⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik: Saulus Wordt Paulus en de Blindheid van Elymas⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Inmiddels gaan wij, zoals u ziet, beginnen aan de achtste avond over dit thema: ‘In Paulus’ voetsporen’. Hoewel we de vorige keer pas voor het eerst de naam Paulus zijn tegengekomen, hebben we ons tot die tijd uitsluitend beziggehouden met dezelfde figuur, maar dan onder zijn Joodse naam Saulus. Het is wellicht goed om, zoals gebruikelijk, even terug te blikken op wat we de vorige keer hebben gezien.⟨/p> ⟨p>Barnabas en Saulus – in die volgorde, want zo worden ze iedere keer genoemd – starten vanuit Antiochië hun eerste zendingsreis. Tegen dat woord ‘zendingsreis’ had ik altijd een zekere aversie, omdat ik het woord zending associeer met kerkelijke gedachten en dergelijke. Maar als je dat even aan de kant schuift en puur naar het woord zelf kijkt, klopt het wel degelijk. In Handelingen 13 vers 4 lees je namelijk dat ze waren uitgezonden; dat is precies het woord dat daar ook gebruikt wordt. Ze waren uitgezonden door de Heilige Geest. Dus het was met recht een uitzending. Weliswaar niet van de overheid, maar feitelijk wel van de hoogste Overheid. In die zin is het dus in de strikte zin des woords een zendingsreis. Voor het eerst wordt hier heel doelbewust een reis ondernomen om het evangelie te gaan brengen. Dat gebeurt vanuit Antiochië, en waarom het vanuit die plaats gebeurde, daar hebben we ons de voorgaande avonden mee beziggehouden.⟨/p> ⟨p>Vervolgens doorreizen ze het eiland Cyprus, van de oostkant naar de westkant, en komen ze in het westen aan in Pafos. Ik heb het nu over de eerste verzen van Handelingen 13. Daar treffen ze een valse profeet aan met de naam Bar-Jezus, maar hij wordt vervolgens Elymas genoemd. Dat is zijn Griekse naam en hij was echt een valse profeet. Zo wordt hij ook letterlijk genoemd, wat wil zeggen dat hij claimde het woord van God door te geven, maar het was vals en niet in overeenstemming met het Woord. Hij hield zich op bij de landvoogd Sergius Paulus.⟨/p> ⟨p>Als we die naam van die landvoogd lezen, dan is dat in wezen de allereerste keer dat in de Bijbel de naam Paulus genoemd wordt. Dat is heel opmerkelijk. De naamsverandering van Saulus naar Paulus vindt plaats bij juist deze gelegenheid, waarbij hij bij een landvoogd is, een heidense man. Die man heette dus Sergius Paulus en juist die combinatie is zo opmerkelijk. Die landvoogd is namelijk geïnteresseerd in het woord van God; hij wil meer weten van het geloof, zo staat er. Geloof, niet werken, geen religie, nee: geloof. Hij wilde het woord van God horen, maar Elymas zet alles in het werk om de landvoogd Sergius Paulus daarvan af te brengen en hij verzet zich daartegen.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 13 vers 9 lees je dat Saulus, anders gezegd Paulus, Elymas heel streng toespreekt. Hij doet hem ophouden met dat verzetten en het afhouden van die landvoogd. Ik heb het expres zo geformuleerd, want dat is precies wat er ook in Handelingen 13 staat: hij doet Elymas ophouden. In het Grieks is dat woordje voor ‘ophouden’ het woord pauo, waar ons woordje ‘pauze’ van afgeleid is. Eigenlijk betekent pauo gewoon stoppen, doen ophouden. Paulus doet hem dus ophouden en vervolgens wordt Elymas ter plekke voor een tijd lang blind.⟨/p> ⟨p>We hebben ons met de typologische betekenis daarvan beziggehouden. De naamsverandering en de blindheid vallen hier in Handelingen 13 allemaal samen. Hier gaat voor het eerst de boodschap naar de natiën, naar een pure heiden. Dat is sowieso al voor het eerst: niet een godvrezende, niet een vreemdeling binnen de poorten zoals Cornelius dat ooit was, maar echt een pure heiden, deze landvoogd. Het heil gaat naar de natiën juist door het ongeloof van Israël; het is juist die combinatie. In dat verband lees je dat het nu niet meer Saulus is, maar Paulus. De Jood die de heiden ervan probeert af te houden, wordt voor een tijd lang blind. Dat is precies wat er plaatsvindt met het volk Israël.⟨/p> ⟨p>Paulus wordt de apostel van de natiën. Waarom is hij de apostel van de natiën? Vanwege hun val. In Romeinen 9, 10 en 11 legt Paulus dat ook uitvoerig uit: door hun struikeling, door hun val, door hun ongeloof en door hun blindheid is het heil, de boodschap van de redding, naar de natiën gegaan. Het volk is voor een tijd lang blind. Dat is een onderbreking, een pauze in de heilsgeschiedenis. Dat is waar de bediening van Paulus voor staat.⟨/p> ⟨p>Vanaf deze gebeurtenis in Handelingen 13 wordt Saulus heel specifiek en consequent Paulus genoemd. Niet meer zijn Joodse naam, want Saulus, Shaul of Saul, is zijn Joodse naam, terwijl Paulus zijn Romeinse of, zo u wilt, zijn heidense naam is. Je kunt zeggen dat Paulus de naam is die hij heeft gehad als Romeins staatsburger, want dat was hij. Ik heb gewezen op de Griekse betekenis van zijn naam, namelijk pauo: stoppen. Wat hier eigenlijk aan de hand is en wat hier gebeurt, is dat zijn Joodse naam op de achtergrond treedt en dat vervolgens zijn heidense naam de rol gaat spelen. Wat hier verhaald wordt in Handelingen 13 is een hele veelzeggende wisseling: de boodschap gaat door hun val naar de natiën. Dat is wat we in de eerste twaalf verzen van Handelingen 13 zagen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="439" title="Speel af vanaf 07:19">▶ 07:19⟨/button> ⟨span>De Zeereis Naar Perge en het Afhaken van Johannes Marcus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan stel ik voor dat we nu de draad oppakken bij vers 13 van Handelingen 13. Daar lees je: "Paulus en die met hem waren." Dat is weer zo eigenaardig en het illustreert precies waar ik het zojuist over had, namelijk dat Paulus nu het voortouw gaat nemen. Vanaf nu is het ook bijna iedere keer zo dat hij als eerste wordt genoemd. Er zijn een paar uitzonderingen, maar dat is dan niet voor niets. Het is niet meer "Barnabas en Saulus", zoals het in het voorgaande was, maar nu wordt het "Paulus en Barnabas", of in dit geval: "Paulus en degenen die rondom hem waren." Want zo staat het er letterlijk: degenen die rondom Paulus waren. Dat was overigens niet alleen Barnabas, maar ook nog Johannes Marcus, hun assistent. Hij was een neef van Barnabas.⟨/p> ⟨p>Ze varen af van Paphos — ze bevonden zich immers op het eiland Cyprus — en ze kwamen in Perge in Pamphilië. Dat is een zeereis van ongeveer 275 kilometer. Als we op de kaart kijken, zien we dat ze vanuit Antiochië waren gekomen en vervolgens naar Salamis waren gegaan op het eiland Cyprus. Ze zijn vervolgens van het eiland van oost naar west getrokken via de zuidkant en in Paphos aangekomen. Daar vindt die geschiedenis plaats met Elymas, de valse profeet, en Sergius Paulus. Hier vindt ook de naamverandering van Saulus naar Paulus plaats. Hier gaat voor het eerst de boodschap door hun val naar de natiën. En dan gaan ze vervolgens die zijreis maken waar ik het over had. Daar komen ze in Perge, en dat is in de landstreek Pamphilië. Dit is uiteraard Klein-Azië. Paulus zelf kwam hier vandaan, uit Tarsus. Hier ligt ook de kustplaats Perge, vlakbij de haven van Attalia; die naam komen we later in de geschiedenis nog tegen.⟨/p> ⟨p>Dan lees je meteen bij die gelegenheid al, terwijl ze nog niet eens zo heel veel hebben gereisd, dat Johannes Marcus het laat afweten. Later heet hij gewoon Marcus. Je leest in Handelingen 12 vers 12 trouwens over de moeder van deze persoon; zij heette Maria en zij had een groot huis waar een grote bijeenkomst in gebed was. Dat was in Jeruzalem. Zijn officiële naam was Johannes en zijn bijnaam was Marcus; soms wordt hij ook Johannes Marcus genoemd. Wij kennen hem in de Bijbel eigenlijk vooral uit de brieven van Paulus als Marcus. Paulus noemt hem gewoon Marcus. Later is het weer helemaal goed gekomen, maar hier is het zo dat Johannes Marcus het laat afweten. Hij gaat weg van hen.⟨/p> ⟨p>Voor Paulus was dit echt een diskwalificatie voor het werk. Dat Johannes Marcus het helemaal laat afweten, wordt later nog een bron van conflict tussen Paulus en Barnabas. Want wat lezen we later in Handelingen 15? Daar komen we bij een latere gelegenheid natuurlijk vanzelf nog wel op terug, maar daar lees je dat Barnabas, als ze dan uit Jeruzalem gaan, ook Johannes Marcus wilde meenemen. Maar Paulus bleef van oordeel dat men niet iemand bij zich moest hebben die hen vanaf Pamphilië had verlaten en zich niet met hen tot het werk had begeven. Of: die niet meeging tot in het werk, staat er dan. Dus Barnabas neemt het op voor zijn neef. Wellicht dat bloedbanden hier ook een rol spelen; u weet, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. In elk geval wilde Barnabas Marcus toch weer meenemen en Paulus zegt: "Nee, ik vind hem niet geschikt voor het werk." Want hij heeft het in het verleden bij het minste of geringste al laten afweten. Dat was niet zozeer een persoonlijk oordeel over Marcus, maar gewoon een diskwalificatie voor het werk.⟨/p> ⟨p>Wat het motief is geweest voor die Johannes Marcus om het te laten afweten en om dan vervolgens weer terug te keren naar Jeruzalem — want daar kwam hij vandaan, zijn moeder woonde daar en hij wilde misschien weer terug naar moeder, als ik het zo zeg zit er nog een beetje logica in — maar ik neem aan dat er andere factoren gespeeld hebben. Dit motief wordt hier dan ook door Paulus genoemd: dat men niet iemand bij zich moest hebben die hen vanaf Pamphilië had verlaten en zich niet met hen tot het werk had begeven. Kennelijk was Johannes Marcus zelf van oordeel: "Dit is niet het werk voor mij, hier ben ik niet voor geschikt," of welk motief dan ook. In ieder geval verliet hij hen. Hier in Handelingen 13 wordt verder geen motief daarvoor gegeven, maar als we nu even doorlezen, dan wordt het misschien toch wat duidelijker.⟨/p> ⟨p>Als we vervolgens in vers 14 lezen: "Doch zelf gingen zij verder." Dus nu gaan Paulus en Barnabas van Perge verder. Ik zal je vertellen — en dat kun je in alle boeken nalezen en wellicht via de kaart ook goed volgen — als zij vanaf Perge verder gaan naar Antiochië in Pisidië, dan is dat een hele gevaarlijke tocht van ongeveer 160 kilometer. Een voettocht. Ja, dat staat even zo in één pennenstreek beschreven, maar ik geef het je te doen. Ik vind 160 kilometer met de auto al een heel eind, en dan dit door een woest gebied te doen. Weet je waar ik aan moet denken? Aan woorden die Paulus optekent in 2 Korinthe 11. Daar lees je dat Paulus spreekt over zijn carrière, tussen aanhalingstekens. Hij zegt daar in vers 23: "In moeite veel vaker, in gevangenschap veel vaker, in slagen maar al te zeer." En in vers 24: "In doodsgevaren menigmaal. Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-één slagen ontvangen. Driemaal ben ik met de roede gegeseld. Eén keer ben ik gestenigd. Driemaal heb ik schipbreuk geleden." Later zou hij trouwens nog een keer schipbreuk lijden. "Een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee, telkens op reis. In gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders, in moeite en inspanning. Tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten, in koude en naaktheid, afgezien van de dingen die er verder nog zijn met de dagelijkse beslommeringen en de zorg voor de gemeenten."⟨/p> ⟨p>Dat is een hele lijst van dingen die Paulus allemaal opnoemt die te maken hadden met het werk wat hij deed. Hier lees je dus dat hij die reis maakt van Perge naar Antiochië in Pisidië. Dat is een reis van 160 kilometer en dat is een heel woest traject dat je daarvoor moet gaan, een heel gevaarlijke tocht. Misschien dat Paulus daar mede ook aan gedacht heeft toen hij die woorden in 2 Korinthe 11 optekende. Dat was zijn leven: een enorme reis. En laten we daarom ook die Johannes Marcus die het liet afweten niet vergeten; hij zag natuurlijk de bui al hangen van die reis. Vanaf Pamphilië is hij weggegaan, dat lees je letterlijk. Paulus zegt dat men niet iemand bij zich moest hebben die hen vanaf Pamphilië had verlaten. Dus ergens in Pamphilië is hij weer teruggegaan, en dat zou dus zomaar kunnen vanwege die aanstaande, zware tocht.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1116" title="Speel af vanaf 18:36">▶ 18:36⟨/button> ⟨span>Antiochië in Pisidië en het Open Podium in de Synagoge⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ze kwamen vervolgens te Antiochië in Pisidië. Nu is dat een beetje verwarrend, want er zijn twee Antiochiës. Dat is verwarrend misschien als je het zo zegt, maar dat moet je even weten om het boek Handelingen goed te begrijpen. Je hebt namelijk het grote Antiochië; dat was één van de grootste wereldsteden in die dagen. Daarover hebben we het al diverse keren gehad. Maar je hebt ook een ander Antiochië en dat wordt dan altijd genoemd het Antiochië in Pisidië. Kijk hier, weer even dezelfde kaart. Hier heb je het grote Antiochië, dat was eigenlijk de uitvalsbasis van de zendingsreizen van de apostel. Dit was die grote wereldstad van waaruit ze dus vertrokken. En nu waren ze, via Perge gingen ze naar het gebied in Pisidië. Dit is dus Pamfylië, hier heb je Pisidië en hier heb je dus ook een Antiochië. Die moet je uit elkaar halen en dat doet Lucas door dan te zeggen dat als hij het over dit Antiochië heeft, hij het over Antiochië in Pisidië heeft, zodat je die twee niet door elkaar zou halen.⟨/p> ⟨p>En dan komen ze daar dus aan in Antiochië in Pisidië en er staat dan dat ze op de sabbat de synagoge zijn binnengegaan. Er staat eigenlijk dat ze hun plaats namen, of letterlijk: ze gingen zitten in de synagoge. Dit was een heel gebruikelijke gang van zaken voor Paulus en Barnabas. Ze waren beide natuurlijk Joods. Ze gingen altijd eerst naar de synagoge, eerst naar de Jood. Daar komt bij trouwens – maar daar zullen we het later in de bespreking van Handelingen 13 nog over hebben – dat Paulus ook juist voor de Jood en voor de synagoge een hele bijzondere boodschap had. Ik bedoel afwijkend ook van wat de twaalf vertelden. Paulus bracht niet meer de boodschap van het koninkrijk dat wellicht binnenkort zou aanbreken, zoals de twaalf dat deden. Nee, Paulus die had een andere boodschap en daarom lag dat heel erg gevoelig. Maar hoe dan ook, hij ging op de sabbat naar de synagoge en daar gaat hij zitten.⟨/p> ⟨p>En na de voorlezing van de wet en de profeten... Als u een beetje wat weet van de gang van zaken in de synagoge – ik weet niet of u wel eens een synagogedienst hebt bijgewoond, een Jodenkerk... Voor ons is dat woord ongeveer synoniem met een rommeltje. Alles loopt door elkaar heen en dat is niet zo gek hoor. Want dat is één van de dingen die je als kerkganger direct natuurlijk enorm opvalt: als je in een synagoge komt, dan lopen al die mensen daar maar door elkaar en ze praten door elkaar. Het is echt met recht een Jodenkerk. Maar in ieder geval, wat er dan plaatsvindt is een voorlezing. Een tweedelige voorlezing, namelijk een voorlezing uit de wet, de Torah, de boeken van Mozes, en een voorlezing uit de profeten. En dat volgens een gangbaar rooster. Dat is trouwens tot op de dag van vandaag het geval. Men leest dan in een heel jaar die hele Tenach door. En dat rooster is dus precies zo ingedeeld dat ze zo'n hele cyclus in zo'n periode de Tenach doorlezen. De wet en de profeten, die worden gewoon voorgelezen in hun taal, in de Hebreeuwse taal.⟨/p> ⟨p>Nou, na de voorlezing van de wet en de profeten – een vast onderdeel, eigenlijk misschien wel het belangrijkste onderdeel ook van die synagoge – lieten de oversten van de synagoge (dat waren er meerdere, misschien omdat het wel een hele grote synagoge was, want bij een andere gelegenheid lees je gewoon 'de overste' van de synagoge, maar gewoon degenen die die synagoge beheerden en ook leiding gaven aan zo'n bijeenkomst)... Wel, dan lees je dat de oversten iemand afvaardigen en ze lieten hen naar Paulus en Barnabas gaan. En dan wordt de vraag hun voorgelegd: "Mannenbroeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreek het dan." Ook die gelegenheid werd geboden. Dat was allemaal niet zo ambtelijk als in de kerk waar ik het zojuist over had, waar een heel andere gang van zaken is dan in de synagoge. Wat bijvoorbeeld ook heel erg opvalt is dat iemand zomaar het woord kan voeren in een synagoge. In dit geval zie je dat ook, een open podium zoals we dat noemen. In Amerika hoorde ik ooit eens de uitdrukking 'step up to the mic'. Dus je gaat als je wilt de microfoon pakken en het woord voeren.⟨/p> ⟨p>En dan wordt hun voorgelegd: "Mannenbroeders, indien gij een woord van opwekking hebt..." Hier staat letterlijk dat woordje ⟨em>parakaleo⟨/em> en dat heeft te maken met bemoediging. Letterlijk is ⟨em>para⟨/em> 'naast' en ⟨em>kaleo⟨/em> heeft te maken met 'roepen'. Dus eigenlijk een 'naastroepen' en dat is dus aanmoedigen, een bemoediging. Helaas wordt het vaak weergegeven met 'vermanen', maar het idee is naastroepen, aanmoedigen. En hier zie je dus ook, hier wordt het vertaald met een woord van opwekking. Nou, laat ik u dit zeggen: dat is niet tegen dovemansoren gezegd tegen Paulus. Want wat Paulus doet in het navolgende – en dat is wat we straks dus gewoon gaan bespreken, regel voor regel – is dat Paulus echt een woord van aanmoediging heeft. Van opwekking, of zo u wilt, van bemoediging. Want wat hij doet, is echt de mensen bemoedigen. Hij vertelt over wie God is en wat God doet. Houd het even vast, want dat zet meteen de toon voor zijn hele toespraak. Er wordt gevraagd: heb je een woord van opwekking, van bemoediging? Nou, die had Paulus. Een woord van genade. En wat hij gaat doen – en let maar op met wat we straks gaan lezen – het wordt een lange rede die Paulus dan gaat houden, of in ieder geval, kijk het maar eens na in Handelingen 13. Het wordt een flinke toespraak die dan wordt opgetekend door Lukas. Maar het is echt een woord van opwekking en van bemoediging, echt een woord van genade zoals je dat van deze apostel ook zo mag verwachten.⟨/p> ⟨p>En dan staat er in vers 16: "En Paulus stond op, hij wenkte met zijn hand." En dat wenken met zijn hand... Ja wat? Je leest in hoofdstuk 12 vers 17 over Petrus: "Maar Petrus bleef kloppen en toen ze opengedaan hadden, zagen ze hem en waren verbijsterd. En hij wenkte met zijn hand dat ze zwijgen moesten en verhaalde hun hoe de Heer hem uit de gevangenis had geleid," enzovoorts. Hij wenkte met zijn hand. En later in hoofdstuk 21 vers 40, dan is Paulus in Jeruzalem en dan staat er dat hij daar gevangen is genomen op het tempelplein en een enorme mensenmassa zich heeft verzameld. En dan lees je dat het hem was toegestaan om wat te zeggen: "Paulus wenkte, bovenaan de trappen staande, het volk met zijn hand en toen het geheel stil geworden was, sprak hij hen in de Hebreeuwse taal toe." Dus hij wenkte met zijn hand. In beide andere gevallen wordt daar dus mee bedoeld: 'stil'. Ik stel me zo voor dat hij dit gedaan heeft om aan te geven: "Alsjeblieft, nu even stil zodat ik het woord tot jullie kan richten." Hij wenkte met zijn hand. Dat onderstreept precies waar ik het net over had, want in de synagoge praten ze allemaal door elkaar. En dan moet Paulus dus even het geheel wat daar verzameld is tot stilte manen. En dat doet hij door een wenk met zijn hand aan de zijde.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1673" title="Speel af vanaf 27:53">▶ 27:53⟨/button> ⟨span>Een Woord van Bemoediging: Gods Genade in de Geschiedenis van Israël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Mannen van Israël, Israëlieten, zij worden primair aangesproken. De vrouwen mogen meeluisteren, maar de mannen worden aangesproken. Ik moet er trouwens bij zeggen dat als de Bijbel dat zo zegt, het beide mannelijke vormen zijn, maar de vrouwen zijn daarbij ingerekend; inclusief de dames dus.⟨/p> ⟨p>Mannen, Israëlieten en vereerders van God. Dat laatste is een groep die je in het boek Handelingen heel dikwijls tegenkomt. Bij die vereerders van God heb je twee soorten. Ten eerste mensen die deels de zogenaamde vreemdelingen in de poorten waren. Cornelius was daar een van. Hij was een Romeinse hoofdman, geen Jood. Hij was ook niet Joods geworden, maar hij sympathiseerde met het volk. Hij vereerde de God van Israël, gaf aalmoezen aan het volk en was betrokken bij de synagogen. Bovenal vereerde hij God.⟨/p> ⟨p>Joden hebben over het algemeen nooit de neiging of de behoefte gehad om zending te bedrijven of om de wereld te judaïseren, om de wereld ook Joods te maken. Joden hebben heel sterk het besef dat God hun volk heeft uitverkoren uit de andere volken. Het is de bedoeling dat zij de andere volken bij God brengen, maar niet dat al die volken ook Joods worden, de sabbat gaan houden en al die gebruiken overnemen. Nee, dat is wat God aan het volk Israël heeft gegeven. De Jood heeft dus niet de behoefte om te judaïseren.⟨/p> ⟨p>Maar er waren wel velen die ook vereerders van God waren; mensen die inzagen dat de God van Israël en Zijn Woord heel bijzonder waren. Zij sloten zich aan bij de synagoge of waren daar in ieder geval bij betrokken. Dat waren de vreemdelingen in de poorten. Daarnaast had je nog een deel: de proselieten. Dat waren mensen die ook daadwerkelijk Joods werden, de zogenaamde Jodengenoten. Dat is een Grieks woord. Later in dit hoofdstuk komen we hen ook tegen, wanneer er gesproken wordt over vereerders van God die ook proselieten waren. Dat was dus een speciale groep onder de vereerders van God. Het waren heidenen, niet-Joden die de God van Israël vereerden, maar een deel van hen voegde zich volledig bij het Jodendom en werd zo Jodengenoot.⟨/p> ⟨p>Vandaag de dag kun je nog steeds Joods worden, maar ik kan u vertellen dat dit een gigantische klus is. Ik ken iemand die het is geworden; ik ben ooit eens een avond bij hem op bezoek geweest. Hij is later zelfs rabbijn geworden. Het was een Fries, een Nederlandse man, en hij vertelde mij destijds hoe hij hemel en aarde moest bewegen om de synagoge ervan te overtuigen dat hij Joods moest worden. Je gaat dan door een hele zware selectieprocedure en je moet echt heel goed weten wat je doet, want daar zijn ze helemaal niet zo happig op. Hoe dat in die dagen was, weet ik niet — dat zal waarschijnlijk van tijd tot tijd verschillen — maar ik herinner me nog goed dat mij dat verhaal toen verteld werd. Zijn naam was zelfs compleet veranderd. Zijn Joodse naam werd Mozes Wetberg, terwijl hij als heiden nog gewoon Van den Berg heette. Een complete naamsverandering, uiteraard de besnijdenis en nog veel meer. Hij heeft het zelfs tot rabbijn geschopt. Dat was dus een Jodengenoot, een proseliet, en dan word je inderdaad tot de Joden gerekend.⟨/p> ⟨p>In de synagoge worden de aanwezigen aangesproken en dat zijn dus twee categorieën: de mannen van Israël en de vereerders van God. Dat zijn de mensen die niet Joods zijn, maar wel in de synagoge vertoeven. Paulus zegt tegen hen: "Luistert, hoort! De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren." Alleen al het feit dat hij hiermee begint, is veelzeggend. God heeft uitverkoren, Hij heeft het volk verhoogd, Hij heeft het volk verlost. Het gaat voortdurend over wat God gedaan heeft. Met "onze vaderen" bedoelt hij uiteraard de vaderen aan wie God de belofte heeft gegeven: Abraham, Isaak en Jakob.⟨/p> ⟨p>God kiest uit. Uitverkiezing is een Bijbelse waarheid. Het grote probleem is echter de kerkelijke theologie, die van uitverkiezing iets gemaakt heeft dat exclusief over redding gaat. Voor een Jood heeft uitverkiezing die betekenis helemaal niet. Een Jood denkt niet in termen van hemel en hel. Hij weet: God heeft ons volk uitverkoren om een kanaal van zegen voor de rest van de wereld te zijn. Uitverkiezing betekent niet dat de rest van de wereld God niet interesseert. Christenen hebben er vaak geen idee meer van wat uitverkiezing werkelijk inhoudt, maar een Jood weet dat uitverkiezing altijd ten dienste staat van de ander. God koos de vaderen uit en het volk dat uit hen voort zou komen om tot zegen te zijn voor anderen. Het heeft niets te maken met individuele redding, maar met het worden van een instrument in Zijn hand, een kanaal van zegen. Dat is een heel andere perceptie en een heel ander concept.⟨/p> ⟨p>De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en Hij heeft het volk verhoogd toen zij bijwoners waren in het land Egypte. Ze bevonden zich daar in een slavenpositie en waren onderworpen. Ze waren bijwoners, wat wil zeggen dat ze niet bij dat volk hoorden; ze waren vreemdelingen en geen burgers. Maar God heeft het volk verhoogd. Dat is veelzeggend, want de hele periode van Israël in Egypte werd gekenmerkt door het feit dat Egypte hen vernederde. Maar wat deed God? God verhoogde hen. Hij bewaarde dat volk op een bijzondere manier en het vermenigvuldigde zich ongelooflijk snel. Wanneer uiteindelijk de nood aan de man komt en het volk dreigt weg te gaan — we kennen de geschiedenis — dan lees je dat God het volk verhoogt door het land Egypte te tijsteren met de plagen. Dat was aan de ene kant een vernedering voor Egypte, maar daarmee een verhoging van Zijn volk.⟨/p> ⟨p>God heeft het volk uitverkoren, verhoogd en Hij heeft hen met een hoge arm daaruit gevoerd. Die arm staat letterlijk voor de bovenarm; het is een verheffen van de bovenarm, de spierwallen. Het is een beeld van kracht, daar heb je niet veel fantasie voor nodig. De uitdrukking die Paulus hier bezigt, wordt in het Oude Testament heel dikwijls gebruikt: dat God hen met een sterke arm en een uitgestrekte hand heeft uitgeleid. Met een hoge arm, dat was inderdaad een enorm machtsvertoon van God. En gedurende een tijd van ongeveer veertig jaren in de woestijn heeft Hij hun eigenaardigheden verdragen.⟨/p> ⟨p>Dat is dus het navolgende: hun eigenaardigheden verdragen. Als u trouwens een Concordant Version hebt, dan staat er: "He carries them as a nurse." Dat wil zeggen: Hij droeg hen als een verpleger. Dus de idee is niet alleen maar dat Hij hen verdroeg, maar dat Hij hen ook droeg. Er zit nog een wat ingewikkelde vertaalkwestie achter met de Septuagint. Nou, dat laat ik even voor wat het is, maar ik wil wel nog op iets anders wijzen.⟨/p> ⟨p>En dat is dat als dit hier zo staat, dan weten we allemaal de geschiedenissen van hoe dat gegaan is. Toen het volk uitgeleid was uit Egypte en vervolgens naar het beloofde land ging. Nou, dat zou een betrekkelijk korte reis geweest zijn, maar goed, ze hebben nog veertig jaar, achtendertig jaar extra door de woestijn moeten trekken. En daar heeft heel wat gespeeld. God moest inderdaad hun eigenaardigheden verdragen. Is dat dan totaal als een soort jengelend kind? Nou, misschien wel, maar waarbij vooral de gedachte is: wat zij ook deden en hoe ze zich ook opstelden – klagend en ze gingen voortdurend de mist in – Hij verdroeg hen, maar Hij droeg hen ook.⟨/p> ⟨p>Daarvoor wil ik even wijzen op wat we lezen in Deuteronomium 1. In vers 31 lees je hoe er wordt teruggeblikt door Mozes op de hele reis na de veertig jaren: "En in de woestijn, waar gij hebt gezien hoe de Heere uw God u droeg zoals een man zijn kind draagt, op heel de weg die gij gegaan zijt totdat gij op deze plaats gekomen zijt." Nu waren ze inmiddels bijna eraan toe om het beloofde land binnen te gaan. Dus dit is een terugblik op de veertig jaren die zij hebben doorgemaakt in de woestijn. En de Heere hun God, Yahweh hun God, droeg hen. Ja, Hij verdroeg hen, maar Hij droeg hen ook, zoals een man zijn kind draagt. Met kracht. Inderdaad, ze jengelden en ze klaagden en ze deden van alles, maar God was degene die hen droeg en verdroeg.⟨/p> ⟨p>Ook hier zie je weer genade. Veertig jaar murmureren en mopperen, want dat doet de mens heel graag. Zelfs als je vraagt: "Hoe is het?", dan zeggen ze: "Nou, ik mag niet klagen." Ik denk altijd als iemand zoiets zegt: "Ik mag niet klagen", dan is dat een klacht. "Hoe is het?" "Nou ja, ik mag niet klagen." Ik zou het zo graag willen, maar ik mag het niet. Nou, dat is dus een klacht. Het suggereert trouwens ook nog dat je het wel graag wilt, maar dat het niet mag. Maar goed, Israël, veertig jaren lang was het de Heer die hen als een man zijn kind droeg.⟨/p> ⟨p>En dan gaat Paulus met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van Israël, terwijl hij daar in de synagoge de mensen toespreekt. Het loutere feit dat hij het zo doet, geeft aan dat zij natuurlijk heel goed wisten waar hij het over had. Dit is niet zozeer onderwijs alsof zij dit niet wisten; dit wisten ze allemaal, dit is bekende stof. Maar Paulus geeft in een paar pennenstreken aan hoe dat zo gegaan is. En juist ook door te tekenen wie God is. Hij heeft een woord van opwekking en bemoediging over wat God voortdurend gaat doen: God koos uit, God heeft hen verhoogd, God heeft hen met een sterke arm uitgeleid en God heeft hen veertig jaren gedragen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2576" title="Speel af vanaf 42:56">▶ 42:56⟨/button> ⟨span>De Inname van Kanaän, het Lotsdeel en de Richteren⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan staat er: "na zeven volkeren...". Inderdaad, ze worden genoemd. Dit is een verwijzing naar Deuteronomium 7 vers 1. Wat Paulus hier zegt, is niet zomaar iets; het refereert aan een toespraak van Mozes. Daar lees je dat wanneer de Heer, uw God, u in het land gebracht zal hebben dat gij in bezit gaat nemen, Hij vele volkeren voor u uit zal verdrijven. Dat gaat God doen; het is een belofte die het volk meekrijgt. En dan worden ze genoemd: de Hetieten, de Gergasieten, de Amorieten, de Kanaanieten, de Perizieten, de Hiwwieten en de Jebusieten. Tel ze maar na: zeven volkeren. Er wordt bij gezegd dat ze talrijker en machtiger zijn dan jullie, maar God gaat dit doen. Dit was niet iets wat het volk zelf moest presteren. Het enige wat zij hoefden te doen, was in geloof die stappen zetten en erop vertrouwen dat God dat zou doen.⟨/p> ⟨p>Dat was in wezen de grote ellende. Het loutere feit dat zij 38 jaar langer in die woestijn hebben gedraald en verbleven, kwam doordat ze niet geloofden dat God hen dat land zomaar zou geven. Ze keken naar de reuzen die daar waren. In hun ogen was het onneembaar; het waren machtige volkeren en dat zouden ze nooit kunnen innemen. Het was die angst, een heel begrijpelijke angst, die hen ervan afhield en waardoor ze gingen mopperen. In wezen is mopperen typisch ongeloof. Het is misschien een algemeen geaccepteerd ongeloof, maar het blijft ongeloof. God zegt: "Ik zorg, Ik geef het je." De mens zegt: "Ja, dat kan toch niet," en komt met bedenkingen en vragen. Dan ga je klagen en mopperen, maar dat is naar de mens gesproken. Dat was precies het ongeloof van Israël. Maar God zegt: "Al die zeven volken, al zijn ze talrijker en machtiger dan jullie, Ik ga ze voor jullie verdrijven."⟨/p> ⟨p>Als we dan teruggaan naar Handelingen 13, dan zegt Paulus: "na zeven volken uitgeroeid te hebben...". Nou, dat staat er trouwens niet letterlijk hoor. Er staat "neerhalende", in de zin van ten onder doen gaan. Dit woord heeft een Strong-code die letterlijk "neerhalen" betekent. Het wordt elders vertaald met beroofd worden, slechten (zoals het slechten van een bolwerk), gestort, of eraf nemen. Hetzelfde woord wordt gebruikt wanneer ze Jezus van het kruis afnamen, of bij het afbreken van de tempel. Slechts één keer wordt het vertaald met "uitroeien", en dat is hier, maar dat is niet de kern van het woord dat gebruikt wordt. Er wordt gesproken over het neerhalen of het slechten van een bolwerk, het ten onder doen gaan van die volkeren, zodat die volkeren daar niet meer zijn en jullie het land zouden krijgen.⟨/p> ⟨p>Ik moet er trouwens bij zeggen dat God dat al veel eerder had kunnen doen. Weet u waarom dat zo lang geduurd heeft? God gaf Zijn belofte aan Abraham, maar in Genesis 15 lees je al dat dit pas ruim vierhonderd jaar later zou gebeuren. God noemt die tijdspanne van ruim vier eeuwen voordat het volk het land Kanaän in bezit zou nemen. Ik zal het voorlezen, want het is niet erg bekend. In Genesis 15 vers 13 zegt God tegen Abram: "Weet voor zeker dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat het hunne niet is en dat zij hen dienen zullen en die hen zullen verdrukken vierhonderd jaar. Toch zal Ik ook het volk dat zij dienen, richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken." Dat is de uittocht uit Egypte. Tegen Abraham wordt gezegd dat hij in vrede tot zijn vaderen zal gaan en in hoge ouderdom begraven zal worden. Maar het vierde geslacht zal hierheen weerkeren, "want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol."⟨/p> ⟨p>"Amorieten" is hier de verzamelnaam voor al die volkeren daar. De ongerechtigheid – letterlijk staat er de ontaardheid – van die zeven volkeren die in het land Kanaän verbleven, was diepgaand. God heeft heel lang gewacht om in te grijpen. Sterker nog, honderden jaren is het volk in verdrukking geweest en moest het wachten, omdat God die volkeren in Kanaän wilde richten op het juiste tijdstip: pas als de maat van de ontaardheid van die Amorieten vol zou zijn. Daarom duurde het nog honderden jaren voordat het volk en de nakomelingen van Abraham daadwerkelijk het land kregen. Die zeven volkeren zijn daar dus ten onder gegaan; ze zijn "neergehaald" in het land Kanaän.⟨/p> ⟨p>En dan staat er: "Hij heeft hun land hen ten erfdeel gegeven." U ziet, er staat eigenlijk niet "ten erfdeel gegeven", maar er wordt een Grieks woord gebruikt dat "verdelen door loting" betekent. Het gaat om een lotsdeel, een deel dat je zomaar toekomt, dat jouw lot is. Het heeft dikwijls letterlijk te maken met een lot dat geworpen wordt. We weten inderdaad dat het land Israël aan het volk is gegeven door loting. In Numeri 26 vers 55 lees je: "Evenwel zal het land door het lot verdeeld worden; naar de namen van de stammen hunner vaderen zullen zij het erven." Ook in Jozua 14 lees je iets soortgelijks. Weet u waarom? Daar heb ik nog een prachtige spreuk voor, Spreuken 16 vers 33: "Het lot wordt in de schoot geworpen, maar elke beslissing daarvan is van Yahweh."⟨/p> ⟨p>Met andere woorden: het lot is iets waar de mens geen aandeel in heeft. Dat is precies waarom een loting plaatsvindt. Wanneer een mens zijn eigen keuze erbuiten laat, dan zegt hij feitelijk: "Laat God het maar beslissen." Loting is in die zin een heilige bezigheid; je geeft de keuze aan God. "Wij weten het niet, wij beslissen het niet, nee, het lot beslist." Ik kan het niet nalaten om er nog even op te wijzen dat er staat: "het lot wordt in de schoot geworpen". Het idee is vaak dat het je "in de schoot wordt geworpen", zoals wij dat in het Nederlands zeggen, maar dat staat er niet letterlijk. Er staat dat het lot in de "boezem" wordt geworpen. Waar wijst dit op? Op de Urim en de Tummim. De borstplaat van de hogepriester, daar werd het lot geworpen. Hoe dat precies in zijn werk ging – ik heb er ooit een studie over gegeven – maar ook hier wordt verwezen naar de hogepriester en de borstplaat waar het lot inderdaad geworpen werd.