laatste wijziging: 30 april 2003

Onderstaand treft u de tekst van een toespraak van André Piet, gehouden op 12 november 1998 in Katwijk. Het is een studie n.a.v. Romeinen 9. De tekst is behoudens een enkele bewerking, zo goed als geheel intakt gelaten.

 

DE POTTENBAKKER EN HET LEEM

Ik wil vanavond een gedeelte uit Romeinen 9 behandelen waarbij het blijkt te gaan over belangrijke levensvragen. Bijvoorbeeld: heeft alles een bedoeling? Of: is alles voorbestemd? De vraag die daaraan gekoppeld is: heeft de mens eigenlijk een vrije wil? Of is de mens eigenlijk een soort robot? Dat soort vragen dus. Wanneer je bereid bent om de Schrift te openen en met accuratesse te lezen en vooral om te geloven wat er staat, dan kom je heel wat meer aan de weet dan iemand die door theologie- of filosofie-studie daar achter probeert te komen. Sterker nog: zo iemand tast compleet in de duisternis. Zonder het licht van Gods Woord wordt je geen steek wijzer.
We lezen Romeinen 9 vers 1 tot 24.
(...)

Hierna vervolgt Paulus zijn betoog, maar met zaken die minder met dit onderwerp te maken hebben.
Eigenlijk kan je een pericoop als dit niet apart behandelen. Want als je een brief krijgt dan word je geacht om hem helemaal te lezen. Deze passage staat in een heel lang betoog, dat 16 hoofdstukken bevat. Dus er zijn acht hoofdstukken aan voorafgegaan en nog zevenl hoofdstukken zullen volgen. Om Romeinen 9 te begrijpen zou je in ieder geval op de hoogte moeten zijn van het voorafgaande.

Van tevoren moet ik een aantal dingen zeggen om dit gedeelte überhaupt te begrijpen:
Paulus spreekt in de hoofdstukken 9, 10 en 11 over Israël. Hij zegt dat in vers 3: "zijn verwanten naar het vlees". Hij heeft het over het volk waaraan God zoveel zegeningen heeft gegeven en waarvan hij zegt in vers 4: "Hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden (oud en nieuw dus!) en de wetgeving en de eredienst en de beloften: Hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus", d.w.z. de Christus is van Israël. Speciaal voor Israël bestemd, dat lees je ook meerdere malen in het boek Handelingen.
Maar dan gaat Paulus in deze hoofdstukken een heel belangwekkende vraag bespreken. Een vraag waarvan de bespreking zo ongelofelijk belangrijk is. Ik ben ervan overtuigd, dat wanneer we Romeinen 9, 10 en 11 niet zouden hebben, dat we dan heel veel zouden moeten missen. Het verstaan van de Schrift in het algemeen en ook hoe we het Oude Testament dienen te lezen, hoe we de beloften moeten verstaan en wat Gods plannen en wegen met Israël zijn, daarover lichten deze hoofdstukken ons systematisch in.

Waar Paulus hartzeer overheeft - dat heeft hij voortdurend (vers twee) - dus dat was iets wat hij altijd met zich meenam en wat hem pijn deed: het feit dat Israël in overgrote meerderheid afwijzend stond tegenover de boodschap van de Messias. Anders gezegd: dat zij vijanden zijn van het Evangelie. Zo noemt hij dat een Romeinen 11 vers 28.
U moet zich realiseren dat dit een stempel op zijn leven en ook zijn bediening gezet heeft. Ik zei al: de Christus was voor Israël bestemd. En de Messias zou zijn Koninkrijk oprichten over Israël en dat zou wereldwijd gevestigd worden vanuit Jeruzalem. Dat was de verwachting die Paulus en alle Christus-gelovigen hadden. Aan een gelovig Israël zou God zijn beloften gaan vervullen. Maar waar Paulus in deze hoofdstukken op ingaat is het fenomeen wat uitgebreid beschreven staat in het boek Handelingen. Daar wordt ons in een lang historisch verslag meegedeeld, dat Israël niet in geloof reageert op de boodschap dat Jezus de Messias is omdat Hij volkomen voldoet aan het profiel dat het Oude Testament van de Messias geeft. Dat Hij gestorven is, maar wat meer is, dat Hij op de derde dag is opgestaan uit te doden en dat Hij momenteel de allerhoogste plaats inneemt van de ganse kosmos. D.w.z. gezeten is aan Gods rechterhand. Dat was de boodschap van de apostelen in het algemeen. Wanneer Israël deze boodschap zou hebben geaccepteerd, dan zou de Messias ook daadwerkelijk terugkeren vanuit de hemel. Dat was de prediking van de apostelen, ook van Paulus. Waar hij nu mee geconfronteerd werd, was dat de synagogen, ofwel het jodendom van zijn dagen, niet alleen binnen de landgrenzen, maar ook daarbuiten in overgrote meerderheid - zeker waar het de leiders betreft - afwijzend stond tegenover dit evangelie.
Vijanden waren het, net zoals Paulus dit ooit zelf geweest was.
Maar dat roept de vraag op: is het Woord van God dan vervallen? Hoe zit het dan met al die beloften die voor dit volk zijn weggelegd? Is het mogelijk dat het Woord van God vervallen zou zijn? Die vraag roept Paulus in vers zes op. Zouden de woorden van de profeten nu niet in vervulling gaan?
En dan gaat hij een heel gedetailleerd antwoord geven op die vraag. Hij opent het Oude Testament (de Tenach) en hij laat zien, dat waar hij en de lezers in zijn dagen mee geconfronteerd werden, namelijk een ongelovig Jodendom d.w.z. een jodendom dat afwijzend stond tegenover het evangelie, dat dat geen nieuw fenomeen was maar dat dat in wezen ook al in het Oude Testament is te vinden.

Vervolgens gaat hij spreken over wat ik noem de Godheid van God. Het gaat erom dat God GOD is. En dan meldt hij zulke ontzagwekkende dingen over God. Om van te duizelen. Let wel: geen verschrikkelijke dingen, dat is er door de theologie van gemaakt. Want ik weet heel goed dat bijvoorbeeld op de bodem waarop ik nu sta te spreken, hier in Katwijk, van dit hoofdstuk een schrikbeeld is gemaakt. Een predikant zei laatst dat dit hoofdstuk "de duistere kant van God" toont...

Paulus zegt in vers 6 en 7: "want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abrahams zijn, maar: Door in Izaäk zal men van nageslacht van u spreken". Dat is een citaat uit Genesis 21. Kijk, Ismaël was wel degelijk zaad van Abraham maar door Izaäk zou men van Abrahams nageslacht spreken en niet door middel van Ismaël. Dus wat Paulus hiermee zegt is dat niet alles wat van Israël afstamt ook werkelijk Israël is. Dat gaat hij in vers acht toelichten: d.w.z.: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor het nageslacht. Letterlijk staat er: "worden tot nageslacht gerekend."
Dan gaat hij verder in vers 9, en geeft hij weer een citaat uit het Oude Testament, namelijk uit Genesis 18: "want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal er een zoon hebben".
En dan vervolgt hij in vers 10: "maar dit niet alleen: daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Izaäk." En nu moet u opletten wat er volgt in vers 11: "want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, - werd tot haar gezegd: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn." Dus Jacob en Esau waren nog niet eens geboren; ze hadden nog helemaal niet iets goeds of kwaads gedaan, maar God had al gezegd mijn keuze is gevallen op Jacob. Voordat ik verkeerd begrepen word, moet ik erbij zeggen, niet ten koste van Esau maar ten bate van Esau. Dat wil ik graag nader toelichten. Wij zijn als Nederlanders nogal calvinistisch beïnvloed in ons denken. Dat krijgen we gewoon mee. Het idee is dan: degenen die God van eeuwigheid af uitverkoren heeft, die zitten goed en degenen die Hij niet uitverkoren heeft, die heeft Hij dus verworpen. Zij zijn (sorry voor de term) 'brandhout voor de hel'. Daar komt het op neer als je deze theologie ontdoet van haar verbloemende terminologie. God kiest enkelen uit, een lucky als je erbij bent en het is verschrikkelijk als je er niet bijzit. Men noemt dat in het Latijn het 'decretum horrible'. 'Het verschrikkelijke besluit' dat door Calvijn mede ontleend was aan Romeinen 9. God kiest enkelen uit en dat is ten koste van degenen die Hij niet uitkiest en die heeft Hij van eeuwigheid verworpen en wel verworpen voor eeuwig. En daarmee bedoelt men dus: eindeloos. Ziet u wat een lading van misverstanden hier opgestapeld liggen. Al was het maar omdat men spreekt in termen van eeuwigheid terwijl de bijbel spreekt in termen van aionen.

Maar eerst over die verkiezing: God kiest altijd uit ten bate van degenen die Hij niet uitverkoren heeft. Laat ik het concreet zeggen: God koos Abram uit, niet omdat God dacht dat Abraham zo goed was of zo en dus maar zei: Abram wil Ik zegenen en de rest die heeft het nakijken. Daar wil Ik niets mee te maken hebben. Met alle geslachten van de aardbodem heb Ik niets te maken; het gaat om Abraham. Dacht u dat? Het is precies omgekeerd! Als je in die termen denkt, dan begrijp je helemaal niets van uitverkiezing. God koos Abram uit - dat kunt u letterlijk nalezen in Genesis 12 - opdat hij en zijn zaad, zijn nageslacht een zegen zouden zijn voor alle geslachten van de aardbodem (Genesis 12 vers 3). Dat wil zeggen dat God Abram uitkoos, niet omdat de rest van de wereld Hem niet interesseerde, maar juist omdat ze Hem wel interesseerde en dat Hij door middel van Abraham en zijn nageslacht alle volkeren van de aarde zou gaan zegenen. Dat is de essentie van uitverkiezing. God kiest iemand uit, een kanaal van zegen juist om anderen te bereiken. En als je eenmaal op deze manier uitverkiezing mag gaan verstaan dan wordt het een machtige zaak. Dan is het ook niet meer 'horrible'. Integendeel, dan wordt het machtig! Dan blijkt dat uitverkiezing te juist te maken heeft met zijn liefde en met zijn wens om te zegenen.

Hetzelfde verhaal is hier natuurlijk te vertellen over Israël. In Exodus 19 lees je dat God Israël heeft uitverkoren te midden van alle volkeren op deze aarde, opdat zij voor Hem zouden zijn een koninklijk priesterschap (vers 6). Wat betekent dat? Wat doet een priester? Juist: dienen en zegenen. Opdat het een koninklijk priesterschap zou zijn ten bate van alle volkeren der aarde.

Nog een voorbeeld: waarom heeft God Christus uitverkoren? Omdat de wereld Hem niet interesseerde? De vraag stellen is haar beantwoorden. Hij koos Hem uit opdat Hij in Hem juist de gehele mensheid wil zegenen. Zo is het ook met de gemeente; de gemeente is uitverkoren omdat God de overheden en de machten in de hemelse gewesten (Efeziërs 3:10), wat dat ook verder zijn moge, wil gaan zegenen. Dat wil zeggen Hij kiest zegenkanalen uit, om juist zijn zegen te gaan verspreiden.

Dus nogmaals om het heel kort en puntig te zeggen: uitverkiezing is nooit ten koste maar altijd ten bate van degenen die niet uitverkoren zijn. En als je het heel correct wilt zeggen moet je er nóg iets bij vertellen. Als je het hebt over uitverkiezing dan moet je je ook nog de vraag stellen: uitverkoren tot wat?
In de theologie heeft men het vaak over: de uitverkiezing. Zo kent de bijbel dat niet. De bijbel spreekt over uitverkiezing, maar dan hoort er wat achter. Je bent namelijk uitverkoren tot iets, tot een bepaalde taak, tot een bepaalde bestemming. En die bestemming kan heel verschillend zijn. Een overeenkomst in al die uitverkiezingen is dat God inderdaad wil zegenen. Dat is waar. Maar hoe en waar en op wat voor tijdstip, dat hangt er maar helemaal vanaf. Dat is ook heel erg betrekkelijk, d.w.z. het heeft betrekking op verschillende tijden en plaatsen.

Enfin, we hadden het dus over vers 11 toen de kinderen nog helemaal niet geboren waren, dus Jacob en Esau die tweeling, waren nog niet eens ter wereld gekomen en hadden nog helemaal geen kattenkwaad uitgehaald, maar God had zijn keuze al gemaakt: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn.
Dan komt er het voor zovelen moeilijke vers - vers 13: "gelijk geschreven staat: Jacob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat" Het punt is dat 'haten', en later wordt het in dit hoofdstuk ook zo genoemd, haten betekent: niet geliefd, gepasseerd, achtergesteld. In vers 25 lezen we dat Israël voor een bepaalde tijd door God "niet-mijn-volk en niet geliefd" wordt genoemd. Dat is dus niet een haten met de gevoelswaarde die wij er aan toekennen. Je leest in de wetgeving, in Deuteronomium 21:15 over een man die twee vrouwen heeft en dan staat er dat de ene de geliefde is en de ander de gehate. Dat betekent dan gewoon achtergesteld of niet-geliefd, zoals de NBG de tekst trouwens ook vertaald. In het Hebreeuws is het woord voor 'haten' (sjana) ook verwant aan het woord voor 'twee' (sjeni). Haten is: op de tweede plaats stellen. Of wat dacht u van wat de Here Jezus zegt tegen zijn discipelen? Namelijk dat wie zijn vader of moeder niet haat, die kan mijn discipel niet zijn (Lucas 14 vers 26). Daarmee wil de Here Jezus niet zeggen dat het niet langer waar was wat God ooit tegen zijn volk had gezegd: "eert uw vader en uw moeder" (Exodus 20 vers 12). Maar: stel je vader en moeder achter ten opzichte van Mij. We moeten dus goed in het achterhoofd houden dat haten betekent: achtergesteld, niet bemind, niet geliefd of gepasseerd.

