⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op Saulus' Roeping en Aankomst in Jeruzalem⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het is de vijfde avond over de voetsporen van Paulus en het lijkt me nuttig om, zoals we dat gebruikelijk zijn te doen, even terug te blikken. Tot aan Handelingen 13 vers 9, om precies te zijn, heeft de hoofdrolspeler in deze studie een andere naam, namelijk Saulus. Consequent heet hij tot dat tijdstip zo, en dat is heel veelzeggend, maar daar komen we later over te spreken. Tot die tijd heeft hij de Hebreeuwse naam Saulus; vanaf het moment dat hij zich richt tot de natiën, wordt hij Paulus genoemd. Daar zit nog veel meer aan vast dan wat ik nu even zeg, maar het is van belang omdat we het hebben over de voetsporen van Paulus, terwijl we in de praktijk voorlopig nog over Saulus spreken. Maar aangezien het dezelfde persoon is, is het natuurlijk niet bezwaarlijk om het op deze wijze toch te bespreken.⟨/p> ⟨p>Handelingen 7 en 8 zijn de hoofdstukken waarin de naam Saulus voor het eerst voorkomt. Daar wordt hij beschreven als de vervolger van de ekklesia. Handelingen 7 gaat eigenlijk nog over Stefanus, maar omdat hij gestenigd wordt en Saulus daar als de grote verdediger een grote rol in speelt, wordt zijn naam bij die gelegenheid voor het eerst genoemd. In Handelingen 8 zien we hoe hij als een razende terrorist tekeergaat in Jeruzalem, in de landstreken van Judea en ook daarbuiten. En als we het daarover hebben, komen we vanzelf in Handelingen 9, want daar wordt Saulus geroepen op de weg naar Damascus. Inmiddels was hij naar het buitenland gegaan om daar zijn missie te volbrengen, namelijk om de ekklesia – 'de weg' – tot het uiterste te vervolgen en uit te roeien. Dat woord wordt ook in dat verband gebruikt.⟨/p> ⟨p>De vorige keer hebben we ons specifiek beziggehouden met de verzen 17 tot en met 26 van Handelingen 9. Daarin ging het over Ananias. De naam Hananja betekent 'Yahweh is genadig', een heel veelzeggende naam wanneer deze in aanraking komt met Saulus, want wat blijkt? Hij opent hem de ogen. Yahweh is genadig en opent Saulus van Tarsus de ogen. Vervolgens gaat Paulus naar Arabië. Dat staat inderdaad niet vermeld in Handelingen, maar dat weten we als we het Schrift met Schrift vergelijken vanuit Galaten 1.⟨/p> ⟨p>Ik heb destijds ter plekke een ontdekking gedaan over waar dat verblijf van Paulus in Arabië gelokaliseerd moet worden. Wanneer je leest in Handelingen 9 vers 18 en 19a, staat er dat hij opstond en werd gedoopt, en toen hij voedsel genomen had, werd hij versterkt. In vers 19b begint er vervolgens een nieuwe passage. Daartussen moeten we het verblijf van Paulus in Arabië plaatsen, zoals hij dat beschrijft in Galaten 1. Voor mij was het een eye-opener dat het inderdaad daar geplaatst moet worden, helemaal conform de beschrijving in Galaten 1. Hij is niet te rade gegaan bij vlees en bloed, maar is naar Arabië gegaan en vervolgens, zo zegt hij in Galaten, teruggekeerd naar Damascus.⟨/p> ⟨p>Dat is precies wat je in Handelingen 9 inderdaad weer leest. Daar treedt hij ook meteen met vrijmoedigheid op en verkondigt hij in de synagogen Jezus als de Zoon van God. Dat is een Messiaanse titel, met name ontleend aan de beroemde Messiaanse Psalm 2. De enorm krachtige prediking van Saulus roept echter meteen veel weerstand op, wat direct heel karakteristiek is. Hij treedt op in Damascus, de eerste de beste plaats waar hij in het openbaar spreekt, en dat roept een massieve weerstand op bij de Joden, die hem vervolgens proberen te vermoorden. Maar dat mislukt, want Saulus ontkomt in een mand.⟨/p> ⟨p>We hebben de typologie daarvan besproken: zoals een Mozes destijds ontkwam in een mand, zo ontkwam Saulus hier via een venster. De poort van Damascus ging dicht en de deur werd gesloten op initiatief van de Joden. Maar wat deed God? Hij opende een venster. Dat is heel veelzeggend en eigenlijk karakteristiek voor de hele latere bediening van Paulus, zoals die in Handelingen en in zijn brieven beschreven wordt: bij de Joden en bij Israël wordt er een deur gesloten, maar vervolgens opent God een venster. Via dat venster verdwijnt hij uit het zicht van Damascus en arriveert hij in Jeruzalem. We weten dat dit drie jaar na zijn roeping op de weg naar Damascus was. Zijn verblijf in Arabië, zijn terugkeer in Damascus en zijn prediking aldaar hebben in totaal twee à drie jaar geduurd.⟨/p> ⟨p>In het derde jaar komt hij dan terug in Jeruzalem, maar daar wordt hij geschuwd. In vers 26, het laatste vers dat we de vorige keer hebben besproken, staat: 'En te Jeruzalem aangekomen, trachtte hij zich bij de discipelen te voegen; maar allen schuwden hem, daar zij niet konden geloven dat hij een discipel was.' Wellicht dachten ze dat hij een geheim agent was die op die manier probeerde de boel te bespioneren om alsnog zijn slag te slaan. Ze konden het simpelweg niet geloven. En daar zijn we de vorige keer geëindigd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="451" title="Speel af vanaf 07:31">▶ 07:31⟨/button> ⟨span>Barnabas: de Zoon van de Bemoediging⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat betekent dat we nu de draad oppakken bij vers 27 van Handelingen 9. Daar staat: "Maar Barnabas." Dat is interessant, want die persoon zijn we al eerder tegengekomen – althans, wij als lezers van het boek Handelingen. Zo bedoel ik het, want hij wordt al eerder vermeld in hoofdstuk 4 vers 36. Daar zien we ook dat de naam Barnabas een bijnaam van hem was.⟨/p> ⟨p>Laten we er even naartoe gaan, naar Handelingen 4 vers 36. Dit zijn net de verzen die pal voorafgaan aan de dramatische geschiedenis van Ananias en Saffira. Het blijkt ook wel hoe groot het contrast is tussen deze Barnabas en die laatste personen. Er staat in vers 36: "En Jozef, die van de apostelen de bijnaam Barnabas gekregen had." Het interessante is dat hij vervolgens nog een hele grote rol gaat spelen in het boek Handelingen. Later in de geschiedenis zullen we hem weer tegenkomen; we zullen het nog vaak over hem hebben en ook over zijn rol en zijn betekenis. Maar goed, we hoeven daar niet op vooruit te lopen. Hier vinden we dus zijn eerste vermelding: "En Jozef – dat was zijn naam – die van de apostelen de bijnaam Barnabas gekregen had."⟨/p> ⟨p>Als we niet weten wat dat betekent, dan komt Lukas ons tegemoet, want hij zegt wat dat letterlijk vertaald betekent: "zoon der vertroosting". Maar u ziet hier in de interlinear: dat betekent letterlijk "zoon van de bemoediging". Het woordje is hier ⟨em>paraklesis⟨/em>. We hebben het er vaker over gehad. Dat wordt in de NBG-vertaling vertaald met vermanen, vertroosten, aanmoedigen of bemoedigen. De interlinear geeft het consequent weer met bemoedigen of aanmoedigen. Letterlijk is het "naast-roepen", zoals u ziet. Dat is wat zijn naam betekent; hij is de zoon van bemoediging.⟨/p> ⟨p>Bovendien staat erbij dat hij een Leviet was. Interessant in dit verband is te vermelden dat een Leviet geen erfdeel had gekregen in het land. Alle stammen van het land kregen een bepaald lotsdeel toebedeeld, een erfdeel dat aan de familie of de stam toekwam, maar de stam van Levi kreeg niet zo'n erfdeel in het land. Dat wordt nog gemotiveerd ergens in de boeken van Mozes, namelijk dat hun erfdeel, hun lotsdeel, de Heer Jahweh is.⟨/p> ⟨p>Hij was een Leviet en hij was uit Cyprus afkomstig. We zullen later ook zien dat als Barnabas en Saulus – of Barnabas en Saulus, zo moet ik het zeggen – vervolgens vanuit Antiochië eropuit trekken, het eerste land of eiland dat zij aandoen, Cyprus is. Dat is waar Barnabas, oftewel Jozef, vandaan kwam. We komen later nog veel meer bijzonderheden over hem tegen. Hij was bijvoorbeeld een neef van Johannes Markus, zo lezen we in de Kolossensenbrief. Dat was die medewerker waar Paulus en Barnabas later onenigheid over kregen. Misschien doe ik nu een te groot beroep op Bijbelkennis die er misschien niet is, maar geen nood, daar komen we vanzelf nog over te spreken.⟨/p> ⟨p>Zo lepel ik wat bijzonderheden over deze persoon op. Hij was een Leviet, uit Cyprus afkomstig. Hij was eigenaar van een akker. Niet omdat dat zijn lotsdeel was – een deel dat voor Gods wegen in het land was gegeven – maar hij had dat verkregen, gekocht of hoe dan ook. Hij was daar eigenaar van, maar hij verkocht die akker, bracht het geld en legde dat aan de voeten van de apostelen. In die tijd had niemand iets als eigen bezittingen en dit was eigenlijk al een voorspel, een prelude op wat in die dagen ook verwacht werd, namelijk de terugkeer van de Messias en het aanbreken van het grote jubeljaar, waarbij alles ook weer terug zou keren naar de oorspronkelijke eigenaar. Dat was de verwachting in die dagen. Vandaar ook dat men met het grootste gemak afstand deed van bezittingen, akkers en land, want dat zou binnen afzienbare tijd gewoon allemaal geregeld worden door de Messias Zelf. Dit was geen gebod, het werd niet opgelegd; het werd geheel vrijwillig gedaan. Maar dit tekent inderdaad de verwachting die men in die dagen had.⟨/p> ⟨p>Daar wil ik niet te veel over zeggen, want daar gaat het nu even niet om. Als Barnabas in Handelingen 9 ter sprake komt, dan is dat niet de eerste keer, maar de tweede keer. Hier lezen we dat deze Barnabas bekend was onder de apostelen. En als u mij vraagt – ik durf het zelfs nog veel vrijmoediger te zeggen – hij was ook een apostel. Dat lezen we in Handelingen 14 vers 14, als ik me niet vergis. Maar goed, daar komen we nog wel over te spreken. Hij was ook een apostel en hij behoort dus toch ook tot de degenen die de Heer in de opstanding gezien hebben. Dat kan niet missen, want dat is namelijk een kenmerk van een afgevaardigde van Christus Jezus.⟨/p> ⟨p>Hier hebben we het dus over deze Barnabas. Ik moet altijd een beetje omschakelen en ik heb wat moeite, maar laten we het consequent houden: Saulus – want dat is zijn naam hier nog – arriveert in Jeruzalem vanuit Damascus. In Jeruzalem zijn ze allemaal kopschuw. Ze willen eigenlijk niks met hem te maken hebben; ze zijn bang voor hem. Zo'n illustere of beruchte terrorist, daar pap je het niet gauw mee aan. Daar was men veel te argwanend voor. Maar dan is het Barnabas – die Barnabas, Jozef – die zich zijner aantrok, lees je dan in de NBG-vertaling. U ziet dat het letterlijk in de interlinear "vastpakkende" of "aangrijpen" is, ook het woord dat in de NBG-vertaling heel dikwijls daarvoor wordt gebruikt. "Hij pakte hem vast", vind ik nog veel beeldender.⟨/p> ⟨p>Barnabas pakte hem vast. Wat hier beschreven wordt, gaat heel typerend worden voor de latere geschiedenis, want deze twee gaan samen nog zoveel meemaken. De zogenaamde eerste zendingsreis is de zendingsreis van deze twee figuren: Barnabas en Saulus. Hier ontmoeten zij elkaar voor de eerste keer. Terwijl ik het zeg, moet ik er meteen eventjes een vraagtekentje bij zetten, want dat kan ik niet helemaal hard maken. Het zou natuurlijk altijd kunnen dat ze elkaar al kenden, maar daarover zwijgt de Schrift. Dus ik ga er even van uit dat dit inderdaad de eerste keer is. Laat ik het zo zeggen, dan zeg ik het in ieder geval goed: hier lees je voor het eerst dat Barnabas Saulus treft.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1003" title="Speel af vanaf 16:43">▶ 16:43⟨/button> ⟨span>Saulus' Ontmoeting met Kefas en Jakobus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En hij pakt hem vast, hij grijpt hem aan en hij brengt hem bij de apostelen, of eigenlijk bij de afgevaardigden. Dat is natuurlijk het echte woord; de technische uitdrukking die hier altijd wordt gebruikt voor de afgevaardigden van Christus. Nu moet ik er direct bij zeggen dat dit niet de twaalven zijn. Dat is heel gemakkelijk aan te tonen. Er staat hier trouwens wel 'de apostelen', en je zou daaronder 'alle apostelen' kunnen verstaan, maar dat is niet wat er staat. 'De apostelen' kan namelijk ook betekenen: de belangrijkste apostelen. Dat dit inderdaad de gedachte is, weet ik met zekerheid te zeggen vanwege Galaten 1, vers 18 en 19. We zullen dat schriftgedeelte nog wel vaker tegenkomen, juist in deze eerste avonden over dit thema. We hebben het trouwens in de voorgaande avonden ook al verschillende keren gezien.⟨/p> ⟨p>Waarom is dat zo belangrijk? Omdat Paulus in Galaten 1 een beschrijving geeft van hoe hij geroepen werd, wat er vervolgens gebeurd is en wat hij daarna gedaan heeft. Hij vertelt hoe vaak hij naar Jeruzalem is gegaan en wat er bij die gelegenheden is gebeurd. Hij vermeldt daar zelfs jaartallen bij: na drie jaar, na veertien jaar, en allerlei andere bijzonderheden. Zodoende kun je Galaten 1 en 2 direct naast het boek Handelingen leggen; de chronologie komt gewoon perfect overeen. Het is enerzijds Lucas die de historie beschrijft en anderzijds Paulus zelf die het beschrijft. Dat we bij 'de apostelen' inderdaad aan Petrus en Jakobus – of Kefas en Jakobus – moeten denken, weet ik omdat je dat in Galaten 1 leest. In het voorgaande vers was gezegd dat hij naar Arabië was gegaan en vervolgens was teruggekeerd naar Damascus. En dan lees je: "Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem om Kefas te bezoeken." Drie jaar na zijn roeping op de weg naar Damascus ging hij dus naar Jeruzalem om Kefas te bezoeken en hij bleef vijftien dagen bij hem. Kijk, dit is nu weer iets wat niet in Handelingen staat, maar het gaat hier over exact dezelfde historie, dezelfde gebeurtenis en hetzelfde moment in de tijd.⟨/p> ⟨p>Ik wil er trouwens nog iets bijzonders over vertellen, want er staat hier "om Kefas te bezoeken". Maar als we de interlineair erbij pakken, dan zien we daar het Griekse woord staan waar ons woord 'historie' vandaan komt. Er staat letterlijk dus niet 'om Kefas te bezoeken', maar 'om Kefas mijn geschiedenis te vertellen'; om mijn verhaal aan Kefas te vertellen. Dit past ook helemaal in de uiteenzetting van Paulus in Galaten 1 en 2. Daarin benadrukt Paulus namelijk dat hij een apostel is van Christus Jezus, niet van mensen. Hij zegt: "Ik heb het evangelie niet ontvangen van een mens en het ook niet geleerd door een mens." Dat gaat hij aantonen in de Galatenbrief en hij zegt dat hij eigenlijk met Jeruzalem nauwelijks wat te maken heeft gehad. De keren dat hij dan in Jeruzalem is geweest en een ontmoeting heeft gehad met apostelen, die vermeldt hij dan. Maar het is met opzet dat hij het zo formuleert. Hij zegt: "Ik ging daar drie jaar later heen om mijn verhaal aan Kefas te vertellen." Het idee is dus niet dat hij na drie jaar eindelijk eens naar Jeruzalem ging om geaccrediteerd te worden of om een geloofsbrief van hen te krijgen. Nee, hij zegt: "Ik ging niet om door hem onderwezen te worden, ik ging om mijn verhaal aan hém te vertellen." Dat was de richting. Dus het is niet zomaar een bezoekje, maar het is om zijn geschiedenis te vertellen. My story, his story, zo kun je het ook zeggen; om zijn verhaal te vertellen.⟨/p> ⟨p>En hij zegt dan: "Ik bleef vijftien dagen bij hem," en hij voegt eraan toe: "en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren." Ook hier suggereert de formulering dat deze Jakobus een apostel was. Dit was dus niet een van de twaalven – sorry, dat is wat ingewikkeld want er zijn nogal wat Jakobussen – maar deze Jakobus is de broeder des Heren. Een halfbroer van de Heer, zo wordt hij hier genoemd. Hier zien wij dus dat er sprake is van twee apostelen. Ook Jakobus is wel degelijk een apostel, want zo wordt hij hier genoemd: "Ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus." Dat suggereert dat Jakobus ook een apostel is. Je moet daarbij goed in de gaten houden dat hij weliswaar niet bij de twaalven hoort, maar dat hij wel degelijk een ontmoeting heeft gehad met de opgestane Heer. Dat weten we dan weer uit 1 Korinthe 15. De Heer is ooit een keer speciaal verschenen, niet alleen aan Kefas, maar ook specifiek aan Jakobus. Deze Jakobus was ooit een ongelovige; hij moest niets hebben van zijn broer Jezus. Maar sinds de opstanding is hij ook een apostel geworden. Hij heeft een ontmoeting gehad met zijn opgestane broer. Dat is onvoorstelbaar, maar zo is het.⟨/p> ⟨p>Dat was de omkeer van Jakob. U weet het, bij Jakob vindt er wel vaker een ommekeer plaats. Ik bedoel dan ook bij de eerste Jakob, hè? Dat was bij de Jabbok, en dat is ook al zo’n omkering: Jakob, Jabbok. In ieder geval kreeg hij daar ook een andere naam: Israël. Maar hier is dus sprake van Jakobus, die een apostel wordt genoemd, de broeder des Heren. Met deze beide apostelen, maar ook niet meer dan hen, heeft Saulus toen bij zijn bezoek in Jeruzalem – drie jaar na zijn roeping – een ontmoeting gehad. Meer niet, dat zegt hij zelf: geen ander van de apostelen dan Jakobus en Kefas, die hij al genoemd had. Dus twee apostelen. Als er in Handelingen staat dat Barnabas Saulus vastpakte en hem bij de apostelen bracht, dan weten we vanuit de Galatenbrief dat het gaat over Jakobus en Kefas.⟨/p> ⟨p>Saulus verbleef ruim veertien dagen, dus bijna twee weken, bij Kefas. Of hij daarna nog een tijdje in Jeruzalem is gebleven, is niet helemaal uit de formulering op te maken, maar het is dus geen lang bezoek geweest; dat is duidelijk. Dat even wat betreft de vergelijking met de Galatenbrief. Barnabas trok zich zijn lot dus aan. Hij bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun hoe Saulus onderweg de Heer had gezien. Zoals we zojuist al zeiden, is dat juist een kenmerk van een apostel. Daarom is Kefas een apostel en daarom is ook de broeder des Heren, Jakobus, een apostel. Maar ook Saulus heeft onderweg naar Damascus de Heer gezien. Dat is dezelfde formulering die ook Ananias gebruikte. Hij heeft de Heer gezien op een bijzondere wijze uiteraard; op een wijze die geen van de anderen ooit zou meemaken. Hij is ook de laatste geweest.⟨/p> ⟨p>Dat is dus wat Barnabas over Saulus zegt tegen de apostelen. Hij vertelt ook nog dat de Heer tot hem gesproken had en hoe hij te Damascus vrijmoedig was opgetreden in de naam van Jezus. Deze voormalige vervolger! Dat vertelt Barnabas natuurlijk ook om hem te introduceren bij de apostelen. Barnabas neemt het helemaal voor hem op en ontfermt zich over Saulus, die natuurlijk in een heel lastig parket zat toen hij daar in Jeruzalem aankwam. Dan staat er: "En hij was met hen." We lazen al dat dit vijftien dagen was en misschien nog een korte tijd langer, maar dat is in ieder geval wat we weten. Hij was met hen 'ingaande en uitgaande'. Dat noemen ze trouwens een Hebraïsme, een Hebreeuwse manier van zeggen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1631" title="Speel af vanaf 27:11">▶ 27:11⟨/button> ⟨span>Vrijmoedigheid: de Moed Om Vrij te Zijn⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan staat er: en vrijmoedig optreden in de naam van de Heer. Vrijmoedig. Dit is de tweede keer dat dit vermeld wordt. We zagen het zojuist in vers 27: vrijmoedig. En hier weer: vrijmoedig. Dat is een van die woorden die ontzettend vaak in het boek Handelingen genoemd worden. Vrijmoedig.⟨/p> ⟨p>Ik vind het altijd een prachtig woord als je het uitsplitst in zijn elementen. Dan betekent het: alles. Dat 'par' heeft te maken met alles en dat tweede deel van het woord heeft te maken met stromen. Vrijmoedig is: alles stroomt. Het houdt niets tegen, het wordt niet gehinderd. Eigenlijk is 'vrijmoedig' ook wel een mooi woord. Het betekent niet 'behoorlijk moedig'. Nee, het betekent: hij heeft de moed om vrij te zijn. Dat is het. Jezelf niet laten hinderen door autoriteiten of door instanties.⟨/p> ⟨p>Als er trouwens iets is wat een mens hindert in zijn vrijmoedigheid, dan is het juist dat. Saulus was geroepen door de Heer. Ik ben een slaaf van Hem; als ik nog mensen trachtte te behagen, dan zou ik geen slaaf van Christus zijn. Hij had maar één ding te doen: vertellen wat hij te melden had, wat hij zelf gezien had, en vervolgens hoe hij onderwezen is daar in Arabië. Hij heeft dat verteld en hij heeft zich nooit iets gelegen laten liggen aan de reacties van mensen. Natuurlijk kun je er veel van leren — ik bedoel geen pleidooi te voeren voor eigenwijsheid — maar je moet je missie niet laten blokkeren, hinderen of vertragen door wat men zegt. Want men zegt zoveel.⟨/p> ⟨p>Ik denk wel eens een keertje... Ja, hoe moet ik dat nou zeggen? Laat ik het anders formuleren: Saulus was gewoon geroepen door de Heer Zelf en niet anders, en hij was onderwezen door Hem. Hij was niet verordineerd door een menselijke instantie en dat gaf hem ook die vrijmoedigheid. Hij was net in Damascus geweest en had daar ook al vrijmoedig opgetreden. Dat kwam hem ook al duur te staan, want hij moest het vege lijf redden. Via een mandje uit het venster kon hij Damascus ontkomen.⟨/p> ⟨p>Dat was het eerste. Nu komt hij in Jeruzalem en we zullen hier exact hetzelfde weer zien. Heel typerend. Het is gewoon vanaf het allereerste begin. We zijn hier nog steeds in Handelingen 9, in hetzelfde hoofdstuk als waarin hij geroepen werd, en meteen treedt hij krachtig op met de moed om vrij te zijn. Hij liet zich door niets en niemand hinderen. Hij had een hemelse Heer en hij had een hemelse missie, en hij wist waarvoor hij stond. Ja, en dan ga je je toch niet afvragen: vindt men dat nou wel goed? Of vinden de autoriteiten dat wel oké?⟨/p> ⟨p>Hij stond niet in dienst van een kerkgenootschap die hem de... U weet het hè: wiens brood men eet, diens woord men spreekt, denk ik dan. Dat is heel vaak namelijk zo. De officiële weergave is: wiens brood men eet, wiens woord men spreekt. Maar laten we het nu even wat godsdienstiger zeggen: wiens brood men eet, diens woord men preekt. En dat is ook maar al te vaak zo. Ik ga geen voorbeelden geven, maar ik heb er heel wat in gedachten, dat kan ik u wel vertellen.⟨/p> ⟨p>Dat je met handen en voeten gebonden bent aan wat men zegt... en op een gegeven ogenblik, als de band dan wat losser wordt, bijvoorbeeld doordat je met emeritaat gaat en je daar niet meer zo van afhankelijk bent, dan worden mensen ineens wat 'loslippiger', zeggen ze dan. Maar dan krijgen ze ineens wel de moed. Nou ja, dan zijn ze aan het eind van hun leven gekomen en dan kan het toch niet zoveel meer stuk. Dan zijn het niet zozeer meer de broodbelangen die hen nog hinderen en dan gaan ze spreken. Dan gaan ze dingen durven te vertellen die ze hun hele leven verzwegen hebben. Ze wisten wel dat het zo was, maar ze vertelden het niet.⟨/p> ⟨p>Vrijmoedigheid. Hoe vaak komen we het ook niet tegen? Het is namelijk nogal een sleutelwoord in de Hebreeënbrief: 'Werp uw vrijmoedigheid niet van u.' Wees daar zuinig op. Je vrijheid, sta in die vrijheid. Maar ook om te spreken: dat wat je weet dat het is, zeg het ook. En dat geldt ook voor de kostbaarste waarheden. Er zijn menselijkerwijs gesproken — sorry dat ik hierop doorga — maar de kostbaarste waarheden liggen vaak niet lekker, laat ik het maar heel eufemistisch zeggen als je erover spreekt. Want ja, mensen kunnen je met hun nek aankijken. Dat is ongeveer de zwaarste prijs die we hier in ons tolerante, democratische Nederland of in dit westerse werelddeel tegenkomen: dat mensen je met hun nek gaan aankijken of dat je niet meer welkom bent. Dat is ongeveer de zwaarste prijs die wij hier moeten betalen. Dat is andere koek dan wat Saulus in zijn dagen meemaakte natuurlijk. En daar doen we soms al zo enorm gewichtig over, alsof dat zo van belang is.⟨/p> ⟨p>Ik vind dit een prachtig voorbeeld: vrijmoedig trad hij op in de naam van de Heer. Kijk, als je dat weet, als je weet wat die naam van de Heer waard is, dat het de Heer is van wie jij dus een slaaf bent... Je bent Zijn eigendom, dan heb je dat te spreken. Hoezo wat anderen aangenaam vinden of wat anderen ervan vinden? Het is volstrekt oninteressant. En daarom stroomde alles bij hem. En hij sprak en hij redetwistte. U ziet: hij discussieerde. Ja.