⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Een Nieuw Bijbelstudiethema: in Paulus' Voetsporen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wij zijn hier vanavond bij elkaar rond een heel nieuw thema. Nadat we maar liefst dertig avonden hebben gewijd aan de Hebreeënbrief, was het nu tijd voor een heel nieuw onderwerp. De Hebreeënbrief hebben we van begin tot eind helemaal besproken en ik heb u de laatste anderhalve maand wel eens meegenomen in mijn overwegingen wat het volgende onderwerp zou zijn. Ik ben een aantal keren, geef ik direct toe, geswitcht, maar uiteindelijk ben ik aanbeland bij dit thema: In Paulus’ voetsporen.⟨/p> ⟨p>'Lukas over Paulus', zo zou je het als ondertitel kunnen geven, maar het leek me nog duidelijker om de ondertitel zo te formuleren: 'Paulus in Handelingen'. Dat wil zeggen: in het boek Handelingen. We zullen inderdaad alle passages gaan lezen en dat zijn er heel veel. Want eigenlijk is het zo dat het vanaf Handelingen 13 ononderbroken tot aan het laatste hoofdstuk van het boek, Handelingen 28, voortdurend en uitsluitend over Paulus gaat.⟨/p> ⟨p>In de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen is dat niet het geval. Sterker nog, de eerste zeven hoofdstukken wordt hij niet genoemd en dat is op zich al een heel opmerkelijk gegeven. Voordat we echt in zullen gaan op de figuur van Paulus – en trouwens, de naam Paulus zal pas later aan de orde komen – want ook als de figuur van Paulus al ten tonele verschijnt, dan heet hij nog niet zo. Dan heet hij nog steeds Saulus. Pas in Handelingen 13 wordt hij Paulus genoemd en dat verandert vanaf dat moment ook consequent. Dat wil zeggen: vóór Handelingen 13 vers 9 heet hij consequent Saulus en vanaf Handelingen 13 vers 9 heet hij consequent Paulus, tenzij er wordt teruggegrepen op zijn roeping. Dat gebeurt trouwens ook nog een aantal keren in deze verslagen in het boek Handelingen.⟨/p> ⟨p>Het is heel boeiend. Het is een heel ander type Bijbelstudie dan we hiervoor hebben gedaan. Weliswaar ga ik ook iedere keer de interlineaire erbij halen, want we willen echt met precisie vaststellen wat er staat, maar het is geen betoog. Het is geen brief die we lezen, maar een boek met een historisch verslag. Dat is de hele opzet van het boek Handelingen.⟨/p> ⟨p>Voordat we kunnen gaan spreken over wie Saulus nu eigenlijk is – Saulus van Tarsus, later Paulus – denk ik dat we er toch verstandig aan doen om eerst een paar inleidende opmerkingen te maken over het boek Handelingen. Ik was aanvankelijk van plan om dat niet te doen; ik wilde gewoon meteen middenin springen in Handelingen 7 en bij de eerste keer dat hij voorkomt meteen beginnen met lezen. Maar ik heb daar toch van afgezien. Ik denk dat het goed is dat we, voordat we in Handelingen 7 arriveren, eerst even weten waar het nou eigenlijk over gaat in het boek Handelingen en wat de hele opzet is. Ik heb daartoe een vijftal inleidende opmerkingen, voordat we echt naar de eerste passage toegaan waarin de figuur van Saulus ten tonele wordt gevoerd. De eerste opmerking die ik wil maken is deze.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="235" title="Speel af vanaf 03:55">▶ 03:55⟨/button> ⟨span>Handelingen als het Tweede Boek van Lukas⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Handelingen is echt inleidend; het is het tweede boek van Lukas en een vervolg op zijn evangelie. Dat blijkt meteen al in hoofdstuk 1 vers 1, de aanvang van het boek. Daar begint Lukas zo: "Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus." Mooie naam trouwens, hè? Weet u wat die betekent? Teo-filus: een Godliefhebber. 'Theo' betekent God en 'filus' heeft te maken met liefhebben of beminnen. Een Godliefhebber, dat lijkt me een hele fraaie naam. Aan hem is dit boek opgedragen en dat verwijst meteen weer naar het Lukasevangelie. Want wat lezen we daar in Lukas 1? Laten we dat er ook meteen bij betrekken, want dit is gewoon deel twee van Lukas. Wij noemen het het boek Handelingen, maar we hadden het met evenveel recht 'twee Lukas' kunnen noemen, zoals we ook over één Korinthe en twee Korinthe spreken, en over één Koningen en twee Koningen. Dit is eigenlijk 'twee Lukas', deel twee namelijk van het verslag van Lukas.⟨/p> ⟨p>Let dan eens op hoe Lukas zijn evangelie aanvangt, zijn eerste boek dus. Dan zie je ook meteen hoezeer dit boek — dat geldt trouwens voor alle evangeliën, maar in het Lukasevangelie komt dat wel heel duidelijk naar voren — door en door geschiedkundig en historisch is. Hij schrijft: "Aangezien velen getracht hebben een verhaal op te stellen over de zaken die onder ons hun beslag hebben gekregen..." U ziet 'velen', dus het is al door heel wat mensen geprobeerd om dat op schrift te stellen. Een aantal daarvan hebben we natuurlijk in het Nieuwe Testament: de evangeliën van Mattheüs, Markus en Johannes. Maar hier schrijft hij vervolgens in vers 3: "Ben ook ik tot het besluit gekomen, na alles van meet aan nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde voor u te boek te stellen, hoogedele Teofilus."⟨/p> ⟨p>Kennelijk was het een hooggeplaatst iemand, gezien de wijze waarop hij wordt aangesproken. Aan hem wordt dit boek opgedragen. Als je het opvat als een persoonsnaam — en dat doe ik — dan is dat heel duidelijk. Maar als je het even breder opvat, namelijk dat het is geschreven aan elke liefhebber van God, dan horen wij er ineens ook bij — daar ga ik voor het gemak maar even van uit — aan elke liefhebber van God om dit verslag tot je te nemen. Lukas is zelf geen ooggetuige, maar hij heeft alles van meet af aan op een nauwkeurige wijze en in geregelde orde geboekstaafd. Hij voegt eraan toe: "opdat gij de betrouwbaarheid zoudt erkennen". Hier staat in de grondtekst het woordje ⟨em>epignosis⟨/em>. Dat is wat meer dan kennis; dat is wat daarbovenuit gaat: beseffen. Het is de bedoeling dat je de zekerheid zou beseffen van de zaken waarover je al onderricht hebt ontvangen. Teofilus was dus niet onbekend met deze dingen, maar nu kreeg hij het allemaal te horen van iemand die dat allemaal heeft uitgeplozen. Hij was geen ooggetuige, maar hij heeft het allemaal gecheckt, nagegaan, ondervraagd en gelezen.⟨/p> ⟨p>Kortom, zo is dit evangelie, dit eerste boek, maar ook het tweede boek tot stand gekomen en ook met dit oogmerk. Het is historie, geschiedenis. Ik vind het buitengewoon belangrijk om dat zo vast te stellen, en dat karakteriseert uiteraard ook de Bijbelstudies die we in het vervolg gaan houden. Ik weet niet hoe lang dat gaat duren, maar ik denk dat we nog wel even bezig zijn. Het is zo ontzettend boeiend om dat allemaal te gaan traceren. Wat beschrijft Lukas? Welnu, wij gaan ons specifiek focussen op Paulus. We gaan echt in zijn voetsporen treden en we gaan reizen maken. We gaan met hem mee als hij op zee is en letterlijk gaan we bij gelegenheid ook een keer ten onder. Als je meereist, dan maak je die schipbreuk natuurlijk ook mee. Al die dingen beschrijft Lukas over hem.⟨/p> ⟨p>Van Lukas zelf weten we eigenlijk niet zo gek veel. Hij wordt een paar keer genoemd in de brieven, altijd met grote achting door Paulus. Hij spreekt over hem in de Kolossenzenbrief: "onze geliefde geneesheer Lukas". En in zijn laatste brief, zijn geestelijk testament, de tweede Timotheüsbrief, zegt hij: "Lukas is alleen bij mij." We weten dat Lukas veel heeft gereisd met Paulus, dat zal vanzelf ook nog wel blijken in het boek Handelingen. Maar tot het einde aan toe is Lukas bij Paulus gebleven. Dat is heel bijzonder. Dus als er één is die veel over Paulus kan melden — over alles wat hij heeft ondervonden, meegemaakt, gedaan en ook gepredikt — dan is het Lukas wel, deze getrouwe metgezel. Dus dat is het eerste: het tweede boek van Lukas, het vervolg op zijn evangelie. En dan wil ik op nog iets wijzen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="637" title="Speel af vanaf 10:37">▶ 10:37⟨/button> ⟨span>De Voortzetting van de Handelingen van Jezus Christus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het boek Handelingen beschrijft de voortzetting van Jezus' missie. Dat blijkt ook meteen uit het eerste vers van het boek. We lazen zojuist het eerste zinsdeel, waarin Lucas schrijft: "Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus." Dat eerste boek is het Evangelie naar Lucas, maar dit is dus zijn tweede boek. En waarom een tweede boek? Omdat het eerste boek ging over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren.⟨/p> ⟨p>Let op de wijze waarop dit geformuleerd wordt. Het loutere feit dat Lucas dit zo formuleert, geeft aan dat dit tweede boek ook gaat over wat Jezus vervolgens allemaal gedaan heeft. Laat ik het nog anders zeggen: het tweede boek beschrijft de voortzetting van Jezus’ handelen. Het eerste boek gaat over wat Jezus begonnen is te doen, en het boek Handelingen beschrijft net zo goed de handelingen van Jezus Christus, maar dan op een hoger niveau – letterlijk en figuurlijk, hoe je het maar hebben wilt.⟨/p> ⟨p>Ik weet dat het boek Handelingen de naam 'De Handelingen der Apostelen' heeft gekregen. Maar als je het bekijkt vanuit het eerste vers van Lucas' eigen verslag, dan zou je eigenlijk moeten zeggen: 'De Handelingen van Jezus Christus'. Het is namelijk de voortzetting daarvan. Het eerste boek ging over wat Jezus begonnen is te doen; het tweede boek, Handelingen, gaat over wat Jezus vervolgens allemaal heeft gedaan en in feite ook heeft geleerd. Dat gebeurt inderdaad door middel van de apostelen. Ik heb geen kritiek op de naam die het doorgaans gegeven wordt, want het zijn inderdaad de handelingen van de apostelen. Maar niettemin, let op het accent zoals Lucas het hier meteen in de aanvang van zijn boek legt: het gaat over wat Jezus nu vervolgens doet en leert, met gebruikmaking van en door middel van zijn apostelen. Nog een derde...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="777" title="Speel af vanaf 12:57">▶ 12:57⟨/button> ⟨span>De Grote Vraag: het Herstel van het Koninkrijk voor Israël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De grote vraag in het boek Handelingen is: "Heer, zult U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?" Dat is het grote thema van het boek Handelingen. Het is een wat lange zin, maar als je het boek een titel zou moeten geven – behalve wat ik er zojuist al over heb gezegd – dan zou je het met gemak ook zo kunnen benoemen. Dat brengt mij even bij het eerste hoofdstuk van het boek Handelingen. Daar lees je, in het zesde vers, wat vlak voorafgaat aan de hemelvaart van Jezus. Ik noem het maar Zijn definitieve hemelvaart, wanneer een wolk Hem onttrekt aan hun gezicht en Hij daar op de Olijfberg opstijgt. Vlak daaraan voorafgaand lees je dat de discipelen – die later de apostelen worden – bij Hem komen. Er staat: "Zij dan die daar bijeengekomen waren, die vroegen Hem: Heer, herstelt Gij in deze tijd het koningschap – of beter: het koninkrijk – voor Israël?" Zo staat het er letterlijk.⟨/p> ⟨p>Moet u nagaan: zij hebben zojuist veertig dagen lang onderwijs genoten van Jezus, van de opgestane Messias. Dat lees je in de verzen die hieraan voorafgegaan zijn. Dan moet ik toch nog eventjes mijn Bijbel pakken... Ik ben van alles kwijt en ik heb hem niet eens bij me. Het is echt erg. Nee, neem me niet kwalijk. Mag ik hem even? Oké. Nou, je leest namelijk inderdaad in vers 3 dat Hij veertig dagen lang aan hen verscheen en tot hen sprak over alles wat het Koninkrijk Gods betreft. Veertig dagen lang heeft Hij daar onderwijs over gegeven. En dan ga ik er nog maar aan voorbij dat in de voorgaande drie jaren, gedurende Zijn rondwandeling, dat ook het grote thema was van Zijn onderwijs: het Koninkrijk van God. Niet alleen in Zijn prediking aan de scharen, maar ook aan Zijn discipelen. Hij heeft daar zo enorm veel over verteld, ook geheimenissen en dergelijke.⟨/p> ⟨p>Aan het einde van die periode, dus vlak voor de hemelvaart, komen de discipelen weer bij Hem en dan stellen ze deze vraag. Kijk, voor hen was het volkomen vanzelfsprekend – een inzicht dat in de loop van de kerkgeschiedenis overigens volkomen verdwenen is. Maar voor hen was het volkomen vanzelfsprekend dat de Messias van Israël één ding in elk geval zou gaan doen, namelijk het koninkrijk voor Israël herstellen. Dat was waar de verwachting op gericht was. Dat is waar de Hebreeuwse profeten al over spraken: over de heerlijkheid van Jeruzalem en over de Zoon van David, die Man uit de dynastie van David die voor eens en altijd op de troon zou zitten en die niet alleen over Israël, maar ook over alle volkeren van de aarde zou heersen. Kortom: dat koninkrijk van Israël. Vergis u niet, dat koninkrijk voor Israël is niet alleen een koninkrijk in Israël, maar het is een Israëlitisch koninkrijk.⟨/p> ⟨p>Kijk, we hebben in het verleden – de Bijbel schrijft erover, onder andere in het boek Daniël – een Babylonisch wereldrijk gehad. We hebben een Medo-Perzisch wereldrijk gehad. We hebben een Grieks wereldrijk gehad en een Romeins wereldrijk. Maar het laatste, definitieve wereldrijk zal een Israëlitisch koninkrijk zijn. Een koninkrijk geregeerd vanuit Israël. Vanuit Jeruzalem zal de wet uitgaan en het woord van de Heer uit Sion. Zo spreken Jesaja en Micha, noem ze allemaal maar op. Allemaal spreken ze over dat koninkrijk. En dat dat koninkrijk hersteld zou worden, ja, dat was nogal evident. Ik zei al: in de kerkgeschiedenis is dat inzicht compleet verdwenen, omdat de kerk zich al heel vroeg in de geschiedenis het 'Israël' ging wanen. Israël was terzijde gesteld en nu waren zij het 'nieuwe Israël'. Alle beloften die God aan dat volk had gegeven, werden gewoon overgeheveld op de kerk. De kerk is Israël, het 'geestelijke Israël', of hoe men dat dan ook formuleerde.⟨/p> ⟨p>Maar die discipelen, die hadden echt een oereigen, Joods-Messiaanse verwachting. Ze wisten inmiddels zoveel meer en ze wisten inderdaad dat Hij de Zoon van David was. Ze wisten dat Hij de Messias was. Maar nu komt deze vraag: "Herstelt Gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël?" De vraag is dus niet óf Hij het koninkrijk voor Israël herstelt, want dat is nogal wiedes. Als dat nog een vraag is, dan ben je zelfs nog niet eens toegekomen aan het ABC van de hele Bijbelse profetie, als je dat betwijfelt of niet begrijpt. Waarmee trouwens ook maar weer gezegd is hoever we in het christendom eigenlijk verdwaald zijn. Maar de vraag is: "Herstelt Gij in déze tijd?" Dat is de vraag. In onze generatie? Dat vragen die discipelen.