Enfin, het gaat er dus om het feit dat God keuzes maakt, want zo is het: God kiest. Mijn ervaring is dat evangelische mensen een hekel hebben aan Romeinen 9. Over Romeinen 9 - dat is heel frappant - wordt zelden of nooit gepreekt. Logisch, want dat past niet in hun denkraam. Omdat zij altijd spreken over menselijke keuzes. Het gaat om mijn keuze: ik moet kiezen voor Jezus. En dat God tevoren reeds koos, dat is niet populair. Meer dan eens heb ik dat zelfs horen ontkennen. Dat is ontstellend want 'uitverkiezing' is een heel bijbels gegeven. Maar ja, als je natuurlijk helemaal uitgaat van onze keuze en dat wij met onze keuze onze bestemming uiteindelijk bepalen - dat is onze zogenoemde vrije wil - dan kom je met Romeinen 9 echt niet uit de voeten. Romeinen 9 is dus nogal een problematisch hoofdstuk. Want er staat dat voordat de kinderen nog een keuze hadden gemaakt, nog voordat ze iets hadden gedaan, had God zijn keuze al gemaakt.
Vers 14: "wat zullen wij dan zeggen: zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet!" Paulus roept een vraag op die zijn lezers wellicht zouden kunnen stellen. Als je aandachtig met de apostel meeleest, dan komen dat soort vragen inderdaad in je op. En dan zegt Paulus (letterlijk): "moge het niet zo worden". "Volstrekt niet! Want Hij zegt tot Mozes: over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn." En dan gaat Paulus iets concluderen.
Vers 16: "het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt (letterlijk: rent), maar van God, die Zich ontfermt". Dit gegeven is zo oer-bijbels. Het hangt er totaal niet vanaf of een mens wil of iemand rent - maar hoeveel mensen zijn er niet die dat niettemin denken. Ik verzeker u: zulke mensen hebben geen rust. Het hangt er echter helemaal niet vanaf of een mens wil of rent, maar van God die Zich ontfermt. Letterlijk staat er: "van de ontfermende God". Mooi hé, God is de ontfermende God. Dat is zijn wezen.

Ik zei al dat Romeinen 9 een hele voorgeschiedenis heeft omdat er acht hoofdstukken aan voorafgaan, maar het loopt ook uit op een slotconclusie. Romeinen 9 is het begin van de bespreking van een specifieke vraag over Israël. Hoe het kan dat Israël momenteel verhard is, en kennelijk momenteel een niet-geliefd volk is en dat God nu een omweg maakt naar de heidenen. En als dat dan zo is, hoe dat zit het met Gods beloften? Paulus gaat het allemaal in deze hoofdstukken uiteenzetten, maar dan eindigt hij ten slotte in Romeinen 11. Paulus sluit het hele betoog dat drie hoofdstukken lang voortduurt af met één magistrale conclusie in Romeinen 11 vers 32: "want God heeft allen onder ongehoorzaamheid (letterlijk: weerbarstigheid) besloten…" Waarom? Omdat Hij een 'decretum horrible' heeft voor de mensheid? Omdat Hij ze gepredestineerd heeft voor de hel? Nee, God heeft de hele mensheid "besloten onder de ongehoorzaamheid, om Zich over ALLEN te ontfermen." DAAROM!
Dit is weer zo'n statement waarin God toont dat Hij GOD is. God is inderdaad Degene die onder weerbarstigheid besluit. Maar waarom? Omdat Hij zijn hart kwijt wil! God is de ontfermende God. Over wie? Wel, uiteindelijk over allen! Dat is waar het hele betoog uit Romeinen 9 op uitloopt. Paulus had dit trouwens ook al veel eerder in de brief behandeld. Denk maar aan Romeinen 5:18. Daarom is het ongelooflijk belangrijk om Romeinen 9 niet te isoleren van het voorgaande en evenmin van het navolgende.

Terug naar Romeinen 9 vers 16: "het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand rent, maar van de ontfermende God". Daar hangt het vanaf. Omdat het zo belangrijk is, wil ik daar even bij stilstaan. Dit is een moment waarop Paulus een conclusie getrokken heeft en waarbij we eigenlijk zouden moeten zeggen: nu houden we eens minimaal vijf minuten onze mond. (...)
Het hangt allemaal af van de ontfermende God. Van het het feit dat God inderdaad GOD is. God betekent vanuit het Grieks: Plaatser. Degene die alles op zijn plaats zet. Dat is God. Hij geeft alles zijn plaats en van Hem hangt het allemaal af.

Dan gaat Paulus daarover verder. Hij gaat een ander voorbeeld geven. Eerst had hij het over Jacob en Esau gehad, waarbij God zijn keuze al gemaakt had voordat die twee geboren waren. Dus dat hing helemaal niet van hun keuze af, of van hun wandel. God had zijn keuze al gemaakt: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn.
Nu gaat hij verder in vers 17: "want het Schriftwoord zegt tot farao: daartoe heb ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbereid zou worden over de gehele aarde". Een nieuw voorbeeld introduceert Paulus hier. Het voorbeeld van farao, van wie we lezen dat God na zes plagen zijn hard verhard. Ik zeg er voor de goede orde nog even bij, dat u het moet zien tegen de achtergrond van de vraag die Paulus beantwoordt en behandelt. Israël is momenteel verhard. Dat was in de dagen van de apostel Paulus het geval en dat is nog steeds zo. Nog steeds zijn zij vijanden naar het evangelie. Daar komt binnenkort weliswaar verandering en dan zullen zij geen vijanden meer zijn naar het evangelie, maar nu nog steeds is dat wel het geval. Paulus laat in deze hoofdstukken ook zien, dat zij dat zelf niet doen, nee, hij laat zien dat God hen verhard. In Romeinen 11 vers 8 staat: "God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden". Dat kan ik zo letterlijk voorlezen zonder dat ik enig misverstand opwek, want dat is inderdaad nog het geval tot op de dag van heden. God gaf hen ogen om niet te zien en oren om niet te horen. God verhardt. En daarom geeft Paulus in Romeinen 9 het voorbeeld van farao. Tegen die achtergrond moet je dit alles zien. Tegen de achtergrond van de vraag die hij hier bespreekt. Je kunt het van Gods kant en van de menselijke kant bekijken. En in Romeinen 9 wordt het van Gods kant belicht. Daar gaat het helemaal niet over de menselijke verantwoordelijkheid. Voorzover dat begrip überhaupt al recht van bestaan heeft. Hier in Romeinen 9 gaat het erom dat het er inderdaad niet vanaf hangt of een mens wil of rent, maar van de ontfermende God. Dat is Romeinen 9.

We hebben het over het voorbeeld van farao. God had van tevoren al gezegd dat Hij door middel van de farao "zijn kracht zou tonen en zijn naam verbreidt zou worden over de gehele aarde". God zendt Mozes naar de farao. En van tevoren had God al tegen Mozes gezegd dat farao niet naar hem zou luisteren. Stel u voor! Mozes zegt tegen de farao: "laat mijn volk gaan". En na zes plagen die over Egypte kwamen, dreigt hij dan te bezwijken onder alle druk. In de NBG - vertaling staat dan helaas: "en God verhardde zijn hart", maar in het Hebreeuws staat er: "God versterkte zijn hart". Dat wil zeggen: farao zou eigenlijk na zes plagen zijn bezweken en hebben toegegeven om het volk te laten wegtrekken uit Egypte. En dan "versterkt" God het hart van farao! Terwijl God hem juist had laten weten (bij monde van Mozes) zijn volk te laten gaan! Maar nee, God geeft farao de kracht om nee te blijven zeggen. Hij krijgt van God de kracht om zich tegen Gods wil te verzetten... Is dat niet onvoorstelbaar?! Gods wil was: "laat mijn volk gaan". Dat was de opdracht, maar farao deed dat niet. Ging het nu helemaal mis? Ging dit tegen Gods bedoelingen in? Nee hoor, staat er laconiek in Romeinen 9 vers 17: "want het Schriftwoord zegt tot farao: daartoe heb ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreidt zou worden over de gehele aarde". M.a.w. als God zijn kracht wilde tonen dan had Hij meer aan een weerspannige, recalcitrante farao dan aan een gewillige farao.
Weet u, wat in Romeinen 9 alleen over farao gezegd wordt, wordt in Psalm 105 zelfs gezegd van alle Egyptenaren. O, als je accuraat en gelovig de Schrift bestudeert, dan ontdek je dat de bijbel boordevol staat van onorthodoxe uitspraken! Psalm 105 vers 23-26: "Toen Israël naar Egypte gekomen was, en Jacob als vreemdeling vertoefde in het land van Cham, maakte Hij zijn volk zeer vruchtbaar en machtiger dan zijn tegenstanders. Hij veranderde hun harten, zodat zij zijn volk haatten en listig handelden tegen zijn knechten. Hij zond Mozes, zijn knecht, en Aäron, die Hij Zich verkoren had". En dan wordt in Psalm 105 een loflied geheven over een God die zijn macht gaat betonen. Maar waar ik hier op attendeer is het eerste gedeelte van vers 25: "Hij veranderde hun harten, zodat zij zijn volk haatten". En als ik het gewoon neem zoals het er staat, dan suggereert dat zonder meer dat Egypte van zichzelf bereid was om het volk inderdaad te accepteren en te laten gaan maar God heeft hun harten zodanig veranderd, zodat ze zijn volk gingen haaten. In Psalm 105 staat dus dat God de harten veranderde; het is dus niet zo dat Paulus dat gegeven uitvindt in Romeinen 9. Nee, hij baseert dat niet alleen op woorden uit Genesis en Exodus, maar ook in het boek van de Psalmen staat het. God was inderdaad van plan om middels farao zijn kracht te gaan tonen en zijn naam te verbreiden over de ganse aarde. En daar was een ongehoorzame farao zeer dienstbaar voor...

