 13 is het grote kantelpunt. Er zijn er meer in het boek Handelingen aan te wijzen, maar Handelingen 13 komt daarvoor het meest in aanmerking. Daar wordt Saulus Paulus en daar vinden we ook de start van Paulus' zendingsarbeid onder de natiën. Die twee gegevens, die twee feiten, hebben ook alles met elkaar te maken. Want juist doordat Saulus Paulus wordt, is dat eigenlijk ook het startschot voor de zendingsarbeid onder de natiën. Paulus wendt zich tot de natiën juist door Israëls ongeloof. Dat is het kantelpunt en wat we de vorige keer hebben besproken, voor het grootste gedeelte althans die avond, is de toespraak die Paulus dan houdt in Antiochië. Dat was het Antiochië in Pisidië; ik heb u de vorige keer ook verteld dat er twee Antiochiës zijn: het grote in Syrië en het minder bekende, maar daar is hier in Handelingen 13 sprake van, in Pisidië. Dat is ergens in het midden van Klein-Azië, het huidige Turkije dus.⟨/p> ⟨p>Paulus houdt daar in Antiochië een toespraak in de synagoge. Wat we de vorige keer hebben gezien – u ziet die toespraak, dat is nogal een vrij lange weergave zoals we hem in het boek Handelingen aantreffen – is het eerste deel van de toespraak. We gaan daar vanavond mee verder. De vorige keer hebben we de toespraak bezien van vers 17 tot 25 en daarin wordt een zevenvoudig werk van de God van dit volk Israël beschreven. Dat wil zeggen: een zevenvoudig werk vanaf de vaderen, vanaf de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob tot aan de komst van Jezus Christus. Ik heb er de vorige keer geloof ik niet eens op gewezen dat dat in zeven facetten, zeven aspecten belicht wordt. Het is heel opmerkelijk dat juist in de toespraak door Paulus zo benadrukt wordt dat het de God van dit volk Israël is; ik bedoel, hij stond daar in de synagoge en hij kon dus spreken over ons volk, dit volk Israël. Wel, dit volk had God uitverkoren en Hij heeft in de geschiedenis zo Zijn stappen gezet; dat zijn heilsfeiten die ook bewezen zijn. God is het die aan het werk is. Dat is eigenlijk wat ik hier ook mee bedoel te zeggen: het accent ligt iedere keer op wat God gedaan heeft aan het volk.⟨/p> ⟨p>Ik zal ze straks ook even alle zeven laten zien. Het is een zevenvoudig werk en dat getal is op zich natuurlijk al markant genoeg, ook typerend voor wat God doet. Zeven staat voor volheid, voor volkomenheid, perfectie. Wist u trouwens dat het woord zeven in het Hebreeuws ook volkomenheid betekent? Het is niet alleen maar een getal, het betekent ook volheid. Die zeven aspecten, als u die bekijkt vanaf vers 17 tot 25, dan kun je ze zo traceren in de chronologische volgorde zoals we die nu laten zien.⟨/p> ⟨p>Dan begint Paulus te spreken over de verkiezing van de vaderen. Uiteraard hebben we het dan over een werk dat God doet. Hij koos Abraham uit, Hij koos Isaak uit en Hij koos Jakob uit. Zo ging de lijn voortgezet worden, maar dat was een verkiezingsdaad van Hem. En Hij gaf die vaderen, de aartsvaders, Zijn belofte. Vervolgens wordt er gesproken over – ik citeer verder niet en ik heb ook verder geen versnummers erbij vermeld, maar je kunt het heel gemakkelijk traceren vanaf Handelingen 13 vers 17 – de verkiezing van de vaderen en wat God aan het volk gedaan heeft in Egypte. Hij heeft het volk verhoogd, en daarbij wordt gedoeld op het feit dat Hij hen na die periode van verdrukking op een wonderbaarlijke wijze uit het land geleid heeft. Er staat ook bij, we hebben het er de vorige keer geloof ik nog over gehad: met hoge arm.⟨/p> ⟨p>Dan wordt vervolgens verhaald door Paulus over Gods zorg gedurende de veertigjarige periode dat zij door de woestijn trokken op weg naar het land. Op een wonderbaarlijke wijze heeft Hij hen ook die tijd gedragen, 'als op arendsvleugelen' lezen we. Dan wordt vervolgens gesproken over hoe het land is bezet en hoe zeven volkeren ten onder gegaan zijn. Het was namelijk niet alleen maar een vervulling van een belofte wat er toen gebeurde, maar God had zelfs op het jaar nauwkeurig gezegd dat Hij Zijn oordeel zou voltrekken aan de Amorieten. Hij had tegen Abraham gezegd dat zij pas na vierhonderd jaren zouden terugkeren naar het land, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol. Dan zouden die volken die daar huisten, die daar hun plekje hadden, worden uitgeroeid en ten onder gaan. Dat gebeurde trouwens gedeeltelijk; Israël was daar erg onwillig in om dat te doen. Maar in elk geval, die zeven volkeren zijn verdreven en het land is verdeeld. Er wordt gesproken over een lotsdeling van het land. Deze hele periode duurt, dat zegt Paulus er dan ook nog bij, ongeveer 450 jaar vanaf de verkiezing van de vaderen tot aan de lotsdeling van het land.⟨/p> ⟨p>Dan wordt er gesproken over de periode van de richters tot aan Samuël aan toe. En dan de koningen, eerst Saul en vervolgens David; de koningen die God gaf. Het is opmerkelijk, maar die hele periode vanaf Abraham tot Christus is een periode van 2000 jaar. Abraham leefde zo'n 2000 jaar voor Christus. Hier wordt met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van Israël gegaan tot aan David aan toe. Deze periode duurt 1000 jaar, dus van 2000 voor Christus tot aan David. David leefde 1000 jaar voor Christus. Die 1000 jaren worden dus in stappen beschreven, maar vervolgens worden de daaropvolgende duizend jaren, dus de hele koningenperiode vanaf Salomo, helemaal overgeslagen. Bij nummer zeven komen we uiteindelijk bij de Zoon van David, maar dan wordt die periode van een millennium overgeslagen. Dus van David wordt meteen overgesprongen naar de Zoon van David.⟨/p> ⟨p>Nu begrijpt u ook meteen de logica als ik het zo zeg. Want David gaf God aan het volk als koning en daarmee vestigde Hij, creëerde Hij een koningshuis, een dynastie. Eigenlijk waren alle resterende of navolgende koningen feitelijk in het grote perspectief niet interessant, want het ging vervolgens om de enige echte Zoon van David. En dat is de nummer zeven. Wist u trouwens dat David ook een zevende was? Hij wordt genoemd de zevende zoon van Isaï.⟨/p> ⟨p>Vervolgens wordt er dan gesproken over de komst van de Redder. Dat is het laatste waar we het de vorige keer ook over gehad hebben. De terminologie die ik hier iedere keer bezig, zijn termen, woorden en begrippen die gebruikt worden door Paulus in deze toespraak. We hebben dat de vorige keer ook gezien. Dan krijg je dus de komst van de Redder, dat wil zeggen de Zoon van David; Hij die uit het zaad van David is, zo wordt het ook genoemd. Er wordt ook nog gesproken over Johannes de Doper, die Hem de weg bereid had, Hem al aangekondigd had en Hem heeft aanbevolen. Welnu, dat zijn de dingen die de God van Israël aan het volk heeft gedaan. Zover waren we gekomen; dit was dus het eerste deel van die toespraak en dan gaan we nu de draad oppakken bij vers 26.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="591" title="Speel af vanaf 09:51">▶ 09:51⟨/button> ⟨span>Aan de Erfgenamen Is het Woord Der Redding Gezonden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Je ziet ook meteen dat hier een nieuw gedeelte aanvangt in de toespraak, want dan zegt Paulus: "Mannen broeders." Daar in die synagoge van Antiochië klinkt het: "Mannen broeders, zonen van het geslacht." Let op dat woord "zonen", want dat heeft in de Bijbel niet alleen de betekenis van nageslacht, maar vooral de betekenis van erfgenamen. Een zoon is een erfgenaam. Dat betekent dus: jullie zijn niet zomaar nageslacht, maar echt erfgenamen van Abraham, van het geslacht van Abraham.⟨/p> ⟨p>Hier wordt een speciaal woord gebruikt dat in de Concordante Weergave wordt vertaald met "ras" en elders met "soort". Het is een specifiek woord, zoals wij daar trouwens ook over spreken: over rassen en soorten. Feitelijk is het nageslacht van Abraham een ras. Wanneer wij spreken over antisemitisme, dan is dat de haat tegen dat nageslacht. Nu wordt het wat ingewikkelder, want antisemitisme betekent eigenlijk: "tegen Sem". Sem was een van de zonen van Noach, en uit Sem kwam uiteindelijk Terag voort, waar Abraham weer uit voortkwam. Sem vormt dus de verkiezende lijn: Noach, Sem.⟨/p> ⟨p>Het loutere feit dat God met het nageslacht van Sem verdergaat, is veelzeggend, want "Sem" betekent "naam". Het Hebreeuwse woord voor "de naam" is Shem. Als Joden het over de naam van God hebben, dan noemen ze Zijn naam niet uit eerbied, maar dan zeggen ze Hashem: De Naam. God heeft Zijn naam verbonden aan dat soort, aan dat ras. Uiteindelijk is dat iedere keer nader toegespitst: Isaak, niet Ismaël; vervolgens Jakob, niet Ezau, en zo gaat het verder. God heeft Zijn naam daaraan verbonden, aan dat ras, aan dat soort. Feitelijk is antisemitisme dus veel meer dan alleen maar een haat tegen het nageslacht van Abraham; het is een haat tegen de Naam. Dat zit erachter. Je kunt natuurlijk zeggen dat het vaak kift is omdat ze een stuk slimmer zijn en veel meer geld hebben, en alles wat er over Joden gezegd wordt, maar wat er echt achter de coulissen speelt, is daadwerkelijk het verzet en de haat tegen de Naam. Het gaat om God die Zijn naam verbonden heeft aan dat soort, aan dat ras.⟨/p> ⟨p>Paulus spreekt hen dus aan als erfgenamen, zonen van het ras van Abraham. Maar hij spreekt nog meer mensen aan daar in de synagoge: "vereerders van God onder u". Letterlijk zijn dat degenen onder u die de God vrezen. Dat waren niet alleen Joden, maar ook mensen die geïnteresseerd waren en die, hoewel ze geen Jood of Jodengenoot waren — ze hadden zich niet laten besnijden en gingen niet mee in alle Joodse gebruiken — wel de God vereerden.⟨/p> ⟨p>Dat zij "de God vereren" is nog mooier, want er staat "vrezende". Waarschijnlijk onderscheid je, zelfs als je geen Griekse letters kent, dat hier het woord phobos of phobeo gebruikt wordt. Ons woord "fobie" komt daarvandaan. Het is dus met recht "vrezen", maar dan niet in de zin van bang zijn voor of weglopen van God, maar in de zin van heilig ontzag. Ik vind dat woord veelzeggend, zeker in combinatie met "de God". Als we het hebben over God, dan is Hij Degene die zo ontzagwekkend is. Hij laat niet met Zich spotten; Hij doet wat Hij wil en vervult wat Hij belooft. Hij is het die alles beschikt en alles op zijn plek zet. De vreze des Heren — het hebben van heilig ontzag voor deze God — is de essentie van het kennen van Hem. Als je God kent, dan vrees je Hem; dan heb je heilig ontzag voor wie Hij is.⟨/p> ⟨p>Hij spreekt dus het ras van Abraham aan en de vereerders van God onder hen: "Aan ons is deze heilsboodschap gezonden." Letterlijk staat er: "het woord van de redding". Aan hen werd dit woord gedelegeerd. God had juist dit volk op het oog en nu heeft Hij een woord voor hen, een woord van redding, en dat gaat hij nu motiveren.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="941" title="Speel af vanaf 15:41">▶ 15:41⟨/button> ⟨span>De Onwetendheid van de Leiders Vervult de Profeten⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten, die hebben Hem – namelijk die Redder, Jezus – niet erkend. Dat 'niet erkennen' is eigenlijk niet het woord dat hier staat; het gaat niet over erkennen, maar letterlijk staat er dat zij 'onwetend zijnde' of 'onbekend zijnd' waren. Dat wil zeggen: ze hebben Hem niet herkend. Het gaat niet om het feit dat ze Hem niet hebben erkend – hoewel dat natuurlijk ook zo was – maar ze hebben Hem simpelweg niet herkend. Ze hadden geen benul van wie Hij was.⟨/p> ⟨p>Zij die te Jeruzalem wonen en de oversten worden hier in het algemeen, generaliserend genoemd. Er waren altijd uitzonderingen, denk aan Nicodemus of Jozef van Arimathea, maar over het algemeen hebben ze Hem niet herkend. En dat is bijzonder, want zij hoorden de uitspraken van de profeten, de stemmen, de geluiden; dat wat de profeten allemaal hebben gemeld. Het zijn profeten die elke sabbat worden voorgelezen. Ze waren er zo vertrouwd mee! Elke sabbat worden die woorden voorgelezen en door de week was men met die woorden bezig. En niettemin hebben ze Hem niet herkend. Nu was Hij in hun midden, Degene die de profeten hadden aangekondigd, en ze hebben Hem niet herkend.⟨/p> ⟨p>Sterker nog, door hun oordeel hebben ze Jezus veroordeeld. Ze hebben geoordeeld dat Hij moest sterven en gekruisigd worden, en juist daardoor hebben ze de profeten juist vervuld. Je krijgt dus deze gedachte: zij in Jeruzalem en de oversten lezen elke sabbat de woorden van de profeten, maar ze herkennen niet Degene die is voorzegd. Hij was nu eindelijk in hun midden; honderden jaren, duizenden jaren lang was Hij verwacht. Hij zou komen. Er was een profiel van Hem geschetst in de profeten en in de Tenach in het algemeen, en toch herkennen ze Hem niet. En juist doordat ze Hem niet herkennen, vervullen ze de woorden van de profeten. Ze lezen de profeten, maar Degene die aangekondigd wordt, herkennen ze niet alleen niet, ze veroordelen Hem ook en hangen Hem aan een hout. Juist daarmee vervulden ze wat de profeten hadden gezegd.⟨/p> ⟨p>Denk daar eens over na. Laat het op u inwerken wat dat betekent. Zij waren zo intensief bezig met die Bijbel, en wanneer Hij dan komt, herkennen ze Hem niet. En dat is precies wat er al in die Bijbel stond! Het betekent dus dat ze, ondanks hun intensieve omgang met de Schrift, geen notie hadden van wat er werkelijk in stond. Je zou misschien zeggen dat dit de eenvoudigen onder hen waren, maar nee, juist niet. In de evangeliën lees je dat de Heer Jezus in een gebed zegt: "Vader, Ik dank U dat Gij dit voor wijze en verstandige – de intellectuelen, degenen die ervoor geleerd hebben – verborgen hebt en aan kinderkens geopenbaard." Aan de eenvoudigen, die misschien niet in tel waren en naar wie men niet luisterde, aan hen was het juist geopenbaard. Maar de wijzen en verstandigen, degenen die ervoor geleerd hadden en de status hadden, zoals de oversten, zagen het niet.⟨/p> ⟨p>Vergis u niet, als we het hebben over de oversten in Jeruzalem, dan hebben we het vooral over de religieuze oversten. Het Sanhedrin, de schriftgeleerden en de farizeeën; dat waren de religieuze autoriteiten. Zij waren beroepsmatig met de Bijbel bezig en hadden daar hun status aan ontleend. Juist zij bleken totaal niet op de hoogte van wat er werkelijk in die Schrift stond. En doordat zij Hem kruisigden, vervulden ze wel de woorden van de profeten. Het ging allemaal volgens plan.⟨/p> ⟨p>Het is vreemd hoe dat kan gaan. Ik zeg vreemd, maar terwijl ik het zo vertel, denk ik bij mezelf: is het wel zo vreemd? Is het vandaag de dag namelijk niet net zo? Men is beroepsmatig bezig met de Bijbel, ontleent daar status aan, bestudeert het niet alleen maar verkondigt het ook, legt het vast in belijdenisgeschriften en raakt vervolgens volledig het spoor bijster. Ja, ik moet daar toch regelmatig aan denken. Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat het zo kon gaan, maar terwijl je je erover verbaast, moet je vaststellen dat het niet anders is in onze dagen. Het Evangelie zoals dat staat opgetekend in de brieven, en zoals de apostel van de natiën dat heeft doorgegeven, is vaak volledig onbekend. En als je het vertelt, dan wordt het veroordeeld en als ketterij terzijde geschoven.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 3 lees je ook dat zij volledig onkundig waren. Petrus zegt daar – en ik zal Petrus vanavond nog wel vaker aanhalen uit het boek Handelingen, want daar vind je veel toespraken van hem, terwijl je vanaf hoofdstuk 13 uitsluitend toespraken van Paulus vindt, wat ook weer die overgang laat zien waarin Petrus het stokje overdraagt aan Paulus – Petrus zegt op het tempelplein na de genezing van de verlamde man bij de Schone Poort: "En nu broeders, ik weet dat jullie uit onkunde hebben gehandeld, gelijk ook uw oversten." Jullie wisten niet waar je mee bezig waren. Jullie hebben dat als volk gedaan en ook jullie oversten wisten het niet. Maar let op wat er dan volgt: "Maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, namelijk dat Zijn Christus moest lijden."⟨/p> ⟨p>Het lautere feit dat het volk en de leiding van het volk Hem officieel hebben afgewezen en onkundig waren over wie Hij was, heeft God juist gebruikt om in vervulling te doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren had geboodschapt. Het moest zo gaan. In Handelingen 2 staat dat het was naar de 'bepaalde raad en voorkennis van God'. Dat wil zeggen dat God het niet alleen van tevoren wist – dat is logisch – maar dat het ook naar Zijn plan was en Hij het zo had voorbeschikt. En dat volk dat het moest uitvoeren, was bezig met die Bijbel en ze waren er blind voor. Er lag een bedekking op; ze lazen het, maar ze zagen het niet. Terwijl ze zoveel kennis in huis hadden en schriftgeleerden waren, bleven ze onkundig over de vervulling. Zoals staat in Handelingen 13 vers 27: door hun oordeel hebben het volk en de oversten vervuld wat er tevoren al stond geschreven. Het stond allemaal genoteerd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1535" title="Speel af vanaf 25:35">▶ 25:35⟨/button> ⟨span>Onschuldig Veroordeeld en in het Graf Gelegd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En hoewel zij, het volk en hun oversten, geen grond vonden voor de doodstraf – of letterlijk gezegd: voor de doodstraf geen grond, geen enkele reden van dood konden vinden – leest u dat in Lukas 23 vers 4. Als het volk in de vroegte bij het gerechtshof is gekomen, bij het paleis van Pilatus, dan zegt Pilatus tot de overpriesters (de hogepriesters, dat was echt de 'upper ten') en bovendien tot de scharen: "Ik vind niets strafbaars in deze mens."⟨/p> ⟨p>Dit vond plaats op de 14e Nisan, de dag dat het paaslam geslacht moest worden. Dat stond allemaal al genoteerd. Dit was de dag dat de overpriesters het lam brachten en zeiden dat Hij ter dood gebracht moest worden. Dat is opmerkelijk. En dan zegt notabene Pilatus: "Ik vind niets strafbaars in Hem." Het moest via die weg gaan, want Israël was bezet en was zelf niet gerechtigd – het Sanhedrin was niet gerechtigd – om een doodvonnis uit te voeren. Daarom moesten ze bij Pilatus wezen. Maar Pilatus waste zijn handen in onschuld.⟨/p> ⟨p>U kent dit plaatje misschien wel. Ik herinner me dat ik vroeger zo’n boekje had met veel van dit soort platen, en dit heet Ecce Homo. Dat wil zeggen: "Zie de mens". Dat is een uitspraak van Pilatus; in het Latijn zegt hij dat. Hij was een Romeinse stadhouder. "Zie de mens" – hij had Hem laten geselen, eigenlijk om de menigte tegemoet te komen: is dit dan misschien niet genoeg? Ik heb vaak met verbazing naar dit schilderij gekeken; ik vond het een schitterend schilderij, prachtig. Je ziet hoe dit als het ware in de vroege ochtend is getekend.⟨/p> ⟨p>In ieder geval hebben zij Pilatus gevraagd om Hem ter dood te brengen. Wanneer Jezus voor de Joodse Raad en voor het Sanhedrin gevoerd wordt, dan lees je dat er volgens het rechtsproces getuigen moesten optreden. Er bleken voortdurend alleen maar valse getuigen te zijn, getuigen die elkaar tegenspreken. Er moesten minimaal twee getuigen zijn om een zaak vast te laten staan, dus ze konden niets vinden. Het was volkomen illegaal wat daar gaande was. Uiteindelijk zijn ze naar Pilatus gegaan en die zegt: "Ik vind geen schuld." Hij wast zijn handen. De uitdrukking "je handen in onschuld wassen" is ontleend aan deze geschiedenis van Pilatus die dat dan ook doet. Hij zegt: "Mijn handen zijn schoon." In de politiek wordt die term ook vaak gebruikt, dat men zegt dat je in de politiek soms wel vieze handen moet maken. Dat denk ik ook: niet alleen vieze handen, maar volgens mij ook een heel belast geweten.⟨/p> ⟨p>Pilatus wilde hier helemaal niet aan. Het is Israël, het Joodse volk, dat dit gedaan heeft. Ik weet dat hier soms vreselijke antisemitische conclusies uitgetrokken zijn, maar het neemt niet weg dat Paulus dit ook naar voren brengt: "Júllie hebben het gedaan!" De Romeinen hebben het uitgevoerd, zij waren slap natuurlijk, maar het is op initiatief van jullie geweest dat Jezus inderdaad ter dood is gebracht. En dan staat er nog bij: "En toen zij alles volbracht hadden" – dat gaat over het volk en de oversten – "wat van Hem geschreven stond." Ik verwijs hier naar Psalm 22 en Jesaja 53; dat zijn misschien wel de bekendste passages, maar er zijn er zoveel meer. Talloze psalmen en passages in de profeten, maar ook alle verwijzingen in de offerdienst en de tempeldienst hadden betrekking op Hem die zou komen, die zou lijden, sterven en verworpen zou worden door Zijn eigen volk.⟨/p> ⟨p>Zij hebben alles volbracht wat van Hem geschreven stond. Om Psalm 22 even in herinnering te brengen: dat zij Zijn handen en voeten doorboorden. Dat is een psalm van David, duizend jaar voor Christus wordt dat al voorzegd: dat ze de Messias de handen en voeten zouden doorboren. Er wordt dus gewoon verwezen naar kruisiging. Er wordt gesproken over het verdelen van Zijn klederen en dat Hij aan de natiën, aan de honden, zou worden overgeleverd en dat ze Hem zouden bespotten. "Wij hielden Hem allen voor een..." – dat is Jesaja 53 – "wij hielden Hem voor een door God geplaagde, maar om onze overtredingen werd Hij doorboord." Als een lam werd Hij ter slachting geleid, als een schaap dat stom is voor zijn scheerders. Het kwam ook letterlijk uit: toen Hij zowel voor het Sanhedrin als voor Pilatus kwam, werden er vragen gesteld en Hij antwoordde niet. Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Al die dingen stonden van tevoren geschreven en het is vervuld.⟨/p> ⟨p>Zij hebben dat alles door hun afwijzing, door hun niet-herkennen, door hun oordeel vervuld. Zo is gerealiseerd wat er stond geschreven. Dat is zo geweldig: wat God laat optekenen, wordt altijd minutieus vervuld. Er is niets wat uitgaat boven de Schriften; die waarheid staat vast en niemand kan zich daar meester van maken. Zo'n hele geschiedenis bewijst dat ook. Notabene als je je er helemaal in bekwaamt en je status ontleent aan academische bevoegdheden door het bestuderen van de Bijbel, juist dan blijkt dat je volkomen onwetend bent. Het is dus niet ons intellect dat zich even meester kan maken van de Bijbel.⟨/p> ⟨p>Sterker nog, en ik heb dat vaak gezien, zodra mensen theologie gaan studeren – het wordt me niet altijd in dank afgenomen – loopt het vaak verkeerd af. Iemand was onlangs zo bezig, was gelovig geworden en wilde meer van de Bijbel weten. Dan is het heel logisch dat je denkt: "Ik ga theologie studeren, want dat betekent toch God leren kennen?" Het is een fatale keuze. Want als er iets is wat je van de Schrift afvoert en van het kennen van Hem, dan is het juist de orthodoxe of vrijzinnige theologie. Het is vreselijk wat er officieel gedebiteerd wordt; het voert af van de Schriften. Een menselijk intellect kan niet zeggen: "Wij hebben die Bijbel door." Om het werkelijk te verstaan moet je een kind zijn en geloven wat er staat.⟨/p> ⟨p>Toen ze alles volbracht hadden wat van Hem geschreven stond, namen ze Hem af van het hout – de spijkers uit de handen en uit de voeten – en ze legden Hem in een graf. Ze hebben Hem geplaatst in een grafgewelf. In de interlineaire staat: in een uit de rotsen gehouwen graf waar nog niet eerder iemand in gelegd was. Ik hoorde dat Ton van Twaalt onlangs op Facebook een berichtje plaatste. Dat was een grapje over Jozef van Arimathea die 's avonds thuiskomt en met zijn vrouw bespreekt dat er iemand in hun nieuwe graf komt te liggen. Zijn vrouw maakt dan bedenkingen of ze dat wel zouden moeten doen.⟨/p> ⟨p>En toen zei Jozef van Arimathea: "Joh, het is toch maar voor drie dagen." Die is erg leuk, omdat het aangeeft dat Hij weliswaar dood was, maar godzijdank tijdelijk. Het grapje klopt trouwens niet natuurlijk, want Jozef van Arimathea wist dat op dat moment helemaal niet, maar het demonstreert wel erg goed wat voor Messias wij kennen.⟨/p> ⟨p>Ze namen Hem af van het hout en ze legden Hem in dat graf. U moet zich trouwens voorstellen dat wanneer Paulus deze toespraak houdt in Antiochië, hij ervan kon uitgaan dat velen daar totaal niet op de hoogte waren van deze gang van zaken en van wat er allemaal al had plaatsgevonden. Paulus meldde dit allemaal als vervolg op de geschiedenis die zij al wel kenden. Ik bedoel, die kenden ze vanuit de Tenach, maar nu vertelt hij dit.⟨/p> ⟨p>Afijn, ze namen Hem af van het hout en ze legden Hem in een graf. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2250" title="Speel af vanaf 37:30">▶ 37:30⟨/button> ⟨span>Maar God Wekte Hem op uit de Doden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit is zo opmerkelijk in het boek Handelingen: die tegenstelling. Altijd is het zo dat de mens hem ter dood veroordeelde en hem aan het kruis nagelde, maar God heeft hem uit de doden opgewekt. In de voorgaande verzen zagen we vooral wat het volk gedaan heeft. Natuurlijk hebben zij, naar de bepaalde raad en voorkennis van God, uiteindelijk vervuld wat God zelf deed — dat weet ik wel — maar zij deden dat. Het voorgaande was het menselijke aandeel. De mens bracht hem ter dood, maar God heeft hem uit de doden opgewekt. De mens brengt in de dood, God brengt leven uit de dood.⟨/p> ⟨p>Nu citeerde ik het zojuist al even vrij uit het hoofd, maar hier heb ik nog een diaatje. Dat is Petrus, die zegt over de Messias: "Deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood." 'Wetteloos' betekent hier: zij die de wet niet hebben; zij die de wet van Mozes, de Torah, niet hebben. Heidenen dus. Jullie hebben door de handen van wetteloze mensen hem aan het kruis genageld en gedood. Wat je hier dus ook ziet, is dat Petrus het volk daarvoor verantwoordelijk houdt. Het is door middel van de natiën gebeurd die het uitgevoerd hebben, maar zij hebben het initiatief daartoe genomen. Aan het kruis genageld en gedood, en dan staat er vervolgens: "God evenwel heeft hem opgewekt." Exact hetzelfde verhaal.⟨/p> ⟨p>Ik geef u nu twee voorbeelden, maar ik zou zo nog vier of vijf voorbeelden meer kunnen geven uit ditzelfde boek Handelingen. Ik heb het nu niet paraat, maar in Handelingen 4 en 5 vind je het ook, en in Handelingen 10 ook nog. Iedere keer dat accent: de mens — of meer specifiek het volk Israël — die dat door middel van heidense mensen uitgevoerd heeft, maar God heeft hem uit de doden opgewekt.⟨/p> ⟨p>En dan: "Hij is gedurende vele dagen..." Eigenlijk staat er op meerdere dagen, en we weten uit Handelingen 1 vers 3 dat dat er veertig waren. Veertig dagen is hij verschenen. Er staat letterlijk dat hij werd gezien op meerdere dagen gedurende die periode van veertig dagen na zijn opstanding, aan hen die met hem van Galilea naar Jeruzalem opgegaan waren. Dat 'opgaan' moet je heel letterlijk zien. Het Meer van Galilea ligt heel diep — een paar honderd meter beneden de zeespiegel — en als je naar Jeruzalem toe gaat, dan trek je met recht op; dat is naar een veel hoger niveau. Het gaat hier met name over de twaalf en zij die in de kringen daaromheen waren. Er staat bij dat zij thans getuigen van hem zijn bij het volk. Nog steeds dus.⟨/p> ⟨p>Getuigen is een juridisch begrip. Ons woord 'martelaar' is daarvan afgeleid, maar een getuige is een ooggetuige. Het is niet zomaar iemand die spreekt. In juridische termen betekent een getuige een ooggetuige, iemand die iets heeft waargenomen. Als je bijvoorbeeld een ongeluk hebt gezien en je wordt voor de rechtbank als ooggetuige geroepen, dan mag je onder ede vertellen wat je hebt waargenomen. Dat moet een betrouwbaar verslag zijn. Zij waren dus met recht getuigen van de Opgestane. Hij is gedurende meerdere dagen verschenen aan hen die thans daarvan getuigenis afleggen, die dat zelf hebben meegemaakt en gezien.⟨/p> ⟨p>Zij zijn getuigen van hem "bij het volk", staat er nog bij. Dat is ook mooi, want dat betekent de twaalf, die gezonden werden tot Israël. Paulus ging nu naar de natiën; hij was weliswaar in een synagoge, maar hij ging naar het buitenland, naar de natiën toe. Maar zij die met de Heer waren opgetrokken, de twaalf aan wie hij was verschenen gedurende die veertig dagen, getuigden nu bij het volk, bij Israël. Zij waren de apostelen van de besnijdenis. De twaalf dus, want twaalf is het getal dat gelinkt is aan het volk, de twaalf stammen.⟨/p> ⟨p>Dan neem ik u mee naar Handelingen 10. Daar is Petrus weer aan het woord — ik zei al: tot en met Handelingen 10 vind je alleen maar toespraken van Petrus. Hij is dan in het huis van Cornelius en zegt in vers 40: "Hem" — hij heeft het over Jezus — "heeft God ten derde dagen opgewekt." Hier zie je precies weer waar ik zojuist aan refereerde: zij hebben hem omgebracht, maar God heeft hem opgewekt, en wel op de derde dag.