⟨/p> ⟨p>Ik vond nog iets leuks en moois, want dit woord discussiëren komt trouwens wel vaker voor, maar in deze vorm maar één keer. In elk geval is het afgeleid van twee elementen en dat is: samen zoeken. En dat vind ik mooi. Echte discussie is niet simpelweg het ene standpunt tegenover het andere zetten, alleen maar confrontatie waarbij je, als de ander spreekt, eigenlijk alleen maar bezig bent met je eigen volgende punt als een onderbreking van je eigen betoog. Maar dat is niet dit woord. Dit discussiëren betekent letterlijk in het Grieks: samen zoeken. Samen zoeken naar de waarheid namelijk, hoe het zit. Nou, in ieder geval is dat het woord dat hier gebezigd wordt. Ik moet er trouwens bij zeggen dat zijn opponenten een ander standpunt erop nahielden, maar daar heb ik het nu even niet over. Het ging me nu even om de mooie betekenis van dat woord discussiëren vanuit zijn elementen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2147" title="Speel af vanaf 35:47">▶ 35:47⟨/button> ⟨span>Samen Zoeken en Discussiëren met de Hellenisten⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Afijn, Saulus trad vrijmoedig op. Hij sprak en discussieerde met de Griekssprekende Joden. U ziet hier, dat zijn de Hellenisten. Hellenisten zijn niet simpelweg Grieken; dat is weer een ander woord. Het zijn de Grieksen: de mensen die door de Griekse cultuur zijn beïnvloed, de gehelleniseerden. De NBG-vertaling zegt dan 'Griekssprekend'. Dat zou kunnen, maar misschien is dat wel een beetje te mager. Het is niet alleen maar een kwestie van de taal van Griekenland spreken, maar het heeft ook te maken met Grieks denken. Je kent dat toch wel: het Griekse denken en de Griekse cultuur. Kortom, het is meer dan alleen de taal spreken; het is beïnvloed zijn door de Hellenen, door de Grieken. Vergriekst zijn dus.⟨/p> ⟨p>De eerste vermelding is trouwens in Handelingen 6 vers 1. Ik heb er geen diaatje van, maar ik dacht bij mezelf: laat ik hem toch even aanstippen. We komen dit woord 'Hellenisten' namelijk maar drie of vier keer tegen. In Handelingen 6 vers 1 staat: "En toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieksen." Er staat hier weer 'de Griekssprekenden'. Dat is interessant, want de betekenis van een woord zie je vaak aan de wijze waarop het gebruikt wordt en ook door het contrast, door de antoniemen. Er staat hier: "...ontstond een gemor bij de Hellenisten tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden." Het gaat me er nu even om dat de Grieksen hier worden afgezet tegen de Hebreeën. Je hebt dus Hebreeën – degenen die Hebreeuws dachten en spraken – en de Grieksen, de Hellenisten.⟨/p> ⟨p>Wat was Paulus zelf? Dat is trouwens een interessante vraag. Hij zegt in Filippenzen 3: "Ik was een Hebreeër uit de Hebreeën." En toch was hij ook een Hellenist, want hij kwam uit Tarsus. In de NBG-vertaling wordt het inderdaad alleen maar weergegeven als 'Griekssprekend', maar zoals ik zojuist al zei: 'hellenistisch' omvat het hele denken, de cultuur en alle uitingsvormen. Ze waren vergriekst. Het gaat hier in elk geval ook over Joden. In Handelingen 6 is dat onmiskenbaar; daar waren heidenen of niet-Joden nog helemaal niet in beeld. Het gaat dus echt heel uitdrukkelijk over de Griekse Joden. Elders lees je ook over de Griekse verstrooiing. Ik zie het nu hier in mijn aantekeningen staan: 'Hellenisten' komt maar drie keer voor. Hier dus, in Handelingen 6, in Handelingen 9, en later komen we de term nog tegen in Handelingen 11 vers 20. De Hellenisten, de Grieksen.⟨/p> ⟨p>Het gaat dus over die discussie. Hij sprak met de Hellenisten. En u ziet trouwens – dat is ook interessant – er wordt hier niet eens gezegd dat het Joden zijn; dat wordt verondersteld. Maar het zijn Grieksen. Hij sprak met de Hellenisten, maar dezen trachtten hem om te brengen. Ja, dat is ook nog wel aardig, voor zover je dat in dit verband 'aardig' kunt noemen. Het is natuurlijk heel heftig. Het is grappig dat je dat zo zegt, Ed, want vanavond plaatsten we aan tafel nog een stukje uit Handelingen 5. Ik had die passage toen ook afgesloten met de opmerking dat het een zeer heetgebakerde setting was. Zoals het eraan toeging... maar dat zie je hier inderdaad ook weer. Ze hadden het echt ergens over; het ging ergens om. Wij leven natuurlijk in een heel tolerante tijd en we laten ons daar ook op voorstaan. Maar weet u hoe de Bijbel noemt wat wij tolerantie noemen? Niet heet en niet koud. Lauw dus. Ik bedoel, je kunt daar wel een heel mooi etiketje op plakken van 'we zijn tolerant' of 'of je het nu zus ziet of zo, het is allemaal prima'. Dan zeg je dat je tolerant bent; dat is een heel positieve benaming. Maar je kunt ook zeggen: je bent gewoon pislauw. Je bent niet heet en niet koud. Het maakt je namelijk helemaal geen donder uit of het nu zus of zo is.⟨/p> ⟨p>Kijk, hier hadden ze echt ergens discussie over. Het ging over de vraag: wie is de Messias? Paulus zegt: dat is Jezus van Nazareth, de Nazareeër. En hij toonde dat aan; de Schriften gingen open. En dat was niet zomaar een mening in de trant van 'nou ja, als je het anders ziet, is het ook helemaal geen punt'. Nee, het ging ergens over. Daarmee beweer ik niet dat wat deze mensen trachtten te doen geen kwalijke zaak was, maar het wordt in ieder geval duidelijk dat er enorm veel op het spel staat. Dat is wat hier natuurlijk heel duidelijk tot uitdrukking komt. Ik wil daar nog even naartoe gaan voordat we gaan pauzeren.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2544" title="Speel af vanaf 42:24">▶ 42:24⟨/button> ⟨span>Het Visioen in de Tempel: Zending Naar de Natiën⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We gaan naar Handelingen 22 vers 17, want in deze tijd dat Saulus drie jaar na zijn roeping in Jeruzalem is en een ontmoeting heeft met de apostelen – te weten Kefas en Jakobus – heeft hij ook een visioen gehad in de tempel. Dat weten we uit het verslag dat Paulus later zelf in Jeruzalem doet over hoe het allemaal gegaan is in zijn verleden en hoe hij geroepen is. In vers 16 wordt tegen Saulus van Tarsus gezegd, wat aardig genoeg is: "Sta op, word gedoopt en uw zonden afwassen onder aanroeping van Zijn naam." Dat is wat er in Damascus gebeurt.⟨/p> ⟨p>Vervolgens komen we in vers 17, waar hij zegt: "En het overkwam mij, toen ik te Jeruzalem was teruggekeerd – dus bij deze gelegenheid als hij daar drie jaar later in Jeruzalem is – en in de tempel aanbad, dat ik in zinsverrukking geraakte." Er staat eigenlijk dat hij in extase geraakte. In die extase zag hij de Heer, die tot hem zei: "Haast u en vertrek spoedig uit Jeruzalem, want ze zullen van u geen getuigenis over Mij aannemen." Wilt u weten hoe het verder gaat? Ik heb het niet op de dia staan, maar dat is een aardige afsluiting, wellicht ook van dit eerste deel. Als ik thuis ben, vul ik het diaatje nog wel eventjes aan, maar er staat dus dit: "Haast u, vertrek spoedig uit Jeruzalem, want ze zullen van u geen getuigenis over Mij aannemen."⟨/p> ⟨p>Dat wordt dus tegen Saulus gezegd. Je zou zeggen dat dit niet erg bemoedigend is om vervolgens je missie te volvoeren. Saulus reageert dan ook heel verontwaardigd en zegt: "Heer, zij weten zelf, daar in Jeruzalem, dat ik het was die hen die in U geloofden liet gevangen zetten en in de synagogen liet geselen. En toen het bloed van Uw getuige Stefanus vergoten werd, werkte ik daaraan met volle instemming mee en bewaarde ik de kleren van hen die hem doodden." Maar de Heer, die tot hem sprak, zei tegen hem: "Ga heen, want Ik zal u weer uitzenden, ver weg naar de natiën."⟨/p> ⟨p>En weet je wat er dan gebeurt? Hij heeft het woordje 'natiën' als laatste genoemd en wilde verdergaan, maar de massa mensen die daar in Jeruzalem naar hem luisterde, hoorde hem tot dit woord toe. Toen verhieven zij hun stem en zeiden: "Weg van de aarde met zo iemand, want hij behoort niet te blijven leven!" De gedachte was voor hen onverdraaglijk. Niet dat Jeruzalem ongelovig zou zijn, maar dat Jeruzalem terzijde gesteld zou worden en dat God zegt: "En nu gaat het naar de natiën toe." Het was onverdraaglijk, want voor hen was het idee dat het heil wel naar de natiën zou gaan, maar dan via Jeruzalem. Nu ging het precies buiten Jeruzalem om. Dat is de ergernis van Paulus' prediking: zijn heidense boodschap dat Israël gepasseerd wordt. Vandaar ook dat hij zo moeilijk lag in Jeruzalem en bij het Joodse volk.⟨/p> ⟨p>Straks pakken we de draad weer op bij Handelingen 9 vers 30, maar ik stel voor dat we inderdaad eerst even gaan pauzeren.⟨/p> ⟨p>Ik stel voor dat we de draad weer oppakken waar we hem zojuist hebben losgelaten, aan het slot van Handelingen 9 vers 29. Saulus trad daar in Jeruzalem op en discussieerde met de Hellenisten, die hem vervolgens trachtten om te brengen. Het is in die tijd... hallo, het begint inderdaad wel erg hard te worden, we mochten er wat van zeggen. Fred, zou jij misschien eventjes... jij ziet er nogal gespierd uit. Nee, gewoon opleggen, zeg maar dat je bij de politie zit. Nu ben ik helemaal van mijn à propos.⟨/p> ⟨p>Oh ja, we hadden het dus over Saulus, van wie ze probeerden een eind aan zijn leven te maken. Ze probeerden hem uit de weg te ruimen. Het is in die tijd dat hij dat visioen in de tempel heeft gehad en dat hem door de Heer Zelf al is verteld dat hij met spoed uit Jeruzalem zou moeten gaan. Saulus wist hier, bij zijn eerste verblijf in Jeruzalem, dus al dat Jeruzalem niet zou geloven. Dat is heel belangwekkend, want dat betekent dat hij meer wist dan zijn collega-apostelen. Zij gingen er nog helemaal van uit dat Jeruzalem tot bekering zou komen en dat het volk gepredikt moest worden.⟨/p> ⟨p>Maar nu horen we ineens helemaal niks meer, Fred. Ja, ze gaat wel even met een koekje... In ieder geval hartelijk bedankt. Dit is een heel markant gebeuren; hier wordt iets buitengewoon belangwekkends door de Heer aan Saulus toevertrouwd. Dit is regelrecht dramatisch. Het betekent dat er al in de tijd van Handelingen 9 een complete omkeer plaatsvindt. De andere apostelen wisten hier niet van, maar Saulus wordt hier al te verstaan gegeven: "Jeruzalem zal niet geloven." Terwijl de hele prediking in de eerste hoofdstukken juist daarop gericht was. Men verliet Jeruzalem niet eens, want Jeruzalem moest zeggen: "Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer." Jeruzalem moest tot erkenning komen, maar nu krijgt Saulus te horen: "Ga naar de natiën. Niet Jeruzalem, want die gelooft niet. Integendeel, ga naar de natiën." Later wordt dan gezegd: "Zij zullen horen." Dan is het geen zien meer, maar zij zullen horen. En dan komen we dus in vers 30.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3004" title="Speel af vanaf 50:04">▶ 50:04⟨/button> ⟨span>Via Caesarea Naar Tarsus: de Poort Naar de Volkeren⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Doch toen de broeders dit te weten kwamen... Het is niet helemaal duidelijk of hier wordt terugverwezen naar de broeders in het voorgaande vers, of in de voorgaande verzen, namelijk de apostelen, te weten Kefas en Jakobus. Of is het meer algemeen? Ik laat dat als een vraag even in het midden. Toch, toen de broeders dit te weten kwamen – dus dat er een aanslag op hem beraamd werd – brachten zij hem dit te weten. Ze realiseerden zich dat dus. En toen leidden ze hem naar beneden tot in Caesarea. Dat wil zeggen op een lager niveau, ze moesten afdalen. Dat is het idee.⟨/p> ⟨p>Zij brachten hem naar Caesarea, de stad die in het volgende hoofdstuk, in hoofdstuk 10, zo'n grote rol speelt, namelijk als we inmiddels bij Petrus zijn aangekomen die ook naar Caesarea gaat, naar de Romeinse hoofdman Cornelius. Caesarea, dat was een havenstad. Wellicht dat we daar bij een latere gelegenheid nog wat meer over zullen bespreken, maar ik wil er toch alvast even op wijzen dat Caesarea een havenstad is. Het ligt dus – let op de wijze hoe ik het nu ook formuleer – aan de grens van het land. Het ligt bij de zee. En dat bedoel ik eigenlijk letterlijk zo, maar ook figuurlijk: aan de grens van het land, bij de volkerenzee.