Daarom zegt de Romeinen 9 vers 18: "Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil". En natuurlijk komt er dan een vraag op. Een vraag die niet tegen te houden is. Een vraag die Paulus daarom zelf opwerpt.
Vers 19: "gij zult nu tot mij zeggen: wat heeft Hij dan nog aan te merken?" Wat heeft God op farao aan te merken als deze niets anders doet dan Gods plan uitvoeren? Die vraag is niet te stuiten, die dringt zich gewoon aan je op wanneer je aandachtig luistert en het betoog van de apostel Paulus volgt. Wat heeft God dan nog aan te merken? Want wie weerstaat zijn wil?
Het gaat niet om farao, of farao wilde of dat farao rende. De farao diende hoe dan ook Gods doel terwijl hij inderdaad zich zo verschrikkelijk verzette tegen Gods wil. Dat is wat Paulus hier zegt.
Het vervolg van vers 19 zegt: "want wie wederstaat zijn wil?" Dit staat in de grondtekst als voltooid. Dus: want wie heeft zijn wil weerstaan? Het gaat hier namelijk specifiek over Esau en over farao. Heeft Esau Gods wil weerstaan? Of farao? Kijk, nu wordt het moeilijk. Want je zou kunnen zeggen: ja. Esau weerstond Gods wil zowel in het boek Genesis als in de latere geschiedenis. En bij farao is het helemaal onmiskenbaar. God zei bij monde van Mozes: "laat mijn volk gaan", en farao zei bij herhaling: nee. Iedere keer weer opnieuw. Dus weerstond farao Gods wil? Ja.
Maar de vraag is hier retorisch en het antwoord op deze vraag zou moeten zijn: nee, niemand heeft Gods wil weerstaan. Hoe zit dat nu? Nu moet ik iets héél belangrijks zeggen, namelijk dat het woordje "wil" hier niet behoort te staan. Het woord in het Grieks voor "wil" is namelijk een heel ander woord. Het gaat erom dat er hier een woord staat dat normaal gesproken vertaald wordt met: raad of bedoeling. Dat is het woord wat hier gebruikt wordt.
In Efeze 1 vers 11 woorden beide woorden gebruikt: "God werkt in alles (ta panta) werkt naar de raad van zijn wil." Dat zijn twee verschillende woorden. Dat is absoluut niet hetzelfde.
En de vraag hier is dus - en nu zeg ik het zuiver zoals Paulus het naar voren gebracht heeft - "wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft zijn bedoeling weerstaan?" En nu is het antwoord inderdaad: niemand!
Ja, Gods wil wel, want farao weerstond Gods wil, maar Gods bedoeling niet. Want Gods bedoeling was dat Hij zijn kracht zou tonen en zijn naam zou verbreiden over de hele aarde, juist via farao. En farao zei nee tegen Gods wil. Hij weerstond Gods wil, maar diende juist zo Gods bedoeling!
In de theologie kent men een soortgelijk onderscheid. Alleen hanteert men daarvoor de verkeerde termen. Men spreekt over Gods weerstandelijke wil en Gods onweerstandelijke wil. D.w.z. een deel van Gods wil kun je weerstaan en een ander deel van Gods wil kun je niet weerstaan. En dat laatste zal ongetwijfeld onder andere ontleent zijn aan de Romeinen 9. Maar als we gewoon de bijbelse woordenschat gebruiken, dan zeggen we: Gods wil is inderdaad te weerstaan. Een mens doet niet anders. Maar als je de vraag stelt: wie heeft zijn bedoeling weerstaan, dan is het antwoord: helemaal niets en niemand. Zelfs een goddeloze als farao, die zich zo uitdrukkelijk verzet tegen Gods wil, dient slechts Gods bedoeling. Die farao was een weerzinwekkend figuur, maar - en dat is zo machtig - toch diende hij Gods doel.

In Spreuken 16 vers 4 staat ook zoiets wonderlijks: "De HERE heeft ALLES gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads". Leest u het goed? Zelfs de goddeloze is gemaakt voor zijn doel, namelijk voor de dag des kwaads. Let erop in welke volgorde het staat. Niet de dag des kwaads is gemaakt voor de goddeloze, nee de goddeloze is gemaakt voor de dag des kwaads. Zo staat het er. Dat verzin ik niet.

God is GOD. Alles verloopt naar de bedoeling van zijn wil. Je moet het wel goed zeggen. Niet alles wat gebeurt is de bedoeling. Ik zou dat niet zo durven zeggen. Zo staat het ook niet in Efeze 1. Daar staat dat Hij in alles werkt "naar de bedoeling van zijn wil". In het Grieks staat er 'kata', d.w.z. 'in overeenstemming met': naar de bedoeling van zijn wil. Alles heeft een bedoeling en dat is wat anders dan dat alles de bedoeling is. Laat ik u een voorbeeld geven: de dood is niet Gods bedoeling. Maar dat de dood er is, is wel naar zijn bedoeling. D.w.z. in overeenstemming met zijn bedoeling, namelijk om het leven te laten triomferen. Om te triomferen heb je een tegenstander, een donkere achtergrond nodig. En dat is in wezen het hele bijbelse relaas. Het leven kan slechts triomferen tegen de achtergrond van de dood. Dus de dood is niet Gods bedoeling, maar is wel naar zijn bedoeling. Niet alles wat er gebeurt is de bedoeling, ziekte is niet Gods bedoeling, de dood is niet Gods bedoeling, de zonde is niet zijn bedoeling niet, maar het feit dat het er is, is in overeenstemming met zijn bedoeling. Hij geeft het een plaats. Als je dat eenmaal gaat zien en gaat geloven en gaat verstaan, dan krijg je zo'n machtig besef van dat God werkelijk GOD is en dat er ook werkelijk niets mis gaat.
Niemand heeft ooit Gods bedoeling weerstaan. Zelfs een farao, die zulke verschrikkelijke dingen deed, zo afschuwelijk inging tegen Gods wil, past in het machtige plan van God. Niemand weerstaat zijn bedoeling. Waarmee maar gezegd wil zijn: zelfs degene die Gods wil weerstaat, dient slechts zijn bedoeling. Dat is zo machtig. Zelfs de grootste tegenstander van God, ook satan, die dient slechts Gods doel. Heb je dan een God of niet? Zoals een bekende van mij pleegt te zeggen: er kan van alles fout gaan maar er gaat niets mis. En zo is het: er gaat werkelijk niets mis, want we hebben een God die alles in zijn hand heeft en die in alles werkt naar de bedoeling van zijn wil. Romeinen 9 is geschreven vanuit Gods gezichtspunt. Voor ons rijmt het pas aan het eind. Wij zijn zo slecht in staat de dingen vanuit het nu te beoordelen. Of iets goed is of kwaad. We overzien namelijk het geheel niet. Je kunt iets pas beoordelen, iets werkelijk taxeren wanneer je alle factoren erin betrekt. God overziet alles. Hij heeft het grote einddoel op het oog. Hij verkondigt van de beginne reeds de afloop, lezen we in Jesaja. En alles wat er gebeurt dient slechts dat doel.

Dat wordt ook zichtbaar in Israël. Paulus laat in Romeinen 9, 10 en 11 zien: Israël is inderdaad verhard, ze zijn vijanden van het evangelie. Maar dan zegt hij er bij: "om uwentwil" (Romeinen 11 vers 28). Op zich lijkt Israëls ongeloof fout. Maar het wordt anders wanneer we het bezien in relatie tot ... En zo is dat met alles. Iets is niet goed op zichzelf, iets is niet kwaad op zichzelf; het is goed ten opzichte van. En iets is kwaad ten opzichte van. Voor Degene die alles in zijn hand heeft, en alles laat werken naar de raad van zijn wil, voor Hem gaat er NIETS mis!

U kent ongetwijfeld de geschiedenis van Jozef, die verkocht werd door zijn broeders. Wat een misdaad! Wat een afschuwelijk leed. Ja, maar dan moet u Jozefs commentaar aan het eind van de geschiedenis eens lezen (Genesis 45:7,8). Hij zegt dan dat het niet zijn broeders waren die hem naar Egypte hadden gebracht maar dat het God Zelf was die dat had gedaan! Om zijn broeders in leven te houden! Dat is nou uitverkiezing of voorbestemming. En dan zie je ook Gods hart er achter. Want dat verharden, dat is niet met het verschrikkelijke idee dat God zomaar eens een keertje in een woedeuitval iemand gaat verharden of iemand het licht in de ogen ontneemt. Zo is dat niet. Als God verhardt, dan is dat slechts opdat Hij Zich zou ontfermen. Of om met de Romeinen 11 vers 32 te spreken: "want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen". Ook, nee juist over verharde mensen. Want je moet altijd een groot verschil maken tussen Gods weg en Gods doel. Het proces en de bestemming. In Gods wegen hier op aarde, bijvoorbeeld bij farao of Israël is er verharding. Maar die verharding van Israël is slechts een tijdelijke aangelegenheid. Als je het op zichzelf bekijkt, is het kwaad, afschuwelijk. Maar als je het ziet in relatie tot wat God ermee uitwerkt en in relatie tot de uiteindelijke afloop, dan val je net als Paulus op je knieën en zeg je mét hem wat in Romeinen 11 vers 33 staat: "o diepte van rijkdom, van wijsheid". Dan wordt inderdaad zichtbaar: God is GOD!
Het is eigenlijk hetzelfde wat je ook ziet in het boek Job waar ook getobd wordt over het probleem van het kwaad. Maar wie zijn wij? Zolang wij niet weten hoe God de zon laat opgaan en hoe Hij de sterrenhemel dirigeert en hoe Hij een hart tachtig of negentig jaar kan laten kloppen of ons brein kan laten functioneren of een bloem kan laten opengaan, zolang wij daar zo goed als niets van afweten, zolang zijn wij ongeschikt om te beoordelen of God wat doet wel goed is. Wat verbeelden we ons wel? Dat zijn ook de vragen die Gods stelt aan Job. Het gaat niet om de vragen die Job en zijn vrienden aan God stellen. Welnee, God zegt: nu zal ik jou ook eens een paar vragen voorleggen. Heb je vragen? Dan heb Ik er ook een paar. En Hij zei: waar was je toen Ik het een zevengesternte maakte. Waar was je toen Ik de fundamenten van de aarde legde? En dan gaat Hij spreken over de dinosaurussen, of wat het dan ook geweest mogen zijn. En hoe God die hele schepping gemaakt heeft. Hij zegt: begrijp je er iets van? En dan lezen we dat Job zijn hand op zijn mond legt en zegt: nee, dat weet ik niet. Dus wie zijn wij om God te beoordelen? Dacht u nu werkelijk dat er bij Hem ook maar iets mis kán gaan? God is GOD. Als je dat eenmaal weet en accepteert dan krijg je ook werkelijk rust en vrede. Want je weet dan dat er een God is die met alles een bedoeling heeft. Ook met de goddelozen. En dan hoef je ook niet meer zo te rennen. Ik vind prachtig om van het Evangelie te vertellen, want het is de blijde boodschap van een God die van deze wereld houdt en van een God die werkelijk GOD is en die alles in zijn hand heeft en die door zijn Zoon de hele wereld gaat zegenen et cetera et cetera. Dat is werkelijk een enorme blijde berichtgeving en machtig om te vertellen, maar ik hoef niet meer zo hard te rennen om dat te gaan vertellen omdat anders mensen voor eeuwig verloren zouden gaan. Dus vanuit dat concept. Waarom zou ik? Ik weet van een God die Zich ontfermt. Ik vertel het tegen iedereen die het maar horen wil, maar ik hoef daar niet geforceerd over te doen, want het hangt niet van mij af. God gaat toch wel zijn weg. Het hangt helemaal niet van ons af, of wij nu willen of rennen, maar van de ontfermende God. Dát is de Bijbelse waarheid.

O ja, de vraag was of de mens een vrije wil heeft of dat hij een robot is? Het antwoord is nu niet zo moeilijk meer. Ik las op internet laatst een artikel over deze vraag. En het antwoord wat ik daar las luidde: een robot? Wat verbeeld je je wel! Je bent veel minder! Een robot kan zijn ontwerper tot verbazing brengen, of een heleboel dingen doen die de ontwerper helemaal niet gepland had. Hij kan hem ernstig frustreren, doordat hij totaal onverwachte dingen gaat doen. Wel, dat kunnen wij schepselen allemaal niet. Weet u wat wij zijn? Leem, gewoon klei. Zeg maar gewoon modder. De mens is uit de aardbodem genomen en als je alle kostbare grondstoffen waaruit we zijn samengesteld- en tegenwoordig zitten er heel wat kostbare grondstoffen in de mens, zoals kwik - als je dat bij elkaar optelt, dan blijkt de mens niet meer dan een paar gulden waard. Tel uit je winst.
In vers 19 en 20 zegt Paulus dat de mens "leem" is: "gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? Maar gij, o mens! Wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker en niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?"
Ja, God is een pottenbakker. De mens is inderdaad gewoon klei. Zeker, wij kunnen blij zijn, liefhebben, verdriet hebben, keuzes maken et cetera. Maar als ik zeg dat wij keuzes kunnen maken, dan is dat slechts in beperkte zin waar. Het idee van een zogenaamde 'vrije wil van de mens' is dat God de mens een wil gegeven zou hebben, die onafhankelijk zou zijn van zijn Maker. En dat is onzin. De mens heeft een wil en kan kiezen, dat is waar, maar hij kan onmogelijk keuzes maken onafhankelijk van zijn Maker. Dat bestaat niet. Bovendien: stel je voor dat je alle factoren in de hand zou hebben. Als het gaat om erfelijkheid, gezondheid, achtergrond, religie, onderwijs, familie, enz. Alle factoren die er maar in de wereld zijn. Dan zou je iemand toch kunnen krijgen waar je 'm hebben wilt. Of niet soms? Wel, zo Iemand ken ik toevallig.. En wij zijn, zoals het liedje van Elly en Rikkert zegt: "zoals klei in de hand van de pottenbakker. Zo ben ik in Uw hand, o Heer". En zo is dat!