⟨/p> ⟨p>In elk geval, na die veertig jaren zijn de zeven volkeren verdreven. In de praktijk heeft dat veel haken en ogen gehad omdat Israël simpelweg niet geloofde, maar uiteindelijk gaf Hij hun het land ten lotsdeel. Dat is het woord. "Erfdeel" is wat dat betreft geen gelukkig bijbels woord; het gaat over een lotsdeel. En dan komen we in vers 20 terecht, maar ik stel voor dat we eerst even een kopje koffie gaan drinken, want ik zie dat het inmiddels negen uur is. Daarna zullen we deze gesprekken een wending geven en terugkeren naar Handelingen 13, naar de toespraak die Paulus hield in de synagoge van Antiochië in Pisidië. We waren gebleven bij vers 19, waar zeven volkeren zijn neergehaald in het land Kanaän en God hun het land ten lotsdeel gaf.⟨/p> ⟨p>Nou, dat was het laatste wat we voor de pauze zagen en dan staat er: "omstreeks 450 jaren lang". Waar Paulus het over heeft... Ja, als u een Statenvertaling heeft, dan is het lastiger, want daar wordt het anders weergegeven. Maar die 450 jaren — en ik heb het zojuist al eventjes met Fred erover gehad, over die tijdspanne — die is heel gemakkelijk te traceren. We hadden het zojuist, ik heb het nog voorgelezen uit Genesis 15, over die 400 jaren vanaf Abraham. Eigenlijk vanaf Izak, moet ik zeggen. Uw nakomelingen. Vanaf Izak tot aan de uittocht uit Egypte, dat zouden 400 jaren zijn. Dat had God gezegd en dat klopt dus op het jaar nauwkeurig. Ik ga dat nou helemaal niet narekenen, maar je vindt trouwens diverse periodes. Je leest ook over 430 jaar, maar dat was de periode vanaf de belofte die aan Abraham gedaan was tot aan de berg Sinaï; dat was een periode van 430 jaar. Allesbepalend is uiteraard: waar begin je en waar eindig je? Maar als je rekent vanaf de spening van Izak tot aan de uittocht uit Egypte, dan is dat precies 400 jaar.⟨/p> ⟨p>Nou, dat is 400 jaar. Dan krijg je vervolgens 40 jaren in de woestijn en dan blijven er nog tien jaar over voor de veroveringen en de verdeling van het land. Dan ben je precies bij die periode waar Paulus het hier over heeft. Dus vanaf het nakomelingschap van Abraham tot aan de verdeling van het land, dat Israël het land ten lotsdeel kreeg, is dat een periode van omstreeks 450 jaar. Klopt als een bus. En zijn toehoorders wisten dat natuurlijk ook maar al te goed. Dit was geen nieuws, dit was gewoon vaderlandse geschiedenis voor hen.⟨/p> ⟨p>En daarna gaf Hij hun richters. Nou, die periode wordt natuurlijk ook uitgebreid beschreven. Ik moet er trouwens bij zeggen, als we het nou dan toch even over chronologie hebben, dat het onjuist is om die richterperioden allemaal keurig bij elkaar op te tellen en dan te zeggen: "Nou, die periode duurde dus zo lang." Die stelling gaat niet op, want diverse richters hebben gelijktijdig geregeerd over verschillende delen van het land. Het is dus niet zo dat de ene richter de andere richter opvolgde. Nee, het waren perioden die voor een deel ook gewoon synchroon lopen of door elkaar overlapt worden. Dus dat mag je niet doen.⟨/p> ⟨p>Ik kan u wel dit vertellen, als ik er nog iets chronologisch aan mag toevoegen. Ik heb er geen diaatje van, maar in 1 Koningen 6 — dat is een heel belangrijke chronologische sleutel — in 1 Koningen 6 vers 1, daar lees je: "In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van Salomo's regering over Israël, in de maand Zif, dat is de tweede maand, bouwde hij het huis voor de HEERE." Aha, dat is belangrijk. Dus als je nu eventjes een chronologische tijdtafel zou maken, dan krijg je inderdaad vanaf de belofte die God deed aan Abraham tot aan de uittocht uit Egypte een periode van 430 jaar. En vanaf de uittocht uit Egypte tot aan de bouw van de tempel — dat was het vierde jaar van de regering van Salomo — is dat een periode van 480 jaar. Op basis daarvan kun je ook de conclusie trekken dat die richterperioden niet bij elkaar opgeteld kunnen worden, want dan kom je er simpelweg niet uit.⟨/p> ⟨p>Maar goed, dat is nu verder niet het onderwerp, hoe dat precies in elkaar steekt. Dat is trouwens wel heel boeiend. Ik wil daar nog eens een keertje een hele aparte serie van Bijbelstudies over geven: over de chronologie van de Bijbel. De tijdtafel vanaf Adam tot nu, zeg maar. Gewoon aan de hand van de Schrift een tabel opstellen en dan allemaal periodes invullen. Kijk, en dit is het grote gemak: als bijvoorbeeld Paulus zegt in Galaten 3 dat het vanaf de belofte aan Abraham tot aan de berg Sinaï 430 jaar is, dan hebben we in één keer een hele tijdspanne. En vanaf de uittocht uit Egypte tot aan de bouw van de tempel is het 480 jaar. Zo kun je dingen inderdaad aan elkaar koppelen en dan kun je ze vervolgens ook weer nader invullen; hoe zulke periodes dan verdeeld zijn.⟨/p> ⟨p>Ik bedoel, van die richterperiodes wordt er ook heel dikwijls gezegd: "Simson richtte Israël 20 jaar", als ik me niet vergis. Nou ja, en dan had het land weer 40 jaar rust. Daarna gaf Hij hun richters. Dus na die 450 jaar, nadat het land verdeeld is, dan krijg je de periode van de richters. De rechters eigenlijk, want het woord "richter" is hetzelfde als "rechter". Dat gaat tot op de profeet Samuël. Samuël is de eerste persoon die niet meer hoort bij de richterenperiode, wat ook vrij logisch is als je naar de boeken kijkt. Je hebt het boek Richteren, het boekje Ruth is daar een aanhangsel van, en dan krijg je Samuël. Samuël hoort daar niet bij; Samuël is de profeet. Ik geef hier een verwijzing naar 1 Samuël 3 vers 20. Daar staat heel uitdrukkelijk dat God het profeetschap aan Samuël had gegeven. En van toen af... van toen af...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3642" title="Speel af vanaf 01:00:42">▶ 01:00:42⟨/button> ⟨span>Veertig Jaar Saul en de Verwekking van Koning David⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanaf de dagen van Samuël vroegen zij om een koning. Dat verhaal kennen we allemaal en de mensen daar in de synagoge wisten dat natuurlijk ook. God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin. Ik moet altijd een beetje lachen als ik zoiets lees; Paulus zal hier wellicht ook wel even geknipoogd hebben, want Saul was zijn naam- en stamgenoot uit de stam Benjamin. Dat was Saulus, met precies dezelfde naam. Onder de profeten was hij aanvankelijk een vervolger van David, de zoon van Isaï. Over die connecties hebben we het wel vaker gehad, maar in elk geval: God gaf hun toen Saul, de zoon van Kis. Het zijn mooie geschiedenissen, ook met die ezelinnen die zoek waren en hoe hij gezalfd werd.⟨/p> ⟨p>Vervolgens staat erbij dat dit veertig jaren duurde. Hij gaf hun Saul voor veertig jaar. Het is eigenaardig, maar die exacte periode kun je in het Oude Testament niet direct terugvinden. Het is trouwens wel weer opmerkelijk dat Flavius Josephus, de bekende Joodse geschiedschrijver uit de eerste eeuw, ook zegt dat Saul veertig jaar heeft geregeerd: achttien jaren terwijl Samuël nog in leven was en tweeëntwintig jaar daarna. Wat nog markanter is, is dat David en Salomo beiden ook precies veertig jaar geregeerd hebben. Je hebt dus een drietal koningen die elkaar opvolgen — eerst Saul, dan David, dan Salomo — die alledrie veertig jaar regeerden. Dat verzin ik niet, dat kun je hier zo teruglezen. Het is een heel markante periode.⟨/p> ⟨p>We kwamen die veertig jaren trouwens ook al tegen bij de reis door de woestijn. En dan zwijg ik nog maar over de vele keren dat we lezen over veertig dagen en veertig nachten. In principe is veertig jaar de periode van een geslacht, een generatie, maar het is ook de tijd van beproeving. De veertig jaren van Israël in de woestijn was natuurlijk een tijd van beproeving. De Heer Jezus werd veertig dagen verzocht in de woestijn. Bij Elia lezen we over veertig dagen en bij Jona was het: "Nog veertig dagen en de stad zal worden omgekeerd." Denk ook aan Mozes, die honderdtwintig jaar werd. Die periode is onderverdeeld in drie keer veertig jaar. Toen hij veertig jaar was, moest hij vluchten naar de woestijn. Daar heeft hij veertig jaar als schaapherder vertoefd. Daarna keerde hij terug naar Egypte, de plagen kwamen, en vervolgens brak er weer een periode van veertig jaar aan waarin het volk door de woestijn geleid werd naar het beloofde land. Exact drie keer veertig jaar; over design gesproken. Terwijl ik hier nu over nadenk, moet ik daar misschien nog eens vaker wat over zeggen. Wellicht een onderwerp voor het Goed Bericht Weekend van 2016? 2040 misschien? Dat vraag ik me ook wel eens af, al denk ik eerlijk gezegd van niet. Maar goed, dat is weer een ander onderwerp.⟨/p> ⟨p>Veertig jaar was dus de regeerperiode van Saul. Nadat God hem verworpen had — er staat eigenlijk dat Hij hem afzette — verwekte Hij David als koning. U weet hoe dat gegaan is. Saul maakte zichzelf tot priester en daarom werd hij verworpen. Daar zit meer aan vast dan ik nu zeg, maar de uiteindelijke reden dat Saul als koning terzijde werd geschoven, is dat hij eigenmachtig de functie van priester op zich nam. Het grote Bijbelse ideaal is immers het koning-priesterschap naar de ordening van Melchizedek, maar in die functie stel je jezelf niet aan; dat doet God. Saul deed het zelf en hij werd afgezet. In zijn plaats werd David als koning verwekt.⟨/p> ⟨p>Het is heel opmerkelijk dat hier het woordje 'verwekken' wordt gebruikt. Dat is dubbelzinnig, want later in dit hoofdstuk, in vers 30 en 37, komt exact ditzelfde woord weer voor wanneer het gaat over het verwekken uit de doden, het doen opstaan. Je leest in het Oude Testament vaak dat God een koning "deed opstaan". Dat is een diep begrip. Hier gaat het erover dat Hij David als koning deed opstaan, of hem verwekte, maar dat heeft dus een dubbele bodem. En om die David gaat het natuurlijk allemaal, duizend jaar voor Christus. Aan hem en aan zijn huis, de dynastie van David, kwam definitief het koningschap toe. Aan David werd dit getuigenis gegeven — ik geef de verzen erbij voor wie het wil nazoeken: "Ik heb David gevonden, de zoon van Isaï (of Jesse), een man naar mijn hart." Prachtige uitdrukking: "naar het hart van Mij". Het is een uitdrukking die ontleend is aan 1 Samuël 13 vers 14. Waarom was hij een man naar Gods hart? Niet omdat die man van zichzelf zo goed was, maar omdat hij God geloofde. Er staat bij: "die al mijn willen zal volbrengen." In onze vertaling staat vaak 'bevelen' of 'wil', maar in het Grieks staat het woordje 'wil' hier in het meervoud. Dat kennen wij in het Nederlands eigenlijk niet als zelfstandig naamwoord, maar letterlijk staat er: "die zal doen al de dingen die Ik wil."⟨/p> ⟨p>Het hele leven van David is een schitterende illustratie van Hem die na hem zou komen. David was de gezalfde, de man uit Bethlehem, de goede herder die zijn leven inzette voor de schapen. Hij was gezalfd tot koning en vervolgens was hij degene die de grote reus, de grote tegenstander, uitschakelde met dat vijfde steentje. Daarna werd hij verworpen en in die tijd van verwerping verzamelde hij een volk om zich heen, om uiteindelijk koning te worden: eerst zeven jaar in Hebron en daarna drieëndertig jaar in Jeruzalem. Ook die verdeling van zeven en drieëndertig loopt parallel met het toekomstige koningschap van de Messias, de Beminde van God. Van Saul zou je ook kunnen zeggen dat hij een gezalfde des Heren was, maar u weet wat het grote verschil was: Saul werd gezalfd uit een kruik, een broos vaatwerk. Dat is een beeld van vergankelijkheid en precies een uitbeelding van zijn koningschap; het zou van zijn huis worden afgenomen. David daarentegen werd gezalfd met een hoorn. Een hoorn is in de Bijbel een beeld van blijvend koningschap en kracht. Denk maar aan het beest met de tien hoorns in de eindtijd, waarbij de hoorns staan voor tien koningen. Aan het huis van David zou het koningschap definitief toekomen. En uit zijn geslacht...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4290" title="Speel af vanaf 01:11:30">▶ 01:11:30⟨/button> ⟨span>De Grote Sprong: Jezus, de Redder uit het Zaad van David⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En nou gaat Paulus in zijn toespraak een sprong maken, want hij is uiteindelijk nu op het punt uitgekomen waar hij wezen wilde. Hij begon bij de aartsvaders aan wie God zijn belofte gaf; dat was ongeveer 2000 jaar voor Christus. En hij is nu uitgekomen bij David, dat is ongeveer 1000 jaar voor Christus, en vanaf David maakt hij nu de sprong naar de Messias. De Zoon van David die uit het zaad van David komt, en dat is precies wat hier staat. Uit ⟨em>spermatos⟨/em> – ons woord sperma is dus een Grieks woord en dat is wat hier gebruikt wordt. Het vertaalt wel met 'geslacht', maar het is gewoon uit het zaad van hem, uit het zaad van David.⟨/p> ⟨p>Ik moet dan denken aan de uitdrukking die Paulus bezigt in 2 Timotheüs 2 vers 8. Daar zegt Paulus in zijn laatste brief: "Gedenk Jezus Christus, uit de doden opgewekt, uit het zaad van David, naar mijn evangelie, waarvoor ik kwaad lijd en zelfs boeien draag als een misdadiger." Maar ook hier weer: Jezus Christus uit het zaad van David. Het loutere feit dat Hij een nakomeling is, direct in de rechte lijn van David, is wat Hem inderdaad bevoegd maakt om Zich Messias te noemen. Want dat was precies wat beloofd was: uit het zaad van David, uit het huis van David.⟨/p> ⟨p>Dat zou weliswaar eerst nog een hele kronkelende lijn maken en die hele geslachtslijn werd afgebroken. Ik bedoel, op een gegeven ogenblik is het volk in ballingschap gegaan en daarna is er nooit meer een troon van David geweest. Nooit is er meer iemand geweest die in Jeruzalem uit het geslacht van David op de troon zat. Dus het is met recht – in Jesaja wordt het genoemd – de afgehouwen tronk van Isaï. Dat wil zeggen dat die Davidische dynastie, dat koningshuis van David dat eeuwen geregeerd heeft, is genokt. Het is opgehouden. En na de Babylonische ballingschap is er nooit meer een troon van David geweest, of iemand uit het huis van David die regeerde.⟨/p> ⟨p>Maar Israël weet, het Joodse volk weet: er komt iemand uit het zaad van David die zal zitten op de troon van David. Het enige wat ze niet weten, is dat Hij er al lang is. Maar dit is een heel belangrijk kenmerk. Het is niet voor niks natuurlijk dat de Evangeliën in het Nieuwe Testament ook beginnen met een geslachtsregister, een genealogie die een directe lijn aanbrengt en een directe lijn trekt tussen Jezus de Messias en David, en zelfs met Abraham.⟨/p> ⟨p>Uit zijn zaad heeft God naar de belofte voor Israël – want dat is het volk aan wie het allemaal is toegezegd – de Heiland, gewoon de Redder, Jezus doen komen. Waarbij het trouwens opmerkelijk is dat de naam Jezus betekent: 'Yahweh redt'. Dus als je zegt 'Jezus', dan verwijs je sowieso, dan spreek je al over Yahweh die redt. De Redder Jezus, en daarmee bedient Yahweh Zich van Zijn Zoon, van Jezus. Afijn, naar de belofte voor Israël heeft Hij de Redder Jezus doen komen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4537" title="Speel af vanaf 01:15:37">▶ 01:15:37⟨/button> ⟨span>De Voorloper Johannes en de Doop van Omdenken (metanoia)⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Nadat Johannes eerst, ja, nu wordt het wat – er wordt wat geknipt in de vertaling – letterlijk staat er: nadat hij van tevoren had "geheeroud", dat wil zeggen: aangekondigd. Dat is de functie van Johannes de Doper geweest voordat Jezus kwam. Voor Zijn optreden, of eigenlijk letterlijk: voor het entree van de Redder Jezus. Voordat Hij op zou treden, voordat Hij inderdaad aantrad, was daar die Johannes, die een bode en ook een voorloper was. Hij wordt ook wel een wegbereider van de Heer genoemd, zoals hij al door de profeten was aangekondigd. En nadat Johannes eerst voor Zijn optreden – dat gaat dus over Jezus – aan het hele volk Israël een doop van bekering gepredikt had, of liever: geheeroud had.⟨/p> ⟨p>Bij die doop van bekering wordt het woordje ⟨em>metanoia⟨/em> gebruikt. Het woord "bekeer" suggereert vaak dat het om omkeren gaat, maar de gedachte is dat het om het denken gaat. Het gaat erom dat het denken wordt veranderd. Vandaar ook in de concordante versie de weergave "bezinning" of "omdenken". Johannes had de doop van ⟨em>metanoia⟨/em>, van omdenken, geheeroud aan het hele volk Israël. Want je moet weten dat de doop van Johannes een puur Israëlitische aangelegenheid was. Israël kende de doop; zij kenden allerlei dopen en rituele wassingen, die een grote rol speelden. Maar toen kwam Johannes en die had iets anders. Hij zei niet: "Doop jezelf." Het was ook geen ceremoniële reiniging, nee, het was een doop van bezinning. Hij was echt een wegbereider en wees eigenlijk vooruit naar Degene die na hem zou komen, overigens zijn neef.⟨/p> ⟨p>Aan wie predikte hij dat? Aan Israël. Hij predikte niet: "Doop jezelf", maar: "Wordt gedoopt." Dat was het bijzondere van de doop van Johannes en dat kende Israël helemaal niet. Dopen, rituele reinigingen, jezelf wassen of in bad gaan om een rituele reden, dat was volledig bekend. Maar nu kwam daar iemand in de woestijn bij de Jordaan die predikte en herauwde: "Wordt gedoopt." Dat is iets wat ze niet kenden. De doop van Johannes is "wordt gedoopt", en dat is een Israëlitische aangelegenheid. Ook hier lees je dat hij aan het hele volk Israël de doop van bekering gepredikt had. De doop op zich was niet bijzonder, maar wat Johannes vertelde en de wijze waarop hij dat deed, was dat wel.⟨/p> ⟨p>Ik heb daar nog een mooie verwijzing naar in Johannes 1 vers 31. Dat zijn woorden die Johannes de Doper zelf uitsprak. In Bodegraven ben ik onlangs juist begonnen met een bespreking van het Johannes-evangelie, met Johannes 1 dus. Johannes zegt daar: "En zelf wist ik niet van Hem," van Degene die na mij zou komen, "maar opdat Hij, de Messias, aan Israël zou geopenbaard worden, daarom kwam ik dopen in water." Niet ⟨em>met⟨/em> water, zoals de meeste vertalingen zeggen, maar ⟨em>in⟨/em> water. Ook hier zie je weer: Johannes predikte aan Israël, aan het volk, opdat de Messias aan Israël geopenbaard zou worden. Daarom kwam Johannes dopen in water. Niet omdat het om de waterdoop op zich ging, integendeel, want dan zegt Johannes ook: "Ja, ik doop in water, maar Hij die na mij komt, die zal niet dopen met water of in water, maar die zal dopen in geest."⟨/p> ⟨p>Een geestelijke doop, dat is de echte doop. De doop in water is slechts een beeld daarvan. Dat werd aan Israël geproclameerd, geheeroud. Maar die doop in geest... kijk, als we het hebben over de christelijke doop, dan is dat geen waterdoop. De doop van Johannes was een waterdoop: "Wordt gedoopt." Maar de doop van Christus – Johannes zei het zelf – is een doop in geest. Dus wat is de christelijke doop, de doop van Christus? Is dat een doop in water? Nee, dat is een doop in geest, een geestelijke aangelegenheid. Dit is vaak zo onbekend, terwijl heel de kerkelijke praktijk gebaseerd is op dopen in water. Men discussieert tot in het oneindige of dat met een heleboel water moet of met een paar druppels, en of het bij groot of klein moet. Maar de point missen ze. De vraag is namelijk niet hoeveel water er nodig is of wanneer men erin mag of besprenkeld moet worden. De echte vraag is: water of geest? Gaat het om een ritueel dat mensenhanden doen, of om iets wat Hij doet? Dat is de kern, maar daar is men vaak nog niet aan toegekomen.⟨/p> ⟨p>Laten we dan nog even het 25e vers bespreken en dan stel ik voor dat we afronden. Daar lezen we: "En toen hij," Johannes dus, "zijn loopbaan volbracht," of terwijl hij dat vervulde – want die werkwoordsvorm staat er – "zei Johannes: 'Wat gij meent dat ik ben...'" Want het volk had grote verwachtingen van Johannes en ze dachten dat hij het wel eens kon wezen. Hij zegt echter: "Ik ben het niet. Maar zie, na mij komt Hij wie ik niet eens waardig ben het schoeisel van Zijn voeten los te maken." Met andere woorden: zelfs het losmaken van de sandalen of van het schoeisel, wat toch eigenlijk slavenwerk was, daarvoor acht hij zich niet waardig om dat bij Hem te doen. En als hij Hem dan in het Johannes-evangelie ziet aankomen – hij had de hele tijd al over Hem verteld en op een gegeven moment ziet hij zijn neef aankomen (in hoeverre er al contact tussen die twee was geweest, weet ik niet) – dan zegt hij: "Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt." Dat zegt Johannes dan. Over die doop van Hem die na hem zou komen, daar weten velen niets van. Maar vervolgens over wie nou dat Lam Gods is en wat het Lam Gods zou doen, namelijk de zonde der wereld wegnemen, daar heeft men evenmin kaas van gegeten. Hierna begint er een nieuw onderdeel van de toespraak van Paulus daar in de synagoge, in vers 26, en dat lijkt me een heel mooi aanknopingspunt om de volgende keer mee verder te gaan.⟨/p>