⟨/p> ⟨p>En als Paulus later ook inderdaad naar de natiën toe gaat, hoe gaat hij dan? Hij gaat via Caesarea. We zullen het nog vaak tegenkomen dat hij via Caesarea dan inderdaad zijn reizen onderneemt en naar de natiën gaat. Het is ook heel opmerkelijk dat juist in Caesarea de poort naar de heidenen geopend wordt. Inderdaad, aan Petrus waren de sleutels immers toevertrouwd. Hij opent de poort – ik bedoel dat eigenlijk heel letterlijk, de poort is eigenlijk een ander woord voor een haven, puerto. Hij opent de poort naar de natiën. Hij is daar aan de grens van het land en daar gaat de deur open. En het is vervolgens Paulus – dat is weer zo opmerkelijk – Petrus opent in het volgende hoofdstuk in Caesarea de deur naar de natiën, maar het is Paulus die door die poort inderdaad daadwerkelijk ook vertrekt. Eigenlijk al eerder, hier in Handelingen 9 al.⟨/p> ⟨p>Goed, laat ik dat meteen even zien. Dat is het mooie met zulke PowerPoint-plaatjes als je er even een beeld van wilt hebben. Ze realiseerden zich dat er een moordaanslag op hem gepleegd werd en de broeders brachten hem, geleidden hem naar Caesarea. Ja, en dan zijn we dus hier. We waren in Jeruzalem en toen gingen ze vervolgens hier naar de kust, naar Caesarea, dat ligt even onder het huidige Haifa. En er staat dan: en ze lieten hem vandaar naar Tarsus vertrekken. Tarsus, dat was de plaats waar Saulus vandaan kwam: Saulus van Tarsus. En dat ligt dus hier.⟨/p> ⟨p>Hij is vanuit hier naar Tarsus gegaan. Dit is ook nog niet zijn 'missionary journey', want hij ging nu eigenlijk op de vlucht. De vervolger, hij die in het begin van hoofdstuk 9 nog de vervolger van de ekklesia was, was hier niks anders dan een vluchteling en hij moest nu het vege lijf redden en Jeruzalem verlaten. Hij wordt onder begeleiding naar Caesarea gebracht. Dat gebeurt later in de geschiedenis trouwens weer, dat hij onder begeleiding – zelfs met een heel Romeins escort – wordt begeleid naar Caesarea, omdat er toen vele Joden waren die zich zelfs onder een gelofte hadden gesteld dat hij vermoord moest worden. Enfin.⟨/p> ⟨p>Dus vanuit Caesarea gaat hij naar Tarsus en daar is hij enige jaren gebleven. Dat wil zeggen in deze landstreken, want daar ga ik het weer even nagaan. Het wordt in die zin misschien eentonig, want dat heb ik nu al verschillende keren gedaan, maar zoals gezegd: die twee schriftgedeelten vullen elkaar zo geweldig aan. Ik lees nu eventjes dit heel snel: "Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem om Kefas mijn verhaal te vertellen en ik bleef vijftien dagen bij hem. En ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren." Je ziet hier ook hoe van groot belang het voor Paulus is om het op deze wijze op te tekenen. Hij zegt dit maar niet zomaar; hij verklaart hier ook. Hier is een getuige aan het woord. Hij zegt: "Ik verklaar dit, ik schrijf dit voor het aangezicht van God, ik lieg niet." Hij roept God erbij aan.⟨/p> ⟨p>En dan zegt hij – en nu komen we precies waar we wezen moeten, namelijk precies bij de tijd waar we nu zijn aangeland: "Daarna..." Toen hij dus in Jeruzalem geweest was, vijftien dagen bij Petrus. En dat is de periode van Handelingen 9 aan het eind tot aan Handelingen 12. Dan komen we weer even bij hetzelfde kaartje uit, want dat is deze streek: Cilicië. Niet te verwarren met Sicilië dat hier ligt. Cilicië, en Tarsus was de hoofdstad van deze landstreek. En u ziet het: hier ligt Syrië. Hij zegt: "Ik ben gegaan naar de streken van Syrië en van Cilicië." In Handelingen staat er dat hij eerst linea recta van Caesarea naar Tarsus ging, maar hij zegt dat hij daar niet gebleven is; hij is gegaan naar de streken van Syrië en van Cilicië.⟨/p> ⟨p>Dan zegt hij in zijn verslag in Galaten 1: "En ik was aan de gemeenten van Christus in Judea van aanzien onbekend." In Jeruzalem niet, maar daar in de landstreken van Judea wel. "Alleen hoorden zij: hij die ons vroeger vervolgde, evangeliseert nu het geloof." Ik heb het expres even zo weergegeven, want dat is namelijk wat er letterlijk staat. In de NBG-vertaling staat: "Hij verkondigt nu het geloof." Hij evangeliseert; hij brengt het goede bericht van het geloof dat hij tevoren trachtte uit te roeien. Dus in Judea wist men het wel; zijn naam kenden ze al te goed, maar van aanzien kenden ze zijn gezicht niet. Eén ding wisten ze wel: hij die ons vroeger vervolgde, die evangeliseert nu het geloof dat hij tevoren trachtte uit te roeien. Waar dan? Nou, daar in de streken van Syrië en Cilicië.⟨/p> ⟨p>Ik ga weer even naar het plaatje. Hij is dus van Jeruzalem naar Caesarea naar Tarsus gegaan en hier in deze streken heeft hij vervolgens Syrië, Cilicië en Antiochië bezocht... Maar daar komen we de volgende keer over te spreken, volgend jaar eigenlijk dus. Dan komt hij namelijk in Antiochië terecht. Vergis u niet, Antiochië was een enorme stad; het was zelfs de derde stad van de bewoonde wereld. Rome stond op nummer één. Alexandrië was nummer twee. Maar dit Antiochië – want je hebt er nog één hier ergens – dit Antiochië was de derde stad van de wereld in die dagen. Het was dus echt met recht een wereldstad.⟨/p> ⟨p>Wel, vanuit deze stad worden er vervolgens vele reizen ondernomen. U ziet dat hier trouwens, maar goed, daar gaan we het in de toekomst nog uitgebreid over hebben, over die verschillende reizen. Kijk, als je dit zo allemaal ziet, dan is dat een warboel; dat snap ik allemaal niet. Maar daarom vind ik het zo mooi om in zijn voetstappen te treden en gewoon helemaal te volgen hoe dat zo gegaan is. Via het boek Handelingen kun je dat prachtig allemaal traceren en nagaan, in combinatie met zijn eigen brieven.⟨/p> ⟨p>"Hij evangeliseert nu dat geloof." Dus als hij vervolgens in Tarsus is aangekomen, dan heeft hij niet stilgezeten. Integendeel, hij is daar uiteraard gewoon verder gegaan, alleen op een heel andere locatie.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3620" title="Speel af vanaf 01:00:20">▶ 01:00:20⟨/button> ⟨span>Vrede voor de Ekklesia en het Intermezzo van Petrus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Handelingen 9 vers 31 sluit deze pericoop af: "De gemeente dan...". Met deze mededeling wordt het eerste deel van Saulus' geschiedenis afgesloten. Dat is heel duidelijk, want we vinden vervolgens een hele tijd niets meer over Saulus. Ik zal het straks laten zien, maar eerst kijken we naar vers 31.⟨/p> ⟨p>Met deze afsluitende opmerking wordt er gezegd: "de gemeente" — of anderen, want dat is een kwestie van handschriften, sommigen zeggen namelijk "de uitgeroepen vergaderingen", de ekklesia's in het meervoud — de ekklesia dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede. Ik denk dan: hoe komt dat? Zou dat vooral zijn omdat ze geen last meer hadden van de vervolger? De gemeente werd opgebouwd. Dat is een prachtige beschrijving. Als de vervolgingen wat geluwd zijn, is er vervolgens vrede in die ekklesia. Ze werden opgebouwd en ze wandelden in de vreze des Heren. Dat is natuurlijk een prachtige uitdrukking die we goed kennen vanuit de Hebreeuwse Bijbel: de vreze van Yahweh. Daar wandelde men in, daar ging men in.⟨/p> ⟨p>Terwijl men gebouwd werd — wat te maken heeft met onderwijs, want daardoor word je opgebouwd — ging men daar ook in. Aan de ene kant was er dus dat onderwijs en aan de andere kant ging men daar ook in; dat gaat hand in hand, anders is het een heel ongelukkige vorm van onderwijs. Ze wandelden in de vreze van de Heer en zij — dat wil zeggen de gemeente of de ekklesia — nam in aantal toe. Het ontbreekt niet aan een zin: ze werd vermeerderd, ze nam in getal toe. Dat is precies wat de NBG-weergave ook aangeeft. Ze nam in aantal toe door de bijstand van de Heilige Geest. Letterlijk staat er "de bemoediging van de Heilige Geest". Hier zien we weer datzelfde woord waar we het eerder over hadden toen we het over de "zoon der vertroosting" hadden, weet u wel, Barnabas. Dit woord staat er weer. De bijstand of de bemoediging van de Heilige Geest. Hoezo? Dan denk ik toch inderdaad weer aan die vrijmoedigheid die de Geest geeft, de overtuigingskracht en ook de wijze waarop de Heer dat in die dagen bevestigde met wondertekenen. Zo werden ze aangemoedigd en bemoedigd door de bemoediging van de Heilige Geest.⟨/p> ⟨p>Daarmee hebben we een heel gedeelte afgerond en het eerste deel van de voetstappen van Saulus afgesloten. Want vanaf het volgende vers, vanaf Handelingen 9 vers 32 tot en met hoofdstuk 11 vers 18, vind je niet Saulus — zijn naam wordt daar helemaal niet meer genoemd — maar Petrus. Ik moet er afsluitend bij zeggen dat dit de laatste activiteiten zijn die van Petrus worden beschreven. Daarna vind je Petrus nog wel, maar alleen in ontmoeting met anderen, bijvoorbeeld in Handelingen 15 bij de beroemde apostelvergadering in Jeruzalem. Maar de zelfstandige activiteiten van Petrus worden hier vervolgens afgesloten.⟨/p> ⟨p>Als u even met mij door de Bijbel bladert: we hebben vers 31 zojuist ter afsluiting gezien en dan krijg je vanaf vers 32 de geschiedenis van Aeneas en Dorcas. Dat vindt plaats in Lydda en Joppe aan de kust. Kefas, Petrus, gaat dus naar de kust van het land. Vervolgens gaat hij in Handelingen 10 — wat min of meer een vervolg daarop is — naar de Romeinse hoofdman Cornelius in Caesarea. Daar wordt de deur naar de natiën geopend. Daar vervult Petrus inderdaad zijn apostolische functie, de functie waarvoor hij afgevaardigd was door de Heer, want de sleutels van het Koninkrijk waren hem toevertrouwd. Eerst had hij de deur geopend in Jeruzalem, vervolgens in Samaria in Handelingen 8 en nu ten slotte opent hij de deur naar de natiën.⟨/p> ⟨p>Vervolgens treedt hij terug en wordt het stokje — als ik het in estafettetermen mag zeggen — overgenomen door Saulus, die vervolgens al heel gauw Paulus gaat heten op het moment dat hij daadwerkelijk naar de natiën gaat. Maar in Handelingen 10 wordt die deur dus feitelijk al geopend. Je zou dat trapsgewijs kunnen weergeven — daar moet ik nog eens een plaatje van maken — hoe er gaandeweg een ontwikkeling in het hele verhaal zit. Feitelijk is deze onderbreking van Handelingen 9:32 tot 11:18 een intermezzo in Saulus’ geschiedenis. Dit is voorbereidend voor de activiteiten, de prediking en de bediening van de apostel Paulus. Dit was nodig; Kefas moest dit doen.⟨/p> ⟨p>Saulus was inmiddels geïntroduceerd, nog steeds als Saulus in een Joodse context. Vervolgens komt Kefas en ter afsluiting wordt er nog een uitgebreide geschiedenis van hem vermeld. In de eerste achttien verzen van Handelingen 11 wordt de verdediging van Petrus beschreven, waarin hij zijn bezoek aan Cornelius verdedigt. En dan, vanaf Handelingen 11 vers 19, wordt het accent verlegd. Dan gaat het weliswaar naar de natiën, maar de verkondiging van het Evangelie vindt dan plaats buiten het land, namelijk in de wereldstad Antiochië.⟨/p> ⟨p>Terwijl ik dit zeg, denk ik bij mezelf: waar doe ik nu verstandig aan? Gaan we nu meteen de draad oppakken bij Handelingen 11 vers 19? Dat kan ik doen, ik heb er genoeg plaatjes van, maar het lijkt mij een beter idee om het voor nu af te sluiten en het hierbij te laten. Dan gaan we in januari verder. Hier breekt namelijk een hele nieuwe fase aan in de voetsporen van Saulus, want de hele omgeving en context worden anders. Zo hebben we dit jaar in vijf avonden het eerste deel van Saulus' traject bezien. Ik had dat helemaal niet zo gepland, maar zo is het nu eenmaal gelopen. We hebben gezien hoe hij van een vervolger een verkondiger is geworden en nu is hij inmiddels in Tarsus aangekomen. Over het vervolg gaan we het de volgende keer hebben. Zullen we dat bij deze zo afspreken?⟨/p>