ga naar thuis-pagina

laatste wijziging: 28 juni 2009

"de gehele aarde" of "het gehele land"?

Hoe heeft Noach heel het dierenrijk kunnen onderbrengen en verzorgen in de ark? Het aantal dieren moet heel wat groter geweest zijn dan we zelfs in de grootste dierentuin aantreffen. Werden die allemaal verzorgd door slechts acht mensen? Hoe hebben b.v. de kangeroe en de pinquin een reis van vele duizenden kilometers naar de ark overleefd? En hoe konden zeevissen en zoetwatervissen, gedurende een jaar in hetzelfde water vertoeven?

Bovenstaande vragen zijn inderdaad klemmend als we ervan uitgaan dat de zondvloed "de gehele aarde" overdekte. Maar staat dat dan niet in de Bijbel? Inderdaad, wel in de Bijbel zoals we deze in de meeste vertalingen lezen, maar niet het origineel waar sprake is van "ha'erets" dat strikt genomen niet "de aarde" maar 'het land' betekent. Hier volgt een korte, willekeurige greep uit het boek Genesis, waar sprake is van "ha erets" en waar dit (terecht) is weergegeven met "het land".

2:12 en het goud van dat land is goed
12:1 naar het land, dat Ik u wijzen zal
13:6 Maar het land liet niet toe, dat zij tezamen bleven wonen
24:5 het land, vanwaar gij uitgetrokken zijt?
50:24 het land, dat Hij Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft.

Zouden we dezelfde weergave (concordant) toepassen op de hoofdstukken 6-8 van Genesis, dan verandert dit de lezing enorm (zie onder)! We zouden niet meer lezen van een vloed die "de gehele aarde" bedekte, maar "het gehele land"! Het vertaalwoord "aarde" doet direct denken aan de planeet met de naam 'aarde'. Dat is echter niet naar de Schrift. In Genesis 1 lezen we dat God "ha'erets' definiëert als het droge, i.t.t. de wateren (Gen. 1:10). "Ha arets" is het droge in het algemeen óf (meestal) een specifiek land of bepaalde landstreek. Niet noodzakelijk heel de globe omvattend.

NBG-vertaling
NBG-vertaling, waarbij "de aarde" is vervangen door "het land"
Hoofstuk 6
12 En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven.
Hoofstuk 6
12 En God zag het land aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op het land verdorven.
13 . Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen. 13 . Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is het land vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met het land verdelgen.
17 Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen. 17 Want zie, Ik ga een watervloed over het land brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op het land is, zal omkomen.
Hoofstuk 7
4 Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.
Hoofstuk 7
4 Want over nog zeven dagen zal Ik het op het land veertig dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.
12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over het land.
17 En de vloed was veertig dagen over de aarde en de wateren wiesen en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde. 17 En de vloed was veertig dagen over het land en de wateren wiesen en hieven de ark op, zodat zij oprees boven het land.
18 Toen de wateren zeer toenamen en sterk wiesen boven de aarde, dreef de ark op de wateren. 18 Toen de wateren zeer toenamen en sterk wiesen boven het land, dreef de ark op de wateren.
19 En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde, en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt.
19 En de wateren namen geweldig sterk toe over het land, en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt.
21 En al wat leeft, dat zich op de aarde roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend gedierte, dat op de aarde wemelt, benevens alle mensen, kwamen om. 21 . En al wat leeft, dat zich op het land roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend gedierte, dat op het land wemelt, benevens alle mensen, kwamen om.
23 Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was. 23 Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van het land; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was.
24 En de wateren hadden de overhand over de aarde, honderd vijftig dagen lang. 24 En de wateren hadden de overhand over het land, honderd vijftig dagen lang.
Hoofstuk 8
1 Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was, en God deed een wind over de aarde strijken, zodat de wateren daalden.
Hoofstuk 8
1 Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was, en God deed een wind over het land strijken, zodat de wateren daalden.
3 en de wateren vloeiden gestadig van de aarde weg. Aldus namen de wateren na verloop van honderd vijftig dagen af. 3 en de wateren vloeiden gestadig van het land weg. Aldus namen de wateren na verloop van honderd vijftig dagen af.

13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste [maand], op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op.

13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste [maand], op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van het land; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op.

14 In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog. 14 In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag der maand, was het land droog.


ga naar thuis-pagina