⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Introductie en Terugblik op de Volmacht van de Zoon⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We zijn inmiddels aangekomen bij de zestiende studie over het Johannesevangelie en we zijn gearriveerd in het laatste gedeelte van Johannes 5. Zoals gebruikelijk blikken we altijd eerst even terug om weer geleidelijk in de sfeer te komen van het gedeelte dat we vanavond onder ogen zullen zien. De vorige keer — en de kans is groot dat u daar niet bij was, want we waren met een minimaal aantal mensen — was het gezelschap klein. Nou ja, er moet altijd een dubbel aantal zijn om überhaupt van een samenkomst te kunnen spreken; even nadenken, ja, dat zijn er twee. Dat is het minimum voor een samenkomst. Maar we waren door omstandigheden met een heel klein aantal, al mocht dat het genoegen niet drukken.⟨/p> ⟨p>Toen hebben we gesproken over Johannes 5 vers 19 tot en met 29. In mijn Bijbel staat daarboven in de NBG-vertaling: 'Jezus’ getuigenis van Zichzelf'. Naar aanleiding van de genezing van de man die al 38 jaar verlamd was, wordt de geschiedenis van die genezing op de Sabbat behandeld. Daar wordt Jezus door de leidslieden neergezet als een schender van de Sabbat. Dat vinden we ook in andere evangeliën en ook hier in deze geschiedenis speelt dat een grote rol. Maar meer nog: Hij wordt weggezet als een godslasteraar. Dat lezen we in de laatste verzen van die eerste perikoop. Er staat dan: 'Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.' In vers 18 staat dat de Joden hierom des te meer trachtten Hem te doden, omdat Hij niet alleen de Sabbat schond — in hun beleving dus — maar ook God Zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde.⟨/p> ⟨p>Afijn, Jezus gaat daar een antwoord op geven. De hele toespraak vanaf vers 19 tot en met vers 47 is een verklaring naar aanleiding van deze aanklacht. Wat we tot dusver hebben gezien in vers 19 tot 29 is dat de Heere Jezus juist uitdrukkelijk verklaart: 'De Zoon kan niets doen van Zichzelf.' Zij beschuldigden Hem ervan dat Hij Zich met God gelijkstelde. Waarom ze dat dachten, was omdat Hij en de Vader één zijn — ik gebruik nu woorden die we later in het Johannesevangelie nog zullen tegenkomen — maar dat neemt niet weg dat de Zoon zegt, en we zullen het straks meteen ook weer zien omdat het wordt herhaald: 'De Zoon kan niets doen van Zichzelf.'⟨/p> ⟨p>Kijk, dat is een uitspraak die voor God de Vader uiteraard niet opgaat. De Vader is, zoals dat heet, autonoom. Hij is het Origineel. Uit de Vader zijn alle dingen. Maar de Zoon staat daar en kan niets doen van Zichzelf. De heerlijkheid van de Zoon is juist dat Hij uitsluitend doet waartoe Hij gezonden is, namelijk door Zijn Vader. Dat is Zijn glorie. De glorie van de Zoon is dat Hij nooit op Zichzelf wijst, maar altijd en uitsluitend op Zijn Vader, Zijn hemelse Opdrachtgever. We hebben vooral ook gezien dat de Heere Jezus duidelijk maakt dat de Vader Hem liefheeft; er staat 'bemint', wat een speciaal woord is voor liefhebben. De Vader heeft Hem lief en heeft Hem daarom alle volmacht gegeven. Juist omdat Hij uitsluitend doet waartoe Hij gezonden is, heeft de Vader Hem alle volmacht gegeven om levend te maken, te oordelen of te richten, en ook om te doen opstaan.⟨/p> ⟨p>Dat is trouwens niet helemaal hetzelfde; levend maken en doen opstaan is verschillend. We hebben gezien in het laatste vers dat we de vorige keer bespraken, vers 29, dat er wordt gesproken over de toekomst. Er staat in vers 28: 'Verwondert u hierover niet, want de ure komt dat allen die in de graven zijn naar Zijn stem zullen horen' — de stem van de Zoon des mensen. En zij zullen uitgaan: wie het goede gedaan hebben tot de opstanding ten leven, en wie het kwade gedaan hebben tot de opstanding ten oordeel. Bij een gericht staan ze dus wel op, maar niet ten leven. Dat is dus geen levendmaking en ook geen ontvangst van onvergankelijk leven.⟨/p> ⟨p>We hebben ook gezien dat de Bijbel in Openbaring 20 zegt dat degenen die niet geschreven staan in het boek des levens, geworpen worden in het meer van vuur. Daar staat bij: 'Dat is de tweede dood.' Zij komen dus inderdaad weer terecht in de tweede dood. Even los van de vraag wat dat precies is — ik vertel gewoon wat er staat geschreven — is het een ander punt dat dit niet het eindpunt is en dat de dood nooit het laatste woord heeft. Dat komt hier in Johannes niet aan de orde, maar goed, dit is in het kort, heel erg samengevat, wat in die tien verzen naar voren wordt gebracht. En dan pakken we nu de draad weer op.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="366" title="Speel af vanaf 06:06">▶ 06:06⟨/button> ⟨span>Gehoorzaamheid: de Zoon Luistert en Oordeelt Rechtvaardig⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik had me voorgenomen – maar dat is geen wet van Meden en Perzen – om de bespreking van Johannes 5 af te sluiten, zodat we in het volgende seizoen kunnen gaan beginnen met Johannes 6. Maar ik ga niet overhaast te werk; we zullen wel zien hoe het loopt. In Johannes 5 vers 30 begint Jezus precies die uitspraak te doen die Hij al eerder gedaan had. Sterker nog, het is de uitspraak waar Hij Zijn toespraak mee begon in vers 19. In vers 19 zegt Hij: "Voorwaar, voorwaar" – weer die dubbele nadruk – "Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf." Hier in vers 30 zegt Hij dat opnieuw; Hij herhaalt deze waarheid. Dit is dus nog steeds een antwoord op de beschuldiging die aan Zijn adres geuit was, namelijk dat Hij Zich met God gelijk zou stellen. Het lijkt mij op zich al afdoende dat dit dus niet het geval was.⟨/p> ⟨p>Dan zegt Hij: "Gelijk Ik hoor, oordeel Ik." Dat "gelijk Ik hoor" betekent dat de Zoon niets van Zichzelf doet. Hij heeft een Bron, Hij luistert, Hij geeft ergens gehoor aan. Daar hebben wij een woord voor en dat is gehoorzaam. Gehoorzaam betekent eigenlijk 'gehoor geven aan'. Dat is wat de Zoon doet: luisteren naar Gods Woord. We zullen dat straks trouwens ook nog tegenkomen. Gelijk Hij hoort, oordeelt Hij, en Zijn oordeel is rechtvaardig. Dat "mijn oordeel" slaat in ieder geval ook op het oordeel waar Hij het in het voorgaande vers over had, namelijk de opstanding van oordeel. Niet "ten oordeel", maar de opstanding van oordeel.⟨/p> ⟨p>Zijn oordeel is rechtvaardig, gebaseerd op de dingen die opgetekend staan en op de dingen waarnaar Hij luistert. Mijn oordeel is rechtvaardig, en dat geldt trouwens niet alleen voor het oordeel in de toekomst, maar ook voor het oordeel dat Hij nu uitspreekt. Je kunt natuurlijk zeggen: oordeelt Hij dan nu al? In hoofdstuk 8 vers 16 lees je: "Ik oordeel niemand en indien Ik al oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig, want Ik ben niet alleen." Voor zover Hij oordeelt, is dat dus rechtvaardig. Het gaat hier trouwens niet zozeer om het moment waarop dat oordeel wordt uitgesproken, maar om het feit dat áls Hij oordeelt, dat rechtvaardig is.⟨/p> ⟨p>Het woord rechtvaardig heeft alles in zich van recht doen, rechtzetten en terechtbrengen. Dat zit allemaal opgesloten in de rechtvaardigheid, ook de rechtvaardigheid zoals de Bijbel daarin God beschrijft. God is rechtvaardig. En als de Zoon rechtvaardig is, dan is dat ook omdat Hij de dingen rechtzet. Hij doet recht en Hij brengt terecht. In dat ene woordje rechtvaardigheid zit in feite al het hele Evangelie besloten. God doet recht. Bij alles wat er krom is, kennen wij een God die de dingen gaat rechtzetten. In Handelingen 17 lees je dat Paulus zegt dat God een dag bepaald heeft waarop Hij de bewoonde wereld rechtvaardig zal oordelen. Als je dat met calvinistische oren beluistert, zou je dat misschien niet zo zeggen, maar dit is een goed bericht! Dat is echt een blijde tijding. "Hij komt," zegt de psalmist, "Hij komt om de aarde te richten, de wereld in gerechtigheid." Ik zou het bijna in berijmde vorm kunnen zingen: "Hij komt, Hij komt om d’ aard te richten." Dat is een reden om Hem de lof toe te brengen, want Hij gaat de dingen rechtzetten. Dat is wat het betekent.