⟨/p> ⟨p>En hij heeft gegeven dat hij verscheen — dat hij gezien werd — niet aan het hele volk. Dat gaat de Heer trouwens wel bij gelegenheid doen, maar dat is in latere instantie. Dan zal hij verschijnen aan het hele volk. Toen was het daarvoor nog niet de tijd. Hij is niet verschenen aan het hele volk, maar aan de getuigen die door God tevoren gekozen waren. "Aan ons", zegt Petrus dan, "ik ben een van die twaalf die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de doden was opgestaan." Gedurende die veertig dagen dus. We hebben hem gezien. Johannes zegt later: "We hebben hem gezien, we hebben hem aanschouwd, we hebben hem met onze eigen handen zelfs getast." Met hem gegeten en gedronken, zodat zij met recht echt ooggetuigen waren. In werkelijkheid was die groep nog veel groter; er waren er zelfs meer dan vijfhonderd. Er waren dus veel meer ooggetuigen, maar zij waren degenen die geroepen waren om dat aan het volk te betuigen.⟨/p> ⟨p>En dan staat er nog bij: "En hij, die uit de doden was opgestaan" — Jezus dus — "heeft ons, de twaalf, geboden het volk te prediken en te betuigen dat hij het is van wie de profeten gesproken hebben." Aan wie moesten zij dat vertellen? Aan het volk. Als het volk zou geloven en tot acceptatie van de Messias zou komen — dat was in feite de prediking van Petrus — dan zou de Christus ook komen en zijn koninkrijk aanvangen in Jeruzalem. Dan zou vervolgens de boodschap ook naar alle andere natiën gaan. Dat was het evangelie van de besnijdenis dat Petrus predikte.⟨/p> ⟨p>Ons is geboden het volk te prediken, en dat hebben ze gedaan. Inmiddels, nu in Handelingen 10, was wel duidelijk geworden dat het volk het niet accepteerde. Een hoofdstuk eerder was Saulus van Tarsus geroepen. Je ziet de lijnen zich aftekenen: aan de ene kant de aanwijzing onder het volk, en dan vervolgens dat God een dertiende apostel buiten het land roept om naar de natiën te gaan. Niet vanwege het geloof van Israël, maar juist vanwege het ongeloof van Israël. Dat is een compleet ander verhaal, een geheimenis. Een hele wending in de geschiedenis.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2847" title="Speel af vanaf 47:27">▶ 47:27⟨/button> ⟨span>De Kern van het Evangelie: de Belofte Is Vervuld⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus zet dit zo uiteen in Antiochië. "Wij verkondigen jullie" – of eigenlijk staat er, je ziet het hier: wij brengen het goede bericht, ofwel: wij evangeliseren jullie. Het is niet zomaar verkondigen, nee, het is evangeliseren. Wij vertellen jullie het evangelie. Zoals ik onlangs elders naar voren heb gebracht: eigenlijk staat daar dus: wij "goed-berichtiseren" jullie. Wij maken dat jullie niet alleen maar een goed bericht kennen, maar het zorgt er ook voor dat degene die het gelooft, zelf ook weer dat goede bericht doorgeeft.⟨/p> ⟨p>Wij evangeliseren jullie dat God de belofte die aan de vaderen geschied is – dat wil zeggen: God heeft die beloften al aan de aartsvaders gegeven en sindsdien vele malen bevestigd en laten optekenen – dat die belofte is gegeven. Paulus zegt: "Ik heb een goede tijding voor jullie." De belofte die al zo lang geleden gedaan is, die is inmiddels aan hun kinderen, aan hun nageslacht, vervuld. Deze heeft God volledig vervuld. Er wordt hier een sterk woord gebruikt voor vervullen: Hij heeft het volkomen vervuld. Hij heeft waargemaakt wat Hij beloofd heeft.⟨/p> ⟨p>"Davids zoon", zegt een kerstlied, "lang verwacht". Hij was lang verwacht en nu is de blijde tijding: Hij is er! Hij is gekomen. Hoezo? Wel, God heeft vervuld wat Hij beloofd heeft. In feite is dat iedere keer in het boek Handelingen de essentie van het evangelie: de belofte kenden ze, en nu werd er verteld dat de belofte is gerealiseerd. Dat komen we jullie melden, en dat is een blijde tijding. God heeft de belofte die aan de vaderen geschied is aan ons, hun kinderen, volkomen vervuld door Jezus op te wekken. Feitelijk is dat het evangelie.⟨/p> ⟨p>Let op! Wat is het evangelie? Dat de belofte nu gerealiseerd is. En wat is de inhoud van die belofte? Wel, dat Jezus is opgewekt uit de doden. Het evangelie is niet alleen dat Hij stierf – ja, dat is niet helemaal onwaar – maar de essentie is dat Hij opstond uit de doden. Het loutere feit dat Hij opstond uit de doden veronderstelt uiteraard dat Hij ook stierf. Ik bedoel daar helemaal niet mee te zeggen dat Zijn dood of Zijn sterven van minder belang zou zijn, maar de essentie is wat God gedaan heeft, namelijk door Jezus – Yahweh is Redder – op te wekken uit de doden.⟨/p> ⟨p>Dat gaat Paulus dan ook motiveren vanuit de Tenach. Hij is daar in de synagoge en hij legt de "bonnetjes" er ook bij. Het is opmerkelijk: als hij gaat spreken over de opstanding van Jezus uit de doden, voert hij drie getuigen uit de Tenach op en zegt: "Kijk, daar staat het, daar staat het, daar staat het." Hij had er trouwens nog veel meer kunnen opvoeren, maar dat is wat hij doet. Hij bewijst dus alles wat hij vertelt. Alles? Ja. Alleen, die mensen gebruiken die dit voor hen is... nou, dat is niet "genenigd" hoor. Nee, dat is toch prachtig! Ik vind het geweldig. Dat is trouwens ook typerend voor een goed bericht. Waarom het een goed bericht is? God is het die het belooft, doet en realiseert.⟨/p> ⟨p>Nou, dan pakken we straks de draad weer op en dan zullen we het eens over Paulus' referenties hebben; waaraan hij refereert als hij het hierover heeft. We zullen eerst even een kopje koffie drinken.⟨/p> ⟨p>We hadden het dus over de toespraak van Paulus in de synagoge van Antiochië. Hij had gezegd dat God eindelijk de belofte die aan de vaderen geschied was, vervuld heeft, volledig vervuld heeft. Het evangelie is de blijde tijding dat God nu Jezus heeft opgewekt en dat dit de vervulling van de belofte is. Dat is de essentie. Wat Paulus daarmee zegt is in feite: we hebben een levende Messias. God heeft Hem opgewekt en dan gaat hij dat motiveren.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3153" title="Speel af vanaf 52:33">▶ 52:33⟨/button> ⟨span>Psalm 2: Heden uit de Doden Verwekt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij laat dat zien vanuit de Schriften en dan begint hij met een citaat uit de tweede Psalm. Hij zegt dan in vers 33: "Gelijk in de tweede Psalm geschreven staat." En ik kan u verklappen dat het om vers 7 gaat wat hij nu gaat aanhalen: Psalm 2 vers 7. Dat is een woord dat nogal eens een keer aangehaald wordt in het Nieuwe Testament, of waaraan op andere wijze wordt gerefereerd of gezinspeeld zonder dat het echt een citaat betreft. U herinnert zich misschien – in elk geval ik herinner het me nog wel vrij goed – dat we het over Hebreeën 1 en 2 gehad hebben, en daar wordt dit ook aangehaald en zelfs vrij breed uitgelegd.⟨/p> ⟨p>Hier vinden we dus dat citaat uit Psalm 2. Het is een schitterende Psalm, ook zo’n profetische Psalm. U weet wel, die Psalm begint met: "Waarom woelen de natiën en zinnen de volkeren op ijdelheid?" Ze spannen dan samen; het is een profetie over wat er in de toekomst gaat gebeuren als alle volkeren ten strijde zullen trekken tegen Israël en naar het Midden-Oosten zullen gaan. Dan lees je dat God het woord neemt en dan zegt Hij – want dat is het citaat: "Mijn Zoon zijt Gij, Ik heb U heden verwekt." Dat "Mijn" gaat over Yahweh. Als u leest in Psalm 2 vers 7, daar staat: "Ik zal gewagen van het besluit des Heren, van het besluit van Yahweh." Yahweh wordt hier sprekend ingevoerd als Hij zegt: "Mijn Zoon zijt Gij". Dan is het Yahweh die spreekt: "Mijn Zoon ben jij – of ja, ben jij, bent U – Ik heb u heden verwekt."⟨/p> ⟨p>Dat "heden" slaat op de opstanding. Want er stond natuurlijk – laten we even goed lezen: "Wij evangeliseren u, dat God de belofte die aan de vaderen geschied is, aan ons hun kinderen vervuld heeft, namelijk door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede Psalm geschreven staat: Mijn Zoon zijt Gij, Ik heb U heden verwekt." Dus dat "heden verwekt" slaat op de opstanding. Dat heden is dus de dag dat Hij werd verwekt. Niet bij Maria, nee, verwekt uit de doden. Natuurlijk was Hij al de Zoon sinds Hij verwekt was uit Maria; toen was Hij letterlijk de Zoon van God. Maar vervolgens is Hij nog een keer verwekt, namelijk toen Hij drie dagen dood was en God Hem opwekte uit de doden. Daar slaat dat "heden verwekt" op. Toen sprak God op die dag Zijn Zoon aan met: "Ik heb je heden verwekt." Feitelijk dus voor de tweede keer.⟨/p> ⟨p>In feite heeft dat woord "genereren" weer met Genesis te maken en met het voortbrengen. Het verwekken kan ook de betekenis hebben van voorttelen; hetzelfde woord wordt ook gebruikt als er bijvoorbeeld staat dat Jakob bij Rachel verwekte. Dan wordt er ook van dit "genereren" gesproken. Maar dit is ook een verwekking, alleen dan niet uit de moederschoot, maar een verwekking uit de schoot der aarde, om het even in die termen te zeggen. Hij werd opnieuw verwekt, gegenereerd, maar nu uit de doden. Daar slaat dat "heden" op.⟨/p> ⟨p>Daar blijft het trouwens niet bij, want Paulus vervolgt dan. Eerst begint hij met dat citaat uit Psalm 2 en dan zegt hij dat God Hem, Jezus, uit de doden heeft opgewekt. Iedere keer is het altijd weer God die Jezus uit de doden opwekte. Let op, dit is zo’n elementaire Bijbelse waarheid: Jezus was dood. Niet bij wijze van spreken. Ook niet met de gedachte van: "Ja, Hij was God, dus Hij kon eigenlijk niet echt sterven, dus Hij stond op uit eigen kracht." Als dat zo zou zijn, dan had God Hem niet opgewekt uit de doden. Hij was dood en het was God die Hem opwekte. Jezus was daarin dus met recht lijdend voorwerp: Hij werd opgewekt, Hij stond niet op uit eigen kracht. Dat is een ontkenning van de waarheid dat God Hem opwekte. Het is namelijk of het één of het ander: of Hij stond op uit eigen kracht, of Hij was dood en was afhankelijk van God die Hem leven gaf en deed opstaan. En dat is wat de Bijbel er inderdaad over zegt. Altijd weer!⟨/p> ⟨p>Dan zie je dus ook dat die leer van de drie-eenheid, waarin sprake is van "God de Zoon" en waarbij Jezus eigenlijk niet eens echt stierf... Trouwens, in het algemeen in de theologie kent men niet eens een dood. Men zegt eigenlijk in het algemeen dat als er iemand sterft, hij niet echt dood is; hij leeft gewoon op een andere manier voort. Maar dan betekent het dus dat je niet echt dood bent. Als je niet echt dood bent, hoe kun je dan opgewekt worden? Ja, dan zeggen ze: "Dat is het lichamelijk overschot." Nou, dat is een term hoor, want dat kent de Bijbel niet. De mens is gewoon een stoffelijk wezen en de mens gaat dood, niet alleen je lichaam gaat dood. Ze namen niet het stoffelijke overschot van Jezus van het kruis af, ze namen Jezus van het kruis af. We zitten wat dat betreft nog met zoveel Griekse filosofie.⟨/p> ⟨p>Hoe dan ook, Jezus was dood en God heeft Hem uit de doden opgewekt. Paulus gaat dan verder, nadat hij Psalm 2 geciteerd heeft, en zegt dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt zonder dat Hij weer tot ontbinding zal wederkeren. Kijk, het is een eenmalig proces, eens voor altijd. Want natuurlijk is het waar dat er ook in de Bijbel sprake is van mensen die opstaan uit de doden en vervolgens na langere tijd weer opnieuw sterven. Maar daarin is Jezus dus met recht volstrekt uniek. Hij is ook de eerstgeborene uit de doden. Dus dan krijg je inderdaad de gedachte dat Hij is gegenereerd uit de doden. Eerstgeboren, als het ware. De dood kon Hem niet vasthouden. Petrus zegt in Handelingen 2 dat de dood Hem niet vasthouden kon, zoals een moeder een kind niet vast kan houden; op een gegeven moment moet het eruit. Wel, de dood kon Hem niet vasthouden. God heeft Hem gegenereerd. En nu is Hij de eerstgeborene uit de doden, eens voor altijd, zonder dat Hij nog ooit ontbinding zal zien en tot ontbinding zal wederkeren.⟨/p> ⟨p>In Romeinen 6 vers 9 zegt Paulus: "Daar wij weten dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt" – ook hier weer passief – "niet meer sterft. De dood voert geen heerschappij meer over Hem," of zoals u letterlijk ziet: de dood is geen heer meer over Hem of van Hem. Dus eens voor altijd. In die zin is Hij met recht ook de eerstgeborene en de eersteling uit de doden. Want allen die vóór Hem uit de doden opstonden, stierven weer opnieuw en keerden weer weder tot ontbinding. Hij is de eersteling uit de doden. Hij bracht dus met recht ook onvergankelijk leven aan het licht.⟨/p> ⟨p>Hij is de eersteling, en dat betekent ook de eersteling van de oogst. Van een hoe grote oogst? Wel, een alomvattende oogst. Want zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, daarna die van Christus zijn, daarna het einde. Kortom, gefaseerd. Maar dat is dat leven wat Hij als eersteling aan het licht bracht: onvergankelijk leven, nooit meer sterven. Wel, dat wordt een deel van alle mensen, van allen die in Adam nu stervelingen zijn. De Bijbel is er volkomen helder in. Ik zeg het expres zo: de Bijbel is er volkomen helder in. Zij die zich van de Bijbel meester hebben gemaakt, die hebben het alleen maar onduidelijk gemaakt en in feite ontkennen ze zelfs de kern van het verhaal. En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt zonder dat Hij weer tot ontbinding zal wederkeren.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3765" title="Speel af vanaf 01:02:45">▶ 01:02:45⟨/button> ⟨span>Jesaja 55: de Betrouwbare Toezeggingen aan David⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij heeft het reeds aldus gezegd; nu gaat hij weer een citaat geven, en wel uit Jesaja 55. U moet zich realiseren dat Paulus niet alleen een kenner van de Schrift was, maar het publiek kende de Bijbel natuurlijk ook. Ik bedoel het kennen in de zin dat ze wisten van de hele Bijbelse geschiedenis. Dat was voor hen zo vertrouwd en ze konden dikwijls hele lange citaten zo uit het hoofd geven; daar werden ze van jongs af aan in getraind. Hij heeft het reeds aldus gezegd en nu gaat hij dus een citaat uit Jesaja geven: "Ik zal u het heilige..." Letterlijk staat dit trouwens in het meervoud. U ziet het: toezeggingen. Het gaat over het heilige in het meervoud; het gaat over de toezeggingen. "Ik zal u het heilige, of de heilige dingen van David geven, dat betrouwbaar is." Wat is het heilige van David? Wel, dat is wat aan David is toegezegd, wat aan David is beloofd. En vandaar ook dat het betrouwbaar is. Als God iets belooft, dan doet Hij dat ook. "Ik," zegt God, "zal u" – dat wordt tegen de Zoon van David gezegd – "het heilige van David geven dat betrouwbaar is."