English blog | Oude Artikelen

wanneer begon de bedeling van genade?

11-08-2017 - Geplaatst door Andre Piet

De uitdrukking “de bedeling van genade” is ontleend aan Efeze 3:2 (Staten Vertaling):

Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u…

Het woord ‘bedeling’ is een wat ongelukkige weergave van het Griekse woord ‘oikonomia’. Want bij ‘bedeling’ denken we in het Nederlands aan iets wat (toe)bedeeld wordt o.i.d., terwijl ‘oikonomia’ de betekenis heeft van een beheer. Letterlijk het beheer van een huis. Ons woord ‘economie’ is van het Griekse woord afgeleid en betekent inderdaad ‘huishouding’. Elders wordt het ook vertaald met ‘rentmeesterschap’ (Luc.16:4): een beheer dat iemand wordt toevertrouwd.

Waar sprake is van een beheer is uiteraard ook sprake van een beheerder. Wanneer Paulus spreekt over “het beheer van de genade Gods”, dan zegt hij er meteen bij dat dit aan hem is toevertrouwd. Waarover heeft de apostel het? Laten de passage in Efeze 3 (letterlijker vertaald) eens wat nader bezien:

1 Ter wille van dit, ben ik Paulus, de gevangene van Christus Jezus, ten behoeve van jullie, de natiën. 2 Jullie hebben immers gehoord van het beheer van de genade van God, dat aan mij gegeven wordt voor jullie, 3 dat naar onthulling het geheim aan mij is bekend gemaakt, zoals ik tevoren in het kort schreef.

Paulus schrijft dat hij een gevangene is ten behoeve van de natiën. Vanuit het boek Handelingen weten we dat Paulus in Jeruzalem gevangen genomen werd omdat hij ervan beschuldigd werd iemand uit de natiën in de tempel te hebben gebracht (Hand.21:29). Deze beschuldiging was ten onrechte maar werd wel de oorzaak van zijn gevangenneming. En geestelijk gezien was dit inderdaad precies hetgeen Paulus leerde: de gelovigen uit de natiën zijn nabij gekomen omdat “de tussenmuur van de afscheiding” (Ef.2:14) is weggebroken.

Als Paulus in Jeruzalem ten overstaan van de schare zich mag verdedigen, dan is men bereid hem aan te horen totdat hij begint over zijn missie naar de natiën (Hand.22:17-22). Hij vertelt dan dat de Heer hem had gezegd dat hij Jeruzalem moest verlaten omdat men toch niet naar hem zou luisteren. Daarom werd hij naar de natiën gezonden. M.a.w. Paulus’ missie onder natiën is gebaseerd op Israëls terzijdestelling (vergl. Rom.11:11). Zie daar het pijnpunt en de oorzaak van de Joodse vijandschap en jaloezie. Daarom was Paulus een gevangene.

Paulus schrijft dat “het beheer van de genade Gods” aan hem was gegeven. “Voor jullie” schrijft hij, d.w.z. voor de natiën. Hij voegt er aan toe, dat in overeenstemming daarmee, aan hem ook het geheim was onthuld. Daaruit volgt dat het geheim waarover Paulus spreekt, de natiën als onderwerp moet hebben. En dat wordt inderdaad een paar verzen later (3:6) bevestigd. Het is “het geheim van de Christus”…

…dat in andere generaties niet werd bekend gemaakt aan de zonen der mensen, zoals het nu werd onthuld aan zijn heilige apostelen en profeten… (:5)

Hoe het werd onthuld aan zijn heilige apostelen en profeten staat hier niet bij, maar uit vers 3 wisten we al dat dit via Paulus aan hen is bekend gemaakt. Dat blijkt vooral ook uit de inhoud van het geheim, namelijk dat …

…in geest zijn de natiën mede-lotbezitters en mede-leden en mede-deelhebbers van de belofte in Christus Jezus door het evangelie… (:6)

Het is alleen Paulus die in zijn brieven onthult dat de natiën deelhebbers zijn “van de belofte in Christus Jezus”. D.w.z. wat aan hem is beloofd, daaraan hebben de natiën door het evangelie deel gekregen. Ze zijn één lichaam geworden, niet met Israël, maar met Christus. Christus Jezus is het hoofd en alle gelovigen tezamen vormen één lichaam: de Christus. Dus als Christus Jezus is gezeten aan Gods rechterhand, dan is dat ook de positie van allen die door geloof deel hebben gekregen aan hem. God heeft ons “… samen doen zitten te midden van de hemelsen in Christus Jezus” (Ef.2:6).

De waarheid van het “ene lichaam” zonder onderscheid, vinden we slechts bij Paulus. In de Handelingen-tijd was de ekklesia aanvankelijk een strikt Joods gebeuren. Pas in Caesarea zet Petrus de poort open naar de natiën en het is Paulus die later (letterlijk en figuurlijk via deze poort) zich tot de natiën wendt. In de ogen echter van Jeruzalem (lees: ‘de twaalf’ en Jakobus) behielden de natiën de status van “gasten” (Ef.2:12). In Jeruzalem werd de dienst uitgemaakt. Daar werd ook een strikte scheiding gehandhaafd tussen gelovigen uit de Joden en gelovigen uit de natiën. Gelovigen uit de Joden waren ijveraars van de wet en alleen gelovigen uit de natiën waren van het onderhouden van de wet vrijgesteld (Hand.21:20-25). Dat was het unanieme oordeel in Jeruzalem op het moment dat Paulus daar arriveerde en even later gevangen werd genomen.

Reeds vanaf de aanvang bestond in Paulus’ bediening geen onderscheid tussen gelovigen uit de natiën en gelovigen uit “de besnijdenis”. Inderdaad, Paulus zelf wandelde volgens de Joodse gebruiken (Hand.21:26; 28:17) maar hij onderwees dat óók Joden daarin vrij zijn. Dat onderwijs was de grote ergernis in Jeruzalem over Paulus (Hand.21:21). Paulus’ onderwijs wordt gekenmerkt door genade. Zoals hij schrijft in Efeze 2:

8 Want in genade zijn jullie geredden, door geloof en dat niet vanuit jullie zelf: Gods naderingsgeschenk is het, 9 niet vanuit werken, opdat niemand zich zou beroemen.

Niet de wet, maar genade heerst in het onderwijs van de apostel Paulus (Rom.6:14). En daarmee zijn we weer terug bij de oorspronkelijke vraag. De bedeling of beter: “het beheer van de genade Gods” werd aan Paulus toevertrouwd. Daarom kon dit beheer ook niet eerder beginnen dan toe hij op het toneel kwam.

Delen: