ga naar thuis-pagina

laatste wijziging: 21 april 2005

wie was apostel der heidenen?

Vraag:

Als Paulus de "apostel der heidenen" is en Petrus "apostel der besnijdenis", hoe kan Petrus dan in Handelingen 15:7 zeggen dat God juist hem had uitverkoren, opdat de heidenen door zijn mond het evangelie zouden horen?

Antwoord:

de deur opengezet

Aan Petrus waren de sleutels van het Koninkrijk toevertrouwd (Matteüs 16:19) en daarom was hij de aangewezen figuur om poorten te openen. Het eigenaardige feit doet zich voor dat Petrus weliswaar de poort naar de heidenen (lees: natiën) opent, maar dat Paulus vervolgens als enige door deze poort in- en uitgaat. Letterlijk zelfs. Want de plaats Caesarea waar Petrus de poort naar de heidenen opent, was een havenplaats (een 'port' dus). Het boek Handelingen meldt diverse keren dat Paulus via deze haven vertrekt dan wel daar aankomt (Handelingen 18:22; 9:30; 27:1). Typerend! Van "de twaalf" meldt de Schrift niet dat "de twaalf" zich verder ooit hebben gewend tot de heidenen. Ook ná het openzetten van de deur naar de heidenen, bleef Petrus een "apostel der besnijdenis".

7. Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie van de voorhuid toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die van de besnijdenis, 8. (immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn van de besnijdenis, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen)...
Galaten 2:,7,8


Petrus' slottoespraak

Na het openzetten van de deur naar de natiën, houdt de beschrijving van Petrus' carrière op. De laatste keer dat in het boek Handelingen Petrus' naam nog genoemd wordt is in hoofdstuk 15. Zo bezien is Handelingen 15:7-11 feitelijk Petrus' slottoespraak. Petrus heeft de weg vrijgemaakt voor het werk van de apostel Paulus en treedt vervolgens terug. Zijn laatste woorden in vers 11 zijn veelzeggend:

Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij.

"Wij" zijn hier de Joden en "zij" hier de heidenen. Heidenen worden niet behouden zoals Joden, nee, het is precies omgekeerd! Joden worden behouden, precies zoals heidenen. "Door de genade van de Here Jezus" namelijk. Het zouden Paulus' woorden kunnen zijn geweest.

"apostel der heidenen"

Overigens betekent Paulus' bijnaam "apostel der heidenen" niet dat Paulus naar de heidenen ging. Want dat deed Petrus bij gelegenheid óók (al was het dan slechts één enkele keer). Nee, de uitdrukking "apostel der heidenen" betekent dat Paulus een heidense apostel was. Een apostel van de natiën. Hij was immers afkomstig uit de diaspora en geroepen buiten "het land". Hij was bovendien een Romeins staatsburger en als zodanig kon hij zich op de keizer (Caesar > Caesarea) beroepen. Dat beroep op de keizer (dus als Romein) bracht hem uiteindelijk als gevangene in Rome.

En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens had vrij kunnen zijn, als hij zich niet op de keizer had beroepen.
Handelingen 26:32

Maar toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet, dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen.
Handelingen 28:19

Paulus rekent zich tot de natiën. Vooral omdat aan hem een heidense boodschap was toevertrouwd: "het Evangelie der voorhuid" (Galaten 2:7). Dát maakt Paulus tot "apostel der heidenen". De uitdrukking betekent niet dat hij zich als Joodse apostel tot de heidenen begeeft, maar integendeel: als heidense apostel richt hij zich (ook) tot Israël!

13. Ik spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening, 14. dat ik zo mogelijk de naijver van mijn vlees [en bloed] mocht opwekken, en enigen uit hen behouden.
Romeinen 11:13,14

Paulus beschouwt het als de climax van zijn bediening als apostel der heidenen, om de jaloezie van zijn volksgenoten op te wekken. Als de uitdrukking "apostel der heidenen" zou betekenen dat hij zich richt tot de heidenen, dan is deze uitspraak onbegrijpelijk. Paulus was echter een heidense apostel en juist dát prikkelde z'n volksgenoten. Men leze de geschiedenis van Paulus' laatste verblijf in Jeruzalem (Handelingen 21) waar hem het verwijt achtervolgde dat hij de Joden in het buitenland zou leren dat ze afstand zouden doen (Gr. apostasia; Handelingen 21:21) van de Joodse gebruiken. Dat was natuurlijk niet waar, maar het was wél waar dat hij uitdrukkelijk vrijheid t.o.v. de wet leerde (1Korinthe 9:20).

Samengevat:

Petrus heeft als drager van de 'sleutels' de poort naar de heidenen geopend. Dit was ter voorbereiding van Paulus' werk. Petrus was een "apostel der besnijdenis" hetgeen betekent dat zijn apostelschap Joods was. Paulus was een "apostel der heidenen", hetgeen niet wil zeggen dat hij naar de heidenen ging, alswel dat hij een heidense apostel was.

Zie ook het artikel waarin wordt ingegaan op de geschiedenis van Cornelius.



ga naar thuis-pagina