ga naar thuis-pagina

laatste wijziging: 29 maart 2006

samenvatting van een studie, gehouden op 8 maart 2006 te Rijnsburg

de wegrukking van de zoon

context van Openbaring 12
de RK-uitleg
de protestantse uitleg
wie stelt de vrouw voor?
de vrouw en Jozefs droom
de verklaring van de draak en het beest
de zoon is... Christus
het dilemma
profielschets van de mannelijke zoon
vlucht naar de woestijn
Bozra of Petra
wie zijn "zij"?
het sein van Michaël
wisseling van de wacht
de Gemeente als rivaal
stelt de zoon de 144.000 voor?

Openbaring 12 staat tussen twee hoofdstukken in waarin de beroemde periode van drie en half jaar een hoofdrol speelt. Het gaat om de roemruchte "grote verdrukking" die over het land van Israël zal komen. In hoofdstuk 11 is sprake van twee getuigen die gedurende 1260 dagen op het tempelplein profeteren. In Hoofdstuk 13 lezen we van het Beest dat 42 maanden lang godslasteringen uitspreekt. terug naar boven

De vrouw in Openbaring 12 wordt traditioneel in de RK-kerk uitgelegd als zijnde Maria. De associatie is snel gemaakt: immers zij is de vrouw die de zoon voortbrengt (die de Messias zou zijn). Maar daar blijft de uitleg ook steken. Want al het andere wat van deze vrouw gezegd wordt is met geen mogelijkheid van toepassing op Maria. terug naar boven

De traditioneel protestantse uitleg zegt dat de vrouw 'de kerk' voorstelt. Tot dat idee komt men, omdat men meent dat 'de kerk' bestaat vanaf Adam tot aan de jongste dag. De 'kerk' bracht de Zoon voort, die alle heidenen zou hoeden... Behalve dat ook deze uitleg niet in staat is recht te doen aan de vele details (1260 dagen, vlucht naar de woestijn, etc.), klopt het sowieso al niet dat 'de kerk' de Zoon zou hebben voortgebracht. Het is namelijk precies omgekeerd! De Zoon was er eerder dan de Gemeente' - Hij is het Hoofd en Eersteling van de Gemeente. De Gemeente ving aan toen dat Christus als Eersteling verrees uit de doden. terug naar boven
Kol.1:18

De vrouw is haast standaard bij de profeten de aanduiding van Israël. Een boek als dat van Hosea is helemaal op dat gegeven gebaseerd. De HERE is de Man en Israël Zijn vrouw. Hij heeft met haar een huwelijksverbond gesloten bij de Sinai. In vele toonaarden wordt dit gegeven bij de profeten uitgewerkt. Aangezien het boek de Openbaring de sluitsteen is van de profetische boeken, kunnen we er op voorhand vanuit gaan dat waar een vrouw als symbool wordt opgevoerd ("... er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw..."), dit wel moet verwijzen naar het volk Israël.
Hosea 3:1-5; Jes.54:4,5, etc terug naar boven

Een tweede sterke aanwijzing voor de identiteit van de vrouw vinden we in het gegeven dat ze wordt geassocieerd de zon, de maan en twaalf sterren. Dat herinnert aan de droom die Jozef ooit had. Vader Jakob had geen moeite met de uitleg. Hij begreep direct dat dit betrekking had op het huis van Jakob.
Genesis 37:9,10 terug naar boven

De draak met zijn zeven koppen en tien horens is niet anders dan een voorstelling van "de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan...". D.w.z. in zijn eindtijdelijke gestalte. De zeven koppen blijken namelijk o.a. betrekking te hebben zeven bergen (>dochter Sions te Babel) terwijl de tien horens de tien koningen zijn, die ook in Daniël 7 worden genoemd. De draak staat in direct verband met "het Beest", d.w.z. het wereldrijk van de eindtijd.
Openb.17:8-12 terug naar boven

De vermelding van de mannelijke zoon" verwijst direct naar Psalm 2. Immers, Openb.12 zegt: "die de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede" hetgeen ontleend is aan Psalm 2:8,9. Het gaat daar over "de Gezalfde" (Hebreeuws: Messias; Grieks: Christus) die door God is verwekt.
Openb.12:5, Openb.19:15 terug naar boven

Met de vaststelling dat de mannelijke zoon in Openbaring 12 niemand minder is dan Christus Zelf, stuiten we echter direct op een grote vraag: hoe is dit op Christus toepasbaar? Want de mannelijke zoon wordt, zodra het voortgebracht is, plotseling weggerukt tot God en Zijn troon. Bovendien gaat deze gebeurtenis kennelijk direct vooraf aan de vlucht van de vrouw (=Israël) naar de woestijn. Christus' hemelvaart voldoet in de verste verten niet aan deze beschrijving. terug naar boven

profielschets van "de mannelijke zoon"

Bovengenoemd dilemma verdwijnt, zodra we ons realisteren dat aangezien de vrouw de voorstelling is van een volk (Israël) het voor de hand liggend is, dat ook de mannelijke zoon een volk voorstelt. Maar welk volk?

Het volk dat de mannelijke zoon voorstelt, moet voldoen aan de volgende kenmerken:

(1) een volk dat één lichaam is met Christus;
(2) een volk dat weggerukt zal worden;
(3) een volk dat weggerukt wordt om beveiligd te worden voor de toorn van de draak;
(4) een volk dat bestemd is voor “de troon”;
(5) een volk dat mannelijk is;
(6) een volk dat voortkomt uit Israël.

"De Gemeente, die Zijn lichaam is" voldoet perfekt aan dit profiel. Gaat u maar na:

(1) 1Kor.12:12,13; Paulus noemt in deze verzen het complete lichaam 'Christus';
(2) 1Thes.4:17; zodra het lichaam van Christus compleet is (in beeld: geboren), zal het naar haar bestemming worden gebracht ("weggerukt tot God en Zijn troon");
(3) 1Thes.1:10;
aantekening a. "... Jezus, die ons verlost van (lett. uit) de komende toorn". Het woord voor 'verlost' (Gr. rhoumai) wordt elders vertaald met 'beveiligen' (2Tim.4:18) en 'behoeden' (Rom.15:31). Het duidt op een in veiligheid brengen. De wegrukking is een evacuatie.
aantekening b. Er staat niet in 1Thes. 1:10: de toekomende toorn van God. Dat kan ook niet, want de "dag van de toorn van God" zal pas aanbreken na het zesde zegel (Openb.6:12-17), oftewel, "na de verdrukking van die dagen" (Mat.24:29). De wegrukking vindt echter plaats vóór de verdrukking. De mannelijke zoon wordt in veiligheid gebracht voor de toorn van de draak ("... de draak werd toornig..."; Openb.12:17);
(4) 2Tim.2:12, 1Kor.6:2;
(5) Efeze 4:13;
(6) Gal.4:26 "het hemelse Jeruzalem (...) is onze moeder...".
aantekening: het woord 'hemels' hier is lett. 'opwaarts' (Gr. anoo). Hetzelfde als b.v. in Joh.11:41 "... Jezus sloeg de opgen opwaarts...". M.a.w. het opwaartse Jeruzalem is onze moeder, d.w.z. we komen voort uit het Jeruzalem dat opwaarts gericht is. In Gal.6:16 heet dit "het Israël Gods". terug naar boven

Na de wegrukking van de zoon (=Christus, inclusief Zijn lichaam, de Gemeente), vlucht de vrouw naar de woestijn, alwaar voor haar een schuilplaats is bereid. In Jezus' tweede bergrede (Mat.24) leert Hij dat als de op de heilige plaats in Jeruzalem "de gruwel der verwoesting" zal worden opgericht, dat dan het uiterste ogenblik is aangebroken om nog te vluchten naar de bergen. Vanuit Daniël 9 weten we dat, halverwege de laatste jaarweek, "de grote verdrukking" zal aanvangen, dat is "... de dag van benauwdheid voor Jakob..". Deze periode van verdrukking voor Israël zal 1260 dagen duren (of 42 maanden of "drie jaar en zes maanden").
Mat.24:15-21; Dan.9:27 terug naar boven

De plaats in de woestijn wordt ook elders in de Schrift vaak genoemd. Het is de plaats Bozra (=Petra of Sela) in het gebied van Edom. Het ligt in het tegenwoordige Jordanië, halverwege de Dode Zee en de golf van Eilat. Het is een thans onbewoonde stad, helemaal uitgehouwen uit de rotsen, en slechts toegankelijk via een ruim anderhalve kilometer lange en diepe rotsspleet (inderdaad, "smal is de weg die naar het leven leidt..."). Hier bevindt zich de duizenden jaren oude stad. Gereed om straks te fungeren als onderduikadres voor het gelovig overblijfsel van het Joodse volk.
Micha 2:12 (SV); Jes.63:1; etc. terug naar boven

In de NBG-vertaling is het wegvertaald, maar letterlijk staat er in Openb.12:6: "... de vrouw vluchtte tot in de woestijn, alwaar zij een plaats had, van God bereid, opdat ZIJ haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen". Wie zijn die "zij" in vredesnaam? Het kan niet missen of het is de mannelijke zoon die immers een voorstelling bleek van een volk!
De Gemeente is als Christus' (bestuurs-)lichaam bestemd voor de troon en achter de coulissen zal ze actief betrokken zijn bij het voeden (letterlijk en/of figuurlijk opgevat) van het gelovige overblijfsel in de woestijn. terug naar boven

Na de beschrijving van de scène van de vrouw en de wegrukking van de zoon, lezen we over de uitwerping van satan (en diens gevolg) uit de hemel o.l.v. de aartsengel Michaël. Het idee is dat zodra de mannelijke zoon weggerukt wordt tot God en Zijn troon (in de hemel), Michaël zal beginnen met het uitdrijven van satan (1). De wegrukking van de zoon loopt synchroon met Michaël's krachtmeting. Geheel conform met wat Paulus beschrijft in 1Thes.4: de wegrukking vindt plaat ter gelegenheid van een commando van de aartsengel (3).
(1) Openb. 12:7-12. (2) 1Thes.4:16; (3) De Schrift kent slechts één aartsengel: Michaël (Judas:9). In Daniël 12:1 lezen we dat Michaël opstaat "te dien tijde". D.w.z. voorafgaand aan de tijd "van grote benauwdheid. M.a.w. Dan.12:1, 1Thes.4:16 en Openb.12:7-12 verwijzen alle naar de tijd die aanvangt vlak vóór de Grote Verdrukking. terug naar boven

Op dit moment is het satan die "de overste is van de macht der lucht". Wanneer de Gemeente tot haar bestemming komt (de troon), dan vindt er een wisseling van de macht plaats. De Gemeente naar boven en satan en zijn trawanten ("de wereldbeheersers van deze duisternis") naar beneden.
Efeze 2:2; Openb.12:7-12 terug naar boven

De overheden en machten in de hemelse gewesten weten dat de Gemeente bestemd is om hun plaats in te nemen in "de komende aeonen". Zij beschouwen de Gemeente daarom (feitelijk terecht) als hun rivaal. Daarom hebben zij het in hun strijd juist op de Gemeente gemunt.
Efeze 6:11 e.v. terug naar boven

de mannelijke zoon de 144.000?

Er zijn ook (zeer gewaardeerde) uitleggers die menen dat de mannelijke zoon de uitbeelding is van de 144.000 (uit Openbaring 7 en 14). Als redenen voert men o.a. aan:
* de 144.000 komen uit Israël voort ("uit alle stammen...");
* ze zijn mannelijk ("... die zich niet met vrouwen hebben bevlekt...");
* de mannelijke zoon kán niet het lichaam van Christus zijn, omdat Openbaring slechts handelt over Israël en de volken.

Deze uitleg gaat mank, omdat,
a. de 144.000 nergens worden voorgesteld als een eenheid van hoofd en lichaam, zoals in Openb.12 de mannelijke zoon is;
b. Ook lezen we nergens dat de 144.000 zullen worden weggerukt;
c. De mannelijke zoon wordt bovendien wegrukt "tot God en Zijn troon", d.w.z. naar de hemel, terwijl de 144.000 een aardse taak en bestemming hebben;
d. Verder komen de 144.000 pas in beeld na het zesde zegel (slot Openbaring 6), d.w.z. na de verschijning van de Zoon des Mensen. Dat is op z'n vroegst na de 1260 dagen die genoemd worden in Openb.12:6;
e. Dat de Gemeente geen rol zou kunnen spelen in profetische passages, is een aanname die niet Bijbels hard te maken is. Integendeel: aangezien de Gemeente één is met Christus (het Hoofd), kan het niet anders dan dat waar Christus openbaar wordt, de Gemeente daar óók bij betrokken moet zijn (vergl. Kol.3:4) terug naar boven



ga naar thuis-pagina