ga naar thuis-pagina
laatste wijziging: 16 januari 2004

DE DUIVEL ZONDIGT VAN DEN BEGINNE

Sinds wanneer zondigt de duivel? Was hij misschien eerst goed en begon hij pas later met zondigen? We hoeven hierover niet te filosoferen, omdat de Schrift op deze vraag rechtstreeks antwoord geeft.

"... de duivel zondigt VAN DEN BEGINNE"
1Johannes 3:8

Om deze uitspraak te begrijpen, hoeven we alleen maar een vergelijking te maken met het allereerste mensenpaar. Zondigde Adam en Eva "van den beginne"? Het antwoord is: nee en nog eens nee. Adam en Eva waren aanvankelijk goed en zijn pas later "in overtreding gevallen" (1Timotheüs 2:15). Als het gaat om de zonde van de mens, staat er uitdrukkelijk

"... van den beginne is het NIET zo geweest."
Matteüs 19:8

De duivel staat hiermee in schril contrast. Vanaf de aanvang is hij een duivel (diabolos = dooreenwerper, lasteraar) en zondigt hij. Van andere engelen lezen we dat ze hun oorsprong niet bewaarden en zó vervielen tot het oordeel (Judas: 6). Zo niet satan. Hij staat niet alleen nu niet in de waarheid, maar ook in het verleden stond hij niet in de waarheid.

"... een mensenmoorder van den beginne en staat niet (letterlijk: HEEFT NIET GESTAAN) in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen."
Johannes 8:44

Zowel de versie van het NBG ("... staat niet in de waarheid") als die van de SV ("niet staande gebleven") komt niet overeen met de werkwoordsvorm die hier wordt gebruikt (voltooid tegenwoordige tijd). De satan staat niet alleen maar niet in de waarheid, hij heeft ook niet gestaan in de waarheid. Zijn aard is namelijk dat hij liegt. Dat is de verklaring! Een koe loeit, een slang sist en de duivel liegt. Deze eigenschappen zitten er in "van den beginne". Want God heeft ze zo gemaakt:

"DE SLANG NU WAS LISTIGER dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE GOD GEMAAKT HAD; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?"
Genesis 3:1 (SV)

Wie heeft de listige slang gemaakt? Wat een vraag! Wie heeft de giraffe gemaakt? Wie heeft de leeuw gemaakt? Uiteraard God Zelf! Dat is niet slechts vanzelfsprekend - het staat er in Genesis 3 zelfs uitdrukkelijk bij!
Een andere Schriftplaats dat aan satan's oorsprong refereert vinden we in Job.

"Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de snelle slang geschapen."
Job 26:13

Het woord dat hier door de Staten Vertaling wordt weergegeven met '"heeft geschapen", vertaalt het NBG met "doorboorde". Elders (in b.v. Jesaja 45:10 en 54:1 wordt het vertaald met "(barens)weeën"). Gods hand leed barensweeën om de snelle slang (zie Concordant Version). God creëerde de slang en leed daarbij pijn. Begrijpelijk, want dit schepsel (met zijn gespleten tong) zou de leugen en daarmee het kwaad in de wereld introduceren. Het kwaad dat niet anders is dan de donkere achtergrond , waartegen God Zijn deugden etaleert. De creatie van de slang was een noodzakelijk kwaad. Vandaar de geboortepijnen die God ondervond, toen hij dit wezen voortbracht.

Maar is de satan dan niet van origine een engel des lichts (Lucifer)? Nee, al is dat wel wat hij iedereen graag wil laten geloven.

"En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.."
2Korinthe 11:14 (SV)

Niet een engel des lichts die veranderde in satan, maar een satan die zich verandert in een engel des lichts. Precies omgekeerd dus!

Maar hoe zit het dan met de twee Schriftgedeelten (Jesaja 14 en Ezechiël 28) die steevast worden aangehaald, om de leer van satan's val te ondersteunen? Het antwoord is heel simpel: beide Schriftgedeelten gaan helemaal niet over satan.

Om met Jesaja 14 te beginnen:

"Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegde nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen."
Jesaja 14:12-14

Wanneer we de hele perikoop lezen (13:1-14:23) blijkt het te gaan over koning van Babel. Overigens, niet een koning van Babel in het verleden, maar over een toekomstig figuur in "de dag des HEREN" (13:9). De beschrijving doet sterk denken aan "de mens der zonde" (in 2Thessalonika 2), die zich in de tempel Gods zal zetten om te laten zien dat hij god is. Hoewel hij naar ongekende hoogten zal stijgen, zal het tragisch met hem eindigen:

"... uw trots is in het dodenrijk neergeworpen (...) het gewormte ligt onder u gespreid en maden zijn uw bedekking."
Jesaja 14:11

Het moet duidelijk zijn dat hier het lot van een mens beschreven wordt, en niet van satan. Vermeld moet ook worden dat het woord 'morgenster' (vers 12) niet correct is. Van 'morgensterren' is sprake in Job 39:2, maar daar betreft het een heel ander woord. Het woord in Jesaja 14:12 is 'heileel', dat een vorm is van het werkwoord 'jalal', hetgeen 'jammeren' betekent (zie vers 31). Er staat dus in vers 12: "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, jammerlijke, zoon van de dageraad...".

De tweede Schriftplaats dat geacht wordt te spreken van satan's val is Ezechiël 28. We lezen daar:

"Mensenkind, hef een KLAAGLIED aan over DE KONING VAN TYRUS en zeg tot hem: zo zegt de Here HERE: Volmaakt zijt gij van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. In Eden waart gij, Gods hof (....) Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden, wandelend te midden van vlammende stenen. Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werdt totdat er onrecht in u werd gevonden"
Ezechiël 28:12-15

De vorst van Tyrus pretendeerde een god te zijn. In deze satire (een klaaglied heet het) wordt gerefereerd aan zijn aanmatigingen. Maar God zet hem op z'n plaats. Tot tweemaal toe wordt gezegd dat het niet om een god maar om een mens gaat.

"Mensenkind, zeg tot de vorst van Tyrus: zo zegt de Here HERE: omdat uw hart hoogmoedig geworden is en gij ZEGT: ik ben een god, een godenwoning bewoon ik midden in zee, (TERWIJL GIJ EEN MENS ZIJT EN GEEN GOD)..."
Ezechiël 28:2

"Zult gij dan nog zeggen: ik ben een god (TERWIJL GIJ EEN MENS ZIJT EN GEEN GOD)..."
Ezechiël 28:9

Ook wordt vermeld hoe de vorst aan z'n einde zou komen.

"In de groeve zullen zij u doen neerdalen, gij zult de bittere dood der gesneuvelden sterven, midden in zee."
Ezechiël 28:8

"Ik maakte u tot as op de grond voor de ogen van allen die u zagen. Allen die onder de volken u kennen, ontzetten zich over u; een verschrikking zijt gij geworden, verdwenen zijt gij. Voor altijd!"
Ezechiël 28:18,19

Behoeft het een betoog dat de hier beschreven figuur niet de satan kan zijn? Is het eigenlijk niet verbazend dat men in de theologie expliciete uitspraken (zoals: "hij zondigt van den beginne") over satan wegredeneert terwijl men uitspraken die nadrukkelijk handelen over koningen onder de mensen, laat slaan op satan?! Overigens, kent de Schrift wel een val van satan, maar dan één in de toekomst. Johannes spreekt daarover in het laatste Bijbelboek.

"En de grote draak werd [op de aarde] geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem."
Openbaring 12:9

Tot op vandaag is satan's positie in de hemel (zie ook Job 1). Op een zeker moment in de toekomst zal hij deze plek moeten prijsgeven. Hoe dit verder ook zij, Openbaring 12 spreekt niet van een val van satan in het verleden. Evenmin als daar elders in de Schrift sprake van is. Het idee dat satan ooit goed geschapen zou zijn, maar onbedoeld een tegenstander van God werd, maakt dat God heeft gefaald; een idee dat de aartsleugenaar ons natuurlijk graag wil laten geloven! Maar wanneer God satan geschapen heeft om tegenstander te zijn, dan is Gods werk niet mislukt en doet satan precies datgene, waarvoor hij bestemd is. Satan is dan geen zelfstandige godheid die ervoor kon zorgen dat God op Plan B moest overschakelen, maar een knecht van God, die EXACT beantwoord aan Gods volmaakte 'script'.

"Opdat men wete, van de opgang der zon en van de ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer. IK formeer het licht, en SCHEP DE DUISTERNIS; Ik maak de vrede EN SCHEP HET KWAAD, Ik, de HEERE, doe AL deze dingen."
Jesaja 45:6,7

"Zie, IK ben het, die de smid geschapen heb, welke het kolenvuur aanblaast en naar zijn kunst het wapen vervaardigt, maar IK ben het OOK, DIE DE VERDERVER GESCHAPEN HEEFT OM TE VERNIELEN."
Jesaja 54:16


appendix: de vorst van Tyrus


 

ga naar thuis-pagina