⟨/p> ⟨p>Ik lees verder. Woorden die Hij trouwens pas later zou uitspreken in de Hof van Gethsemane: "Neem deze beker van Mij, maar toch niet mijn wil, maar de Uwe geschiede." Ik denk daarbij ook aan een ander woord uit Psalm 40, dat later door de schrijver van de Hebreeënbrief – mijns inziens Paulus – wordt aangehaald. Daar staat, en dat zijn woorden die de Messias uitspreekt: "Zie," zegt de Messias dan, "hier ben Ik; in de boekrol staat van Mij geschreven om Uw wil, o God, te doen." Zijn hele leven is de Heer Jezus bezig geweest met de boekrol, met de Schriften. Hij heeft ze onderzocht en Hij wist wat Hem te doen stond. Hij hoorde en gaf gehoor aan God. Hij is gehoorzaam geweest tot de dood van het kruis. Dat was de wil van God: om Uw wil te doen. In de Zoon zie je hier dus ook weer de glorie stralen, namelijk dat het niet om Hemzelf ging, maar om Zijn Vader. Het gaat om de wil van Hem die Mij gezonden heeft.⟨/p> ⟨p>In vers 31 zegt Hij: "Indien Ik getuig van Mijzelf, is mijn getuigenis niet waar." Zoals het hier in de NBG-vertaling staat weergegeven, klopt het niet. Ik geloof namelijk dat hier een vraagteken hoort te staan: "Indien Ik getuig van Mijzelf, is mijn getuigenis dan niet waar?" Je leest namelijk later in ditzelfde Evangelie, in hoofdstuk 8 vers 14, dat Jezus zegt: "Ook al getuig Ik van Mijzelf, toch is mijn getuigenis waar, want Ik weet vanwaar Ik gekomen ben en Ik weet waar Ik heenga." Hier lees je dus dat zelfs al getuigt Hij van Zichzelf, Zijn getuigenis niettemin waar is. De weergave in de vertaling zoals we die hier vinden, kan dus niet kloppen. Het is een lijnrechte tegenspraak met wat Hij later in ditzelfde Evangelie zegt. Hier hoort dus een vraagteken te staan; het is een retorische vraag. Indien Hij van Zichzelf zou getuigen, zou Zijn getuigenis dan niet waar zijn? Jawel, Zijn getuigenis is waar. Maar dat doet Hij niet.⟨/p> ⟨p>Dat zullen we in het navolgende ook zien: Hij getuigt niet van Zichzelf. Hij wil ook niet van Zichzelf getuigen, maar dat doen anderen. Dat zal ik straks laten zien. Vanaf vers 31 tot en met het einde van dit hoofdstuk, vers 47, begint een apart gedeelte. In mijn Bijbel hebben ze het gewoon aan vers 19 vastgeplakt, en dat is altijd enigszins arbitrair. Maar vanaf vers 31 wordt het echt een getuigenis. Dat woord getuigenis mag je echt laten staan, want het komt heel pontificaal naar voren. Elf keer wordt het woord getuige of getuigenis, of andere daarvan afgeleide begrippen, gebezigd. We zullen er straks haast over struikelen.⟨/p> ⟨p>Martus is het Griekse woord waar ons woord martelaar van afgeleid is. Een martelaar is van origine gewoon een getuige. Het is frappant dat bij ons de gedachte leeft dat een martelaar iemand is die sterft voor zijn getuigenis. Dat is eigenlijk wat onze martelaar is: iemand die sterft voor zijn getuigenis. Daarin zit al besloten dat wie in deze wereld, die geregeerd wordt door de leugen, getuigt van de waarheid, dat vaak met de dood moet bekopen. Dat is een martelaar. Die wordt op zijn zachtst gezegd niet geliefd. Dat is wat dat woord getuigen inhoudt: een martelaar zijn.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="976" title="Speel af vanaf 16:16">▶ 16:16⟨/button> ⟨span>Het Rechtsgeding: Jezus Roept Zijn Getuigen op⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanaf dit gedeelte, vanaf vers 31 waar we nu dus aan toegekomen zijn tot aan het einde, roept Jezus getuigen op. En u moet zich voorstellen: dit is feitelijk een rechtsgeding dat hier gevoerd wordt. De autoriteiten beschuldigen Jezus namelijk en ze zoeken Hem zelfs te doden. Ook dat hebben we gelezen in vers 16; daarom wilden de Joden Jezus vervolgen. In vers 18 staat er: "Hierom trachtten de Joden des te meer Hem te doden." Ja, dus daar was een aanklacht; niet alleen de beschuldiging, maar het was zelfs al de dreiging van Zijn dood, van Jezus' dood. Welnu, de autoriteiten beschuldigen Jezus, zoeken Hem te doden en daarom is Jezus’ betoog Zijn verantwoording als in een rechtsgeding.⟨/p> ⟨p>En wat gebeurt er in een rechtsgeding? Dan voer je getuigen op: mensen die — of niet alleen mensen, maar situaties of andere bronnen — dienen als getuigen om de beschuldigde te rechtvaardigen, dan wel te veroordelen. Dat is waar een rechter en een rechtsgeding helemaal voor zijn opgezet. Het gaat om getuigen, om betrouwbare getuigen op te voeren. Als je dan twee of drie getuigen hebt, dan zal een zaak vaststaan, zo zegt de Bijbel daarover ook. Dus deze hele toespraak, verwoord op een typisch Johanneïsche manier, draagt vanaf vers 19 tot vers 47 en vooral vanaf vers 31 het karakter van een rechtsgeding.⟨/p> ⟨p>Nog iets over het navolgende, vanaf vers 31 tot het einde: de structuur van dit gedeelte. Ik wijk hier wat af van de structuren zoals Bullinger die in de Companion Bible heeft gegeven, maar misschien dat ik daar straks nog eventjes op terugkom. Maar dan zie ik in ieder geval deze lijn: vers 31 en 32 het getuigenis van de Vader; dan vervolgens het getuigenis van Johannes de Doper; in vers 36 tot 38 het getuigenis van de Vader; dan vers 39 en 40 het getuigenis van de Schriften; in vers 41 tot 44 wederom het getuigenis van de Vader en dan afsluitend het getuigenis van Mozes. Dus iedere keer weer het getuigenis van de Vader, maar ook van Johannes, van de Schriften en van Mozes.⟨/p> ⟨p>De draad weer oppakkend zagen we dus in vers 31: "Indien Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar?" Vraagteken. "Een ander is het die van Mij getuigt." Let op, dat staat — u ziet het hier in de interlineair met het verticale streepje — in de tegenwoordige tijd: "getuigenisgevende". En dat is van belang, want er is iemand die van Mij getuigenis geeft, dat wil zeggen: op dit moment, tegenwoordige tijd. En wie is dat? Dat is God, Die getuigenis geeft door de goddelijke tekenen die Jezus doet. Nu weet ik wel dat sommigen geopperd hebben dat hier sprake zou zijn van Johannes de Doper. Bullinger doet dat dus bijvoorbeeld. Maar dat lijkt mij zeer discutabel, want van Johannes de Doper zegt Johannes de evangelist die dit optekent dat dat getuigenis inmiddels in het verleden lag. Johannes was er dan niet meer. We zullen het straks ook heel duidelijk zien hoor, ik zal er dan ook nog wel even aan herinneren, maar Johannes was niet meer onder hen. Hij was waarschijnlijk al dood of in ieder geval in de gevangenis, maar zijn getuigenis was voorbij. Terwijl het hier gaat over een getuigenis dat nog steeds voortduurt in de tegenwoordige tijd. Daarom denk ik niet dat we hier aan Johannes de Doper moeten denken; daar gaat het pas in het volgende vers of het vers daarop over.⟨/p> ⟨p>En de Heer Jezus zegt: "Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij aflegt waar is." Als we het inderdaad hebben over het getuigenis dat God van Hem geeft, dan is dat in ieder geval het teken van de genezing van die verlamde; dat heeft zojuist plaatsgevonden. En dit is juist op dezelfde sabbatdag dat de Heer deze woorden uitspreekt. Hij herinnert uiteraard aan dat werk. Dat was goddelijk werk. Kijk, zij beschuldigden Jezus dat Hij de sabbat geschonden zou hebben, maar als deze genezing werkelijk waar is, dan is het Gods werk. Het is geen mensenwerk om een man die 38 jaar lang verlamd is geweest en die nu gewoon in één keer zonder revalidatie volstrekt weer kon lopen, zijn weg kon vinden en zijn matras opnam. Dat is Gods werk. Welnu, als het sabbatschending is, wel, dan is het God Zelf Die de sabbat geschonden heeft, als hun beschuldigingen al waar zouden zijn.⟨/p> ⟨p>En daarom zegt de Heer Jezus ook: "De Vader werkt tot nu toe." Daar hebben we het de vorige keer over gehad: de Vader werkt tot nu toe. Dat wil zeggen: Hij heeft dit werk gedaan. Dus of het nu een sabbat is of niet, dit is niet Mijn werk, dit is het werk van de Vader Die dit gedaan heeft. Ja, en wel dat werk, dat wonder, dat teken. Want het is niet alleen maar een wonder, het is een wonderteken. Het is niet voor niks dat het op de sabbat plaatsvond en dat die man zijn matras moest optillen en daarmee moest gaan sjouwen, tussen aanhalingstekens. Dat was allemaal zinnebeeldig. Het was een onmiskenbare getuigenverklaring van God, ondanks dat de autoriteiten en de leidslieden dat niet wensten te erkennen. Maar dat is hun probleem, om zo te zeggen. Het bewijs lag er.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1407" title="Speel af vanaf 23:27">▶ 23:27⟨/button> ⟨span>De Brandende Lamp: het Getuigenis van Johannes de Doper⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanaf vers 33 gaat Johannes ook spreken over Johannes. "Gij hebt," zegt Hij, "jullie hebben." Ik zei het al: het is een beetje verwarrend, want in het Nederlands is het woord 'gij' natuurlijk zowel enkelvoud als meervoud. Maar hier in het Grieks staat een onmiskenbare meervoudsvorm. Jullie hebben afgevaardigd naar Johannes; jullie hebben tot Johannes gezonden. Ik weet niet of u het zich nog herinnert, maar we hebben dat in een van de eerste studies al besproken. Vanuit Jeruzalem is er namelijk een delegatie naar Johannes de Doper gegaan.⟨/p> ⟨p>Laat ik het even lezen in Johannes 1 vers 19: "En dit was het getuigenis van Johannes," de Doper dus, "toen de Joden uit Jeruzalem..." De Joden uit Jeruzalem, eigenlijk ook de Judeërs, maar in ieder geval de leidslieden, want zij stuurden priesters en Levieten eropuit. Het was echt een officiële delegatie. Als de Heer Jezus zegt: "Jullie hebben tot Johannes gezonden," dan gaat het over deze delegatie. Dit was het getuigenis van Johannes de Doper toen de Joden uit Jeruzalem vroegen: "Wie ben jij, Johannes?"⟨/p> ⟨p>Zij hadden dus ooit al een delegatie gestuurd naar Johannes, en hij, Johannes de Doper, heeft van de waarheid getuigd. Dat konden ze weten, want ze hadden zelf die delegatie gestuurd en die delegatie is gewoon weer met antwoord en al teruggekeerd naar Jeruzalem. Johannes heeft van de waarheid getuigd en zijn antwoord was ook opgetekend in ditzelfde gedeelte. Laat ik het lezen vanaf vers 25 van Johannes 1: "En zij vroegen hem," die delegatie dus, die Levieten en priesters, "en zij zeiden tot hem: Waarom doop je dan?" Daar was eigenlijk al een heel gesprek aan voorafgegaan, maar goed. "Waarom doop je dan indien jij de Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet?"⟨/p> ⟨p>Johannes antwoordde hun en zei: "Ik doop met water," of eigenlijk: in water. "Midden onder u staat Hij van wie jullie niet weten. Hij die na mij komt, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken." Let op: de delegatie die de Joden, de leidslieden, naar Johannes de Doper hadden gestuurd, is weer teruggekeerd met een getuigenis van Johannes de Doper. En wat heeft Johannes de Doper gezegd? Let op: de autoriteit van Johannes de Doper was onbetwist. Hij stond buitengewoon hoog aangeschreven, zowel bij het volk als bij de leidslieden.⟨/p> ⟨p>Vandaar ook dat er strikvragen worden gesteld die in de evangeliën een rol spelen. Wanneer de Heer Jezus een vraag krijgt, zegt Hij: "Oké, jullie stellen deze vraag, maar Ik heb een tegenvraag." Een tegenvraag stellen is typisch Joods, hè? Er is een verhaal over een rabbijn die de vraag kreeg waarom Joden altijd met een tegenvraag antwoorden. De rabbijn zei toen: "Waarom zouden we dat niet doen?"⟨/p> ⟨p>De Heer Jezus stelt dus een tegenvraag en zegt: "Ik heb ook een vraag voor jullie. De doop van Johannes, was die uit de hemel of niet?" Dan lees je dat al die leidslieden afdropen, want daarop wilden ze geen antwoord geven. Ze zaten toen echt met een dilemma. Als we zeggen "uit de hemel", dan wil dat zeggen dat de doop van Gods wege was en dan moeten we Hem ook erkennen. Maar als we zeggen dat hij niet uit de hemel was, dan krijgen we het hele volk tegen ons. De autoriteit van Johannes stond immers niet ter discussie. Daar konden ze niet aankomen, dus dropen ze allemaal af.⟨/p> ⟨p>Met andere woorden: die delegatie keert terug naar Jeruzalem met het antwoord dat Johannes zelf gezegd heeft: "Midden onder u staat Hij." Dat is ook weer de tegenwoordige tijd. Er is iemand die zich in deze kring bevindt. Of hij Hem zo aangewezen heeft of dat ze Hem hebben gezien, weet ik niet, maar: "Midden onder jullie staat Hij van wie jullie niet weten." De bediening van de Heer Jezus moest hier nog helemaal beginnen. Hij moest ook nog gedoopt worden, dat was de dag erop geloof ik. Hij is degene die na mij komt, maar die voor mij geweest is.⟨/p> ⟨p>Het gaat me er eventjes om dat er een delegatie tot Johannes gezonden was en hij heeft van de waarheid getuigd. Welnu, als Johannes de Doper gelijk had — en dat was hun veronderstelling — en zijn getuigenis uit de hemel was, dat wil zeggen van goddelijke aard, dan kon het niet missen: dan zouden ze ook Jezus gelijk moeten geven en erkennen dat Hij ook van God gezonden is. Johannes zelf had het getuigd.⟨/p> ⟨p>Dat is dus de eerste getuige, naast wat de Heer Jezus over Zichzelf zei. Maar dat gaat in een rechtbank natuurlijk niet; wat iemand van zichzelf zegt, telt daar niet. Dus Hij zegt: "Jullie hebben tot Johannes gezonden en hij heeft van de waarheid getuigd." Hij vervolgt: "Maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet." Letterlijk staat er: "Ik neem niet aan" of "Ik neem niet in ontvangst het getuigenis van een mens." Hij zegt: "Ik heb dat niet nodig." Zoals de NBG-vertaling dat ook weergeeft: Ik heb het niet nodig. Hoe groots dat getuigenis van Johannes de Doper ook was, Hij zegt: "Dat heb ik niet nodig. Ik behoef het getuigenis van een mens niet."⟨/p> ⟨p>Let ook op de tegenstelling: "Jullie hebben tot Johannes gezonden, maar Ik echter heb dat getuigenis niet nodig." Ziet u hoe het betoog en het argument van Jezus werkt? Hij zegt: "Jullie zijn zelf met een delegatie naar Johannes de Doper gegaan en die heeft voor Mij getuigd. Ik heb dat getuigenis niet eens nodig, maar jullie zijn eropuit geweest om dat te weten te komen." Toch zegt Hij: "Ik verklaar dit opdat jullie behouden worden, opdat jullie gered zullen worden." Dus hoewel Jezus geen getuigenis van een mens nodig had, in dit geval van Johannes de Doper, zou het de autoriteiten met wie Hij nu in conclaaf was wel tot redding strekken als ze daarnaar zouden luisteren. Dat is wat Hij eigenlijk zegt: "Ik behoef het getuigenis van de mens niet, maar Ik zeg dit opdat jullie behouden worden." Als jullie zouden luisteren naar die Johannes, wiens getuigenis Ik niet eens nodig heb, dan zouden jullie gered worden. Begrijpt u hoe de argumentatie werkt?⟨/p> ⟨p>"Hij was," staat er dan. Nu wijs ik er even op: "Hij was." Wie is die "hij"? Dat is Johannes de Doper. Dat staat in de verleden tijd. Dat betekent dus dat als Johannes nog steeds actief was en nog steeds getuigenis gaf, Jezus hier had moeten zeggen: "Hij is de brandende en schijnende lamp." Maar er staat niet "Hij is", er staat "Hij was". Dat getuigenis was inmiddels voorbij; Johannes was inmiddels niet meer onder hen.⟨/p> ⟨p>"Hij was de brandende en schijnende lamp." Dat is een eigenaardige metafoor, want het Johannes-evangelie begon al met zoiets. Als u zich dat nog herinnert uit hoofdstuk 1, daar staat in Johannes 1 vers 6, nadat er eerst gesproken wordt over het Woord dat in het begin was, dat alle dingen door het Woord geworden zijn enzovoorts, en dat het Woord het licht der mensen was: "Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes de Doper. Deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden." Dat was de functie van Johannes de Doper: om van het licht te getuigen.⟨/p> ⟨p>Vandaar dat de Heer Jezus ook hier zegt: "Hij was die brandende en de schijnende lamp." Lampen in die tijd brandden echt. Wij spreken nog steeds over een lamp die brandt, maar strikt genomen is dat natuurlijk niet helemaal waar meer, toch? Een lamp gloeit tegenwoordig; het is een gloeilamp. Van origine waren lampen brandende lampen, maar tegenwoordig hebben we een andere soort lampen.⟨/p> ⟨p>Maar goed, ze geven nog steeds licht. Als het goed is natuurlijk. Kunstlicht. Maar in ieder geval, u begrijpt waarom hij hier zo wordt neergezet als de brandende en schijnende lamp. Wat trouwens ook nog eens veronderstelt dat ze in de duisternis wandelden. Wat dacht je daarvan? Dat is trouwens ook een thema in het Johannes-evangelie dat iedere keer weer naar voren komt: die wereld in de duisternis. Het volk dat in... dat is Jesaja 9: het volk dat in duisternis wandelt, ziet een groot licht.⟨/p> ⟨p>Hij was die brandende en schijnende lamp, en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. Ik vond het interessant dat er in de Statenvertaling 'een korte tijd' staat. Ik denk bij 'een tijdlang' toch aan iets heel anders dan aan een korte tijd. Het punt is dat er in het Grieks letterlijk gewoon 'een uur' staat, of 'richting een uur'. Het idee is juist eigenlijk niet 'een tijdlang' — de Statenvertaling heeft volkomen geparafraseerd — maar letterlijk staat er gewoon 'een uur'. Is een stonde ook een uur dan? Ja, is dat zo? Een stonde... het wordt hier gekoppeld aan het Duitse 'Stunde'. Ja, zo zie je, met elkaar word je wel wat wijzer.⟨/p> ⟨p>In ieder geval wordt hier gesproken over een uur, wat natuurlijk ook in de Bijbel heel dikwijls, en juist in het Johannes-evangelie, wordt gebezigd. Er wordt vaker gesproken over een uur, maar dan moeten we uiteraard niet denken aan zestig minuten, maar aan een moment. "De ure komt dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid." Ook dat zal het zijn.⟨/p> ⟨p>Dat is ook een aardige aanwijzing voor hoelang je prediking zou moeten duren. Bedoel je dat te zeggen? Jullie hebben u een uur in zijn licht willen verheugen. Ik denk ook inderdaad niet in de zin van een lange tijd, maar juist aan een korte tijd. En ik zal u ook vertellen waarom. Want de leidslieden waren in aanvang weliswaar verheugd; ze wilden zich verheugen. De Heere Jezus zegt dat tegen de Joodse leidslieden: "Jullie hebben je een uur in zijn licht willen verheugen." Daarmee wordt juist een moment benadrukt.⟨/p> ⟨p>Ik zal u even meenemen naar het Matteüs-evangelie. Dat gaat over de dagen dat Johannes de Doper optrad. In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, bij de Jordaan. Dan sla ik een heleboel verzen over en dan staat er in vers 5: "Toen liep Jeruzalem, heel Judea en de hele Jordaanstreek tot hem uit." Je kunt wel nagaan dat dit een enorme volksbeweging is geweest die Johannes op touw zette. Hij was de man die de weg des Heren zou bereiden. Het was ook een tijd die zwanger was van Messiaanse verwachting. Men wist: de tijd is op handen dat het Koninkrijk gaat baanbreken.⟨/p> ⟨p>Afijn, toen kwam die Johannes de Doper, en toen liep Jeruzalem en heel Judea en de hele Jordaanstreek tot hem uit. Er staat dat ze zich in de rivier de Jordaan door hem lieten dopen onder belijdenis van hun zonden. En let op wat er dan gebeurde: toen Johannes de Doper zag dat velen van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen... Dus die wilden ook. Zij wilden ook, net als heel het volk en heel Jeruzalem, naar Johannes. Maar toen werd de vreugde ineens een stuk minder, want dan gaat Johannes de Doper hen enkele minder fraaie dingen aanwrijven. Hij zegt niet meteen dat ze hartelijk welkom zijn of dat hij vereerd is met hun komst. Dat waren per slot van rekening de autoriteiten. Nee, hij begint met: "Adderengebroed!"⟨/p> ⟨p>Adderengebroed... dat wil zeggen dat ze iets te maken hebben met de slang. Dat is de gedachte: jullie zijn voortgekomen uit een slang. Dan weet je eigenlijk al genoeg. "Wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan?" Het gaat nog veel verder, maar het gaat me nu even om het volk dat tot Johannes komt en ook de leidslieden die vervolgens naar Johannes gaan. Die willen zich in hem verheugen, maar daar wordt al gauw een stokje voor gestoken. Het komt er gewoon op neer dat ze niet welkom zijn, want Johannes neemt hen hun hypocrisie kwalijk. Het waren mensen die het Woord zogenaamd beheerden, maar in werkelijkheid lieten ze de traditie prevaleren. We zullen dat straks ook nog wel tegenkomen.⟨/p> ⟨p>Dus hij was die brandende en schijnende lamp, en jullie hebben u een uur in zijn licht willen verheugen. Ja, niet al te lang, maar dat was wel jullie wens. En dan staat er: "Maar Ik..." Ik glijd gewoon verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2386" title="Speel af vanaf 39:46">▶ 39:46⟨/button> ⟨span>Gewichtiger Dan Mensenwoorden: de Werken van de Vader⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Johannes 5. Ik heb een getuigenis gewichtiger dan dat van Johannes. Letterlijk staat er — u ziet het hier in de interlineair: "Groter dan van de Johannes." De Johannes. Neem me niet kwalijk, maar als Jezus in zijn antwoord refereert aan Johannes de Doper, dan was dat een getuigenis van heb ik jou daar! Een heel groot getuigenis; een onverdacht getuigenis zou je zeggen. Die moesten zij erkennen. Dus de Heer Jezus voert hem ook als getuige op. Maar nu gaat Hij zeggen dat Hij dat getuigenis van die mens niet eens nodig heeft. Hij zegt: "Ik heb namelijk een getuigenis groter dan dat van de Johannes." Hoe groot dat ook was en hoe overtuigend dat ook zou moeten zijn in een rechtsgeding, als het gaat om de argumentatie en de bewijzen — de bonnetjes, om zo te zeggen — die gewicht in de schaal leggen.⟨/p> ⟨p>Maar, zegt Hij ineens: "Ik heb een getuigenis groter dan van de Johannes." Want, zegt Hij: "De werken die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft." De werken. Ja, meer specifiek de wondertekenen in het algemeen en ⟨em>in casu⟨/em>, in het gegeven geval, dat wonderteken dat vandaag zojuist heeft plaatsgevonden in Bethesda. Die werken die Mij de Vader gegeven heeft... het waren eigenlijk gewoon de werken die de Vader deed. Dat kan een mens van zichzelf niet. De Zoon kan niets van Zichzelf. Als dit wonderteken gebeurt, dan is dat Gods werk door Mij heen. Want de werken die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft.⟨/p> ⟨p>Het zijn dus niet slechts de woorden van een mens, Johannes de Doper, hoe groot en hoe overtuigend ook. Niet slechts de woorden van een mens, maar werken die slechts van God afkomstig kunnen zijn. Ziet u: woorden tegenover daden en werken. En de mens tegenover God. Met recht groter. Het getuigenis van God is groter dan het getuigenis van een mens. Uiteindelijk spreken werken en daden sterker dan slechts woorden. Zeker in dit geval zijn de werken van God gewichtiger dan de woorden van een mens. Dat lijkt me evident. De werken die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken die Ik doe, die getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft. Dat wil zeggen dat de getuige hier de Vader Zelf is door de werken die Ik doe; het waren de werken van de Vader.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2585" title="Speel af vanaf 43:05">▶ 43:05⟨/button> ⟨span>Het Voltooide Getuigenis van de Vader bij de Doop⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En de Vader die Mij gezonden heeft, Die heeft van Mij getuigenis gegeven. Het staat hier trouwens in een specifieke grammaticale tijdsvorm. U hebt daar misschien niet zoveel mee, dat is persoonlijke smaak, maar het is toch van belang om erop te letten of er nu staat 'is' of 'was'. Dat is een heel groot verschil. En in dit geval staat er: "De Vader die Mij gezonden heeft, Die heeft van Mij getuigenis gegeven." Dat staat in de voltooid tegenwoordige tijd. Dat wil zeggen: het is voltooid. Het gaat hier dus niet over het feit dat de Vader nog steeds van Hem getuigt – hoewel dat natuurlijk ook zo is door de werken – maar het gaat hier over een getuigenis dat inmiddels gegeven is.⟨/p> ⟨p>Ik denk dat dit te maken heeft met het feit dat God ook werkelijk gesproken heeft. De Vader die Mij gezonden heeft, Die heeft van Mij getuigenis gegeven. Daarbij denk ik aan een getuigenis in het verleden dat de Vader heeft gegeven, namelijk bij de doop van Jezus. Ook hier weer gebeurde dit dus in de directe aanwezigheid van Johannes de Doper. Je leest in Matteüs 3 dat de Vader getuigenis van Hem gegeven heeft in het verleden. Het is voltooid. Het staat in Matteüs 3 vers 16 – Johannes 3 vers 16 is bekender, maar nu hebben we het even over Matteüs 3 vers 16 – daar staat: "Nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond op uit het water." Dat vind ik prachtig. Gedoopt, ondergaan in de Jordaan; dat is op zichzelf al een prachtig beeld van de dood, van sterven, doodgaan en zelfs begraven worden. En vervolgens, terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. Daar gaat het juist om bij de doop. Je kunt er immers alleen maar uit opstijgen als je er eerst in ondergaat. Hij steeg op uit het water; Hij steeg op uit het graf, uit het watergraf.⟨/p> ⟨p>En zie, de hemelen openden zich en Hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. Eigenlijk zie je hier in Matteüs 3 vers 16 meteen alle heilsfeiten op een rijtje: je ziet Zijn dood aan het kruis, Zijn opstanding, de hemelen die zich openen en de hemelvaart, en vervolgens de Geest Gods die nederdaalt. Alle heilsfeiten zie je hier in één vers al in type uitgebeeld. Hij zag de Geest Gods nederdalen in de gedaante van een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemel zeide: "Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb." Let op: God geeft hier in de Jordaan getuigenis van Zijn Zoon. Johannes was hierbij en God zegt: "Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb."⟨/p> ⟨p>Als ik dan even doorblader naar Johannes 1, dan gaat het over diezelfde gelegenheid. We horen Johannes de Doper weer aan het woord: "En ik kende Hem niet, maar Hij die mij gezonden had om te dopen in water, God dus, Die had tot mij gezegd: 'Op wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, deze is het die in heilige Geest doopt'." En dan voegt hij eraan toe: "En ik heb gezien en getuigd dat deze de Zoon van God is." Kijk, hier heb je ineens twee getuigen: Johannes de Doper die dit getuigt en die hier lijfelijk aanwezig was, en God Zelf die getuigenis geeft via een stem uit de hemel en in de gedaante van een duif die demonstratief op Hem neerdaalt en op Hem blijft. Johannes de Doper zegt: "Ik heb gezien en getuigd dat deze de Zoon van God is." Kortom, de Vader heeft in het verleden getuigd van Zijn Zoon. Als Johannes hier optekent: "En de Vader die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij getuigenis gegeven", dan kan het niet missen: het gaat over het getuigenis dat God gaf bij de doop van Jezus.⟨/p> ⟨p>"En jullie hebben nooit Zijn stem gehoord of Zijn gedaante gezien," staat er letterlijk bij. Met andere woorden: waar Ik nu van spreek, over het getuigenis van de Vader waar Johannes ooit bij was, daar waren jullie niet bij. Jullie hebben nooit Zijn stem gehoord of Zijn gedaante gezien. Ik wel, en Johannes de Doper ook. Het getuigenis van God Zelf. Hij zei: "Jullie hebben nooit Zijn stem gehoord of Zijn gedaante gezien." Dat lijkt mij een bevestiging dat het inderdaad over de doop in de Jordaan gaat, want toen klonk de stem en kwam Gods Geest in de gedaante van een duif op Jezus nederdalen. Maar daar waren zij niet bij.⟨/p> ⟨p>En Hij zegt er nog bij: "En zijn woord hebt u niet blijvend in u." Dat is een aanklacht hoor, vergis u niet. Dit waren mensen die het Woord beheerden; de Schriften waren hun toevertrouwd en zij waren degenen die daarover waakten. Maar, zegt de Heere Jezus, dat mag dan uiterlijk zo zijn, maar het zit niet in u. U hield misschien aan de buitenkant de schijn op, maar Gods Woord hebt u niet blijvend in u. Hij motiveert dat: "Want die Hij gezonden heeft, namelijk de Vader, die gelooft u niet." Het vleesgeworden Woord gelooft u niet. Of u nu de Schriften daaronder verstaat, of het Woord van God in het algemeen, of het vleesgeworden Woord: die Hij gezonden heeft, die gelooft u niet. Daarmee is het bewijs geleverd dat het Woord niet echt in hen is. Absoluut niet.⟨/p> ⟨p>Ik stel voor dat we het hier even bij laten. Goed vrienden, wij pakken de draad weer op bij het laatste gedeelte van Johannes 5. We kijken naar het rechtsgeding dat Jezus voerde, de argumenten die Hij noemt en de getuigen die Hij opvoert. Het laatste wat we hebben gezien in vers 38 is dat Hij zegt: "Zijn woord, Gods woord, hebt u niet blijvend in u." Vooral dat voorzetsel 'in' is belangrijk. Het is wel de buitenkant, maar het houdt u niet werkelijk bezig. En waarom niet? Omdat u Hem die God gezonden heeft, niet gelooft. Dat Woord is dus niet in u. U houdt daar niet werkelijk van en u bent niet bereid het te accepteren en te geloven, ondanks alle getuigen en alle bewijzen die er zijn.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3087" title="Speel af vanaf 51:27">▶ 51:27⟨/button> ⟨span>Onderzoekt de Schriften: Zij Getuigen van Leven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan komen we in vers 39. En ja, dan moet ik meteen een aanmerking maken op de NBG-vertaling. Oh, ik had zojuist eventjes dat voorbeeld kunnen geven aan deze mensen; ze vroegen mij om een voorbeeld van het verschil tussen de interlineair en de gewone vertaling. Nou, ik kon even niet zo gauw een heel goed voorbeeld geven, maar ineens worden mijn ogen nu gericht op vers 39. En dan zien we dat in de NBG-vertaling staat: "Gij onderzoekt de Schriften." Als u een Statenvertaling hebt, dan staat hier: "Onderzoekt de Schriften."⟨/p> ⟨p>Het ene is, om het even geleerd grammaticaal te zeggen: "Jullie onderzoeken de Schriften." Dat is indicatief; dat is een vaststelling van: zo doen jullie dat. Maar als je zegt: "Onderzoekt de Schriften," dan is dat een opdracht. Dat heet dan een imperatief, een gebiedende wijs dus. In de Herziening Statenvertaling staat er weer: "U onderzoekt." Ja, nou, het is nogal wat. U ziet trouwens hier in de interlineair die ik hier laat zien, dat het wordt weergegeven als een imperatief. En ik ga u nu even niet alle argumenten over en weer noemen, daar ben ik zelf te veel een leek in, maar als u daar echt wat meer van zou willen weten, dan zou u het commentaar van Goetzee er even op na moeten slaan. Hij laat echt heel overtuigend zien dat dit als een imperatief, dus een gebiedende wijs, gelezen moet worden: "Onderzoekt de Schriften."⟨/p> ⟨p>Wat de Heer Jezus daar feitelijk mee zegt, is: "Jullie onderzoeken de Schriften niet." Terwijl er in de NBG-vertaling gesuggereerd wordt: "Jullie onderzoeken de Schriften." Nee, juist niet, doet dat nu juist maar! Nogmaals, grammaticaal ligt de kwestie wat ingewikkeld, want het kan zowel een imperatief zijn als een indicatief, maar er zijn hele goede redenen om dit inderdaad als gebiedende wijs op te vatten. Maar dat laat ik even voor wat het is; ik volg de lijn zoals die in de Statenvertaling is weergegeven en ook in de Concordant Version: "Onderzoekt de Schriften."⟨/p> ⟨p>Zijn woord hadden ze namelijk niet blijvend in hen. Alleen al het verband zet ons eigenlijk op het spoor: Zijn woord hadden ze niet in hen, ze waren daar helemaal niet mee bezig. Ze hielden zich bezig met heel andere dingen, ondanks dat ze uiterlijk de reputatie hadden dat ze zich met het Woord bezighielden en dat dit belangrijk voor hen was. De Heer Jezus zegt trouwens ergens anders in de Evangeliën ook tegen de leidslieden: "Jullie dwalen, want jullie kennen de Schriften niet." De traditie kenden ze wel, maar de Schriften echt kennen? Nee, dat is juist wat Hij hen verwijt: "Onderzoekt de Schriften!" Het is echt een aansporing. Waarom? Wel, als je Hem wilt leren kennen — en ik bedoel de Heer Jezus Christus wilt leren kennen — dan vind je Hem ook in de Schriften. Onderzoekt de Schriften.⟨/p> ⟨p>Er staat nergens in de Bijbel — ik hoorde dat een keertje van een Engelse broeder, en dat is wel een mooie uitspraak — er staat nergens in de Bijbel: "Leest de Schriften." Ik zeg niet dat het verkeerd is, maar het staat nergens zo. Er staat: "Onderzoekt de Schriften." Die Schriften zijn er niet om eventjes aan tafel zomaar een stukje voor te lezen, want dan ontgaat je dikwijls de betekenis. Nogmaals, ik wil dat lezen niet wegzetten alsof dat niet waardevol zou zijn, integendeel. Het begint ook met lezen; voordat je onderzoekt, ga je eerst lezen. Maar het gaat erom dat je het onderzoekt en niet slechts leest. Dat je gaat zoeken naar de betekenis: wat wil dat eigenlijk zeggen? En daar zijn we vanavond ook mee bezig. Onderzoekt de Schriften, of: doorzoekt de Schrift, is eigenlijk de gedachte.⟨/p> ⟨p>Want jullie... hoe staat het trouwens in de Statenvertaling? Dat ben ik nu even kwijt. "Onderzoekt de Schriften", en daarachter? Ja, oké, dat is dus eigenlijk dezelfde lezing als in de NBG: "Want gij meent daarin eeuwig leven te hebben." Dat "daarin" slaat niet op het onderzoeken, nee, het slaat op de Schriften. In het Grieks zie je dat helemaal duidelijk, want "daarin" is meervoud vrouwelijk, en "Schriften" ook, dus dat kan niet missen. Dat "daarin" slaat op de Schriften. Want jullie menen — ten onrechte dus — daarin, in die Schriften die jullie wel hebben en bezitten en beheren en bewaken en bewaren — dat was hun taak ook — maar jullie menen in de Schriften het eeuwig leven te hebben. Daarin!⟨/p> ⟨p>En dat is een misverstand, want die Schriften zou men onderzoeken en geloven, en dat is precies waar het hen aan ontbrak. Daarom zegt de Heer ook: "Jullie kennen de Schriften niet, jullie onderzoeken ook de Schriften niet." Jullie menen in de Schriften aan zich, in het bezit daarvan, het eeuwig leven te hebben, het aionische leven te hebben. Maar, dan voegt Hij eraan toe: "En deze, die Schriften, die zijn het die van Mij getuigen." Als jullie de Schriften werkelijk zouden onderzoeken en geloven, wel, dan zouden jullie Mij ook geloven. Want die Schriften getuigen namelijk van Mij.⟨/p> ⟨p>Ja, ik verwijs nu naar Lukas 24, maar ik zou zeggen: daag me niet uit waar dat allemaal niet in staat. Maar laat ik me even beperken tot wat de Heer Jezus ooit op de dag van Zijn opstanding zei en verklaarde toen Hij Zich vervoegde bij die twee mannen — ik ga er tenminste vanuit dat het twee mannen waren, dat weet ik niet helemaal zeker — die op weg waren naar Emmaüs. De Emmaüsgangers, zo heten ze dan. Nou ja, als het vrouwen waren, dan waren het inderdaad "gangsters", maar één was een man, dat was Cleopas namelijk. En die andere weet ik niet, daarvan wordt de naam niet vermeld. Maar in ieder geval, het waren Emmaüsgangers.⟨/p> ⟨p>Nou, u weet het: Hij vervoegt Zich in eerste instantie incognito bij hen en ze weten niet met wie ze van doen hebben. En er staat dat Hij, Jezus dus, begon bij Mozes en bij al de Profeten. En Hij legde hen uit wat in al de Schriften op Hem betrekking had. Kijk, dat was onderzoek van de Schriften, en eigenlijk ook het tonen van de resultaten van dat onderzoek: al de Schriften hebben op Hem betrekking. En Hij legde hen dat zo allemaal uit. Wat in al de Schriften op Hem betrekking had.⟨/p> ⟨p>En als we dan nog een heel aantal verzen later lezen, diezelfde dag of eigenlijk in de avond van die dag, dan lees je dat Hij zei tot de kring van de discipelen waarin Hij verschenen was: "Dit zijn Mijn woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was." Dat alles — dit herinnert dus aan wat Jezus ooit al eerder had gezegd voor Zijn kruisiging en toen Hij nog onder hen was — dat alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen vervuld moet worden.⟨/p> ⟨p>Kijk, en hier heb je trouwens de hele Hebreeuwse Bijbel: Mozes (de Thora), de Profeten (de Nevi'im) en de Psalmen (de Ketubim). De Psalmen zijn eigenlijk het eerste boek, of de eerste boeken van de Geschriften. Wij spreken altijd over het Oude Testament, maar Joden spreken over de Tenach: de Thora (de Wet van Mozes), de Profeten en de Geschriften, die beginnen dan met de Psalmen. Dat is ook precies de manier waarop de Heer Jezus dat aanduidde: Mozes, de Profeten en de Psalmen. Hij zegt: "Alles wat daarin staat, dat spreekt ook van Mij. Alles wat over Mij geschreven staat daar in Mozes, de Profeten en de Psalmen, dat moet vervuld worden." Nou, toen de Heer Jezus daar met recht een boekje over opendeed, of de boeken over opendeed, toen was hun hart brandende in hen, toen Hij ons onderweg de Schriften uitlegde en opende.⟨/p> ⟨p>Ja, dat is heel mooi. Die dag ging alles open. Eerst was het graf geopend en dan lees je vervolgens dat de Schriften geopend werden. Dan lees je later nog dat hun ogen werden geopend – van de Emmaüsgangers – en later lees je ook nog dat de Schriften werden geopend. Kortom, alles ging open die dag.⟨/p> ⟨p>Wat er gebeurt, is net als wat het voorjaar ook echt voorjaar maakt: dan gaat alles open en komt er leven en licht vrij. Dat is eigenlijk wat er op deze dag allemaal gebeurde. Die Schriften getuigen van leven. Zij meenden – ik bedoel de Joodse autoriteiten, de geestelijke leidslieden – zij meenden in het bezit van die Schriften eeuwig, aionisch leven te hebben. Want dat is een garantie: onze positie staat eigenlijk garant voor onze toekomst, voor het leven in de toekomende aion.⟨/p> ⟨p>Nee, helemaal niet. In die Schriften ligt inderdaad het leven; daar zul je moeten zoeken. Die Schriften moet je onderzoeken en ook geloven. Onderzoek de Schriften, want jullie menen daarin – in die Schriften, alleen in die Schriften dus – aionisch leven te hebben. En deze zijn het die van Mij getuigen.⟨/p> ⟨p>Vers 40: "En toch wilt gij tot Mij niet komen om leven te hebben." Leven is er in Mij. Dat zou ook openbaar worden, dat de gelovende het leven heeft in Zijn naam. Wat je hier ziet – let even op dat woord "wilt gij" – gij wilt niet. Dus het was niet alleen maar onkunde, dat ze de Schriften niet kenden, maar het was ook ten diepste onwil. Men wilde niet tot Hem komen om leven te hebben, terwijl dat nu juist is waar de Schrift over gaat.⟨/p> ⟨p>Heel de Schrift gaat over leven, het leven dat geopenbaard zou worden. Dat leven is verborgen, dat weet u toch? Nog steeds is het leven verborgen en ook in die Schriften ligt het allemaal verborgen; men zou het zoeken en onder de oppervlakte ook vinden. "Toch wilt gij tot Mij niet komen om leven te hebben." Wat hen blokkeerde om tot Hem te komen, is eigenlijk al uit de verf gekomen, of er zijn in ieder geval al diverse dingen inmiddels genoemd. Maar we zullen nog meer zien. Lees even met me mee.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3857" title="Speel af vanaf 01:04:17">▶ 01:04:17⟨/button> ⟨span>De Religieuze Blokkade: Eer van Mensen Boven de Liefde Gods⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In vers 41 zegt de Heer: "Eer van mensen, heerlijkheid van medemensen, neem ik niet in ontvangst." Eigenlijk is dit ook weer een verwijt; als je de klemtoon goed legt, dan is dit impliciet een sneer naar Zijn hoorders. "Eer van mensen behoef Ik niet," zegt Hij, maar anderen — jullie dus wel. Dit verwijt klinkt ook in andere passages van het evangelie, waarin de Heer Jezus zegt dat zij eigenlijk alleen maar uit zijn op eretitels en erefuncties. Het draait bij hen om eer, en trouwens, dat is vandaag de dag niet anders. Je kunt ook in de geestelijke dingen, rondom het Woord, heel veel eer behalen. Een eretitel zoals doctor, professor of dominee; het zijn allemaal titels die mensen aan elkaar toekennen. Dat zijn geen goddelijke functies of goddelijke titels; nee, dat zijn titels die mensen hebben bedacht. Ze worden door mensen bedacht en door mensen vergeven. Als je aan bepaalde standaarden beantwoordt, dan krijg je die functies en dan ben je doctor in de godgeleerdheid. Dan ben je een godgeleerde, want het is nogal wat, zo'n titel. Maar heb je die van God gekregen? Nee, dat is gewoon een eer die mensen je geven en het verschaft je een erepositie. Als je eenmaal die titel hebt gekregen, dan horen daar ook bepaalde functies bij, maar het is allemaal eer van mensen.⟨/p> ⟨p>Hier staat echter een man, een timmerman, en Hij zegt: "Eer van mensen hoef Ik niet." Hij had inderdaad helemaal geen bevoegdheid in de ogen van de wereld. Daar werd de Heer Jezus ook naar gevraagd: "Krachtens welke bevoegdheid doet Gij dit?" In de menselijke verhoudingen zeg je dan: "Ik heb papieren, ik ben geaccrediteerd door een instituut, door een universiteit, door een kerkgenootschap of door een menselijke organisatie om dit te doen." Dan heb je bevoegdheid. Maar de Heer sprak niet over bevoegdheid, Hij sprak over bekwaamheid en of je de Schriften kent. Laat ik u dit zeggen, en dat is echt een understatement: doctor zijn in de theologie betekent niet dat je God überhaupt kent. Sterker nog, je kunt een hoge doctor of professor in de theologie zijn en niet eens de Schrift geloven, of zelfs niet eens geloven dat God bestaat. In mijn beleving is dat dwaasheid, maar het gebeurt. Het heeft niets met bekwaamheid te maken en niets met geloof. Ik sta op het standpunt — en u mag daar anders over denken — dat ik er inmiddels al te veel kwalijke voorbeelden van heb meegemaakt. Ook bij mensen die ik ken; zodra ze die toer opgingen en theologie gingen studeren, raakten ze juist hun geloof kwijt. Het is vaak de snelweg naar ongeloof.⟨/p> ⟨p>Waar je voortdurend tegenaan loopt — en ik heb dit ook gehoord van mensen die zelf die opleiding volgen — is dat de Schrift niet wordt onderzocht, maar voortdurend wordt betwijfeld. "Is het niet dat God gezegd heeft?" Nee, mensen hebben dit gezegd. Wat je doet, is bestuderen wat mensen allemaal over de Schrift hebben verteld. Je zou denken: "Ik ben gelovig geworden en ik ben enthousiast. Ik wil hier veel meer over weten, dus ik ga naar de universiteit." Als je een goed stel hersens hebt, ga je een theologische opleiding volgen. Je gaat bezig zijn met de Schrift en het over God hebben. "Heerlijk, ik ga Hem beter leren kennen op een niveau dat past bij mijn intellectuele capaciteiten." Je kunt immers hele goede argumenten opsommen. Maar het is dikwijls fataal. De voorbeelden die ik ervan gezien heb — en dat is ook weer een understatement — zijn voor mij niet erg overtuigend.⟨/p> ⟨p>Laten we terugkeren naar Johannes 5. De Heer zegt: "Eer van mensen neem ik niet in ontvangst, maar Ik ken jullie." Of eigenlijk zegt Hij: "Ik heb jullie gekend; jullie hebben de liefde Gods niet in jezelf." Dit is precies waar we het zojuist ook al even over hadden. Het gaat hier over de liefde van de God, de liefde die God eigen is. "Zijn Woord hebben jullie niet blijvend in je, niet in je hart." Je kunt wel beroepsmatig met de Tenach bezig zijn, deze beheren en de verklaringen en uitleggingen kennen die in de loop der tijden gegeven zijn. De Joden hebben ook hun Talmoed, dat is een gigantische studie. Dan bestudeer je wat rabbijn X en rabbijn Y hebben gesproken over een bepaalde passage. Dat is een gigantische bron van kennis, of wat daarvoor doorgaat, maar dat is iets heel anders dan bezig zijn met de Schriften zoals de Heere Jezus dat was. Hij was voortdurend bezig met de dingen van Zijn Vader en Hij zegt: "In de boekrol staat van Mij geschreven." Hij heeft dingen gevonden waar de heren theologen van Zijn dagen nog nooit van gehoord hadden, terwijl Hij het allemaal vanuit de Schrift kon bewijzen. Maar zij hadden daar helemaal geen oren naar, want dat was het probleem: het stond haaks op wat zij dachten en op wat in de traditie allemaal was vastgelegd.⟨/p> ⟨p>"Jullie ontkrachten het Woord," zo zegt de Heer Jezus dat in Mattheüs 15:6 in het twistgesprek met de Farizeeën. "Jullie hebben het Woord van God van kracht beroofd ter wille van jullie overlevering." En daar heb je echt een bottleneck: tradities die het Woord ontkrachten. Die tradities blokkeren jullie om tot Mij te komen en om Mij überhaupt te willen aanhoren. Er was dus geen liefde voor het Woord en voor de Schriften; er was liefde voor de eer van mensen. "Ik ben gekomen," zegt de Heer Jezus dan, "in de naam van Mijn Vader en jullie nemen Mij niet aan." Hij boog niet op een positie die mensen Hem hadden toegekend, maar Hij wist, zoals ik zojuist al citeerde: "De Schriften hebben over Mij gesproken. Ik ben het vleesgeworden Woord." Hij wist wat Hem te doen stond. Hij kwam in de naam van Zijn Vader: "Ik ben hier om Uw wil te doen, want in de boekrol staat van Mij geschreven." Hij kwam in de naam van Zijn Vader, maar zij namen Hem niet aan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4356" title="Speel af vanaf 01:12:36">▶ 01:12:36⟨/button> ⟨span>Misleiding: de Messias Verworpen, de Antichrist Aangenomen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Kijk, de Heer Jezus was een mens, Hij is een mens. En hier op aarde heeft Hij dit natuurlijk uitgesproken. Dit klinkt scherp, maar kun je je voorstellen dat iemand die zijn hele leven daar zo intensief, zo van harte mee bezig is geweest, dan op zo'n enorme massieve weerstand stuit van mensen van aanzien? Mensen die zich konden bogen op geestelijke dingen, want ze hadden die reputatie. Hoe pijnlijk en hoe tragisch moet dat voor de Heer zijn geweest? Hoeveel verdriet heeft dit Hem ook gedaan om daarop te stuiten: "En jullie nemen Mij niet aan, jullie nemen Mij niet in ontvangst."⟨/p> ⟨p>"Indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen." Hier zie je weer die tegenstelling: "Ik kom in de naam van mijn Vader en met Zijn woord, en jullie nemen Mij niet aan. Als iemand komt met zijn eigen naam en met een eigen woord, een woord van mensen en leringen van mensen, wel, die zullen jullie aannemen." Dit is, als u het mij vraagt, ook profetisch, omdat het spreekt van iemand die straks in de toekomst zal komen. Hij zal komen in zijn eigen naam en die zullen zij — en ik bedoel daarmee gewoon Israël als volk, het Joodse volk — aannemen. De antichrist.⟨/p> ⟨p>Johannes zegt trouwens later in 1 Johannes 2 vers 18 — ik heb er geen diaatje van, dus ik zal het even voorlezen: "Kinderkens, gelijk gij gehoord hebt dat er een antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen opgestaan en daarom onderkennen wij dat het het laatste uur is." Maar let even op dit: "Gelijk gij gehoord hebt dat er een antichrist komt." Die ene, die speciale. Er zijn er nu ook velen; antichristelijk is feitelijk niet eens een specifiek profetische term, maar er komt er uiteindelijk één. En die zal zich in de tempel Gods laten zien. Paulus spreekt erover in 2 Thessalonicenzen 2, waar hij zegt dat diegene zich in de tempel Gods zal zetten om zich daar te vertonen met messiaanse aanspraken.⟨/p> ⟨p>Er zal dan ook een tijd van geweldige vrede zijn, een schijnvrede, waarbij hij zal zeggen: "Ik ben degene die dit alles bewerkt." En natuurlijk, als de Messias komt, dan breekt het Messiaanse Rijk aan; dat is de Joodse gedachte. Je kunt je dus voorstellen dat als daar iemand komt die pretendeert de Messias te zijn en dat ook waarmaakt — door bijvoorbeeld politieke vrede te realiseren, maar ook door weer een tempel in Jeruzalem te hebben met een offerdienst enzovoorts — dat men dat zo zal accepteren. Trouwens, niet alleen in de Joodse wereld. Je moet van goeden huize komen, zegt de Heer Jezus in Matteüs 24, om in die misleiding die er dan zal zijn staande te blijven. Vergis je niet: indien het mogelijk ware, zouden zelfs de uitverkorenen misleid worden. "Indien een ander komt in zijn eigen naam, die zullen jullie aannemen." Het is dus een voorzegging: "Die zullen jullie aannemen."⟨/p> ⟨p>"Hoe kunt gij tot geloof komen?" staat er dan, en letterlijk staat er: "Hoe kunnen jullie geloven?" Waarom vraagt de Heer dit? "Jullie die eer van elkander in ontvangst neemt." Ik had het er al eens over: dat is eigenlijk waar dat hele bedrijf, als ik het zo mag zeggen, om draaide. Het was gewoon business. Eer van elkaar in ontvangst nemen, dat is wat ze zochten, met natuurlijk ook alle voordelen die daarmee gepaard gaan. Wat dacht u hiervan: het aanzien van mensen. Jullie nemen eer van elkaar in ontvangst, met andere woorden: eer die mensen aan elkaar toekennen, menselijke eer.⟨/p> ⟨p>"En de eer die van de enige God komt, niet zoekt." Dat wil zeggen dat ze eigenlijk gewoon zochten naar die bevestiging, eer en prestige van mensen, terwijl de eer die van de enige God komt en van Zijn woord, om dat te onderzoeken en dat in je te hebben en daar werkelijke passie en liefde voor te hebben, dat was er niet bij. "De eer die van de enige God komt, niet zoekt." Hier staat trouwens in het Grieks ⟨em>monos theos⟨/em>, waar ons woordje monotheïsme vandaan komt. Monotheïsme betekent: God is de enige God. Dat zegt de Heer Jezus later in het hogepriesterlijk gebed ook, wanneer Hij tot Zijn Vader spreekt: "Dit nu is het aionische leven, het eeuwige leven, dat zij U kennen, Vader, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die Gij gezonden hebt." De enige waarachtige God. Moet je nagaan, de Joden gingen erop prat dat zij monotheïsten waren — één God — maar de Heer zegt: "Het is vernis, het is de buitenkant. Dat is wat ze zeggen, maar de eer die van de enige God komt, die zoeken jullie niet."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4758" title="Speel af vanaf 01:19:18">▶ 01:19:18⟨/button> ⟨span>Uit de Dood Getrokken: Mozes als Getuige Én Aanklager⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader. Hier hebben we dat 'menen' weer. De Joodse leiders meenden in het onderzoek van de Schriften het leven te hebben, maar dat is een misverstand. En hier menen ze weer iets: "Meent niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader. Uw aanklager is Mozes, op wie gij uw hoop gevestigd hebt."⟨/p> ⟨p>Daar heb je Mozes weer. Eigenlijk is dat een verzamelnaam voor de vijf boeken, de Torah. Alleen al als je de naam 'Mozes' uitspreekt, zeg je: 'uit het water getrokken'. Mozes was degene die in de doodswateren was gelegd. Hij lag feitelijk in een doodskist, een kistje, en hij werd uit de dood – want dat was de Nijl – genomen. De Nijl was destijds feitelijk gewoon een groot kerkhof, want al die Joodse jongetjes werden daarin geworpen. Mozes lag daar in een kistje en hij werd daaruit, uit die Nijl, genomen. Daaraan ontleent hij zijn naam: 'uit de dood, aan de dood onttrokken'. Via die weg werd hij de verlosser van Israël. Alleen de naam al, Mozes, getuigt van Christus. En dan heb ik het nog niet eens over alles waar deze Mozes over spreekt in zijn boeken.⟨/p> ⟨p>Uw aanklager is Mozes, dat wil zeggen: de boeken van Mozes. Jullie hebben de mond er vol van en jullie hebben je hoop daarop gevestigd, maar in werkelijkheid is hij degene die jullie aanklaagt. Waarom? Vers 46 geeft het antwoord: "Want indien gij Mozes geloofdet, zoudt gij ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven." Daarom zegt de Heer: onderzoek nou die Schriften. Want dan zouden jullie erachter zijn gekomen dat jullie gewoon in de duisternis leven. En dat nota bene als orthodoxen en theologen. Ze kenden de Schrift niet en geloofden de Schrift niet. "Indien jullie Mozes geloofden, zouden jullie ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven."⟨/p> ⟨p>En hoe getuigt Mozes dan? De Heer Jezus gaf ooit op de dag van Zijn opstanding een Bijbelstudie aan de Emmaüsgangers en toonde dat aan. Ik weet niet precies de afstand, het was een wandeling van elf of twaalf kilometer naar Emmaüs, en toen ze daar arriveerden, hebben ze ongetwijfeld ook nog doorgesproken. Er kan dus heel wat besproken zijn. Maar het maakt niet uit of je het nu hebt over Genesis 1, 2 of 3: je komt altijd bij Hem uit. Dat is juist het geweldige van het bestuderen van de Schriften en alles wat daarin verborgen ligt. Daarin is écht leven.⟨/p> ⟨p>Zo sluit het hoofdstuk af: "Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft" – het is voortdurend meervoud, de Heer Jezus spreekt dus tegen die autoriteit – "indien jullie zijn geschriften, die van Mozes dus, niet geloven, hoe zullen jullie Mijn woorden geloven?" Met 'Mijn woorden' bedoelt Hij de woorden van Degene over wie Mozes heeft geschreven. Dat hoef ik ook niet te verwachten, zegt de Heer; jullie geloven hem niet, dus hoe zouden jullie Mij geloven?⟨/p> ⟨p>Eigenlijk is het zo dat het hele betoog van de Heer ook hier door Johannes wordt afgesloten. Dit zijn de laatste woorden. Die kun je ter harte nemen, maar ze zijn messcherp. Dit was geen stichtelijk praatje van de Heer, dit was een rechtsgeding. Hij werd beschuldigd en de Heer voert hier getuigen op, met als laatste de Schriften. Die getuigen van Mij. En daarmee is hoofdstuk 5 afgesloten.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5037" title="Speel af vanaf 01:23:57">▶ 01:23:57⟨/button> ⟨span>Afsluiting van het Rechtsgeding en Vooruitblik op Johannes 6⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En het is volkomen logisch dat het hoofdstuk hier wordt afgesloten, want in Johannes 6 krijgen we weer een hele nieuwe geschiedenis. Er staat: "Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias", enzovoort. Dat betekent dus dat hier het toneel van Jeruzalem wordt verlaten en we vervolgens weer worden geplaatst in het noorden van Israël, namelijk aan de andere kant van het meer van Kinneret, de zee van Tiberias.⟨/p> ⟨p>Maar voordat we naar de overzijde van de zee van Tiberias gaan, gaan wij eerst nog even vakantie vieren en alles herkouwen wat we zo hebben mogen bestuderen. Ja, dat is het mooie van vakantievieren, nietwaar? Dan kun je je bezighouden met de dingen die er echt toe doen. Daar heb je dan de tijd voor, nietwaar?⟨/p> ⟨p>Dus ik stel voor dat we straks, zo de Heer wil en wij leven – want dat voorbehoud maken we natuurlijk wel, want de mens wikt maar God beschikt – als we in de gelegenheid zijn, begin september weer verdergaan en starten met de bespreking van Johannes 6.⟨/p>