laatste wijziging: 3 september 2003
HOME
OUDSTEN EN HUN AANSTELLING

een oudste is een oudere
aanstelling van ouderen
opzieners
"niet meer onmondig"


een oudste is een oudere

Het Griekse woord dat in het 'Nieuwe Testament' wordt gebruikt voor 'oudste' is presbuteros. Het komt daar 66x voor. Letterlijk betekent dit woord niet 'oudste' maar 'oudere'. Een oudere staat tegenover een jongere. De oudere zoon in de beroemde gelijkenis heet een 'presbuteros' (Lucas 15:25), niet omdat hij al oud was maar omdat hij ouder was dan zijn broer. In 1Petrus 5:5 wordt tegen de jongeren gezegd dat ze zich zouden onderschikken aan de ouderen (presbuteros). Ouderen hebben meer levenservaring dan jongeren en worden daarom geacht wijzer te zijn dan hen. Hoewel dit in de Westerse maatschappij niet zo vanzelfsprekend meer is, hebben ouderen van oudsher en wereldwijd een natuurlijk gezag. Dat is logisch: de levensweg die jongeren nog moeten afleggen, hebben zij reeds achter zich. Zij zijn daarin 'ervaringsdeskundigen' en kunnen op grond daarvan het hunne 'zeggen' (het woord 'gezag' komt van 'zeggen': iets te zeggen hebben). Het spreekt voor zich dat jongeren er goed aan doen naar hen te luisteren.

aanstelling van ouderen

Een 'presbuteros' is een oudere. De term zegt iets over leeftijdsverhouding en heeft als zodanig NIETS met een ambt te maken. Dat neemt niet weg dat de Bijbel wel degelijk op diverse plaatsen spreekt van de aanstelling van ouderen. Let wel: aanstelling van ouderen en niet aanstelling tot oudsten.
In Handelingen 14:23 lezen we dat Paulus en Barnabas in elke gemeente ouderen hadden aangewezen. Paulus schrijft aan zijn medewerker Titus:

"Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling (...) dat gij, zoals ik u opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen die..." (Titus 1:5; NBG)

Het woordje 'als' hebben de NBG-vertalers toegevoegd en daarmee het misverstand bevestigd dat 'presbuteros' een ambt zou zijn. Ten onrechte. Titus moest ouderen aanstellen die beantwoorden aan Paulus' profielschets. Natuurlijk wáren zij al ouderen maar slechts in combinatie met een aantal morele eigenschappen maakte dat hen geschikt om te worden aangesteld tot opzieners. Dat het daarbij inderdaad om ouderen gaat blijkt ook daaruit dat het gaat om mannen van wie gezegd kon worden dat zij reeds gelovige kinderen hadden (Titus 1:6).

opzieners

Een ander ding dat opvalt, is dat de gemeenten (net als in Handelingen 14:23) zelf geen ouderen aanwezen maar dat Titus speciaal op Kreta was achtergelaten om dit namens Paulus te doen. Deze speciaal aangewezen oudere mannen werden geacht als 'opzieners' te functioneren over de kudde (Handelingen 20:28). Zolang Paulus op Kreta verbleef, hield hij daar zelf 'opzicht', maar nu hij was vertrokken moesten er geschikte mannen worden gevonden die deze functie namens hem zouden waarnemen. Zo'n oudere moest zich houden...

"... aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen." (Titus 1:9)

We moeten bedenken dat "de gezonde leer" nog niet 'zwart op wit' stond. Daarom was een formele aanwijzing van gekwalificeerde mannen, door (of namens) Paulus zelf, noodzakelijk om "de gezonde leer" te verdedigen en "tegensprekers te weerleggen". Zolang "de leer" vooral een mondelinge aangelegenheid was, aangevuld met her en der verspreid schriftelijk materiaal, waren zulke aangewezen mannen een baken in zee.

"niet meer onmondig"

Het is heel opmerkelijk dat de apostelen aan het einde van hun leven, zich nooit hebben uitgelaten over hun opvolging. Evenmin hebben zij voorschriften gegeven om de kwestie van autoriteit in de Gemeente te regelen. Daar is een heel goede reden voor.

Paulus schrijft in Efeze 4 dat Christus, nadat Hij is opgevaren naar de hemel, gaven heeft gegeven aan de Gemeente: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars (4:11). Maar Paulus schreef niet voor niets: "heeft gegegeven". Voltooid tegenwoordige tijd. Deze gaven hadden namelijk slechts een tijdelijke functie.

"... TOTDAT wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus." (Efeze4:13-15)

Let er op dat deze staat van volwassenheid niet pas wordt bereikt in de hemel o.i.d. maar hier op aarde. Temidden van allerlei wind van leer. Temidden van het valse spel der mensen en temidden van dwalingen.

Sinds het "het Geheimenis Gods" bekend is gemaakt (Kolosse 2:2,3) en het Woord van God door Paulus is gecompleteerd (Kolosse 1:25) heeft de Gemeente (als collectief) "de maat van de wasdom" bereikt. Sindsdien zijn gelovigen niet langer onmondigen. Besef wat dit inhoud! Zolang de gaven van Efeze 4:11 functioneerden waren gelovigen onmondigen. Zij hadden geestelijke autoriteiten boven zich. Als kleine kinderen moesten zij luisteren naar wat er tot hen gezegd werd. Maar bij het bereiken van "de volle kennis" werd dit verleden tijd. Geen apostelen en profeten meer die het fundament hadden gelegd (Efeze 2:20). Geen herders meer die als opzieners over de onmondige kudde zijn gesteld. Geen leraars meer die met gezag uitleg geven. Waarom ook? Al waar aan vast moet worden gehouden, staat zwart op wit. En nu de eerdergenoemde autoriteiten zijn weggevallen geldt als nooit tevoren: er is slechts één Hoofd, Christus.
Wat een status! Geve God ons de moed om conform deze waarheid te leven!

 

HOME