ga naar thuis-pagina

laatste wijziging: 20 april 2005

alles is geoorloofd, niet alles is nuttig

Het onderstaande gedeelte uit de brief van Paulus aan de Korinthiërs, is de leiddraad voor deze studie.

23. Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.24 Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is. 25 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar, 26 want de aarde en haar volheid is des Heren. 27 Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar. 28 Doch indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, en om het geweten. 29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten? 30 Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dankzeg? 31 Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods.
1Korinthiers 10:23-31

Deze passage illustreert als geen ander, de ruimte waarin gelovigen zijn geplaatst. Het is van groot belang om dit gedeelte goed op ons te laten inwerken. De doorsnee christen kent op geen stukken na de marges waarbinnen zij mogen wandelen. En dát heeft meestal te maken met het 'smalle' wereldbeeld dat van generatie op generatie is overgeleverd. Namelijk: de Kerk is 'des Heren' (dat betekent het woord ook) en wat daarbuiten valt is 'domein van de slang (= Satan)'. Zoals voor zoveel, is daar wel wat voor te zeggen, maar feit is dat Paulus hier uit een heel ander vaatje tapt.

alles is geoorloofd

23 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.
1Korinthiers 10:23

In het voorgaande hoofdstuk 9 had de apostel uitvoerig duidelijk gemaakt dat hij zich aanpaste aan de Joodse levensstijl maar zo nodig even gemakkelijk aan de Griekse 'way of live'. "De Joden een Jood en de Grieken een Griek". Als het gaat om levensstijl mag Paulus (zoals dat heet) een pragmaticus genoemd worden. Hij wilde zoveel mogelijk mensen voor 'het Goede Bericht' aangaande Christus winnen. En als een wijziging van zijn doen en laten, van gebruiken en zeden dit doel diende, wel dan deed hij dat. Veel van zijn joodse geloofsgenoten hebben voor deze instelling van de apostel geen enkel begrip kunnen opbrengen. In Jeruzalem stond hij (o.a.) om die reden in een uiterst kwade reuk. Paulus heet niet voor niets een "apostel van de heidenvolken", d.w.z. een heidense apostel. Het heeft hem zelfs fikse aanvaringen opgeleverd met Petrus (Gal.2). Aan Paulus was, zo lezen we, "het Evangelie van de voorhuid" (Gal.2:7) toevertrouwd. Zeg maar: de Boodschap die thuishoort bij de heidenvolken. Paulus leefde in de vrijheid van dát Evangelie. En hij predikte dit ook. Zijn motto "alles is geoorloofd" (6:12; 10:23) is daar een treffend voorbeeld van.

niet alles is nuttig

23 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.
1Korinthiers 10

De stelling "alles is geoorloofd" is incompleet wanneer we de toevoeging "maar niet alles is nuttig" weglaten. Er zijn mensen die hun hele leven 'onder de wet' leven, voortdurend beheerst worden door de vraag 'is het geoorloofd?' en zo ja 'in welke mate?', etc, etc. Hele kerkgemeenschappen worden hierdoor getiranniseerd. In Paulus' onderwijs echter is dit in het geheel niet de vraag. Alles is geoorloofd. Voila! Maar daarom nog niet per definitie nuttig. Dat zijn twee totaal verschillende zaken.

Om de vraag 'is het nuttig?' te beantwoorden moeten we ons verstand gebruiken. Nuttig is al wat het doel dient, en om dat te bepalen is verstand en inzicht vereist. Daarop appelleert Paulus dan ook voortdurend in deze brief. Hij schrijft: "Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat ik zeg" (1Kor.10:14). Of hij vraagt: "leert de natuur zelf u niet?" (1Kor.11:14) . Héél vaak stelt hij de retorische vraag "weet gij niet?" (3:16; 5:6; 6:2,3,9, 15, 16; 9:13,24). Als gelovigen worden we kennelijk geacht het één en ander te weten. Met alle konsekwenties van dien.

Laat ik een voorbeeld noemen uit deze brief. We lezen dat in Korinthe rechtszaken tussen geloofsgenoten gevoerd werden. Paulus komt dan niet met een verbod maar laat wel het absurde van deze situatie zien. "Weet gij niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen?" (1Kor.6:1,2). Waarom naar een rechter stappen om ons gelijk te halen, als diezelfde rechter straks wellicht door óns berecht zal worden? Is het geen gotspe wanneer we als rechters in spé onze meningsverschillen willen beslechten bij lieden die straks voor óns in de beklaagdenbank zullen zitten?

Nog een voorbeeld. Het huwelijk dateert reeds vanaf- en gebaseerd is op- de schepping van Eva. Het kan dus niet anders dan dat het goed is om te trouwen (7:38). Maar de apostel noemt in hoofdstuk 7, niettemin een aantal belangrijke redenen waarom het soms beter (= nuttiger) is om niet te trouwen. Helaas is daar in de christelijke wereld een hele casuïstiek aan opgehangen. Waarmee men dus demonstreert de hele clou van de Korinthe-brief te missen. Het zijn wettische vragen (mag het wél of mag het níet). Mensen die leven 'to the max' hanteren hogere kriteria.

De essentie van 'zonde' is ook niet dat het ongeoorloofd is. Zonde is niet hetzelfde als wetsovertreding. Het woord 'zonde' betekent zowel vanuit het Hebreeuws als vanuit het Grieks 'doel missen'. Trouwens, ook in het Nederlands is 'zonde' in het dagelijks leven 'doel missen'. Wanneer iemand een kopje koffie pardoes op het nieuwe tapijt laat vallen, roepen we: zonde! Dat is geen triviaal misbruik van het woord, integendeel. Het geeft precies aan wat zonde is. De alledaagse betekenis van het woord 'zonde' staat dichter bij de Schrift dan de gebruikelijke religieuze strekking van dit woord. Zonde is wat doel mist en dus niet nuttig is.

Niet alles bouwt op

23 Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.
1Korinthiers 10

Met deze toevoeging in vers 23 wordt het woord 'nuttig' nader gedefinieerd. Nuttig is dat wat opbouwt. En daarmee sluit de apostel aan op belangrijk thema van deze brief. In hoofdstuk 3 had hij de gemeente al vergeleken met een bijzonder bouwwerk, nl. een tempel. Deze tempel heeft één fundament: Jezus Christus. En op dat fundament behoort met deugdelijk materiaal gebouwd te worden. Gods doel in de tegenwoordige tijd is niet de bouw van iets zichtbaars maar de bouw van een geestelijk huis. Een geestelijke tempel. En het gedrag van een gelovige heeft nut voor zover het (een steentje) bijdraagt aan dit bouwwerk.

al wat in de vleeshal te koop is moogt gij eten

25 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar,
1Korinthiers 10

Veel vlees dat in Korinthe op de markt te koop lag kwam uit de afgodische tempels waar het was blootgesteld aan offerrituelen. Voor een aantal gelovige Korinthiërs was deze situatie de aanleiding om dit vlees niet meer te eten. Ze zouden daarmee misschien onder invloed komen te staan van boze geesten. Evangelische gelovigen hebben het tegenwoordig over 'occulte belasting'. Paulus reageert daar in eerste instantie uiterst laconiek op.

de aarde en haar volheid is des Heren

25 Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar, 26 want de aarde en haar volheid is des Heren.
1Korinthiers 10

Dat Paulus in dit verband Psalm 24 citeert maakt zijn betoog ijzersterk. Hij zegt a.h.w. dit: waarom zou je navraag doen of het vlees op de markt wel van de Heer is als héél de aarde en alles wat daarop is van de Heer is?!

Dat Jezus Christus Heer (Kurios) is, d.w.z. Eigenaar betekent dus uitdrukkelijk niet dat we bij elke stap die we zetten ons benauwd zouden afvragen, of 'het wel van de Heer is'. Integendeel, iedere stap die we zetten bevindt zich per definitie binnen de ruimte van Zíjn domein. Daar kunnen we bij voorbaat van uitgaan!

Er zijn twee goede redenen te noemen waarom de aarde en alles wat daarbij hoort het eigendom is van de Heer. In de eerste plaats: Hij heeft het Zelf ontworpen en gemaakt en houdt het vervolgens Zelf ook in stand. Ieder schepsel behoort Hem (als Schepper) toe.

Vanuit het NT komt daar nog een belangwekkende reden bíj. Er is een prijs betaald voor iedereen.

...Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor ALLEN...
1Timotheüs 2:6

Het ganse mensdom is opgekocht, zodat het ook Zijn rechtmatig eigendom als Verlosser is geworden. De waarde van wat op Golgotha plaatsvond is zó groot dat iedereen nu aan Hem toebehoort als Redder! (zie: Mat.13:44 vergl. met 13:38).

In Zondag 1 van de Heidelberger Catechismus wordt geleerd dat er slechts één echte troost is in leven en sterven, nl. te weten eigendom te zijn van "mijn getrouwe Zaligmaker". Welnu - en dat verteld de Catechismus niet...- deze troost geldt ieder mens! Elk mens behoort aan Jezus Christus toe! Als Schepper maar ook als Redder. Het probleem is dat maar zeer weinigen dit 'believen'. Maar hoe zou men ook, als men het niet te horen krijgt? Gelukkig verandert dit geen millimeter aan deze reusachtige waarheid!

indien één der ongelovigen jullie uitnodigt...

27 Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar.
1Korinthiers 10

Het is voor de apostel geen enkel probleem om aan tafel te schuiven bij ongelovigen en alles te eten wat wordt voorgeschoteld. Zonder ook maar enige navraag te doen naar de aard en herkomst van eventueel occult besmet vlees. We mogen aannemen dat degene die slechts één Heer over alles erkent, niet in het minst rekening houdt met afgoden.

De houding die Paulus hier toont is een heel andere dan die dikwijls in de evangelische wereld gepropageerd wordt. Daar wordt vaak angst voor demonen aangepraat. Er bestaat b.v. een dik handboek om de gelovige vooral toch maar goed te informeren over alles wat occulte achtergronden heeft. Want je zult maar onbewust met demonische aangelegenheden besmet raken... Kijk goed uit bij de apotheek want bepaalde drankjes kunnen je occult belasten. Let ook op bij de sportschool want bepaalde sporten hebben een demonische achtergrond. Bij de dokter is het helemaal oppassen geblazen. Zelfs in de supermarkt schijnen wasmiddelen te liggen die niet helemaal 'clean' zijn. Paulus zegt: eet alles, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar. Tenzij...

indien iemand tot u zegt...

28 Doch indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, en om het geweten. 29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten?
1Korinthiers 10

Wat nu wanneer je (ongevraagd!) geïnformeerd wordt over afgodische achtergronden van bepaalde artikelen? Als gelovige zul je toch niet geassocieerd willen worden met afgoderij? Het kan zijn dat je geprovoceerd wordt door een ongelovige die je vertelt dat x (vul zelf maar in) met afgoden en duistere zaken te maken heeft. Of dat een kersverse gelovige die in zijn "geweten nog niet los van de afgod" (1Kor.8:7) moeite heeft met een bepaald gebruik vanwege de associatie. Iemand die zwaar in occulte zaken bezig geweest is en vervolgens tot geloof komt, zal in zijn of haar geweten niet 1-2-3 los zijn van al die duisternis. Heel veel waar zo iemand mee in kontakt komt roept nog allerlei afgodische herinneringen op. In zo'n situatie is het van groot belang niet slechts te weten dat "alles is geoorloofd". Veel belangrijker is dan de vraag: is het nuttig? Zou het tot opbouw van de Gemeente zijn wanneer ik de ander, door gebruik te maken van mijn vrijheid in opperste staat van verwarring breng? Misschien krijgt die ander wel door mijn gedrag een heel verkeerd beeld van waar het bij het geloof in Christus om gaat. Het zou ook kunnen zijn dat de ander gestijfd zou worden in duistere praktijken. In al die gevallen zouden we kansen missen door onze vrijheid uit te buiten (1Kor.8:7-13).

onder dankzegging

30 Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dankzeg?
1Korinthiers 10

Eerder zagen we dat 'nuttig' betekent dat het (de Gemeente) opbouwt. Nu vinden we (in vers 30 en 31) nóg een kenmerk van wat 'nuttig' is. Nuttig is alles waarvoor we kunnen dankzeggen.

"Dankt onder alles" is het steeds weerkerende refrein in Paulus' brieven (1Thes.5:18; Kol.3:17; Ef.5:20). Logisch, want als gelovigen kennen we vanuit de Schrift een Heer aan Wie alles toebehoort en die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft (1Tim.6:17) en die in al onze behoeften "naar Zijn rijkdom" heerlijk voorziet! (Filp.4:19) Stuk voor stuk redenen om ons ten alle tijde te danken.

Het hier gebruikte woord voor 'dankzeggen', is in het Grieks vrijwel identiek aan het woord voor 'genade' (charis). En de grondbetekenis van 'charis' is: vreugde. De achterliggende gedachte is dat genade alles is wat vreugde bereid en dankbaar maakt. God maakt ons onverdiend blij en dat bewustzijn heet: dankbaarheid.

Elders lezen we dat alles wat God geschapen heeft voortreffelijk is en niets daarvan verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt (1Tim.4:4). Wat maakt dus iets voortreffelijk? God dankzeggen voor hetgeen Hij geeft. M.a.w. de kwaliteit van ons leven wordt dus bepaald door de mate waarin we God dankzeggen. Leven = loven. Paulus spreekt daarom ook over overvloeiende zijn in dankzegging (Kol.2:7).

"Danken onder alles" betekent: niet alleen danken onder omstandigheden die wij als goed ervaren, maar onder alle omstandigheden. Job wist dit en vroeg: zouden we het goede van God aannemen en het kwade niet? (Job 2:10) Het lijden van de tegenwoordige tijd, is slechts de donkere achtergrond waartegen de werken Gods openbaar moeten worden (Joh.9:3). Het negatieve is negatief vanwege ons beperkte zicht. We zijn niet in staat het hele 'plaatje' te overzien. Zouden we dat wél kunnen, dan zouden we ontdekken dat iedere 'min' feitelijk een 'plus' is, dat nog niet af is. Op het hoogste niveau beschouwd, gaat er dus niets mis. Wie dankt onder alles, gaat daar op voorhand van uit. Het is de meest fundamentele reden om God te danken in alles.

alles ter ere Gods

31 Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods.
1Korinthiers 10

Voor God bestaan er geen triviale zaken. Eten en drinken hoeft niet niet minder tot Zijn eer te zijn dan het zingen van een geestelijk lied. God gaf ons een mond om Hem te loven maar net zo goed om mee te eten en te drinken. En niet te vergeten: om mee te lachen! Hij en niemand anders ontwierp en maakte ons lichaam. Zodat we Hem ook zouden danken m.b.t. al deze zaken. Dat heet onze "logische eredienst" (Rom.12:1).

Verder blijkt dat God dankzeggen en Hem verheerlijken, min of meer synonieme begrippen zijn. Door God te danken onder alles, stellen we Zijn heerlijkheid in het licht als Degene uit, door en tot Wie alle dingen zijn.

Van de mensenwereld wordt gezegd dat...

hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet ALS GOD verheerlijkt of gedankt.
Romeinen 1:21

Daar gaat het om: God eren als God.
Het woord 'God' betekent in het Grieks (etymologisch gezien) 'plaatser' (the'os is afgeleid van het werkwoord voor 'stellen' of 'plaatsen'). Een enorme 'eye-opener' voor wie oog krijgt voor het feit dat God werkelijk GOD is, d.w.z. dat Hij alles (op Zijn tijd en wijze) de plaats geeft die Hij wil. Dit te ontkennen leidt tot GODSverduistering. Paulus zegt: "het is duister geworden in hun onverstandig hart" (Rom.1:21). Al wat plaats vindt, vindt plaats omdat het een plaats krijgt van de 'PLAATSER'. Al wat gebeurt, maakt (al is het maar als decor) deel uit van het Meesterstuk dat God aan het maken is!



ga naar thuis-pagina