⟨/p> ⟨p>En nu neem ik u even mee naar Jesaja 55, want dit is dan één zo'n zin eruit. Maar daar lees je in vers 3, als je het in zijn verband leest: "Neigt uw oor, komt tot Mij. Hoort, opdat uw ziel leeft. Ik zal met u een aionisch verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David." Dat het enigszins verschilt met wat we hier zien, komt omdat dit een citaat is uit de Septuagint, uit de Griekse vertaling van het Oude Testament, en dit is de Hebreeuwse weergave, zeg maar. In ieder geval: "Ik zal met u een aionisch verbond sluiten, de betrouwbare genadebewijzen van David." Dat wil zeggen: wat aan David is beloofd, puur om niet. Dat is betrouwbaar. "En zie, Ik heb hem" – David, of liever zijn zaad – "Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en een gebieder van de natiën."⟨/p> ⟨p>Dus die troon van David, dat wat aan David beloofd is – in feite gaat heel de Bijbel daarover en in het Nieuwe Testament wordt dat zo dikwijls benadrukt: de Zoon van David. Ja, dat is de Messias. De troon van David zal worden hersteld op precies de plaats waar het hoort, namelijk in Jeruzalem. En Jeruzalem is daarbij niet alleen de hoofdstad van Israël, van het volk, maar Hij zal zijn een vorst en een gebieder van de natiën, van de volkerenwereld. Er staat zelfs: "van alle volkeren". Dat is Jesaja 2 en Jesaja 11. Jeruzalem wordt dus de hoofdstad van de wereld. En dat koningshuis van David, waar nu al duizenden jaren geen sprake meer van is, zal straks worden hersteld en in glorie worden gerestaureerd. Dat is Handelingen 15 trouwens, daar komen we bij een latere gelegenheid nog over te spreken.⟨/p> ⟨p>Maar dan wordt er gezegd: "de vervallen hut" – dat is een citaat uit Amos 9. Er wordt dus gezegd: "Ik zal de vervallen hut van David..." Want dat koningshuis was gewoon een vervallen hut geworden, er was niets meer van over. Elders wordt er gesproken over de afgehouwen tronk van Isaï. Die stamboom is afgehouwen, er is niets meer over. Ja, wacht even, maar er zal een rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï. Een rijsje, nieuw leven uit wat doodgewaand werd. Er zal er toch één zijn die nieuw leven aan het licht brengt. En Hij is het die dat koningshuis, die vervallen hut, zal restaureren en in glorie herstellen als nooit tevoren.⟨/p> ⟨p>Want David is in zijn dagen koning over Israël geweest. Hij heeft de vele volkeren om hem heen ondergeschikt gemaakt; het was echt een wereldrijk. Vervolgens – David had weliswaar bloed aan zijn handen en heeft vele oorlogen gevoerd – is daar de zoon van David. Ik hoop dat u net zo dubbelzinnig luistert als ik het zeg. Het is de zoon van David, Salomo, de vredevorst, die dat vervolgens nog uitbreidt, maar een vorst wordt in vrede. Dat is een enorm wereldrijk geweest in die dagen. Wel, die glorie, maar dan nog veel grootser, meer dan Salomo, zal straks gerealiseerd worden in deze wereld, maar dan in de toekomende aion.⟨/p> ⟨p>Het Koninkrijk van God is dus een heel concreet koninkrijk, met recht een koninkrijk. We hebben het over een dynastie, we hebben het over een plaats die al getraceerd en gelokaliseerd is: Jeruzalem. Dat is de plaats waar dat koninkrijk gevestigd wordt in deze wereld, vanuit Israël en vervolgens over de hele volkerenwereld. Maar voor dat koningshuis van David en het herstel ervan hebben we dus een Koning nodig, en die Koning is Hem. En Hij leeft! Dat is wat Paulus zegt. Hij leeft, Hij is opgestaan uit de doden. Vele getuigen zijn daarvan. Hijzelf was daar ook een getuige van op een heel bijzondere manier, maar dat brengt hij hier trouwens niet ter sprake. En ik lees nu even verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4152" title="Speel af vanaf 01:09:12">▶ 01:09:12⟨/button> ⟨span>Psalm 16: Gods Heilige Ziet Geen Ontbinding⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In vers 35 zegt hij dan: "en daarom zegt hij ook in een andere psalm". En nu ziet u het weer, uit het boek der Psalmen of uit de boeken der Psalmen. Want de Psalmen zijn eigenlijk vijf boeken. Uit een andere psalm, en dat is Psalm 16. Dat is overigens een bekende psalm in dit verband, want ook Petrus haalt hem aan. Psalm 16 vers 10: "Gij zult uw Heilige geen ontbinding doen zien."⟨/p> ⟨p>"Uw Heilige", dat is degene op wie die toezeggingen betrekking hadden. Het specifieke woord dat in vers 34 gebruikt wordt, wordt hier weer gebruikt. Want, zegt Paulus dan, David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen. Kijk, David heeft in zijn eigen generatie geleefd en hij heeft de raad van God gediend. Hij assisteerde in de raad van God. Dat wil zeggen: in wat God voorgenomen had en de plannen die God gemaakt heeft, daar heeft David zijn rol gespeeld. Maar dat was in zijn dagen. Vervolgens is hij ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet.⟨/p> ⟨p>Kijk, het punt waar Paulus op doelt – en dat lees je dus ook bij Petrus eerder al – is dat die psalmen profetisch zijn. Als David bijvoorbeeld zegt: "Ik zal geen ontbinding zien", dan zou je bij oppervlakkige lezing kunnen zeggen: "Oh, daar heeft David het zeker over zichzelf." En dan zeggen de theologen bijvoorbeeld weer – sorry, ze komen er vanavond niet erg best vanaf – die zeggen dan: "Ja, dat is gezwollen taal, dat is een overdreven, hyperbolische stijlfiguur", zoals ze dat dan met een mooi woord noemen. Dat wil zeggen: het is een overdrijving waarmee David poëzie bedrijft. Nee, echt niet. Het is geen poëzie, het is profetie. Hij heeft het niet over zichzelf.⟨/p> ⟨p>Want David – en dat is wat Paulus als argument gebruikt – is namelijk wel gewoon, na in zijn generatie de raad van God gediend te hebben, ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet. En hij heeft wél ontbinding gezien. Ja, degenen die in Jeruzalem geweest zijn... ik weet niet wie van u er geweest is? Ja, jullie in ieder geval. Ja, jij ook. Ben je bij het graf van David geweest? Ik ben er één keer geweest, hoewel ik veel vaker in Israël geweest ben. Maar je kunt in elk geval het graf van David bezoeken. Er is trouwens nog wel wat meer om te doen dan wat ik nu even vertel, maar het is in elk geval een bekende plaats. Met andere woorden: David heeft wél ontbinding gezien.⟨/p> ⟨p>Dus als David zegt: "Gij zult uw Heilige geen ontbinding doen zien", dan heeft hij het niet over zichzelf. Nee, dat is duidelijk. Maar over wie dan wel? Hij die God heeft opgewekt, die uit het zaad van David komt, die heeft geen ontbinding gezien. Ik herhaal: Hij die God heeft opgewekt, die heeft geen ontbinding gezien. Hij nam geen ontbinding waar.⟨/p> ⟨p>En dan gaan we weer even terug naar Petrus in Handelingen 2. Want wat Paulus hier zegt, is dezelfde taal die ook Petrus bezigt, destijds op de Pinksterdag in Handelingen 2. Leest u met me mee? Daar staat, nadat Petrus Psalm 16 en nog andere psalmen heeft aangehaald, dat hij concludeert: "Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij én gestorven én begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag." Hij kon het aanwijzen, en wij ook. Daar hij nu een profeet was en wist... David wist waar hij het over had. Hij voorzegde niet alleen dingen, maar hij wist ook wát hij voorzegde. En hij wist dat God hem onder ede gezworen had.⟨/p> ⟨p>Let op, God zweert niet zomaar, maar bij gelegenheid doet Hij het wel. En aan David heeft Hij, net als ooit eerder aan Abraham, een eed gezworen. Niet alleen maar een belofte gegeven, maar een eed gezworen. En wat hield die eed in? U kunt het nalezen in 2 Samuël 7. Zeg ik het goed? Ja, 2 Samuël 7. Onder ede was hem gezworen dat één uit de vrucht van zijn lendenen – dat is natuurlijk typisch Hebreeuws taalgebruik, "zijn lendenen", iemand die voort zou komen uit hemzelf, het zaad van David dus – op zijn troon zou gaan zitten.⟨/p> ⟨p>Dus er zou iemand komen. David wist het, David heeft ervan gesproken, en als profeet heeft hij voorzegd – bijvoorbeeld in Psalm 16 – dat iemand uit de vrucht van zijn lendenen op zijn troon zou gaan zitten. Welnu, hij heeft in de toekomst gezien. David heeft in de toekomst gezien en dat niet alleen, hij heeft er ook van gesproken. Waar? Nou, bijvoorbeeld in Psalm 16. Hij heeft in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, van de Messias, de Maschiach. Dat Hij, de Christus, niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch dat zijn vlees ontbinding heeft gezien.⟨/p> ⟨p>Je ziet, Petrus heeft het hier over dezelfde dingen als Paulus in Handelingen 13, in de synagoge van Antiochië. David was een profeet. David heeft ook gesproken over Hem die na hem zou komen, die uit zijn lendenen zou voortkomen: de Messias, die zou opstaan uit de doden en die eens voor altijd zou leven en geen ontbinding meer zou zien. Wel, dat is waar David over sprak. Dus wat Paulus in Handelingen 13 zegt, daar in de synagoge van Antiochië, is volstrekt gelijkluidend aan wat Petrus al veel eerder in Jeruzalem verkondigde. Welnu, zegt hij: "Het zij u dan bekend, mannen broeders..."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4632" title="Speel af vanaf 01:17:12">▶ 01:17:12⟨/button> ⟨span>Aphesis: Ware Loslating en Bevrijding van Zonden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En nu volgt eigenlijk weer een nieuwe episode in het verhaal, het slot van de toespraak. Ik zie dat we niet meer zo ver komen dat we dat helemaal kunnen afsluiten, dus dat parkeren we voor de volgende keer. Maar u merkt, als Paulus zich zo formuleert en zich zo uitdrukt, dan komt hij hier tot een conclusie: "Het zij u dan bekend". Alles overwegend en na dit zo uiteengezet te hebben: het zij u bekend, mannen broeders, dat door Hem, door déze, u vergeving van zonden wordt aangekondigd. Er staat hier inderdaad verkondigen of aangekondigd.⟨/p> ⟨p>Daar moet ik nog iets bij zeggen, en dat is dat het woord vergeving in het Grieks ⟨em>aphesis⟨/em> is. Bij ons heeft het woord vergeving vaak de betekenis van het niet toerekenen van schuld, maar dat is een heel versmald begrip. In werkelijkheid betekent ⟨em>aphesis⟨/em> aflating. Dat is overigens interessant, want een aflaat kon je vroeger kopen, maar een aflaat is eigenlijk niks anders dan vergeving. Aflaten, loslaten, overlaten. Als je er een 'o' voor zet, is het overgeven. De betekenis is dus: je laat ervan af, je geeft het over, je laat het los. De betekenis van ⟨em>aphesis⟨/em> is aflaten, loslaten of vrijlaten. Als je dat weet, dan gaat het begrip vergeving ineens een veel bredere en grotere betekenis krijgen. Want dat door Hem loslating van zonden verkondigd wordt.⟨/p> ⟨p>Ik zal het wat concreter maken aan de hand van Lukas 4, om te laten zien wat het betekent. In Lukas 4 is Jezus in de synagoge van Nazareth. Hij krijgt de boekrol aangereikt en komt bij dat gedeelte uit de profeet Jesaja, en dan leest Hij voor: "De Geest des Heren is op Mij, daarom dat Hij, de Heer namelijk, Mij gezalfd heeft." Hij is gezalfd, tot Messias gemaakt. Waarom? Om aan armen het evangelie te brengen. Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen. Hier is het 'loslating', maar dit is exact hetzelfde woord als wat we hier in Handelingen zagen voor vergeving: ⟨em>aphesis⟨/em>. Het is loslaten zoals een gevangene wordt losgelaten.⟨/p> ⟨p>Een loslating van zonde of vrijlating van zonde betekent dus niet alleen dat het verleden niet wordt toegerekend of dat de schuld wordt weggedaan. Het betekent dat je bevrijd wordt van zonden. Dat is nog iets heel anders. Het betekent niet alleen maar het kwijtschelden van schuld, nee, het betekent bevrijding van zonden. Zonde wil zeggen dat je je doel mist, en daar word je van bevrijd. Je leven krijgt dus inhoud en zin. Op het moment dat je leven inhoud krijgt, dan is dat een bevrijding van zonden. Dat is iets compleet anders dan alleen maar het kwijtschelden van schuld. Wij denken bij zonde meteen aan schuld en bij vergeving meteen aan het kwijtschelden daarvan. Dat is dus niet de volledige gedachte. Ik hecht eraan om dit te benadrukken: de betekenis van ⟨em>aphesis⟨/em> heeft te maken met gevangenen die worden losgelaten. Dat is het beeld. Ze worden vrijgelaten. Amnestie heet dat, met een mooie politieke term.⟨/p> ⟨p>"Het zij u bekend, mannen broeders, dat door Hem nu vrijlating van zonden verkondigd wordt", betekent dus: je wordt bevrijd van zonden en je bent daar dus vrij van. Ik weet wel, ook dat is weer theologie; men heeft ervan gemaakt dat vergeving van zonden betekent dat de schuld wordt weggedaan. Dat zou betekenen dat je geen last meer hebt van je verleden, maar in je heden is er dan niks veranderd. Terwijl loslating van zonde juist wil zeggen dat je in het heden bevrijd wordt. Je leven krijgt zin en inhoud. Je bent losgelaten. Je was een gevangene van zonde en nu ben je vrijgelaten. Je leven krijgt zin, betekenis en een doel, en dus is dat bevrijding van zonden. Het heeft dus niet alleen te maken met het verleden, het heeft te maken met het heden en de toekomst, zodat je inderdaad leeft.⟨/p> ⟨p>Er zijn talloze mensen die wel zeggen: "Ik weet dat mijn schuld is weggedaan", maar die nog vreselijk zitten te tobben met hun zonde en daar tegen strijden, en denken dat ook hun hele leven te moeten doen. "Ik moet strijden tegen mijn zonden." Dan ben je nog steeds een gevangene. Wat er in vers 39 nog daarbij aan toegevoegd wordt, is nog veel meer, want dan gaat Paulus het over rechtvaardiging hebben. Dus het is bevrijding van zonde, maar ook rechtvaardiging, en dan compleet buiten de wet van Mozes om. Maar ik zou daar liever nog wat speciale aandacht aan willen geven en dat voert nu te ver voor vanavond. Ik stel voor dat we dat een volgende keer gaan doen. Dan beginnen we inderdaad nog even bij vers 38, temeer omdat hier ook de conclusie van de toespraak volgt en het slot daarvan. Zullen we het daar dan bij laten voor vanavond?⟨/p>