⟨/p> ⟨p>Nou, u weet wat het antwoord is. Is het antwoord 'ja' of 'nee'? Het is inderdaad een heel omzichtig antwoord. Er wordt namelijk geen direct antwoord gegeven. Met andere woorden: de vraag blijft staan. De Heer zegt: "Het komt u niet toe te weten..." Zij mochten de tijden en gelegenheden nog niet weten. Ik lees het maar even voor, Handelingen 1 vers 7: "Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft. Maar jullie zullen kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt." Nou, dat zou inderdaad tien dagen later plaatsvinden. "En gij zult Mijn getuigen zijn." Ik lees het eerste "gij zult" net zoals het tweede "gij zult". Het eerste – "gij zult kracht ontvangen" – is een belofte, en het tweede – "gij zult Mijn getuigen zijn" – is net zo goed een aankondiging, een belofte of een voorzegging. "Gij zult Mijn getuigen zijn." Dat is ook inderdaad zo uitgekomen: te Jeruzalem, in heel Judea en in Samaria, tot aan het uiterste van de aarde – of van het land. Dat is arbitrair, want dat verschil kun je in het Hebreeuws en in het Grieks niet maken.⟨/p> ⟨p>Nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen terwijl zij het zagen. Met andere woorden: Jezus geeft geen direct antwoord. Zij moesten getuigen in Jeruzalem, om daar te beginnen. De hoop was dat het koninkrijk voor Israël in die tijd hersteld zou worden, maar daar kom ik nu bij het volgende punt uit: of dat daadwerkelijk ook zou gebeuren, dat wordt hier niet gezegd. Ik denk dat als de Heer het daadwerkelijk rechtstreeks gezegd zou hebben, het op dat moment buitengewoon demotiverend voor de apostelen geweest zou zijn om in Jeruzalem zo krachtig te spreken. Hoe krachtig? Nou, dan komen we op het vierde punt van mijn inleidende opmerkingen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1313" title="Speel af vanaf 21:53">▶ 21:53⟨/button> ⟨span>De Oproep van Petrus tot Bekering op het Tempelplein⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De prediking van de twaalf. Dat is een technische term: de twaalf apostelen. U weet dat die twaalfde plaats, die van Judas, in Handelingen 1 werd vervangen; die vakante plaats werd ingenomen door Matthias. Maar "de twaalf" is ook een heel suggestieve term. Want als je dat met Oudtestamentische oren beluistert, dan denk je bij de twaalf natuurlijk direct aan de twaalf zonen van Jakob, en daarmee ook aan de twaalf stammen van Israël. Want dat is eigenlijk hetzelfde. De prediking van de twaalf is gericht op Israël en op Israëls bekering, en daarmee ook op de terugkeer van Christus, de Messias. Ook dat is een heel belangrijk punt in het boek Handelingen. Er is geen passage waar dat zo expliciet en duidelijk gezegd wordt als in Handelingen 3.⟨/p> ⟨p>Dan zijn we dus nog steeds in Jeruzalem, want de twaalf waren zeer honkvast. We zullen dat later vanavond trouwens ook nog wel zien: zelfs als de anderen naar Judea en Samaria gaan, bleven die twaalf in Jeruzalem. Sommige mensen denken dat dat ongehoorzaamheid was, maar ik denk dat het juist gehoorzaamheid was, in de wetenschap dat het in Jeruzalem moet gaan gebeuren. Ik neem u even mee naar Handelingen 3 om dat te laten zien.⟨/p> ⟨p>De context is als volgt: daar was een verlamde man die bij de Schone Poort zat. Hij was rond de veertig jaar, zo lees je. Hij werd door Petrus en Johannes genezen. Hoewel, als ik het zo zeg, zeg ik het eigenlijk helemaal niet goed. Wat er echt gebeurde, is dat Petrus en Johannes in het uur van het gebed op weg gingen naar de tempel en daar die man zagen. Ze zeiden: "Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u: in de naam van Jezus de Nazareër, sta op en wandel." En meteen — hij staat niet zomaar op, maar hij springt op. Hij gaat springend en dansend de tempel in. Naar aanleiding daarvan ontstaat er een hele volksoploop rondom die man, die daar altijd al zat bij de Schone Poort. Ik vind het allemaal heel typologisch: die man zit daar bij de Schone Poort met een geweldig, schoon uitzicht op de tempel, en hij geneest daar omdat hij geloofde in de Messias.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 3:9 lees je dat al het volk hem zag lopen en God loofde. Men herkende hem als degene die om een aalmoes gezeten had aan de Schone Poort van de tempel, en ze werden met verbazing en ontzetting vervuld over wat er met hem gebeurd was. Terwijl de man Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk op de tempelberg te hoop. Petrus ziet dat en gaat hen aanspreken. Hij spreekt hen aan als "mannen van Israël", wat logisch is, want het waren allemaal Israëlieten. Hij vraagt: "Mannen van Israël, wat verwondert gij u hierover? Of wat staart gij ons aan, alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen?" Het was dus helemaal geen genezingswonder van Petrus en Johannes zelf. Hij zegt: het is niet door eigen kracht of godsvrucht. De God van Abraham, Izaäk en Jakob, de God van onze vaderen, heeft Zijn knecht Jezus verheerlijkt, die gij overgeleverd en verloochend hebt ten overstaan van Pilatus.⟨/p> ⟨p>Die man die geloofde, is compleet hersteld bij die Schone Poort met dat geweldige uitzicht. En dat is precies ook de boodschap aan jullie, mannen van Israël. Zie op Hem. Wat die man overkwam, die verlamd was en niets kon maar door Gods genade dit wonder van herstel meemaakte, dat zou Israël — ook een verlamd volk — eveneens overkomen. Zij zouden ook hersteld worden. Dat is wat Petrus die mannen van Israël voorhoudt naar aanleiding van dat wonder.⟨/p> ⟨p>In vers 19 volgt de conclusie: "Komt dan tot berouw en bekering." Bezin je, metanoia. Ga compleet omdenken. Nu je deze dingen weet: kom tot bezinning. Dat woordje "berouw" heeft in onze taal vaak een sterke lading van spijt en emotie, terwijl dit woordje metanoia juist met het denken te maken heeft; het is een complete verandering van denken. Wellicht dat het woord "bezinnen" dat nog het meest uitdrukt in het Nederlands. In ieder geval: bezin je, keer je om. Dat is wat bekering werkelijk is. Dit wordt tegen de mannen van Israël gezegd: "Kom tot bezinning en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden." Uitgewist dus. "Opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht van de Heere."⟨/p> ⟨p>Hier wordt iets aan Israël toegezegd. Zoals die man bij de Schone Poort zat en door de poort springend en dansend naar binnen ging, zo zat Israël nu ook bij die poort, ook met een geweldig uitzicht. Als zij hetzelfde zouden doen als die man — namelijk opzien naar boven — dan zou dit wonder gebeuren. Dan zouden er tijden van verademing, perioden van verfrissing, aanbreken van het aangezicht van de Heer. Israëls bekering zou leiden tot een geweldige heilstijd. En dan staat er nog bij: "En Hij, God, de Christus, de Messias, de Gezalfde, die voor u, Israël, tevoren bestemd was, Jezus... zou worden gezonden." Want die Messias is inderdaad Jezus.⟨/p> ⟨p>De hele gedachte is dus: als jullie komen tot bezinning en bekering en jullie doen exact hetzelfde, namelijk opzien naar boven en Hem aanroepen, dan zullen deze tijden aanbreken. En niet alleen dat, maar dan zal de Christus die voor jullie bestemd was, Jezus Zelf, worden gezonden. Er staat nog bij dat de hemel Hem moest opnemen — dat was bindend. Hij is nu daarboven, en dat moest ook zo gebeuren volgens het profetisch woord. Daar had Petrus in Handelingen 2 al over gesproken: dat de Messias verhoogd zou worden aan Gods rechterhand om daar zitting te nemen. De hemel moest Hem opnemen, maar met een "totdat": tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen.⟨/p> ⟨p>Hier ziet u weer die tijden van de wederoprichting, van het herstel. Wat die man had meegemaakt, was ook een compleet herstel: apokatastasis. Zegt u die term wat? Ik zeg dat niet om geleerd te doen door er een Griekse term doorheen te gooien, hoor. Maar degenen die een klein beetje op de hoogte zijn van theologie, weten dat er de leer van de apokatastasis bestaat. Dat is de theologische aanduiding voor de gedachte dat alle mensen gered worden, de alverzoening. Dat is ontleend aan deze term hier. Maar dat is een enorme verwarring, als u het mij vraagt. Paulus spreekt namelijk over de apokatalaso, de wederverzoening van het al, maar dat is iets totaal anders. Bovendien vindt dat herstel van alles waarvan de profeten gesproken hebben, op een veel later tijdstip plaats. Nou ja, dat zijn van die theologische termen. Ik weet eigenlijk niet eens, terwijl ik het nu zo verteld heb, of het nou zo handig was om dat erbij te noemen.⟨/p> ⟨p>Want het is eigenlijk alleen maar verwarrend als je dingen gaat noemen die helemaal niet terecht zijn. Maar goed, dan zie je... Het is misschien wel een aardige illustratie van wat theologie allemaal met je denken kan doen.⟨/p> ⟨p>"Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen." Dat wil zeggen: alles zou hersteld worden waarvan God gesproken heeft bij monde van Zijn heilige profeten van oudsher. Met andere woorden: alles waarvan de profeten hebben gesproken, dat zal hersteld worden; het zal worden opgericht. De profeten hebben gesproken over Israël, over Jeruzalem en over al die landen daaromheen, over die volkeren en steden. Alles zou weer op de kaart gezet worden en hersteld worden. Dit is natuurlijk het beloofde koninkrijk; dat kun je niet missen.⟨/p> ⟨p>En waarom wijs ik er nu op? Omdat hier zo duidelijk door Petrus gezegd wordt op dat tempelplein: "Als jullie, Israël, tot bekering zullen komen, dan zal Christus uit de hemel komen en het koninkrijk dat beloofd is door de profeten, zal Hij openbaren en gaan vestigen in deze wereld." Dat is wat in deze woorden naar voren gebracht wordt. En dan zie je dus ook dat het hier nog steeds openligt. "Herstelt Gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël?" Nou, het was om zo te zeggen menselijkerwijs gesproken optioneel. Het wordt hier aan Israël aangeboden: "Kom tot bekering, en als jullie tot bekering komen, dan zal dit plaatsvinden."⟨/p> ⟨p>Dit is de boodschap van de twaalf; dat hebben zij gepredikt daar in Jeruzalem. Hier zie je dat heel duidelijk, zwart op wit en heel expliciet door Petrus naar voren gebracht. Petrus is de grote hoofdrolspeler in het eerste deel van Handelingen. Het is misschien ook wel aardig om erop te wijzen: Petrus is de apostel die toch vooral de twaalf representeert. Als er iemand het woord voert, dan is het Petrus. Als een van de twaalf het woord voert, dan is hij het. Dat gaat zo door tot aan hoofdstuk 10, dat bekende hoofdstuk waarin Petrus Cornelius bezoekt daar in Caesarea aan de kust. Daarna vind je hem nog maar één keer terug, in Handelingen 15, en voor de rest is hij helemaal van het toneel verdwenen.⟨/p> ⟨p>Vervolgens is het Paulus die de grote hoofdrolspeler is. Hij komt eigenlijk al veel eerder in het boek naar voren: in Handelingen 7 wordt Paulus voor het eerst genoemd. Dat stokje neemt hij echt helemaal over halverwege Handelingen 13, 14, 15. Eerst is het dus Petrus, en de rol van Petrus wordt vervolgens overgenomen door Paulus. En dan heb ik nog één opmerking die echt een inleiding is op waar we terecht moesten komen, namelijk Handelingen 7, waar Paulus voor het eerst genoemd wordt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2179" title="Speel af vanaf 36:19">▶ 36:19⟨/button> ⟨span>Handelingen 7 als Anticlimax en Historisch Dieptepunt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Handelingen 7 is een anticlimax, een dieptepunt en een uitgesproken crisis in het boek Handelingen. Het is echt het dieptepunt van het boek Handelingen, en ik zeg dat er expres zo bij. Niet alleen omdat dat historisch klopt – lees het maar na – maar Handelingen 7 is ook in andere zin een dieptepunt. Het is echter ook heel veelzeggend dat uitgerekend op Israëls dieptepunt Paulus voor het eerst voor het voetlicht komt. Dat is heel veelzeggend. Ik vond zelf dat ik deze inleiding eerst moest geven om te laten zien dat het betekenis heeft dat eerst de twaalf hun boodschap spreken, met name bij monde van Petrus. Die boodschap wordt vervolgens afgewezen en in dat dieptepunt komt er een andere apostel tevoorschijn. Hij is op dat moment nog geen apostel, maar hij wordt daar voor het eerst genoemd.⟨/p> ⟨p>Handelingen 7 is dus een anticlimax en beschrijft hoe het Joodse volk officieel – en daarmee bedoel ik het Sanhedrin, de Joodse Raad, het regerend instituut dat weliswaar beperkte bevoegdheden had, maar wel het regerend instituut over het Joodse volk was – het evangelie, zoals de twaalf dat prediken, officieel heeft verworpen. Handelingen 7 is daarvan het bewijs. Terwijl Petrus in Handelingen 3 nog enthousiast verkondigde: "Kom tot bekering, en als je tot bekering komt, dan zal de Messias terugkeren", lees je hier in Handelingen 7 heel duidelijk dat Israël, en meer specifiek Jeruzalem en officieel haar regering, het heel uitdrukkelijk afwijst.⟨/p> ⟨p>Ik wil dat even laten zien door eerst nog even naar Handelingen 6 te gaan, want in Handelingen 7 gaat het om een rede die Stefanus houdt. Maar wie is die Stefanus? Dat was een Griekse Jood, een Griekssprekende Jood in ieder geval. Je leest dan in Handelingen 6 vers 9: "Doch er stonden sommigen op van hen die waren van de zogenaamde synagoge der Libertijnen." Jeruzalem was een grote stad en daar waren tal van synagogen van allerlei signatuur. Er was een synagoge der Libertijnen, der Cyreneeërs, der Alexandrijnen – die dus uit Alexandrië kwamen of uit Cyrene – en van de Joden uit Cilicië. Dat laatste is trouwens interessant, want Cilicië ligt in het zuidpuntje van een provincie van Turkije, van Klein-Azië. De hoofdstad van Cilicië is Tarsus. Vergis je niet, het is niet Sicilië; Sicilië ligt in het zuiden van Italië, maar Cilicië ligt aan het zuidpunt van Turkije. Ik had even een kaartje kunnen laten zien, maar dat heb ik er nu niet bij, dus ik ga ervan uit dat u het een beetje voor ogen hebt. Wat is de hoofdstad van Cilicië? Tarsus inderdaad. En wij kennen iemand die uit Tarsus kwam, namelijk Saulus, want daar hebben we het over. Dus als hier staat dat er sommigen opstonden van de Joden die onder andere uit Cilicië waren, dan weten wij dat Saulus daarbij hoorde. Dat weten we sowieso, omdat Saulus slechts een paar verzen later heel prominent naar voren komt.⟨/p> ⟨p>In ieder geval waren er ook Joden uit Asia en zij redetwistten met Stefanus. Je leest dan dat ze niet bij machte waren de wijsheid en de geest – de spirit – waardoor hij sprak, te weerstaan. Die man heeft een enorme indruk nagelaten en de wijze waarop hij sprak was in wijsheid, maar ook met een enorme kracht. Je leest trouwens in de voorgaande verzen dat er door zijn handen vele tekenen en wonderen plaatsvonden. Israël werd dus niet alleen getrakteerd op een geweldig krachtig getuigenis, maar het werd ook gedemonstreerd; ze zagen het voor hun ogen. Het was echt een zichtbare predikatie, dus niet alleen voor het gehoor, maar ze zagen het ook.⟨/p> ⟨p>Ondanks dat ze niet bij machte waren dat te weerstaan, leidde het tot groot tumult. Dat lees je in de rest van Handelingen 6. Stefanus wordt vervolgens vals beschuldigd, namelijk dat hij zou prediken tegen de tempel, tegen Jeruzalem en tegen de wet van Mozes. Er worden valse getuigen bijgehaald en dan komt hij voor de raad te staan. In het Grieks staat daar het Sanhedrin. Stefanus houdt dan een geweldige toespraak. Let er aan het einde van Handelingen 6 nog even op dat, nadat zij de beschuldigingen hebben geuit, er staat dat allen die in de raad – in het Sanhedrin, want dat is wat er gewoon in het Grieks staat en ik geloof dat de Statenvertaling het ook zo heeft – zitting hadden, zijn gelaat zagen als het gelaat van een engel toen zij Stefanus aanstaarden. Die man heeft daar dus gewoon echt staan stralen; ik stel me dat ook fysiek zo voor. Zij allen zagen dat.⟨/p> ⟨p>Vervolgens gaat Stefanus een lange toespraak houden, die je vindt in Handelingen 7. Wat Stefanus daar doet – en dat moet ik er ook even bij zeggen – is dat hij erop wijst dat Abram ooit al werd geroepen om zijn familie te verlaten. Al die zeven punten die Stefanus naar voren brengt in zijn toespraak zijn heel veelzeggend. Hij doet dat ook om Israël aan te spreken, of het Joodse volk daarmee aan te klagen en daarmee aan te geven dat wat er nu gebeurt in het verleden nooit anders is geweest; later trekt hij dat trouwens ook echt als conclusie. Abram werd geroepen om zijn familie te verlaten, wat wil zeggen dat hij niet moest luisteren naar zijn eigen familiebanden, maar dat hij dat moest loslaten.⟨/p> ⟨p>Dan wordt in vers 9 tot 19 breed uitgemeten hoe Jozef werd verworpen door zijn broers. Dit is een van die voorbeelden waarbij het er zo dik bovenop ligt, zonder dat Stefanus de overeenkomsten tussen Jozef en Hem die na hem zou komen – de Messias – expliciet benoemt. Zoals de broers Jozef verwierpen, zo werd Jozef desondanks toch door God uitgekozen en kwam hij op een geweldig hoge plaats terecht, waarbij hij uiteindelijk trouwens ook door zijn broers erkend werd. Dat zit er allemaal in. Maar in ieder geval: de broers verwierpen Jozef.⟨/p> ⟨p>Ook Israël verwierp Mozes in aanvang. Dat wordt uitgebreid verteld door Stefanus in vers 20 tot 29, waardoor Mozes voor veertig jaar in de woestijn terechtkwam. Dat is ook een vrij veelzeggende hoeveelheid jaren, vooral als je het hebt over de Handelingenperiode die ook veertig jaar duurt. Israël verwierp Mozes dus in de aanvang, en vanaf vers 30 tot 39 lees je dat Mozes wederom verworpen wordt door het volk. Wanneer hij terugkomt bij de farao en Israël wordt uitgeleid uit het land Egypte en ze in de woestijn komen, wordt Mozes voortdurend tegengesproken en tegengewerkt. Stefanus wijst er dan ook eventjes fijntjes op dat Mozes al voorzegd heeft dat er iemand zou komen: "Een profeet als ik, die door God gezonden zal zijn en naar hem zullen jullie luisteren." Die Mozes werd echter verworpen door Israël. Met andere woorden: het is nooit anders geweest.⟨/p> ⟨p>Voortdurend wendde het volk zich tot de afgoden, wat in de verzen 40 tot 43 wordt verhaald. Ten slotte zegt Stefanus in zijn rede dat God – in de tegenwoordige tijd, dus op dit moment – niet woont in een tempel die met handen gemaakt is. Dat was trouwens ook letterlijk zo, want de heerlijkheid van God had zich verplaatst; Hij was weggegaan uit de tempel van Jeruzalem. De Israëlieten wisten dat trouwens ook: de Sjechina is nooit meer teruggekeerd in Jeruzalem. God woonde niet in die tempel waar zij zo aan vasthielden.⟨/p> ⟨p>Kortom, alles wat Stefanus in deze rede naar voren brengt, dat zijn vaak ook echt understatements. Het zijn heel veelzeggende mededelingen. En precies met al deze punten wijst hij hen in feite op de actualiteit. Wat toen het geval was, is nog steeds het geval; het is nog steeds niet anders. De conclusie is daarom... En dan zegt hij in vers 51...⟨/p> ⟨p>Nou, ik denk, voordat we nu hiermee verder gaan, dat we wellicht eerst even beter kunnen pauzeren. Dan ga ik straks inderdaad de draad oppakken bij deze conclusie die Stefanus trekt. Nou, ik wilde het eigenlijk niet over de stoofperen gaan hebben. Oh, je hoort het: Ewald zit liever met de gebakken peren, of juist niet.⟨/p> ⟨p>Wij waren gebleven bij Stefanus' toespraak. Het was eigenlijk een wat lange inleiding. Ik bedoel, deze Bijbelstudie gaat over de voetsporen van Paulus en tot dusver hebben we het eigenlijk nog helemaal niet over hem gehad. Maar ik wilde even wat inleidende dingen vertellen over wat er nou allemaal vooraf is gegaan in het boek Handelingen, alvorens Paulus ter sprake komt, of de figuur van Paulus, zo u wilt.⟨/p> ⟨p>Dat is van belang, zodat je een achtergrond hebt en een context ziet. Wellicht zouden er allerlei andere dingen daarbij ook nog vermeld kunnen worden, maar dit wilde ik in ieder geval toch neerzetten, zodat het duidelijk is van: aha, hij komt dus niet bij aanvang zomaar naar binnen. Nee, er is al heel wat aan voorafgegaan.⟨/p> ⟨p>Wat is het onderwerp van het boek Handelingen? En vooral – en nu zijn we echt helemaal dicht bij ons onderwerp gekomen – Stefanus hield een toespraak en we weten in ieder geval: daar was Saulus van Tarsus bij. Ik heb een zestal punten genoemd die in de toespraak van Stefanus worden genoemd. Heel veelzeggend allemaal. En dan komt zijn conclusie in vers 51.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2990" title="Speel af vanaf 49:50">▶ 49:50⟨/button> ⟨span>De Snoeiharde Conclusie van Stefanus' Toespraak⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanaf dit moment wil ik gaan inhaken en begint eigenlijk de Bijbelstudie over Paulus, want in dit gedeelte komt Paulus ook aan de orde. Het duurt nog even een paar verzen, maar hier komt eerst de conclusie van de toespraak van Stefanus. En dan zegt hij heel 'complimenteus' tegen zijn aanhouders, tegen degenen die daar zitten in het Sanhedrin: "Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren."⟨/p> ⟨p>Nou, dat is echt geen compliment aan een volk, en notabene aan de leidslieden van het volk dat zich zo liet voorstaan op het feit dat zij het volk van de besnijdenis waren. Hij zegt: jullie zijn dan weliswaar misschien naar het vlees besneden, maar jullie zijn onbesneden van hart en van oren. Daar zit nog steeds een voorhuid op, een bedekking. Want een voorhuid is in wezen niets anders dan een bedekking, en jullie hart is nog steeds bedekt.⟨/p> ⟨p>En dan zegt hij: "Gij" – jullie dus, dat is meervoud – "jullie verzetten je altijd tegen de Heilige Geest." Hier spreekt hij niet zomaar, zoals Petrus nog op dat tempelplein tegen het volk sprak. Nee, hij spreekt hier tegen de representanten van het volk: de regering, het Sanhedrin, de Raad, zij die het volk officieel vertegenwoordigden. Hij spreekt hen aan en zegt: "Jullie verzetten je altijd tegen de Heilige Geest." Het is nooit anders geweest.⟨/p> ⟨p>Dit zijn inderdaad geen waarderende opmerkingen, maar hij heeft het onderbouwd. Hij heeft vastgesteld wat ze nu doen, maar ook hoe het in het verleden altijd al is gegaan. Dit was niet iets nieuws, integendeel. Jullie verzetten je altijd tegen de Heilige Geest, gelijk uw vaderen, zoals hij uiteengezet heeft in dat lange betoog dat eraan voorafging. Zo ook jullie. Zo vader, zo zoon, zeggen ze dan. Nou, zo de vaderen, zo ook jullie generatie. Het is van hetzelfde laken een pak.⟨/p> ⟨p>En dan stelt hij nog een retorische vraag: "Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd?" Noem ze maar op. Wie van de profeten werd hartelijk ontvangen en werd wel geaccepteerd? Notabene door het volk van de belofte, maar altijd hebben ze zich verzet tegen het woord dat tot hen kwam. Het woord van God, het woord dat vol was van Geest. Vandaar ook dat hij zegt: jullie verzetten je tegen de Heilige Geest, namelijk tegen dat woord dat vol is van Geest. De profeten zijn altijd gestenigd, verworpen en niet geaccepteerd; ze waren nooit populair.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: het is altijd al zo geweest. Er staat zelfs: "Zelfs hebben zij hen gedood die geprofeteerd hebben." Zij, dat wil zeggen jullie vaderen, hebben hen gedood die de komst tevoren hebben aangekondigd van de Rechtvaardige. De Rechtvaardige, dat wil zeggen Hij die zou komen, de Messias, van wie jullie nu verraders en moordenaars geworden zijn. Nou, dit liegt er niet om natuurlijk. Het is de waarheid, maar dit is snoeihard. Dit komt even binnen.⟨/p> ⟨p>Een man die daar zo vol van Geest, stralend, krachtig en in wijsheid op onweersprekelijke wijze zijn boodschap doorgeeft, en dan dit concludeert: "Jullie zijn verraders en bovendien moordenaars geworden." Ik wil hierbij even wijzen op het contrast met wat we zagen in Handelingen 3. Ik heb daar geloof ik net voor de pauze niet op gewezen, maar bij Petrus lees je nog dat wanneer hij zijn volksgenoten toespreekt op het tempelplein, naar aanleiding van die genezing van die verlamde, hij zegt: "Ik weet, broeders, dat jullie in onwetendheid hebben gehandeld." Maar zo heeft God in vervulling doen gaan hetgeen de profeten hebben gesproken. Zij hebben dat in onwetendheid gedaan, zoals Jezus trouwens ook bad aan het kruis: "Vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen."⟨/p> ⟨p>Ze hebben Hem overgeleverd aan de Romeinen en zij worden nu door Stefanus moordenaars genoemd. En dat is ook wat ze gedaan hebben. Ze hebben de Rechtvaardige, Hij die aangekondigd was, ter dood gebracht of in ieder geval overgeleverd om gekruisigd te worden. Het initiatief kwam niet van de Romeinen; integendeel, het kwam van de Joden zelf, sterker nog, van het Sanhedrin.⟨/p> ⟨p>Kon aanvankelijk nog gezegd worden dat het in onwetendheid was toen Jezus gekruisigd werd – dat zegt Petrus – nu in elk geval niet meer. Wat hier feitelijk gebeurt, is een herhaling van de kruisiging. We zullen dat straks trouwens ook zien. Ik zal het zeggen met woorden die we nu kennen uit de Hebreeënbrief, met de woorden van Hebreeën 6: "Jullie kruisigen opnieuw de Zoon van God." Dat zijn woorden uit Hebreeën 6. Ja, wat kan er dan nog gepredikt worden? Ik bedoel, de Messias is hun gepredikt, niet alleen gepredikt maar het is ook aangetoond en gedemonstreerd, begeleid met tekenen en wonderen. Kortom, hoe had het duidelijker gekund?⟨/p> ⟨p>En dan lees je in vers 54: "Toen zij," dat Sanhedrin, "dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem." Het knersen van de tanden is een formulering die je vaker aantreft. Soms denken mensen dat dat te maken heeft met wroeging, maar dat is het niet; het is echt haat. Het knersen van de tanden is een uitbeelding van haat, van verzet en het niet accepteren van de boodschap. Ze knersten de tanden tegen hem, lees je. Maar hij, vol van heilige Geest... nog steeds. Dat stond al over hem geschreven in Handelingen 6 en dat geldt hier nog steeds.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3455" title="Speel af vanaf 57:35">▶ 57:35⟨/button> ⟨span>Een Visioen van Jezus Staande aan Gods Rechterhand⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar hij, vol van de heilige Geest, sloeg de ogen ten hemel en hij zag de heerlijkheid Gods. Dat is een schouwspel; je moet je even voorstellen wat zij dan gezien hebben. Een man wiens gelaat straalde. Ze hebben zojuist dit gehoord en het sneed hun door het hart. Hij sloeg de ogen ten hemel en hij zag de heerlijkheid Gods. Dat is trouwens nog iets moois, want Stefanus was zijn toespraak begonnen met Abraham. In Handelingen 7 vers 2 lees je dat toen Abraham nog in Mesopotamië was – hij heette toen nog Abram – de God der heerlijkheid aan hem verscheen. Zo wordt Hij genoemd in Handelingen 7. Ja, de God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abram toen hij in Mesopotamië was. En die verschijning was genoeg voor hem, voor Abram, om inderdaad zijn land, zijn maagschap, zijn hele familie te verlaten.⟨/p> ⟨p>En hier lees je weer over de God der heerlijkheid of over de heerlijkheid van God die Stefanus zag. Hij zag de heerlijkheid Gods en – je zou het zelfs zo kunnen lezen – namelijk Jezus, staande ter rechterhand Gods. Dit is een hele merkwaardige uitdrukking, heel merkwaardig. Want waar je ook in de Bijbel leest over de positie die Jezus heeft sinds zijn hemelvaart, dan is het altijd de standaardformulering: Hij is gezeten. Trouwens, dat is me vandaag pas voor het eerst opgevallen, maar er staat hier zelfs niet alleen maar dat Hij staande was, maar ook niet 'aan' of 'in'. Ik heb het eens nagekeken; altijd is de formulering dat Hij gezeten is aan de rechterhand of de rechterzijde Gods, maar dat is hier niet de gedachte. Het is hier 'vanuit'. Dus het idee is echt: Hij stond vanuit de rechterzijde van God. Hij was gezeten, maar Hij was staande vanuit. Het is echt een handeling, of eigenlijk een beschrijving van iemand die gezeten was en die nu staat vanuit. Iemand die dus was opgestaan.⟨/p> ⟨p>En dat is veelzeggend. Kijk, ik zei al: we hebben de Hebreeënbrief nu bestudeerd. Hoe vaak hebben we niet gelezen dat Hij daar is? In Hebreeën 8 vers 1 lees je dat als de schrijver zijn brief samenvat, hij zegt: "De hoofdzaak van ons onderwerp is dat wij een hogepriester hebben, die gezeten is aan de rechterzijde van de troon der majesteit in de hoge." Maar hier staat Hij. Hoezo stond Hij? Jezus was namelijk inderdaad verhoogd aan Gods rechterhand, maar Hij werd gepredikt als degene die – zoals we ook lazen in Handelingen 3 – gezonden zou worden als Israël zich bekeerde. Hij stond op het punt om inderdaad te verschijnen. En in plaats van dat Hij nu zou komen om inderdaad Zijn koninkrijk op aarde te vestigen en terug te keren naar Jeruzalem, wordt Hij nu verworpen. Maar Hij staat, en dat is heel typerend. Tot dusver in de prediking van het boek Handelingen is Hij aan de ene kant verhoogd aan Gods rechterhand, maar nu niet gezeten, maar staande.⟨/p> ⟨p>Ik lees even verder. Stefanus zeide: "Zie, ik zie de hemelen geopend." Dat is wat zij dus niet zagen, maar wat hij visionair wel zag; zijn ogen waren daarvoor geopend. "Ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen" – de Zoon van de mens, of de Zoon van Adam, de erfgenaam van Adam – "staande ter rechterhand Gods." Dus hij zag het niet alleen, maar hij beschrijft ook wat hij ziet: staande aan de rechterzijde van God. Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem los, eensgezind. De haat en de weerstand zijn zo enorm gigantisch, en dat blijkt dan ook wel, want vervolgens lees je in vers 58.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3812" title="Speel af vanaf 01:03:32">▶ 01:03:32⟨/button> ⟨span>De Steniging van Stefanus Buiten de Poort⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En ze wierpen hem de stad uit en stenigden hem. Zij wierpen hem de stad uit. Let op wat we lazen; ik refereer weer even aan de studie over de Hebreeënbrief. Wat lazen we in Hebreeën 13 als het gaat over Jezus? Daar lees je heel uitdrukkelijk dat ook Jezus buiten de legerplaats geleden heeft. Ze hebben Hem buiten de stad geworpen. Precies datzelfde doen zij nu ook met Stefanus.⟨/p> ⟨p>En weet je wat ik dan ook nog zo opmerkelijk vind? Daar heb ik nog niet eens op gewezen, maar de naam Stefanus betekent 'kroon' of 'krans'. Dat past helemaal in het plaatje dat we tot dusver hebben gezien, in die hele context. Namelijk: het Koninkrijk wordt gepredikt; de Koning, Degene die gekroond is. En nu wordt de Koning inderdaad alsnog, en wederom — maar nu niet meer onwetend, maar heel welbewust — verworpen. Het getuigenis van de Gekroonde, van Hem die aan de rechterzijde gezeten is, wordt verworpen.⟨/p> ⟨p>Ooit was Jezus als het offer buitengeworpen en is Hij als een zondoffer daar geslacht, buiten de poorten. En nu herhaalden ze dit door het getuigenis van Stefanus te verwerpen. Ze wierpen hem de stad uit: de 'kroon', hij die gekroond is. De Koning wilden ze niet hebben.⟨/p> ⟨p>En ze stenigden hem, wat trouwens een illegale daad was. Want het ter dood brengen van iemand was verboden; men had helemaal geen executierecht. Daarvoor moest men bij de Romeinen zijn. Maar daarom is dit in Handelingen ook echt een absoluut dieptepunt. Nota bene het Sanhedrin doet dit. En dan, op dit dieptepunt...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3969" title="Speel af vanaf 01:06:09">▶ 01:06:09⟨/button> ⟨span>Typologie: de Introductie van Saulus op Israëls Dieptepunt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Want op dit dieptepunt, Handelingen 7 vers 58, komt Saulus voor het voetlicht. Laten we het even lezen: de getuigen, degenen die de stenen wierpen — want zo moest dat gaan, dat waren getuigen die inderdaad... nou ja, ze waren valse getuigen, maar in ieder geval getuigen. Zij die hem stenigden, legden hun mantels af aan de voeten van een jongeman. De leeftijd wordt hier niet genoemd, maar gezien zijn rol in het Sanhedrin moet hij in ieder geval dertig jaar oud geweest zijn. Maar goed, dan ben je nog steeds een jongeman, nietwaar?⟨/p> ⟨p>Ik vind het ook wel leuk, want deze studieserie heet 'In de voetsporen van Paulus' of 'In Paulus' voetsporen'. En de eerste keer dat we hem tegenkomen, wordt meteen melding gemaakt van zijn voeten. Dit is louter toevallig, want het viel me juist vandaag even op; ik dacht: hè, dat is toch eigenlijk wel frappant. Dus inderdaad, hier komen meteen zijn voeten aan de orde. Hier is hij nog een jongeman. Dit is de eerste vermelding van Saul. Nou ja, niet helemaal waar natuurlijk, want we vinden in het Oude Testament ook al vele keren de naam Saul: Sha'ul, de eerste koning van Israël, die ook uit de stam Benjamin kwam. Van deze Saulus weten we dat hij uit de stam Benjamin kwam. Maar die andere Saul, de bekende koning, u weet wel, dat was die grote tegenstander van David, de gezalfde koning. Saul moest niets van David hebben en achtervolgde hem. Dit is een herhaling van de geschiedenis. Hier kom je weer een Saul tegen. En wat doet hij? Hij vervolgt de Zoon, de Zoon van David, de echte David, de echte Gekroonde die Stefanus verkondigde.⟨/p> ⟨p>Deze Saulus stemt in door wat hij hier doet. Ze mogen hun mantels bij hem afgeven en die leggen ze aan zijn voeten. Je leest dan ook later dat Saulus van harte instemde met deze daad. Op deze gebeurtenis komt Paulus later nog diverse keren terug: dat hij zelf inderdaad hier zijn steentje aan bijgedragen heeft — wat dan weer een beetje een verwarrende beeldspraak is in dit geval. Maar in elk geval heeft hij hier zijn volle instemming aangegeven, alleen al door dit te doen. Bij hem konden ze terecht.⟨/p> ⟨p>Ik wilt trouwens op nog iets wijzen, en dat is een meer typologische gedachte: dat een mantel, of een kleed in het algemeen, de omhulling is, de heerlijkheid. En hier wordt de heerlijkheid van de Joodse Raad afgelegd en komt deze terecht bij ene Saulus van Tarsus. Als ik dit nu typologisch lees en als een zinnenbeeld zie, dan is dit precies een beschrijving van wat heel typerend wordt in Paulus' loopbaan en in zijn prediking, namelijk: de heerlijkheid van Israël is afgelegd. Afgelegd! En bij wie komt die heerlijkheid terecht? Bij hem.⟨/p> ⟨p>Ik kan daar heel stellig over zijn, want ik heb daar vorige week nog een gesprek met een aantal gasten over gehad. Het woord dat hij in 2 Timotheüs gebruikt, is een uniek woord dat maar één keer voorkomt, namelijk daar in 2 Timotheüs. Dat kan dus niet hier het woord zijn. Maar hier vinden we de eerste vermelding. Als Israël op haar dieptepunt is en nu niet meer in onwetendheid, maar zeer welbewust de Messias verwerpt, bevestigen ze in feite de kruisiging. Ze waren moordenaars, maar dat was nog in onwetendheid en zou als doodslag aangemerkt kunnen worden. Maar nu blijkt het echt moord; ze doen het zeer welbewust. Degene die van Hem, de Gekroonde spreekt, werpen ze buiten de stad, buiten de poort. En wie is degene die daarin een grote rol speelt en bij name genoemd wordt? Saulus.⟨/p> ⟨p>Dus op dit dieptepunt, waar de grootste zonde van het boek Handelingen beschreven wordt — namelijk dat Israël wederom, maar nu bewust, de Messias verwerpt — juist daar komt de naam van Saulus naar voren. De grootste zonde. Als ik het zo zeg, denk ik natuurlijk meteen aan waar hij later op zinspeelt in 1 Timotheüs 1, als hij zegt: "Ik ben de eerste van de zondaren." Iedere keer als hij daarop wijst, zegt hij dat dit komt omdat hij een vervolger is geweest van de Ecclesia. Daarom. Op Israëls dieptepunt was hij degene die daar een prominente rol in speelde. Juist in Israëls ongeloof, in blinde haat en welbewuste vijandschap, daar komt Saulus ten tonele. Ik vind dat zo veelzeggend. Niet alleen het tijdstip dat deze jongeman ten tonele gevoerd wordt nadat Israël de boodschap heeft afgewezen, maar ook het feit dat het op het dieptepunt gebeurt. De grootste zonde, de grootste van de zondaren; juist deze man staat daar model voor. En die had God nodig. Dit is zo veelzeggend. Dit staat vervolgens ook model voor de boodschap van genade die hij later zou gaan uitbazuinen. Zover is het natuurlijk nog niet, maar het is toch wel heel typerend dat deze man hier geïntroduceerd wordt. De vervolger: "Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?" Die naam is daarin ook al veelzeggend: Sha'ul.⟨/p> ⟨p>Dan lees je nog in vers 59 dat ze inderdaad Stefanus stenigden, die de Heere aanriep en zei — Heere Jezus, Die hij zo rechtstreeks aankeek; hij zag de hemel geopend en hij zag Hem staan — en zei: "Heere Jezus, ontvang mijn geest. Ontvang de geest van mij." En op de knieën vallende... het is niet helemaal duidelijk of dat nu is omdat hij niet meer op zijn benen kon staan doordat hij gestenigd werd, of omdat hij in aanbidding neerviel voor de heerlijkheid Gods die hij zag. Dat weet ik niet. Hij viel op de knieën en riep met luider stem. Ik zei zojuist dat dit een herhaling is van de kruisiging; dat blijkt dan ook wel uit deze formulering, want er staat dat hij met luider stem schreeuwde, zodat iedereen het hoorde: "Heere, reken hun deze zonde niet toe!" Precies wat de Heere Jezus ook al zei; in Lukas 23 vers 34 lees je dat. En met deze woorden ontsliep hij.⟨/p> ⟨p>Dit is in Handelingen 7 de eerste martelaar. Weliswaar lees je ook al in de voorgaande hoofdstukken dat de twaalf onder grote druk stonden en dat ze gegeseld waren, maar hier is sprake van de eerste die vermoord wordt. En dan nog wel officieel. Niet zomaar door een misdaad van iemand onder het volk, nee, het Sanhedrin doet dit. Met als prominente naam die daarin vermeld wordt: Saulus. En met deze woorden ontsliep hij. En dan lees je: "En Saulus stemde dus in met zijn terechtstelling." Nou, dat was inmiddels al duidelijk en later vinden we dat nog diverse keren bevestigd. En er ontstond — en dit is dus ook een keerpunt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4598" title="Speel af vanaf 01:16:38">▶ 01:16:38⟨/button> ⟨span>Een Zware Vervolging Tegen de Ecclesia te Jeruzalem⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat zie je daarin ook bevestigd, wat ik zojuist al zei. Dit is een dieptepunt. Maar vanaf dit moment wordt de gemeente te Jeruzalem vervolgd. Die was inmiddels al aanzienlijk hoor; er waren vele duizenden gelovigen. In Handelingen 2 lees je al over drieduizend, in Handelingen 4 over vijfduizend, en we mogen aannemen dat het aantal inmiddels nog weer aanzienlijk gegroeid was. Er ontstond te dien dagen, dus na die terechtstelling, de executie van Stefanus, een zware vervolging tegen de Ecclesia te Jeruzalem. Allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, waar ze dus ook naartoe moesten, getuige de woorden: "Gij zult mijn getuigen zijn."⟨/p> ⟨p>Maar wat nou zo eigenaardig is: er staat dat dit gebeurde met uitzondering van de apostelen. Ik wees daar voor de pauze al eventjes op. Dat is eigenaardig; zij waren honkvast. Terwijl allen door die zware vervolging elders heen gingen, bleven zij als degenen die leiding gaven te Jeruzalem. Eigenaardig genoeg wordt er niet op gewezen waarom dat zo is; het wordt alleen vastgesteld dat het zo is. Ik weet wel dat het getuigenis daar in Jeruzalem moest klinken en Jeruzalem moest ook zeggen: "Gezegend Hij die komt." Dat was de hoofdstad. In elk geval bleven de apostelen daar dus in Jeruzalem.⟨/p> ⟨p>Dan lees je in vers 2 dat vrome mannen, toegewijde Joodse mannen, Stefanus ten grave droegen en bedreven grote rouw over hem. En vers 3 — want daar moeten we voor vanavond eindigen — zegt dat Saulus de gemeente verwoestte. Hij vernielde haar; later vind je nog diverse keren zulke termen terug. Hij zegt zelf: "Ik ben een vervolger van de gemeente." Dat ging er zeer extreem aan toe. Saulus was met recht een extremist, een terrorist die geweld niet schuwde. Hij was een buitengewoon geleerd en bekwaam man, maar bovendien... nou ja, dat zullen we vanzelf nog wel zien.⟨/p> ⟨p>Misschien dat ik dat nog eventjes terzijde mag zeggen: ik had natuurlijk ook de optie om in de voetsporen van Paulus te gaan door bij zijn jeugd te beginnen, alle informatie daarover te verzamelen en zijn leven biografisch langs te gaan. Dat was een optie geweest, maar ik kies voor een andere weg. We beginnen gewoon hier en we zullen later vanzelf, wanneer Saulus bijvoorbeeld over zichzelf gaat spreken in een soort retrospectie, terugblikkend zien hoe hij opgegroeid is en waar hij geboren is. Dat zal allemaal later nog aan de orde komen als we zo door het boek Handelingen wandelen.⟨/p> ⟨p>Hier lees je: "Saulus verwoestte de gemeente." Hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mee. Later lees je nog — dat zullen we de volgende keer in Handelingen 9 zien — dat Saulus daar inderdaad van kende. Saulus was de aanvoerder van die hele beweging die zo verschrikkelijk gekant was tegen die Messiaanse stroming, die van de Nazoreeërs. Hij ging het ene huis na het andere binnen, sleurde mannen en vrouwen mee en leverde hen over in de gevangenis.⟨/p> ⟨p>Misschien dat ik nog eventjes als laatste mag wijzen op Handelingen 26. In Handelingen 26 vers 11 staat Paulus voor Agrippa en daar lees je dat hij ook terugblikt en zijn verhaal vertelt. Hij zegt dan... oh nee, ik zit nu in Handelingen 25 te kijken. Ja, nou, ik lees eventjes vanaf vers 9, en ik lees vooruit de Voorhoevevertaling: "Ik meende dan bij mijzelf dat ik tegen de naam van Jezus, de Nazoreeër, veel vijandigs moest doen. Wat ik dan ook gedaan heb in Jeruzalem. En vele van de heiligen heb ik in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de volmacht van de overpriesters had ontvangen." Er staat in sommige vertalingen dat hij toestemming had. Hoe staat het in de NBG? De macht van de overpriesters ontvangen. Ja, het was zo; hij was dus volmachtigd geautoriseerd om dat te doen. Nog even eerder lees je zelfs dat hij daar het initiatief toe heeft genomen en dat de overpriesters, het Sanhedrin, hem daarvoor toestemming hebben gegeven. Wat dus maar weer bewijst dat het initiatief om zich te verzetten juist bij hem lag. Hij vroeg erom, ja.⟨/p> ⟨p>"Ik had daartoe volmacht van de overpriesters ontvangen en als zij werden gedood, stemde ik ervoor. En in alle synagogen dwong ik hen, door hen te straffen, dikwijls te lasteren." Hij dwong hen dus te lasteren door hen te straffen. "En bovenmate woedde ik tegen hen en vervolgde hen tot zelfs in de buitenlandse steden." Nou ja, en dan gaat er een ommekeer komen, want dan gaat hij naar Damascus toe. Deze dingen zullen vanzelf ook nog wel bij latere gelegenheden ter sprake komen, maar hier zie je dat dus: de eerste vermelding inderdaad dat hij zo'n prominente rol speelt in de verwoesting en de vervolging van de gemeente en wat hij allemaal deed. Hij leverde hen over in de gevangenis, die Saulus. Over hem gaan we het hebben.⟨/p>