English blog

kroongetuige van Christus’ pre-existentie?

07-08-2021 - Geplaatst door Andre Piet

Eén van de meest verheven namen van Christus is dat hij “Zoon van God” is (Joh.20:31). Sterker nog, hij is “de eniggeboren Zoon van God” (Joh.3:16) omdat hij als Zoon van God volstrekt uniek is onder alle mensen: verwekt zonder dat daarbij een man te pas kwam (Luc.1:34). Zijn moeder Maria werd overschaduwd door “de kracht van de Allerhoogste” (Luc.1:35). De verwekte zelf is daarin per definitie ‘lijdend voorwerp’. Een mens wordt verwekt en is daarin geheel passief. Het is geen keuze of eigen activiteit om verwekt te worden.

voorbestaan als woord van God

Het is in het Johannes-evangelie waarin deze Goddelijke verwekking op een bijzondere wijze wordt belicht. De Zoon van God wordt daar voorgesteld als het woord van God dat vlees werd (Joh.1:14). Het was Gods woord dat tot Maria kwam en zó vlees werd. D.w.z. Maria werd zwanger. Hetzelfde woord waardoor ooit alle dingen tot stand waren gekomen (1:3), werd nu vlees en heeft onder ons gewoond, zo schrijft de evangelist (Joh.1:14). Daarom getuigde Johannes de Doper (1:15): “Hij was eer dan ik”. Want als woord van God was hij vóór alle dingen.

‘verwekt door’ of ‘zichzelf getransformeerd’?

Er is één passage die traditioneel als bewijs wordt aangevoerd voor het idee dat de wording van Jezus in Maria’s moederschoot een daad van hemzelf was: Filippi 2 vers 5 t/m 7. Deze passage wordt zo uitgelegd dat Christus Jezus vóór zijn verwekking “in de gestalte van God” was en vanuit die positie zichzelf zou hebben ontledigd en mens zou zijn geworden. In deze verklaring is hij niet verwekt door de Vader maar heeft hij zichzelf getransformeerd tot mens (lees: zich veranderd in een bevrucht eicel in Maria’s schoot).

Aangezien genoemde (traditionele) visie op slechts één passage is gebaseerd en deze zich bezwaarlijk laat rijmen met het gegeven dat het God was die Jezus verwekte, kan het geen kwaad zich de vraag te stellen of de gangbare lezing wel correct is. Wil immers iets vast staan, dan zijn minstens twee of drie getuigen nodig die consistent zijn met elkaar.

Hieronder de tekst van Filippi 2:5-11.

5 Laat die gezindheid onder jullie ontstaan, welke ook in Christus Jezus [is],
6 die in Gods gestalte |zijnde, het geen roof acht God gelijkend te zijn,
7 maar zichzelf ontledigde, de gestalte van een slaaf |aannemende, in gelijkenis van mensen |wordend.
8 En in gedaante |bevonden als mens, vernederde hij zichzelf, gehoorzaam |wordend tot aan de dood, ja de dood van het kruis.
9 Daarom ook verhoogde God hem uitermate en schonk hem in genade de naam boven alle naam,
10 opdat in de naam van Jezus alle knie |zal buigen, van hemelsen, aardsen en onderaardsen,
11 en alle tong zal |instemmen dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God, de Vader.

Aantekening: werkwoorden met een superscript verticaal streepje vertegenwoordigen in het Grieks een praesens (=onvoltooid) terwijl een horiontaal streepje verwijst naar een aorist (= werkwoord zonder tijdindicatie).

de gangbare lezing

Vers 5 t/7 wordt gewoonlijk zó gelezen dat Christus Jezus vanuit “Gods gestalte” zichzelf heeft ontledigd en de gestalte van een slaaf heeft aangenomen. Omdat Paulus eerst spreekt van “Gods gestalte” en daarna van “zichzelf ontledigde”, vat men dit op als een chronologische reeks.

Christus Jezus

Wat in deze uitleg m.i. echter over het hoofd wordt gezien is dat Paulus niet spreekt over Christus Jezus’ positie in het verleden, maar over zijn positie in het heden. Christus Jezus is nu in “Gods gestalte” en “God gelijkend”. De titel “Christus Jezus” refereert naar hem als de opgewekte en verheerlijkte. Het is een formulering die exclusief aan Paulus’ brieven is voorbehouden en typerend voor hem (94x). De titel “Christus” staat voorop. Dat betekent: in zijn opstanding is hij gezalfd met heilige geest (Hand.2:36). Na de promotietitel Christus volgt de naam Jezus die hij bij zijn geboorte meekreeg. De volgorde “Christus Jezus” typeert Paulus omdat hij hem zó heeft leren kennen. Als de verheerlijkte Christus openbaarde hij zich aan Saulus op de weg naar Damascus. Waarna Saulus vroeg: “wie bent u Heer?” en het antwoord luidde: “Ik ben Jezus, die jij vervolgt” (Hand.9:5). Eerst Christus en daarna Jezus.

“in Gods gestalte zijnde”

Wanneer Paulus had willen zeggen dat Christus Jezus ooit (vóór zijn menswording) in Gods gestalte was geweest, dan had hij gesproken in de verleden tijd. Hij gebruikt daarentegen de onvoltooide vorm (praesens): “Christus Jezus in Gods gestalte zijnde“. Daarmee doelt Paulus op Christus Jezus’ tegenwoordige positie! “In Gods gestalte zijnde” loopt parallel met het zinsdeel dat Christus Jezus “God gelijkend” is. Beide typeringen getuigen van hem als het tegenwoordige “beeld van de onzienlijke God” (Kol.1:15).

geen roofbezitting

Deze tegenwoordige positie acht (=aorist – ongeacht wanneer) Christus Jezus echter “niet als een roof”. Paulus noemt daarvoor twee redenen: (1) Christus ontledigde zichzelf en hij nam de gestalte van een slaaf aan en hij vernederde zichzelf tot de dood van het kruis. En (2) het was vervolgens God die hem uitermate verhoogde en hem de naam boven alle naam schonk. M.a.w. dat Christus momenteel in Gods gestalte is, is geen geroofd bezit maar een positie die hem van Godswege is geschonken, juist omdat hij zichzelf ontledigde en vernederde. Het demonstreert waarvan Jezus zelf ooit op aarde getuigde: wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden (Luc.14:11; 18:14).

ontledigd & vernederd

Christus Jezus ontledigde zichzelf door de gestalte van een slaaf aan te nemen. De “gestalte van een slaaf” contrasteert uiteraard met “God gestalte”. Het verschil tussen beiden is, dat Christus Jezus in de positie van “Gods gestalte” is gesteld, terwijl hij de “gestalte van een slaaf” zelf aannam. Hebreeën 5:8 zegt:

… hoewel Zoon zijnde, leerde hij gehoorzaamheid door de dingen die hij leed…

Sinds zijn geboorte was Jezus de Zoon van God. Een positie waarin hij gehoorzaamheid van anderen zou mogen verwachten. Maar hier lezen we: hoewel hij de Zoon was, leerde hijzelf gehoorzaamheid. Want hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aanvaard. Zó leerde hij gehoorzaamheid en vernederde hij zichzelf tot de dood, ja, tot de dood dood van het kruis.

samenvatting

Filippi 2:5-7 geldt als kroongetuige van Christus Jezus’ pre-existentie. Bij nadere beschouwing blijft er m.i. weinig over van bewijs hiervoor. Kort en goed: de uitdrukking “in Gods gestalte zijnde” verwijst niet naar Christus Jezus’ voorbestaan, maar naar zijn huidige positie die hij niet roofde maar heeft ontvangen.

Delen: