English blog | Oude Artikelen

hout, hooi en stro

03-04-2008 - Geplaatst door Andre Piet

Tijdens de studie die ik zondag j.l in Zoetermeer gaf over ‘de bêma’, kwam o.a. 1Korinthe 3:12 ter sprake. In dat vers spreekt Paulus over diverse bouwmaterialen als metafoor voor de bouw van de gemeente van God. Enerzijds heeft hij het over vuurbestendige materialen: goud, zilver en kostbare stenen en anderzijds over materialen die dat overduidelijk niet zijn: hout, hooi en stro.

goud, zilver en kostbare stenen
Naar voren bracht ik dat goud spreekt van de heerlijkheid van God als GOD (Degene die alles in de hand heeft). Zilver is in de Schrift een betaalmiddel en verwijst daarmee naar de losprijs die Christus Jezus betaalde, tot verlossing van allen (1Timotheüs 2:6). Kostbare stenen zijn een type van de kostbare waarheden van de veelkleurige wijsheid van God.


Al deze bouwmaterialen zijn stuk voor stuk kostbaar en ‘fireproof’, omdat ze verwijzen naar God en het werk dat Hij doet. Hout, hooi en stro zijn het tegenovergestelde en spreken daarom van de werken van de mens.

hout
Zoomen we wat meer in op hout, hooi en stro dan kunnen we (Schrift met Schrift vergelijkend) de onderscheiden betekenissen wat precieser invullen.
Het woord voor ‘hout’ in 1Kor.3:12 is eigenlijk een meervoud en zou moeten weergegeven met ‘houte delen’ (o.i.d.). In de context van een bouwwerk denken we dan palen, balken of planken. Hout dient vooral voor de constructie van een bouwwerk. In de samenhang van 1Kor.3 is het niet moeilijk om een link te zien naar de daar vermelde “redeneringen der wijzen” waarvan de Here zegt dat ze ijdel zijn (1Kor.3:20). Houte delen typeren de knappe, menselijke constructies (filosofieën) die de test van het vuur echter niet kunnen doorstaan.

hooi en stro
Stro (of hooi) wordt veelzeggend vermeld in Exodus 5, waar het gaat over de slavernij van Israël in Egypte. Voortaan moesten de Israëlieten niet slechts zware tichelstenen bakken, maar ook nog eens zélf zorgdragen voor de stro, als noodzakelijk ingrediënt van de tichelstenen.
Tichelstenen komen we in de Schrift voor het eerst tegen in Genesis 11:3, i.v.m. de bouw van de toren van Babel. Ze zijn een embleem bij uitstek van wat de mens zelf bakt. In Jesaja 65:3 lezen we dat het volk haar God openlijk krenkte door te offeren “op de tichelstenen” (vergl. Ex.20:25,26). Hooi (gedroogd gras) en stro (overgebleven stoppels na de oogst) zijn de typerende ingrediënten van zulke menselijke baksels. De Schrift associëert dit materiaal met slavernij en zware arbeid. Hooi en stro spreken van de zware, frustrerende lasten die mensen zichzelf danwel anderen, opleggen. In beide gevallen spreken we dan van balen…
Enfin, “hooi en stro” is dienstbaar aan de vele godsdienstige en filosofische constructies in deze wereld. Het is alles mensenwerk, gedoemd om te verdwijnen.

Alleen wat GOD doet (goud, zilver en kostbare stenen) heeft werkelijke waarde en trotseert de tijd.

Delen: