English blog | Oude Artikelen

het Woord Van God compleet

10-08-2015 - Geplaatst door Andre Piet

het beheer om het Woord Gods te vervullen

Waarvan (= de Gemeente) ik (= Paulus) dienaar werd, volgens het beheer van God, dat mij gegeven is, om onder jullie het Woord van God te vervullen, het Geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar nu geopenbaard aan zijn heiligen.
Kolossers 1:25

Als bekend mag worden verondersteld dat boodschap van de “apostel der heidenen” maatgevend is voor de tegenwoordige tijd waarin Israël tijdelijk terzijde staat. Door Paulus is het Geheimenis bekend bekendgemaakt en daarmee (naar zijn zeggen) het Woord van God vervuld. Dat is was Paulus in bovenstaand Schriftgedeelte naar voren brengt. Aan hem is het beheer gegeven om Gods Woord te vervullen, te voleindigen of te completeren. Gehinderd door traditie, nemen weinigen dit, zoals het er staat. Meestal gaat men het ‘verklaren’, hetgeen in de praktijk betekent dat het moeilijker gemaakt wordt. Traditioneel overheerst namelijk het idee dat de geschriften van Johannes van later datum zijn dan Paulus’ brieven. Waarom meent men dit? Omdat Johannes (vermoedelijk…) geleefd heeft tot in de 90-er jaren van de 1-ste eeuw terwijl Paulus reeds eind 60-er jaren is omgebracht. Gesteld dat dit juist is, vergeet men, dat daarmee nog niets is gezegd over het tijdstip waarop Johannes’ geschriften zijn geschreven. Terecht wordt dan ook, b.v. in de Telos-vertaling, bij de inleiding van Johannes’ geschriften vermeld: “Geschreven door Johannes tussen de jaren 60 en 95…”. Deze marge van ruim drie decennia is meer dan voldoende om Paulus te erkennen als degene die het laatste woord van Godswege, bekendmaakte.

vorming NT overgelaten aan anderen?

Maar als Paulus zich ervan bewust was dat hij Gods Woord mocht voleindigen, zou hij dan ook de eind-redactie hebben gevoerd over het NT? Immers, eerst dan zou het Woord Gods daadwerkelijk compleet en afgerond zijn. Wie anders dan een gevolmachtigde van Christus Jezus Zelf, heeft de bevoegdheid om te bepalen wat wél en wat niet bij de canon behoort, d.w.z. wat maatgevend is? Als aan Paulus het beheer gegeven is om het Woord Gods te completeren, zou hij dan de selectie van geschriften hebben overgelaten aan volgende generaties en kerkelijke concilies? Zeker, de canon van het NT werd pas in de 4-de eeuw formeel door de kerk erkend. En in de daaraan voorafgaande eeuwen is over diverse geschriften, hier en daar flink gesteggeld. Maar waar zou de canon haar oorsprong anders hebben dan in de tijd van de apostelen?

het kader van de tweede Petrus-brief

In zijn tweede brief richt Petrus zich als “apostel der besnijdenis” wederom tot zijn Joodse lezers. Het is halverwege de 60-er jaren. Petrus voorzegt de aanstaande, massale afval onder het volk. Hij voorzegt de Joodse Opstand en het “schielijk verderf” dat over het volk zou komen. Dit laatste doelt op de verwoesting die zou plaatsvinden in het jaar 70 (meer info, klik hier). Niet langer was het de vraag (zoals ooit; Hand.1:6) of in “deze tijd het koninkrijk voor Israël hersteld zou worden”. Integendeel, spotters zouden komen met de vraag: “waar blijft de belofte van Zijn komst?” (3:4). Petrus realiseert zich dat hij spoedig zal sterven (1:14) en vraagt zich af hoe het moet na zijn heengaan. Wat zou het houvast zijn voor navolgende generaties? Hoe zouden zij de waarheid kunnen onderscheiden temidden van mythen en verhalen? Zolang Petrus en de zijnen nog in leven waren konden de mensen het bij hén navragen, maar hóe zou dat nog kunnen als zij er niet meer zouden zijn? Op deze vraag gaat Petrus in het eerste hoofdstuk in.

Petrus’ ijver

Maar ik zal mij beijveren, dat gij ook na mijn heengaan telkens weer aan deze dingen kunt denken.
2Petrus 1:15

Petrus kondigt aan dat hij zich zal beijveren. Zodra hij z’n brief geschreven had, was er dus nog werk aan de winkel. Petrus zou zich inzetten voor de geloofsgemeenschap ná zijn heengaan. Ook zij moesten bepaald worden bij al de dingen die hij als ooggetuige te melden had. Petrus schrijft hier over de schriftelijke vastlegging van wat de ooggetuigen te melden hadden. Hij vervolgt:

Want WIJ zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar WIJ zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. 
2Petrus 1:16

Petrus claimde een “ooggetuige” te zijn. In de eerste plaats met o.a. Johannes (zie volgende vers) maar in het algemeen met al de andere apostelen.

En WIJ hebben het profetische woord dat zeer vast is, en GIJ doet wel er acht op te geven (als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat) in uw harten.
2Petrus 1:19

Let op: hier is sprake van “wij” en “gij”. “Gij”, dat zijn de lezers. “Wij”, dat zijn de ooggetuigen van de voorgaande verzen. Wij, d.w.z. wij ooggetuigen, hebben het profetisch woord. Heel het Nieuwe Testament komt direct voort uit de kring van ooggetuigen. Eén van die ooggetuigen is Paulus.

… houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft,evenals in ALLE BRIEVEN, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften.
2Petrus 3:15,16

Kennelijk deden bundels van (copieën van) Paulus’ brieven de ronde. We zien hier de contouren zich aftekenen van de vorming van het Nieuwe Testament. Let er op dat Petrus aan Paulus’ brieven dezelfde status geeft als “de overige Schriften”. Bij Paulus moet je wezen, zo is Petrus’ boodschap. Het is dezelfde Petrus die ooit zoveel moeite had met deze Paulus.
Waar Petrus’ ijver overigens precies uit bestaan heeft, weten we niet. Heeft hij wellicht ook de beschikking gekregen over andere geschriften van het NT? B.v. over de andere besnijdenis-geschriften? In zijn eerste brief noemt hij de evangelist Marcus “mijn zoon” (5:13) en dat wijst er op dat het nalatenschap van Petrus bij Marcus zou terechtkomen.

Paulus’ testament

Met het noemen van de naam van Marcus komen we als vanzelf weer terug bij Paulus. Paulus vermeldt diens naam namelijk eervol in het slot van zijn laatste brief.

Alleen Lucas is nog bij mij. Haal Marcus af en breng hem mede, want hij is mij van veel nut voor de dienst
2Timotheïs 4:11

Waarom moest Marcus met Timotheüs meekomen? In welk opzicht was Marcus van veel nut voor de dienst? Voor welke dienst? Paulus vervolgt:

Als gij komt, breng dan de mantel mede, die ik te Troas bij Karpus liet liggen, en ook de boeken, vooral de perkamenten.
2Timotheïs 4:13

Eigenaardig! Het tijdstip van Paulus’ heengaan staat voor de deur (2Tim.4:6,7)… vanwaar dan zijn zorg om “de boeken, vooral de perkamenten”? Wat doet een up-to-date bibliotheek er toe, als je op het punt staat dood te gaan? Er dringt zich één antwoord aan ons op: Paulus is bezig het Woord van God te completeren! Paulus wilde aan Timotheüs een heilige bibliotheek (Bijbel> ‘biblos > bibliotheek) nalaten. Met het oog daarop drukt hij Timotheüs op het hart:

Elke Schrift is van God geïnspireerd en nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.
2Tim.3:16,17

Zou “de mens Gods” volkomen toegerust zijn met slechts de Schriften van de Tenach? Uiteraard niet! Paulus verwijst naar elke God-geïnspireerde Schrift, inclusief het “profetisch woord” van de apostelen. Dat is wat Paulus in haar geheel wilde nalaten aan Timotheüs. En daarmee aan de Gemeente Gods. De Gemeente, die immers wordt gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten (Efeze 2:20).

Het bovenstaande plaatst ook het “veel nut” van Marcus in een verrassend licht. Want Marcus had als erfgenaam van Petrus, geschriften in bezit, die bij Paulus terecht moesten komen.
En dan nog wat. Heel triviaal doet hier Paulus’ verzoek aan, om de mantel mee te nemen, die hij te Troas achter gelaten had, naast “de boeken, vooral de perkamenten”. Echter: het woord dat hier vertaald wordt met ‘mantel’ betekent letterlijk ‘omslag’. In een bepaalde context zou dat kúnnen doelen op een mantel maar het verband hier wijst in een andere richting. We hebben hier te denken aan een hoes, een tas of een kaft dat als omslag zou dienen voor de betreffende geschriften. Het is zelfs denkbaar dat Paulus als één der eersten gebruik maakte van de boekvorm, die immers dateert uit de tweede helft van de eerste eeuw!

Paulus’ handtekening

Als Paulus inderdaad als eind-redacteur de geschriften van het NT heeft gebundeld, is dat misschien ook zichtbaar in de wijze waarop hij het heeft samengesteld? Oppervlakkig gezien niet. De opbouw van het NT is algemeen-logisch. Het begint bij het begin: de evangelie-beschrijvingen over al wat Jezus begonnen is te doen. Daarna de historische fase van ‘Handelingen’. Dan volgt de afdeling van de brieven, waarna het NT logischer wijze afsluit met ‘de Openbaring’, waarin een einde zal zijn gekomen aan de tegenwoordige verberging van Jezus Christus. In deze logische indeling is niet specifiek de hand van Paulus op te merken. Anders wordt het wanneer we naar de indeling van de brieven kijken. Deze valt (grofweg) uiteen in twee groepen: Paulus’ brieven enerzijds en de geschriften van Jakobus, Petrus en Johannes anderzijds

Deze laatste volgorde is frappant want ze herinnert ons direct aan Paulus‘ eigen opsomming in Galaten 2:9..

… en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas (=Petrus) en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnijdenis gaan.

Eerst Jakobus. Daarna Petrus. En ten slotte Johannes. Deze opbouw en volgorde verwijst direct naar de officiële afspraak die gemaakt is tijdens de vergadering in Jeruzalem. We worden er bij voorbaat aan herinnerd, dat dit drietal besnijdenis-geschriften schreef!
Enfin, de indeling van de NT-ische brieven is onmiskenbaar Paulinisch. Hetgeen dus wederom een bevestiging van het feit dat Paulus het Woord Gods gecompleteerd heeft.

Gods handtekening

Hoewel de indeling en telling in onze tegenwoordige Bijbels dat niet zichtbaar maakt, vertoont het origineel een geweldig Goddelijk design. Ons OT gaat (helaas) terug op de indeling van de Griekse vertaling van het Hebreeuwse OT (de Septuagint). De oorspronkelijke Hebreeuwse Bijbel, de Tenach, is anders ingedeeld:
1. de Torah,
2. de profeten
3. de Geschriften (met de Psalmen vooraan).
Jezus Christus refereert in Zijn opstanding aan deze indeling.

… alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden.
Lucas 24:44

Deze indeling is ook gebaseerd op het drievoudig ambt van priester (>Torah), profeet (Nevie’iem) en koning (> Ketoeviem, bevatten voornamelijk bijdragen van koningen). De telling van boeken is in de Hebreeuwse Bijbel ook anders. Zo worden de twaalf kleine profeten bijvoorbeeld als één boek gerekend. De Hebreeuwse Bijbel telt vanwege de andere indeling een totaal van 22 boeken. Dit aantal komt overeen met de letters van het Hebreeuwse alfabet.

En dan het NT. Dit deel van de Bijbel telt 27 boeken, wat samen met de 22 boeken van de Hebreeuwse Bijbel een totaal oplevert van 49 boeken. Dat getal is Gods handtekening: 7×7! Waarbij het getal 7 ook op andere niveaus telkens weer terugkomt. De besnijdenis-geschriften van Jakobus, Petrus, Johannes + Judas zijn 7 in getal. Paulus’ brieven zijn 14 in getal, dat is 2×7.

En let ook eens op deze balans: het centrum van de Bijbel wordt gevormd door de 5 historische boeken van het NT: Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes en Handelingen. Deze boeken vormen het fundament van het Bijbels getuigenis. Aan weerzijden van deze ‘Pentateuch’ treffen we 22 boeken. Een volmaakte symmetrie en balans!

Delen: